In Extremis

Part 7

Chapter 74,171 wordsPublic domain

Touristen kwamen langs haar heen, wierpen een verwonderden blik op haar of zagen haar nauwelijks aan; zij hadden het druk over dat "wunderhübsche Aussicht" over dit punt over dat gezicht. Oude dames, die altijd kleine en groote duitsche gezelschappen vergezellen; en ons den afkeer voor de duitsche "Schwiegermütter" helpen begrijpen, kwamen hijgend en blazend naast haar zitten, bezorgde moeders lieten angstige gilletjes als haar lievelingen te dicht bij de ijzeren balustrade kwamen; andere vonden het de moeite niet waard een gesprek over "de Kinderwäsche" te interrompeeren alleen omdat men hier op een hoogte is, welke men beklommen moet hebben voor het mooie gezicht. Een enkelen keer hoorde zij Hollandsch praten, Hollandsch Duitsch voorlezen uit Baedeker of Mayer. Zij liet hen praten en hoorde hen als spraken zij in een droom.

"Slaapt die juffrouw?" hoorde zij een hollandsche oude heer gemoedelijk vragen.

"Ach gunst: Het schaap zal kou vatten," meende zijn bezorgde vrouw.

En ook zij gingen weer verder en zij bleef over, steeds meer en meer alleen, want het restje hoop dat haar gesteund en moed gegeven had om hier boven op te komen, werd kleiner en kleiner en eindelijk bleef er niets van over.

Ach! zij had het immers wel gedacht, dien langen, langen winter door! Het was te dwaas daaraan te hechten, en toch blonk dit koepeltje, dat zij jaren geleden eens in het voorbijgaan had gezien, als een heldere ster in het doffe grijs dat haar leven en haar gedachten omhulde; hoe dikwijls droomde zij er van en werd dan wakker, trillend van vreugde omdat zij zich een oogenblik verbeeld had dat haar wensch vervuld, haar verwachting bewaarheid werd.

En toen het tijd was op reis te gaan, begaf zij zich op weg, alleen, altijd alleen, maar toch met zooveel hoop, zoovele illusiën, zij voelde zich zoo rijk als nooit te voren. Zij bezocht groote steden, Aken, Keulen, Cassel, zij zag alles wat men zien moest. Zij beklom den Wartburg, zij wandelde door het Annathal, zij zag alles wat zij moest zien, maar het was of ze een droomleven leidde, of wat zij hoorde en zag niet tot het diepste van haar wezen doordrong, want dat wezen was slechts één wensch, één verlangen. Maar naarmate de bepaalde dag naderde zonk haar moed, verdwenen haar illusiën, smolt haar droom inéén; het licht dat uit haar binnenste te voorschijn gloorde en alles om haar heen zoo fantastisch, zoo onwerkelijk tintte, werd flauwer en flauwer, zij stond op het punt terug te gaan of verder, veel verder heen te reizen, zich te verbergen, en toen glimlachte ze weer, een wreeden, droeven glimlach. Waartoe zou het ook dienen? Hij zou er toch niet wezen; dat begreep zij immers alsof iemand het haar gezegd had.

Zij voelde zich zwak, zoo zwak, dat zij de groote verrassing, de namelooze blijdschap niet zou kunnen dragen en als zij hem had zien staan in het hooge tempeltje, als zij die stem waarvan de klank haar zonder ophouden in de ooren ruischte weer had mogen hooren, als zij die armen om haar heen zou voelen en zij zich nestelen kon aan zijn borst om daar uit te rusten van alles wat haar zoo had afgemat.

Maar hij was er niet; en toen zij dien berg als 't ware was opgekropen en den koepel ledig vond, toen begreep zij pas hoe groot de hoop was geweest, waarop zij had geleefd een jaar lang, hoe deze haar als het ware had voortgedragen en hoe zij nu zwak en hulpeloos werd, nu deze haar begaf.

Zij zonk op een bank neer, te moe, te teleurgesteld dan dat zij nog deze ééne gedachte denken kon: "hij kan nog komen!"

Neen, zij wist het nu, hij was weg, weg; hij had het vergeten of misschien kon hij niet komen, misschien was hij ziek, dood! Zij glimlachte treurig. Dood, hij die reus vol kracht en levenslust, terwijl zij zwakke nog leefde, zij nog hierheen kon kruipen.

Geen blik had zij meer voor de bergen om haar heen, voor het liefelijke dal, dat zich aan haar voeten kronkelde, voor al die donkergroene heuvels, waartegen ginds de stad met haar villa's aan beide zijden opsteeg.

Zij dacht aan de legende van dit Gottlobtempeltje; daar tegenover verhief zich eens de sterke burcht de Schauenburg op den bergtop; hij werd bewoond door een ongemakkelijk heer, die een eenige dochter bezat.

Tevergeefs wierven de jonge ridders uit den omtrek om haar hand; de vader gunde haar aan niemand, òf hij moest haar op den arm nemen en met haar onafgebroken voortloopen tot den tegenoverstaanden heuveltop.

Een ridder zag haar aan en in haar blik lag zeker een aanmoediging want hij nam de jonkvrouw op den arm, snelde den Schauenburg af, een anderen berg op. Hijgend volbracht hij den tocht, "Gottlob!" riep hij uit, zijn kostbaren last op dit plekje neerleggend en op hetzelfde oogenblik stortte hij dood aan haar voeten.

"Waarom ben ik hier niet dood gevallen? Was mijn last minder zwaar? mijn liefde, mijn hoop, mijn toekomst, alles heb ik meegedragen, alles dien berg opgesleept en mijn arbeid is even vergeefsch als van dien trouwen ridder. Hier lig ik uitgeput, afgetopt!"

De uren vergingen, zij zat er nog steeds; in de eerste oogenblikken had zij nog onwillekeurig getrild, had zij nog even het hoofd opgelicht als er vreemden naderkwamen, maar nu deed zij het niet meer. Zij zou zijn stap immers wel herkennen onder duizend, en hij kwam niet, neen hij alleen niet!

De duisternis steeg uit het dal op, naar boven, en ontmoette daar de schaduwen, door dikke wolken geworpen over het landschap; zij sprong op, groote druppels vielen over haar gelaat. Het was bijna donker, beneden in de stad ontvonkte het eene lichtje na het andere; en als wezenloos zag zij rond, een koude wind gierde door de boomen, kwam van de bergen af en deed de takken buigen en kraken, in de verte loeide reeds de storm, doffe slagen rommelden reeds dicht bij haar, het onweer dreigde haar te omringen.

"Gottlob!" zeide zij, blijde dat prikkels van buiten haar dwongen op te staan, zich te verzetten, die doodelijke loomheid van zich af te schudden.

Een oogenblik dacht zij in haar exaltatie of het niet mogelijk was hier te blijven op den grond te liggen en te wachten wat de storm over haar besloten had; dan zou men haar lijk morgen vinden en dan las hij het misschien in de couranten hoe trouw zij geweest was, aan haar woord, trouw tot aan den dood.

Maar neen! een laatste overblijfsel van fierheid richtte haar op; neen, dat mocht hij niet weten tot geen prijs; zij moest van hier, hoe spoediger hoe beter! Hij dacht misschien niet eens meer aan dat zonderlinge samenzijn op de "Columban"; in elk geval hij vond het blijkbaar te dwaas op het rendez-vous te komen, dat gaf nieuwe verplichtingen, en als hij nu hoorde, welke dwaasheid zij met het leven bekocht had, dan dacht hij misschien nog in dat grenzenlooze egoïsme wat zij toen juist zoo aantrekkelijke, zoo echt mannelijk gevonden had:

"Gelukkig dat zij er alleen was!"

Zij had niets bij zich dan haar wit kanten parasol; haar donkerblauw foulard kleedje met zooveel zorg gekozen voor dezen dag, was reeds na de eerste minuten doornat, boven haar zwiepten de takken als in radeloozen angst dooréén, de wind geeselde hen onbarmhartig, een akelig geel licht brak tusschen de wolken door en zij sloot rillend de oogen; hoe zou zij den weg vinden in de aanbrekende duisternis, en de donderslagen kwamen nader en de wind stak hooger en hooger op. Zij sloot de oogen en liep voort, altijd voort het pad langs, dat zonder afwijkingen in zigzags naar beneden voerde.

De wind joeg haar als met doornige prikkels in het gezicht, bij een kromming van den weg stuwde hij haar vooruit; en zij vloog zoo snel als een afgevallen blad voort het pad af. De regen stroomde nu in ratelende stralen over haar heen, de bergpaden dreven in het water. Zij zakte tot over haar enkels er in, als zij even haar stap matigde. Daar stond zij voor een kruisweg; wanhopend bleef zij staan en wrong de handen.

"Waarom ben ik zoo alleen, altijd alleen! o God, o God, laat mij hier sterven!"

Weer die bekoring om neer te vallen op den doorweekten grond en regen en wind om haar heen te laten bruisen en den dood te wachten; daar scheurde de duisternis door een bliksemstraal, ja, nu wist zij het, dien weg moest zij nemen, die ging regelrecht naar beneden.

Zij liet zich zakken van boomstam tot boomstam, dan gleed haar voet uit, dan scheurde zij het vel harer vingers, dan schrampte zij haar voorhoofd, en altijd door stroomde het water onder haar voeten, altijd kreunde de wind boven haar hoofd, altijd slingerden de takken heen en weer.

"'t Is de moeite niet waard, waarom strijd ik eigenlijk nog voor mijn leven?" dacht zij telkens en de ziekelijke zucht tot analyseeren van haar sensaties, tot het opdiepen van haar gevoelens verliet haar nu zelfs niet, "en toch ik moet voort, ik moet voort, zooals ik daar straks moest blijven zitten, uren lang!"

En zij werkte zich naar beneden bij het laatste glimpje licht dat nog tusschen wolken en boomen drong, en altijd door bleef die verkilling in haar binnenste, dat gevoel alsof haar ziel een doodenkamer was, waarin stil geweend werd om een gestorven illusie. Zij had haar hoedje verloren, de parasol moeten opgeven, eindelijk stond zij beneden, gewond, gehavend, beslijkt, de kleeren in flarden, zonder adem en nog had de wind niet met haar afgerekend, nog duwde hij haar onbarmhartig voort, steeds voort. Zij hijgde en streek zich de haren uit de oogen en onwillekeurig dacht zij weer aan de "Columban," waar zij voor den spiegel datzelfde haar opstak en zijn gezicht naast het hare verscheen.

Zou het nu altijd zoo blijven, zou zij nu altijd zoo moeten voortleven, met dat gevoel van een doode met zich mee te dragen in haar hart? Daarom was dat hart zoo zwaar, tot brekens toe zwaar, zoo zwaar als men haar hoofd had gemaakt, daarom viel het haar zoo moeilijk zich voort te slepen; gelukkig de wind droeg haar nu!

O die herinneringen! Het vorige jaar speelde ook de wind om haar heen toen zij het eerst zijne stem hoorde met haar eigenaardig engelsch accent; kon zij dan niets denken, niets gevoelen zonder dat als een bittere nasmaak die heugenis zich daaraan hechtte?

Wat was zij toen anders geweest op de "Columban", zoo pittig, zoo krachtig, haar hart was ledig, maar daarom ook zoo open voor elken frisschen indruk. In Staffa had zij geschreid van aandoening omdat het groote schouwspel haar zoo overweldigde; na dien tijd had zij nog dikwijls geschreid, maar dan was het van kinderachtig verlangen, maar nu zou zij het nooit meer doen!

Hij moest haar nu zien, hij, zooals zij hier verloren ronddwaalde, de natte gescheurde kleeren gekleefd aan haar lichaam, het water siepelend langs haar huid, druipend uit haar kleeren, zoo klein, zoo nietig, zoo armzalig, niemand die om haar gaf, niemand die wist waar ter wereld zij was. Zij had daar op dien berg wel kunnen sterven zonder dat men haar miste. O, hoe zou hij haar nu vinden, zooals zij daar stond? Neen, dan zou hij haar juist lief krijgen, haar beklagen, in zijn sterke armen opnemen, dragen door wind en regen.

En toen snikte zij het uit van medelijden met zich zelf, tranen rolden langs haar door den regen reeds zoo nat gezichtje: zij drukte de handen tegen de oogen en rende voort door de stille straten van het stadje naar de kleine zijstraat waar het huis stond, waarin zij een kamer bewoonde.

De goede thuringsche vrouw, haar hospita, kwam haar aan de huisdeur te gemoet. Zij was zoo ongerust, waar "das Fräulein" toch geweest was. Och, wat klappertandde zij! zij kan niet spreken, zij moest zich maar spoedig uitkleeden, dadelijk naar bed. Zij zou haar een warm glas wijn klaar maken en toen zij onder een hoop dekens en donzen bedden lag in het verlichte kamertje, en de hospita haar een glas gloeienden wijn bracht, toen doorstroomde Andrée een behagelijke warmte, een gevoel van veiligheid omving haar en met het gelaat tusschen de kussens herhaalde zij telkens: "Wat ben ik toch gek geweest, gek, gek, gek!"

VI.

Casper van Eyken was geëngageerd sedert eenige maanden.

Het was zoo gekomen; hij had een fabriek in Holland gekocht en zou deze nu zelf besturen: door den dood zijner moeder was hij in het bezit geraakt van een aardig kapitaaltje en Glasgow verveelde hem in den laatsten tijd. In den voorzomer was hij dus naar Holland verhuisd en had in het stadje, waar de fabriek stond zijn intrek genomen; toen de eerste drukte van het in gang brengen der zaak voorbij was, begon hij het verbazend eentonig te vinden in de stille omgeving; hij sukkelde met de meiden, zijn huis was zoo groot en zoo leeg, zijn zusters hielden niet op met hem voor te houden hoe verstandig hij zou doen te trouwen, de dames in de stad hadden het allen op hem gemunt, en op een zekeren avond bij gelegenheid van een societeitsbal werd zijn aandacht gevestigd op een mooi, frisch meisje van negentien jaar, een blondine met verblindend teint dat die nieuwerwetsche liefhebberijen en pretentiën, welke hij zoo verafschuwde, volstrekt niet had.

Dit meisje was doodeenvoudig hoewel zij tot de eerste families van het stadje behoorde. Zij had den naam een goed huishoudstertje te zijn. Zij kon zoo alleraardigst lachen om elke kleinigheid, die hij zeide en dus deed Casper alle moeite zich te verbeelden dat zij een uitstekende vrouw voor hem zou zijn en dat hij verliefd op haar was.

Hij vroeg haastig haar hand, kreeg ze even haastig, zond haastig de verlovingskaarten rond en had nog haastiger willen trouwen als de familie van Emilie er niet tegen was geweest. Vader en moeder deelden nog het ouderwetsche idée, dat men elkander in het engagement moet leeren kennen, hun dochter was nog zoo jong, zij konden best nog een paar jaar wachten en met heel veel moeite kreeg Casper het er door, dat het huwelijk tegen het begin van den winter zou worden voltrokken.

Zijn familie was vrij ingenomen met zijn keuze, Berkmans alleen had iets degelijkers voor hem gewenscht, maar de zusters en de andere zwagers vonden haar een snoesje en zoo bij de hand, zelf japonnen maken, zelf het huishouden doen. Goddank, dat Cas op haar zijn keus had laten vallen! Zij waren altijd zoo bang geweest dat hij eens een dolle streek zou doen, met een engelsche schoonzuster er aankomen, die zij niet eens konden verstaan, die alles anders deed dan zij, of een meisje van minderen stand, een actrice of zoo iets, neen, Emilie was uitstekend voor hem geschikt, het zou een allergelukkigst huwelijk worden, daar twijfelden zij niet aan.

En Casper zelf?

Hij wond zich op, hij zocht verstrooiing, hij bedwelmde zich aan de schoonheid van zijn aanstaande, maar wanneer hij alleen was, voelde hij zich wanhopend leeg van binnen.

Men kon toch niet altijd met elkander stoeien, lachen, zoenen, en wat was zijn verloving anders? De vrouw met allerlei liefhebberijen, met hooge aspiratiën, die op hem neer zou zien, die onbegrepen in een zoogenaamd schijnhuwelijk met hem zou leven, was hij ontsnapt, maar was hetgeen hem nu wachtte niet nog erger?

Toen Augustus naderde begon hij zich nog meer op te winden, nog meer wijs te maken dat Emilietje het ideaal eener vrouw voor hem was; eigenlijk begonnen de banden, die hem aan haar bonden reeds pijnlijk te drukken. "Als wij getrouwd zijn, zal het wel beter gaan," maakte hij zich zelf wijs, maar geloofde zich zelf niet. Hij voelde zelf reeds bij intuïtie dat hij een maand na zijn huwelijk het gevoel zou hebben van in een kooi opgesloten te zijn, tegen welks traliën hij dan wanhopend zou opspringen.

De herinnering aan juffrouw Bauer was geheel op den achtergrond geraakt; in den drukken winter, die bijna geheel voorbij ging in onderhandelingen over den aankoop der fabriek, had hij geen tijd gehad aan haar te denken. Soms als hij een oogenblikje door het een of ander herinnerd werd aan dien zeetocht moest hij onwillekeurig glimlachen als om een dwaasheid, maar toch vond hij het een prettig hoekje in den tuin zijner herinneringen; het was hem een feest daarheen te vluchten en er eens in rond te wandelen; als hij aan haar geestig lachje dacht, trilde er nog altijd iets aangenaams in zijn ziel.

In de eerste maanden had hij zich vast voorgenomen, op het rendez-vous te komen, maar later vergat hij deze afspraak meer en meer, en toen de gedachte aan dat vreemde meisje geen beletsel meer voor hem was zich met Emilie te engageeren, had hij elk plan om op den afgesproken tijd naar Friedrichroda te gaan, natuurlijk opgegeven.

Juist op dien dag vierde de stad het vijftig-jarig jubilé van een zangersvereeniging; hij had logés over, er werd druk feest gevierd en hij dacht pas aan den datum toen deze reeds een week oud was.

"Zij heeft mij ook vergeefsch zitten wachten op dien berg," dacht hij, "maar 't is toch zeker maar gekheid van haar geweest. Verbeeld je, wat een mal figuur ik had gemaakt, als ik die reis daarheen had ondernomen om daar uren lang te wachten op een dame, die niet kwam en zich in stilte verkneukelden over de poets, die zij mij speelde. Ik ben wijzer, hoor!"

Maar dan kon hij soms er met angst aan denken dat Andrée hem vergeefs had gewacht, dat voor haar die woorden hooge ernst waren geweest, en dat zij bedrogen zou zijn omdat hij niet verscheen.

Vreemd, hoe meer de tijd van zijn huwelijk naderde hoe meer hij aan Andrée dacht; vooral als Emilie lachte, kwam haar ernstig ovaal gezichtje met de diepe lijnen langs de kin telkens voor hem op, en dan zag hij weer die aardige kuiltjes en die vonkelende oogen, waaruit de ziel zich baan brak naar buiten.

Bij Emilie geen spoor van zoo iets; zij zag er altijd even mooi, even frisch en kalm uit, haar lach deelde zich nooit mee aan haar oogen, de frissche lippen schitterden om de prachtige tanden, maar de oogen bleven altijd even onverstoorbaar kalm en nietszeggend; zij hadden ook niets te zeggen, er ging achter hen blijkbaar niets om.

Het huwelijk werd weer uitgesteld tot het begin van het volgend jaar; mama kon niet klaar komen met den uitzet, Casper was boos.

"Als er niets van de heele trouwerij komt, is het hun schuld en niet de mijne," schreef hij aan een zijner zusters.

Hij werd hoe langer, hoe ongeduriger en prikkelbaarder; die eeuwige lach van zijn meisje, soms in giegelen ontaardend en dat zij in alle omstandigheden deed hooren; maakte hem zenuwachtig, ja zeker, zij zag er allerliefst uit als zij lachte, maar hij kende dat lieve gezicht nu eenmaal en zou zoo graag haar desnoods wat minder lief hebben gezien, maar dit gebeurde nooit als hij er bij was. Kwade tongen beweerden dat juffrouw Emilie te huis de schade inhaalde en dan soms heele dagen allesbehalve lief keek om de minste kleinigheid, die haar niet beviel en dikwijls ook om niets; alleen uit louter plezier.

Het werd Maart en Casper begon het als een last te beschouwen dagelijks naar de ouders van zijn meisje te gaan, met haar te wandelen en te vrijen; als zij eens een dag uit de stad was, voelde hij zich gelukkig eens op zijn gemak in zijn luien stoel te kunnen liggen om te lezen of te denken. De gedachte dat Emilie over eenige maanden hier tegenover hem zou zitten en altijd lachen drukte hem.

"Ik ben niet geschapen voor een huwelijk, ik heb het altijd gevoeld," bromde hij in zich zelf, "het loopt bepaald mis met mij of ik Emilie trouw--of een ander."

Maar dan dacht hij er aan òf hij het ook zoo hinderlijk zou vinden als die andere tegenover hem zat met haar kalme manieren, haar verstandige oogen en haar geestig lachje dat nooit hoorbaar werd; neen, hij sloot de oogen en kneep zijn handen in elkaar, daar kon hij niet aan denken, dát was beter dan eenzaamheid.

Hij vond het een verademing toen zijn aanstaande schoonmoeder hem voorstelde met haar en Emilie eens naar Amsterdam te gaan, om nog eenige inkoopen te doen voor den uitzet; zij en Emilie zouden bij een vriendin logeeren, hij kon naar een hotel gaan.

Dat idée wekte hem op, dat gaf verandering, misschien verbetering: die nieuwe indrukken zouden Emilie waarschijnlijk wakker maken, een beetje pittigheid brengen in haar lach, in haar conversatie, en een ander denkbeeld, dat hij met geweld trachtte te onderdrukken kwam telkens en telkens terug.

In Amsterdam woonde juffrouw Bauer, wie weet of hij haar niet eens ontmoette, dat hoopte hij eigenlijk niet, in de verte zien maar, iets naders van haar hooren, want wat zou hij haar nu zeggen, eigenlijk had hij haar zeer leelijk behandeld, want hij had haar toch in alle ernst ten huwelijk gevraagd. Wanneer zij hem als een eerlijk man beschouwde dan had zij alle redenen hem te minachten en hij zou zich doodschamen als hij haar ontmoette met zijn mooie Emilie aan den arm.

VII.

Zij wandelden langs de grachten, Emilie liet haar mama met haar gastvrouw op haar gemak winkelen; zij was zoo blij haar "ventje" voor zich zelf te hebben; zij hadden nu samen het Museum gezien en Emilie vond het dol gezellig, maar eigenlijk had niets haar geïnteresseerd dan de "kostumes" van vroegeren tijd en de beelden uit de ethnographische afdeeling.

"De Nachtwacht" daar vond zij niets aan, en Casper was op het oogenblik niet verliefd genoeg om dit een onbetaalbare naïveteit te vinden; hij keek ook niet veel naar schilderijen; het eerste waarnaar hij zocht als hij in een zaal kwam was, óf daar geen schilderesje zat.

Hij verbeeldde zich, hij wist zelf niet waarom, dat Andrée Bauer een kunstenares moest zijn; maar het ging zaal in, zaal uit, schilderessen genoeg, maar van juffrouw Bauer geen spoor.

Het adresboek had hij ook al eens doorbladerd; er stonden verscheidene Bauers in, doch geen enkele alleen staande dame.

"'t Is een obsessie, het laat mij niet met rust hier," dacht hij knorrig, "'t is of zij mij telkens moet te gemoetkomen. Had ik het geweten dat ik zoo door die kleine heks was ingepakt, dan--"

Hij voleindigde den zin niet en begon Emilie te plagen met een jongmensch, die haar op reis erg had gefixeerd en zij lachte, zij lachte tot zij er rood van werd.

"Och, wat ben je toch een flauwert! Denk je dat ik hem aangekeken heb?"

"Zeker, den heelen tijd!"

"Och hoe kan je dat zeggen, ik kijk alleen naar jou."

"Dat weet ik beter."

"Maar jij dan, jij; die, oude jonge juffrouw tegenover ons met dien bril op den neus, gaf je den heelen tijd knipjes met haar schele oogen en jij keek zoo schuin. Ja, ik heb het wel gezien."

"Malligheid! De dames bemoeien zich niet met mij."

"Dat weet je beter."

En zoo ging het voort; dit was een staaltje van de interessante gesprekken, die het jonge paar altijd voerde. Casper voelde er zich soms wee onder worden. Neen, eene domme, mooie vrouw was toch ook geen ideaal, want dom dit was Emilie bepaald, dat merkte hij genoeg; de briefjes die zij hem schreef waren als gesteendrukt zoo prachtig van schrift maar kinderachtig van stijl, wemelend van allerlei fouten.

"En wat dunkt je nu," vroeg zij na een pauze, "zullen wij dat roode behang nemen voor de eetkamer?"

"Wat je wilt liefje!"

"Zeg dat nu niet altijd. Ik wou zoo graag weten wat jij het liefste had."

"Kies maar toe, ik kijk toch nooit naar het behang, ik kijk alleen naar jou."

Ellendige leugenaar! die hij was; hij vond zichzelf verachtelijk, zooals hij al die flauwigheden debiteerde aan dat onnoozele kind, dat weer begon te lachen en zich als een poesje tegen hem vleide. Daar gaf zij een gilletje tusschen twee lachjes door.

"Wat is er?" vroeg hij geschrikt.

"Niets. Er is iets in mijn oog gevlogen. Wil je eens zien?"

Zij sloeg de voile op, knipte met haar oog dat er reeds zeer ontstoken uitzag; onhandig sperde Casper het open, zoodat zij het weer uitschreeuwde van pijn en verklaarde toen dat er niets te zien was.

"Dan is 't er zeker wel uit; 't is de napijn. Men zegt, je voelt het altijd nog een heelen tijd na als het ding er al lang uit is."

"Ja dat zal het wezen."

Zij trippelde weer aan zijn arm voort, maar telkens kwam zij met de vingers aan het oog of drukte er de mof tegen aan.

"O zoo'n pijn, ik kan het niet openhouden. Er is zeker nog iets in."

"Ik heb niets gezien. Maar wrijf er toch niet aan."

"Ik kan het niet uithouden, 't steekt zoo!"

"Dan moeten wij naar een dokter om het te laten nakijken."

"Als ik maar water had."