In Extremis

Part 6

Chapter 64,240 wordsPublic domain

"O, dat alleen, dat alleen! Het ergert uw zwager geweldig, is het zoo niet?"

"Honny soit qui mal y pense! Maar toch ik zou wel willen weten, of u altijd zoo geheel alleen door 't leven gaat als nu door Schotland."

"Ja, geheel alleen. Ik ben onafhankelijk en wil mij niet belasten met een juffrouw van gezelschap, een vriendin, een nichtje of...."

"Een man?"

Zij lachte en antwoordde niet.

"Ik ben ook alleen," zeide Casper voort.

"En u vreest ook uw vrijheid op te geven en op te offeren aan minder aangenaam gezelschap?"

"Juist, dat is 't--minder aangenaam gezelschap, maar voor een vrouw is dat iets anders. Alleen zijn voor een vrouw moet iets vreeselijks zijn."

Zij schudde het hoofd.

"Ik heb het nooit gevonden."

"En als de dag komt dat u het vindt?"

Zij zag hem aan met diezelfde troostelooze uitdrukking van zooeven.

"Dan zal ik 't nog bitterder betreuren, dat ik niet kan voelen als Columban en niet gelooven als hij."

"Arm, klein vogeltje!" zeide Casper eensklaps op een hartelijken beschermenden toon.

"Dat moet u niet zeggen!"

En haar stem eindigde in een snik, hij drukte haar hand, die op zijn eenen arm rustte, vast in zijn andere hand.

"'t Staat u niet, zoo ferm te willen doen. Ik ken u pas een paar uren, maar ik weet het reeds; u is een zwak, lief poppetje; gemaakt om vertroeteld te worden en te vertroetelen. En ik heb zoo'n lust het te doen, o, als u 't wist...."

"Cas! Cas!"

"Wat is er?" Met een gezicht als een onweersbui keek Van Eyken om.

"Wat dunkt je, zal ik wat van die schelpjes koopen voor tante Mina? Je weet, zij is er dol op."

"Ga je gang!"

"Ja, maar ik versta dat koeterwaalsch van dat volk niet. Dat is nooit engelsch, ten minste engelsch zooals ik het ken."

Hij was met een groep van tien, twaalf jongens tot dicht bij het tweetal gekomen, de jongens schreeuwden en boden door elkander, hielden hem hun waren tot dicht bij den neus, stieten elkander onzacht van zich af om dan weer mekaar uit te schelden.

"Ik begrijp niet," zeide van Eyken, "wat je er een plezier in kunt hebben dat bedelaarsvolk aan te halen. Je bent er zoo gauw niet af. Wat moet je hebben? Dit? Geef hun een shilling, laat ze daarom vechten en uit is de grap!"

"Maar een shilling voor die prullen!"

Andrée had intusschen zijn arm losgelaten en was alleen naar de aanlegplaats gegaan, waar zij in een der volste booten stapte.

Berkmans had zich eindelijk met een hoop penny's van zijn kwelgeesten bevrijd en liep nu naast Casper.

"Zeg eens vriend," zeide hij, "ik wou je een paar woorden zeggen. Je hebt het zoo druk met die meid, jelui bent niet van mekaar af te slaan; maar denk er aan, je kent haar volstrekt niet, je weet niets van haar familie en je bent in Schotland, en als je daar maar een aardigheidje tegen een meisje zegt, heb ik wel eens gehoord, dan zit je er aan vast en ben je wettig getrouwd."

Casper wist niet of hij boos zou worden of lachen. Hij koos den middenweg en vroeg spottend:

"Zeg eens, ventje, wil je mij leeren wat schotsche gebruiken zijn? Ik ben in elk geval langer hier dan jij en als elke malligheid, die je tegen een meisje zegt, werkelijk zulke prettige gevolgen kon hebben, dan had ik nu reeds minstens vijftig wettige vrouwen."

Hij zag dat Andrée Bauer reeds in de schuit zat, die van wal stak; zonder een woord te zeggen, stapte hij in de gereedstaande, door Berkmans gevolgd, die blij was het hem eens goed gezegd te hebben.

Je kon niet weten en Cas was toch in ieder geval Betsie's broer, hij zou toch niet graag zien dat er iets voorviel als zij er niet bij was. 't Is waar, Cas was nu precies geen kind meer, bij de dertig reeds, maar als hij een dwaasheid doen wilde, dan moest hij 't maar doen als Jo er niet bij was.

IV.

Casper liep een deuntje fluitend, met de handen op den rug, over het dek op en neer.

Dat deed hij altijd wanneer hij boos was en boos was hij nu bepaald, op Johan in de eerste plaats, dan een beetje op juffrouw Bauer, maar het meeste op zichzelf.

Hoe gek zich zoo aan te stellen als een kwajongen; maar kon hij 't zelf helpen? Vroeger als jongen was verliefdheid een chronische ziekte van hem geweest; zijn zusters plaagden er hem altijd mee dat zijn hart een omnibus was met slecht sluitende deuren, waarin de eene dame na de andere passeerde, soms drie, vier en meer tegelijk in plaats namen--voor een oogenblik. Maar in de laatste jaren had hij er geen last meer van gehad; de schotsche vrouwen hadden er hem radikaal van genezen en toen zijn moeder en zuster samenspanden om hem aan een vrouw te helpen, had hij bepaald moeite gedaan voor een der dames van haar keuze iets te voelen; het had niet willen lukken en de geestigste zijner zusjes had gezegd, dat de omnibus nu buiten dienst was gesteld en het paard dat hem trok, zeker bij den vilder was gebracht.

En nu voelde hij plotseling weer alle symptomen van die ellendige ziekte; prikkelbaar, abnormaal, hartkloppingen en toch--toch inwendig een stemmetje dat zoo mooi zong en over zijn oogen een waas, dat alles in zulk een heerlijke gloed zette, iets zoo koesterend van binnen, iets wat hem tien jaren jonger maakte en toch had hij het land, dat hij het voelde, dat John het merkte en er zijn wijsheid over luchten moest. Natuurlijk zou die 't Betsie vertellen, en die had er zeker nog meer wijsheid over te verkoopen. Ja, dat wist hij alles, 't was gek, mal en toch, kon hij het helpen? Was die ellendige dwarskijker ook maar in Oban gebleven! 't Duurde maar een oogenblikje, waarom zou hij dat oogenblik niet genieten zonder aan de gevolgen te denken?

Zoo dacht hij en al fluitend en op- en neerloopend verliet hem langzamerhand zijn ergernis, maar zijn verliefdheid groeide bij de minuut aan; zij zat niet op het dek, zij was zeker beneden in het groote salon met de prachtige spiegelruiten rondom, het waaide nogal hier boven of zou zij hem ontloopen? Had zij gemerkt dat Johan hem waarschuwde? Dan dacht zij zeker, dat hij een pupil of zoo iets was, die gehoorzaamheid was verschuldigd aan Berkmans. Dit zou hij haar anders vertellen! En hij maakte zich gereed naar beneden te gaan, maar toen dacht hij er eensklaps aan dat Berkmans ook voor den wind gevlucht scheen en niet op het dek was. Zou die ook in het salon zitten?

Wat kon 't hem schelen? En hij was boos op zichzelf dat hij daar aan denken kon. In het salon zaten bijna alle passagiers. Berkmans deed druk zijn Hollandsch-Engelsch bewonderen door de vriendin van straks, haar man en nog een andere dame. Andrée zat op een der roodfluweelen divans, haar oogen strak naar buiten om door de glazen te zien naar de zwarte rotsmassa van Mull, die voorbij de spiegelruiten trok, eindeloos lang, eentonig.

Casper kwam regelrecht naar haar toe.

"Is u bang voor den wind?"

Zij schudde het hoofd en lachte weer zijn lievelingslach.

Hij wist niet meer wat hij zeide of deed.

"Kom naar boven! Kom! 't Is haast gedaan, en die aankomst in Oban door den Sound of Kerrera is zoo mooi."

Zij stond op, verward, verstrooid, alsof zij niets anders doen kon dan hem gehoorzamen. Berkmans was zoo druk aan het redeneeren en het zoeken zijner engelschen woorden, dat hij niet eens merkte, dat zijn zwager in de kajuit was gekomen en juffrouw Bauer hem nu naar boven volgde.

Zij stonden zwijgend bij de verschansing alsof zij alle aandacht wijdden aan het sombere Mull, maar zij zagen niets.

"Waar logeert u in Oban?" vroeg Casper.

"In Hotel Albany."

"Wij in Alexandra."

"Ik ga van avond naar Edinburgh terug."

"Wat, niet naar Inverness, door Loch Ness en naar Glencoe en Killie Crankie?"

"Neen, mijn vacantie is uit."

"Uw vacantie, is uw heele leven dan geen vacantie?"

Zij zuchtte en boog zich weer om in de golven te kunnen zien.

"Dus dan zien wij elkander niet meer."

"Hoogst waarschijnlijk niet!"

Hij zweeg even; en beet op zijn dikken, blonden knevel.

"Dat mag niet! Ik had juist gehoopt dat u zich bij ons zou aansluiten om samen naar het Noorden te gaan, dan waren wij en partie carrée; dat is veel gezelliger--"

"O ja, dan kon u met uw zuster gaan en ik met mijnheer Berkmans!"

Alweer die geestige kuiltjes.

"Dat kan u begrijpen. Neen, ik vind het zoo vreeselijk jammer, wij begonnen zoo aardig met elkaar op te schieten; onze kennismaking is zoo vreemd begonnen."

"Met een afluisterpartij. Neemt u mij dat niet kwalijk?"

"Integendeel! 't Vleit mij dat u het de moeite waard vond naar mij te luisteren, want Berkmans sprak niet veel."

"En niets dat de moeite van het luisteren waard was, geloof ik."

"Dus ik zie wel iets, dat u be- of liever dat u opviel?"

"Ja, ik vond het interessant eens te hooren hoe de mannen oprecht over onze tegenwoordige vrouwen denken."

"Maar zoo zijn niet alle vrouwen."

"Is dat een doekje voor het bloeden, of een zalfje op de wond? Ik moet zeggen, u zou een uitstekende pleegzuster zijn."

"Een pleegbroeder dan toch altijd."

Beiden lachten weer. Casper begreep niet hoe hij er toe kwam al die flauwiteiten te zeggen en toch wat luisterde zij aandachtig naar hem, met haar verstandige, diepe oogen, al zou hij nog zoo iets onbeduidends zeggen.

"O, die bestaan ook," zeide zij ernstig.

"Maar ik heb geen roeping het te worden. Ik haat alles wat met ziekten en dood in verband staat. Ik dweep met leven en gezondheid."

Zij voelde dat haar gelaat een aschkleurige tint kreeg, dat ondanks den fellen wind al het bloed week uit haar lippen en wangen.

"U heeft gelijk," zeide zij met doffe stem, "er gaat niets boven het leven. Maar zij, die het moeten missen, die het langzaam voelen wegvluchten, hebben toch ook recht op onze zorg en sympathie."

"Laat mijn buurman ze hun bewijzen," zeide hij, met een egoïsme zoo kolossaal dat het niet ergeren kon.

"En als het uw beurt is?"

"Dan, dan zien we verder! Ik bekommer mij nooit om den dag van morgen. Ik lijd op het oogenblik en ik geniet ook van het oogenblik en het oogenblik vind ik nu heerlijker, dan ik van morgen gedacht had, vandaag te zullen genieten."

Nu bloosde zij weer; hij legde zijne hand op de hare!

"En dat heb ik u te danken! Waarom wil u dan zoo gauw heengaan?"

"Omdat de plicht mij roept!"

"De plicht, de plicht!"

"Waarom zegt u dat zoo spottend?"

"Vrouwen en plichten!"

"Is het geheele leven van de vrouw dan niet een plicht?"

"Ja, op het papier, in theorie, maar in werkelijkheid nemen zij het daar even zoo gemakkelijk mee als met al het andere en wat zou zoo'n klein poppetje als u, die geen vader, geen broeder, geen man heeft, plichten kunnen hebben?"

"Moet men ze alleen tegenover de mannen hebben?"

"Tegenover wie anders?"

"Tegenover zichzelf, tegenover,--tegenover...."

"U is toch geen onderwijzeres?"

Hij zei dat op zulk een grappig angstigen toon, dat zij weer begon te lachen.

"Neen, dat ben ik toevallig niet."

"Artiste? God beware me, dat was nog erger."

"Neen, neen, raad u maar niet! Ik ben--niet."

"Een allerliefst schepseltje, meer moet u niet trachten te worden."

"Om in uw smaak te blijven vallen."

"Dat zal uw zorg nogal zijn. Anders vertrok u van avond niet."

Zij zweeg; hij ging na een poos als in zich zelf sprekend voort, vol opgekropte ergernis:

"'t Is zoo ellendig van die vrouwen tegenwoordig; zij willen van alles zijn en vergeten daardoor het eenige wat zij eigenlijk moeten wezen."

"De speelpop, de slavin van de mannen?"

"Neen, onze vriendin, onze steun! Zij verwijderen zich hoe langer hoe meer van ons, die zoogenaamde ontwikkelde vrouwen. Lees de boeken maar, die de dames tegenwoordig bij dozijnen schrijven. De eenige mannen, die deugen in haar oogen, zijn juist die de hare niet zijn. De man, die voor haar werkt, geld verdient, deugt nooit. Zij nemen 't hem kwalijk, dat hij het graag prettig heeft in huis, gaarne lekker eet en na zijn werk op zijn gemak zit. Hij moet maar altijd klaar staan om met haar in hooger sferen te leven, om met haar te praten over de sociale quaestie, over kunst en literatuur en als hij dat niet kan of wil, dan deugt hij niet, dan zoekt zij troost bij een vriend, die natuurlijk in al deze dingen plezier heeft, zoolang hij haar man niet is."

"Och, die stumpers!"

"Zeker, de vrouwen klagen over verdrukking, maar ik zeg, wij zijn het die tegenwoordig verdrukt worden. Nu de vrouwen zoo verbazend geleerd worden, zijn ze wijzer dan wij, wij kunnen er niet tegen aan. De tijd is niet ver af, dat wij aan het wiegetouw gaan trekken en zij het geld verdienen."

"Is dat niet billijk? Ieder op zijn beurt. Wij hebben 't zoolang gedaan; nu keeren wij de rollen om. Misschien gaat het dan beter en heeft men minder reden tot klagen dan tegenwoordig."

"Neen, daar kan ik mij niet in vinden. Ik moet een vrouw hebben, die ik beschermen kan, voor wie ik werken moet, die in mij haar hulp, haar steun, haar beschermer vindt, die mij eerst snibbig toe mag roepen als Gretchen:

"Kann unbegleitet nach Hause gehen," maar die dan toch later bewijst dat ik haar alles ben en mij niet deelt met allerlei liefhebberijen en om haar ernstige plichten tegenover de maatschappij mij achter de bank schuift."

"U is egoïst! En geen klein beetje ook!"

"Ja, dat beken ik. En ik beweer ook het recht te hebben het te zijn; als ik hard werk voor mijne vrouw, als ik haar liefheb en op de handen draag, dan mag ik ook aanspraak maken op haar zorg en op haar liefde, dan moet zij ook even gelukkig zijn mij die te kunnen geven. Maar als onbegrepen martelares naast mij gaan, op mij neer zien van haar hoog standpunt, neen, dan liever alleen blijven mijn leven lang."

Zij hield zich vast aan de verschansing en sloot de oogen, in een beweging van zich te laten gaan, van zichzelf te vergeten en te rusten.

Hij naderde haar zoo dicht dat zijn adem zich met den wind mengde en haar dartele krulletjes deed opstuiven.

"Dat is mijn idee over het leven tusschen man en vrouw en tot vandaag heb ik mijn ideaal niet ontmoet, met wie ik zoo'n leven mogelijk achtte, maar sedert een paar uur is het anders. Begrijpt u dat, juffrouw Bauer?"

Zij zweeg en boog dieper het hoofd.

"U heeft het begrepen, ik hoef het niet eens te vragen, maar zeg me ronduit, de tijd is zoo beperkt. Vergis ik mij?"

Nog bleef zij zwijgen.

"Vindt u mijn ideaal uitvoerbaar of is u gelijk aan alle andere vrouwen van uw ontwikkeling en uw stand blijkbaar? Dan heb ik niets gezegd en ik heb mij vergist. Dat is alles."

"Ja, u vergist zich," fluisterde zij eindelijk. "Ik kan dat niet voor u zijn, onmogelijk."

Eensklaps merkte hij dat zij snikte.

"En waarom huilt u dan? Begrijpt u dan niet, wat ik moeite heb mij om uwentwille in te houden, u niet in mijn armen te nemen en die tranen van uw wangen te kussen?"

"Och, ik bid u, plaag me niet?"

"Maar daar is geen quaestie van plagen! Ik weet zelf niet, wat mij drijft een meisje, dat ik pas sedert een paar uur ken, van wie ik niets afweet, in mijn ziel te laten lezen en ten huwelijk te vragen. 't Is vreeselijk onvoorzichtig, onberedeneerd, onhollandsch, wat u maar wil. En u laat niets los! U zegt mij niets, wat licht kan werpen op uzelf en op uw gevoelens."

Zij keek rond, er was niemand in de nabijheid en zij wischte haar tranen snel af, zenuwachtig lachend.

"Ik ben zoo dwaas, maar och! ik kan niet anders zeggen, niet anders doen. Op het oogenblik niet. Van avond ga ik naar Edinburgh en morgen naar Holland...."

"En dan moet ik u laten gaan? Denkt u dat ik er vrede mede heb."

"'t Is toch beter! U moet nadenken!"

"Nadenken, dus 't is niet geheel uit?" Zij begon nog harder te snikken.

"Ik kan 't niet helpen, ik kan 't niet helpen! maar o, laat mij nu wat tot mijzelf komen. Gaat u dien kant uit of liever gaat u naar beneden? Straks vóór dat wij aankomen zeg ik u misschien iets."

"Goed!"

En Casper ging naar beneden; hij was half ontnuchterd. Het geheimzinnige dat Andrée zooeven nog met zooveel aantrekkelijkheid omgaf, boezemde hem nu angst en vrees in; hij had er spijt van zich zoover te hebben gewaagd, toegegeven te hebben aan den roes die zijn hersens omnevelde.

Wie was zij? Een vrouw met een geheim, dat was zeker; maar wat voor geheim? Berkmans had gelijk, men moet voorzichtig zijn, maar hij was een impressionist, hij handelde altijd onder den invloed van het oogenblik. Zijn egoïsme had hemzelf altijd bewaard van kwade avonturen, daar hij eenvoudig de minder aangename gevolgen van zijn voorbijgaande indrukken tot nu toe kalm uit den weg had kunnen gaan, en óf andere er door leden daar vroeg hij eenvoudig niet naar, maar zoover had hij zich nog nooit gewaagd en nu was plotseling de aardigheid er af.

Wat deed ze ook zoo raar? Waarom zei ze niet eenvoudig ja of neen, maar op een toon, dat men kon merken of zij 't meende of niet. Nu zeide zij wel neen, maar meteen kwamen de waterlanders voor den dag en verrieden dat zij honderdmalen liever ja zou hebben gezegd. Waarom zeide zij het dan niet?

Er was zeker een zeer gewichtige reden, wie weet wat. Een reden, die hem misschien meer betrof dan haar. Hij werd er raar van; die saaie Berkmans had misschien gelijk, wat hij gedaan en gezegd had was onverantwoordelijk dom.

Hij ging naar beneden en nam gedachteloos een paar in rood leder gebonden boekjes met gezichten op, die over de tafels lagen te slingeren. Zijn zwager zag hem binnenkomen, miste juffrouw Bauer en was tevreden. Hij verliet zijn gezelschap en kwam naar hem toe.

"Wij dineeren straks maar in het hotel, vind je niet, Cas?"

"Dacht je het dan hier te doen?"

"Ja, ik vreesde dat het te laat zou worden voor aan wal."

"Zij wachten altijd op de aankomst van de boot."

"O, dan is het goed."

En gerustgesteld ging Berkmans eens boven kijken.

Hij zag juffrouw Bauer op een stoeltje zitten, hij liet haar zitten en besloot haar niet verder aan te halen, blijde dat de kennismaking tusschen haar en zijn zwager, die zoo hard van stapel liep, nu tot zulk een plotseling einde was gekomen.

Het weer, dat dien morgen zich zoo bitter boos had aangesteld was langzamerhand prachtig geworden; de zee een groen-blauwe spiegel, de lucht een en al blauw met niets anders dan eenige dansende witte wolkjes in het westen.

Eindelijk was men het zwarte Mull kwijt en bevond zich nu in de open zee; daar opent zich de Sound van Kerrera, vriendelijker wordt het gezicht, het sombere verleden met zijn schrikbeelden heeft afgedaan; vroolijke villa's, lonkende hotels verschuilen zich tusschen het groen, de golf van Oban komt in het gezicht met zijn driedubbele guirlande van landhuizen om de heuvels geslingerd, en de ruïnen Dunnstafnage en Dunolly hun grimmigheid verbergend achter een mantel van groen klimop. Met een zucht staat Casper van Eyken op om naar het dek terug te gaan.

Hij vindt het een zwaren gang, dien hij nu te doen heeft, wat hij wenscht is hem zelf niet heel recht duidelijk, 't liefst misschien dat zij aan alles een eind maakte; als zij dat doet weet hij zeker dat hij een zucht van verlichting zal laten, maar als zij antwoordt:

"Ja, neem mij in je armen! Zorg voor mij mijn leven lang. Er is niets wat mij belet je voorstel aan te nemen."

Dan voelt hij genoeg dat zijn ziel op zal jubelen en dat hij zich gelukkig zal achten, omdat hij eindelijk zijn bestemming heeft gevonden, maar hij kan het zelf niet zeggen òf hij naar dat geluk verlangt, òf hij 't niet gemakkelijker en rustiger vindt het niet te bezitten.

In elk geval hij moet haar vragen wat zij beslist heeft; wie hem dat voorspeld had dezen morgen dat hij hoogst waarschijnlijk een blauwtje zou loopen! Men is toch nooit van zijn avond zeker. Hij lachte er om en maakte een toertje rondom het dek, luisterde naar Berkmans' opmerkingen over het landschap, over de eilanden, eilanden en nog eens eilanden om hen heen en zag tot zijn ergernis dat toen hij af wilde slaan om bij Andrée te komen, Jo aanstalten maakte met hem mee te gaan.

"Zoo'n klis!" dacht hij, maar zonder zich in iets te geneeren liet hij zijn zwager naast hem loopen tot dat zij bij de jonge dame kwamen.

"De reis is uit," zeide hij en bleef tegenover haar staan, "heeft u zich geamuseerd?"

"O ja, buitengewoon," antwoordde zij haperend. Berkmans bleef sarrend staan en zeide dat hij het ook een prachtige tocht vond.

"U zal veel te vertellen hebben t'huis juffrouw!" voegde hij er bij.

"O ja," antwoordde zij verstrooid.

Zij had haar hoedje afgezet en de verwarde haren dansten in den wind; zij zag er zoo nog veel jonger uit, eenvoudig kinderlijk; een paar keer streek zij met de handen over dat haar maar het wilde niet meer in de plooi raken.

"Ik zal mij moeten opknappen, beneden," zeide zij, stond op en ging weer naar het salon.

Terwijl zij in den spiegel keek en hier en daar de weerbarstige lokken opstak, zag zij het gezicht van Casper naast het hare weerkaatst.

"Spoedig," drong hij aan, "of mijn meester komt weer voor luistervinkje spelen. Ik moet nog een antwoord van u hebben?"

"Heeft u geduld?" vroeg zij en nam een paar haarspelden van tusschen haar lippen.

"Dat ligt er naar."

"Wil u een jaar wachten, dag vóór dag? Natuurlijk u is vrij, als u voor dien tijd uw geluk vindt dan--zal het mij verheugen--maar anders-- --."

"Maar anders!"

"Waar gaat u heen het volgend jaar?"

"Dat weet ik nog niet!"

"Het volgende jaar om dezen tijd ben ik in Friedrichroda op den Gottlobtempel."

"En wat dan?"

"Dat weet ik nu niet!"

"En is dat alles?"

"Alles!"

"Moet ik daarop leven een jaar lang?"

"U moet niets. Ik zeg dit maar als u na een jaar mij nog wil ontmoeten, onthoud het dan!"

Hij zag haar hoe langer hoe meer verbaasd aan.

"En krijg ik anders niets meer van u te hooren. Niets, volstrekt niets?"

Zij lachte weer op de wijze, die zoo onweerstaanbaar op hem werkte als een tooverdrank.

"Een jaar is zoo vreeselijk lang?"

"Wie weet hoe kort u het zal vinden!"

"Zonder dat lachje? Neen!"

Zij zette haar hoedje op, trok haar handschoenen aan en deed alles ingespannen met ernst, opdat hij niet zou merken hoe haar lippen trilden en haar handen beefden.

"En als ik dan niet kan?"

"Dan komt u niet!"

"En als ik een vergeefsche reis maak?"

"Dan ziet u eens iets anders dan Engeland of Schotland en dat is ook de moeite waard. Nu, mijnheer van Eyken, tot wederziens of--vaarwel!"

Hij reikte haar de hand en drukte de hare stevig in de zijne; zij had het kunnen uitschreeuwen van pijn, zoo voelde zij den greep zijner vingers, en toch deed het haar oogen stralen.

"Tot wederziens," sprak hij met nadruk en weg was hij.

Eenige oogenblikken later landde men in Oban en stapte uit. Betsie stond hen op te wachten.

"Wil je haar je nieuwe vriendin niet presenteeren?"

"Niet noodig," zeide Cas kortweg.

De jonge dame ging met veerkrachtigen tred zonder om te zien haar weg naar het Albany-hotel en Berkmans stak zijn hand onder den arm zijner vrouw en vertelde haar hoe het zoo vreeselijk jammer geweest was dat zij niet mee was gegaan, zoo interessant dat Staffa en dat Jona en 't weêr hield zich zoo goed en wat zij wel gedaan had dien heelen dag! Casper liep hen vooruit; hij zocht naar een time-table om te zien wanneer er een trein naar Edinburgh vertrok.

Hij haastte zich met het diner om bijtijds aan het station te komen, en toen hij er was en bleef tot het laatste oogenblik zag hij nergens een juffrouw Bauer. Teleurgesteld keerde hij naar zijn hotel terug; de aardigheid van de reis was er voor hem af, meende hij, maar den volgenden morgen was er weer iets anders dat hem boeide en langzamerhand dacht hij alleen aan Andrée als aan een prettig, maar dwaas avontuurtje.

V.

Zij zat in het koepeltje, dat hoog tegen den groenen berg schijnt te hangen; haar handen in de schoot, haar hoofd achter over geleund, haar oogen gesloten, zoo zat zij moede, doodmoede, te moe om te denken, te moe om te spreken, te moe om te hopen of te verwachten.

Zij had zich hier naar boven gesleept en een paar maal had zij gedacht onderweg neer te vallen en daar te blijven liggen tot iemand zich over haar ontfermde; maar nu was zij er eindelijk en zij zat er reeds uren en uren lang.