In Extremis

Part 5

Chapter 54,019 wordsPublic domain

Zij gingen naar binnen, daar welfde zich de spitsbogen over wonderbare zuilenbundels, over stalactiten, donker van kleur maar met weerglansen van purper, van rood, van grijs en groen, zich wisselend met bliksemsnelheid onder den glans van het naar binnen sluipende zonnelicht en de naar binnen dringende golfslagen. De zee toch bruist telkens en telkens tegen de rotsen op. Zij wringt en kronkelt zich naar binnen, liefkoost de wanden om een oogenblik later ze onbarmhartig te geeselen, zij werpt haar schuim hoog op en doet ze in duizenden kleurige blaasjes wegstroomen, zij valt kletterend in de diepte, kroont de zwarte rotsen met een diadeem van zilver en zingt een lied vol geheimzinnige melodieën, als voelde zij zich hier meesteres, koningin en wilde haar paleis aan de gasten, die van verre kwamen, in volle schoonheid vertoonen.

En van binnen terugziende door den reuzenboog naar buiten, ziet men de goudgroene zee zich mengen met den blauwen hemel bezaaid met paarsgrijze wolken, een enkel zeil van een visschersboot zich scherp daartegen afteekenend en de gouden waaier door de zon op de wateren geteekend langzaam in de grot dringend--een beeld dat zich vastzet in de hersenen om door niets meer verdrongen te worden.

Nog vóór dat hij het wist stonden Casper en Jo naast juffrouw Bauer, zij leunde over het houten hek, en zag rond, onbeweeglijk, sprakeloos; toen het echter tijd werd de grot te verlaten en toen tot Jo's groote verlichting het bootje hen hier afhaalde, zoodat de tocht over de rotsentrap overbodig werd, bood Casper haar de hand; zij wendde snel het gelaat af en nu merkte hij dat zij schreide en het niet weten wilde.

"Nu hoort tot het programma," zeide Van Eyken, "den berg te beklimmen. Verbeeld je daarboven is nog een weide, en er is ook een trap om er te komen."

"Nu, ik pas er voor," haastte Berkmans zich te verklaren, "ik zit hier goed en blijf er zitten. Doe wat je verkiest, Cas!"

"Ik heb wel trek daar eens op te klauteren. En u, juffrouw Bauer?"

"Ik ben altijd van plan geweest daar boven te kijken."

Casper begreep dat een aanbod om haar te geleiden met verbazing door haar aangenomen of liever als overbodig zou worden beschouwd.

Zonder een woord te zeggen, stapten beiden uit en klommen omhoog. Berkmans zag hen met een medelijdend lachje aan en knoopte met een medepassagierster een gesprek aan over het dwaze om op reis alles te willen zien ten koste van vermoeienis, gezondheid, leven wellicht--zij waren het in alle opzichten met elkander eens.

Staffa is rijk aan grillen en wonderlijke natuurspelingen, maar een der wonderlijkste is zeker dat groene kleed boven de zwarte, kale rots geworpen, een soort van Alpenweide op een rots, midden in een oceaan van zoutwater; geen bloempje, geen plantje, niets dan schrale grashalmpjes, die zich met moeite wringen tusschen de spleten der rotsen, maar toch iets vriendelijks, een glimlach op een somber gezicht, een straaltje licht tusschen strakke hopeloosheid.

Rondom niets dan zee en eilanden zoo zwart als brokken steenkolen; het grootere Mull alleen trekt een donkere lijn langs den horizon.

Casper stond weer onwillekeurig naast juffrouw Bauer; beide zwegen, zij had geen behoefte iets te zeggen, hij had er wel behoefte aan maar vreesde niets zoozeer dan een banaliteit uit te spreken in deze zoo geheel eigenaardige omgeving; toch kwam hij er toe:

"Het uitzicht hier loont de moeite van het klimmen wel, vindt u niet?"

"Neen," zeide zij eenvoudig, "dat ziet men ook beneden. Na de Fingalsgrot moest men vandaag zijn oogen sluiten en niets meer zien, niets meer hooren."

"Ja, 't is moeilijk iets wonderbaarder te zien. Wat men ook later ziet, dat blijft."

"Ik geloof voor goed!"

Zij streek met de hand over het voorhoofd en drukte er haar palm op.

"'t Is als iets, wat men heel diep gevoeld heeft," zeide Casper, "een groote vreugde, een zwaar verdriet."

Zij zag hem aan.

"Vindt u dat vreugde iets blijvends nalaat?"

"Ja, ofschoon--ik weet het niet, zoo'n groote vreugde heb ik nooit ondervonden."

"Och, dat zal niemand ooit ondervinden, denk ik. De eerstvolgende indruk van verdriet wischt alle sporen uit, zoodat zij onvindbaar blijven." De groeven om haar kin waren nu zoo diep dat Casper naar niets anders zien kon, terwijl hij haar bestudeerde.

"U spreekt bij ondervinding!"

Het woord was er nog niet uit of hij had er spijt van het gezegd te hebben, 't scheen een soort van indringen te zijn in haar gemoedsleven, waartoe hij geen recht had en wat kon 't hem toch ook eigenlijk schelen of die juffrouw, die hij vandaag voor het eerst zag en die hij morgen niet meer zou terugzien, verdriet had gehad of plezier.

"Neen," zeide zij eenvoudig, "ik weet niet, wat groot verdriet is, ik geloof dat niemand dat tegenwoordig meer weet. Men heeft zorg of men verliest iets: geld, familie of eer, men schreit het een paar traantjes na, maar dan schikt men zich, zoolang men dagelijksch comfort behoudt; men komt er over heen en 't is voorbij, vóór men 't weet."

Casper dacht aan den dood zijner moeder van den winter; hij had toen erg aangegaan, maar och! dat hij zich zoo snel zou schikken in het onvermijdelijke, dat hij zoo dadelijk weer belangstelling zou opvatten in allerlei kleinigheden van het dagelijksch leven, dat hij weer zoo spoedig gewoon had kunnen praten en lachen, dat had hem zelf het meest verwonderd, want hij hield toch dol van zijn oude vrouw, en nu nog kon hij er niet aan denken dat hij ze niet meer had of hij voelde iets uit zijn keel opstijgen naar zijn oogen, maar dan dacht hij gauw aan iets anders, als hij 't voelde aankomen en zei een gekheidje.

"Misschien heeft u gelijk," zeide hij eindelijk; "men heeft zooveel verstrooiing en afleiding tegenwoordig, er is altijd zooveel te zien en te doen en te hooren."

"Men heeft geen tijd met zoo'n naren gast als zijn verdriet te leven, en ook geen lust. Zij bellen daar, is dat het sein om naar beneden te gaan?"

"Om ons in te schepen, ja."

"Adieu Staffa! adieu!" zeide Casper toen het schuitje wegvoer en wuifde het rotsgevaarte een afscheidsgroet toe.

"Forever, denk ik!" riep Berkmans.

"En 't is goed ook," meende juffrouw Bauer.

"Ja, die trap is een waar heksenwerk, meer dan de Heksentrappen in den Harz."

"Rosstrappe. Heksentanzplatz," verbeterde Casper.

"O ja, 't is waar ook! Het doet er niet toe, een jodentoer. Als Betsie 't hoort..."

"Daarom verlangt u toch ook niet van de Fingalsgrot voorgoed afscheid te nemen?"

Zij glimlachte, een helderen zonnigen glimlach, zij zag er nu geheel uit als een kind. Casper voelde plotseling een onweerstaanbaren lust haar op te nemen en over die rotsen te springen met zijn lichten last in de armen.

Hoe had hij 't niet eer gemerkt, zij zag er allerliefst uit, zoo'n klein pittig ding, zoo heel anders dan zooeven toen zij zoo diepzinnig en ouwelijk redeneerde over smart en vreugd.

"Als 't daarvoor was, dan zou ik er wel raad op weten, dan presenteerde ik u mijn arm." Het gebaar dat hij maakte verried duidelijk hoe het zijn bedoeling was, dien forschen arm niet te presenteeren als steun maar eenvoudig als zitplaats.

"Maar u heeft het niet noodig. U is zoo flink, zoo zelfgenoegzaam," ging hij voort met een tintje spijt in de stem.

"Een dame, die liever alleen reist, heeft geen armen van heeren noodig," merkte Berkmans bits op.

"Minder dan heeren een dameshand," zeide zij en weer kwam dat schalksche kuiltje voor den dag.

Casper begreep nu dat het dit kuiltje was dat haar zoo'n onweerstaanbaar lieve uitdrukking gaf. Hij lachte hartelijk alleen om het genot van het lachen, omdat hij plotseling het leven zoo prettig vond, en dat zitten in die schuit zoo leuk, zoo onbetaalbaar leuk.

"Ik reis niet voor mijn plezier alléén."

Het kuiltje was verdwenen en die twee akelige rimpels waren er weer als twee grimmige schildwachten, die de lippen wilden beletten te lachen, of aardige, vroolijke dingen te zeggen.

"Toch ook niet voor uw verdriet?"

Die vraag van Berkmans klonk zoo scherp, dat Van Eyken er nijdig om werd; nog eens wat ging 't hun toch aan of zij alléén of in gezelschap, voor haar genot òf voor haar verdriet reisde?

"Neen, ik reis alléén, omdat ik geen gezelschap heb."

"Daar is altijd toch wel aan te komen."

"Niet aan het gezelschap dat ik hooger stel dan eenzaamheid."

"Dat zal de juffrouw toch wel zelf het beste weten, Jo," snauwde Casper, "'t is onze zaak niet. De dames doen tegenwoordig zooveel dingen alleen, waarom niet reizen?"

"Trouwen daar alleen moeten zij toch nog met twee voor zijn. Wat zij ook voor andere liefhebberijen bij de hand mogen hebben, dat doen zij toch nog maar altijd het liefst."

Casper zag haar ongerust aan; hij vond zijn zwager grof en begreep dat zij het ook moest vinden. Maar zij zag weer met haar blik van zooeven, haar open, helderen blik, die zich zoo rustig op menschen en dingen kon vestigen en met dien blik drong zij in den zijne. "U is het zeker geheel met mijnheer Berkmans eens?" zeide zij.

"Volstrekt niet! U heeft het zooeven immers gehoord, ik ken de vrouwen maar zeer oppervlakkig."

"En toch beoordeelt u ze zoo scherp?"

"Uit egoïsme."

"Dat schijnt wel en dat verklaart veel!"

Juist moesten zij uit de schuitjes weer op de groote boot stappen. Casper bood als onwillekeurig zijn hand aan het meisje, het was een daad van galanterie, die hij geheel instinctmatig scheen te vervullen en zij namen het ook zoo aan, als iets dat vanzelf sprak.

Berkmans zuchtte diep, een zucht van verlichting toen hij weer de planken van het dek onder de voeten had; een oogenblik later ging hij naar beneden.

"Ik ga even zien of er wat te lunchen valt en jij Cas, hoe denk jij er over?"

"'t Is mij te vroeg"

Juffrouw Bauer stond weer bij de verschansing en zag hoe langzaam de grot zich verwijderden. Casper kwam naast haar staan.

"Nu heeft u A gezegd en daarom heb ik ook recht B te weten. Waarom vindt u het goed dat wij Staffa niet meer terugzien?"

"Omdat ik er één indruk heb ontvangen die blijft, een tweede zou een afdruk zijn meer niet, en daarvoor reist men immers om indrukken te ontvangen, om zijn geest volgeteekend te krijgen."

"Ja, zoo'n soort van album er van te maken, dat men naar verkiezing kan opslaan. Dat is waar, dat is het beste van het reizen, maar daar heeft mijn zwager Berkmans geen verstand van."

Weer dat lachje, dat als een tooverdrank Casper naar het hoofd steeg.

"Ik wou dat u nooit lachte of altijd lachte," zeide hij, hij wist zelf niet hoe hij zoo brutaal durfde zijn die woorden te zeggen. "Ik zou onophoudelijk over mijn zwager kunnen praten, want dat doet u lachen."

"Heusch niet! 't spijt me dat ik u zoo hinder!"

"Mij hinderen!"

"Ja, ten minste dat schijnt zoo, maar ik vind het zoo onweerstaanbaar grappig, die tegenstelling van hollandsche sommen en deze natuur."

Zij strekte haar hand met een vluchtige beweging uit naar het water rondom hen.

"Dat is de Oceaan, die komt uit Amerika, die sloot eeuwen lang Europa af. De Atlantische Oceaan, 't is dezelfde zee en toch zoo heel anders dan bij Zandvoort."

"U houdt van contrasten?"

"Bijzonder en daarom geniet ik hier zoo. 't Is alles zoo eenvoudig, zee, rots, hemel, meer niet en toch wat een afwisseling!"

Nu gloeiden haar oogen en straalden haar lippen.

"Is u werkelijk een Hollandsche?" vroeg Casper.

"Ja werkelijk, waarom vraagt u dat?"

"Omdat u zoo weinig Hollandsch doet."

"Niet Engelsch of Amerikaansch genoeg om terug te brengen?"

Weer lachte hij, zijn hartelijken gullen lach en ook het kuiltje danste in haar wangen; toen zagen zij elkander aan en plotseling bloosden zij beiden en zij boog zich over de verschansing en zag diep in de zee.

III.

"De muttonchop was heerlijk, hoor! Ik kan ze je recommandeeren," zoo kwam Berkmans in het best denkbare humeur weer op het dek.

Casper en juffrouw Bauer hadden niet meer gelachen maar zeer ernstig gesproken.

"Men zou zeggen een geheele Alpenwereld, die verzonken is in de diepte en waar nu de zee over heen spoelt," had Casper juist gezegd en wees op dat doolhof van rotsen, waartusschen de "Colomban" zich vlug en sierlijk een weg baande. En nu moest hij op den muttonchop van Jo antwoorden.

"Ja, zoo meteen, en u, juffrouw Bauer?"

"Ik zal een kop koffie nemen met beschuit."

"O, neem toch in Engeland geen koffie en in Duitschland geen thee!" riep Berkmans uit. "Betsie zegt...."

"Zal ik u een kop koffie bestellen?" vroeg Casper, "en stoor u niet aan de cosmopolitische drankstudiën van mijn zwager."

"Neen, ik ga naar beneden. Wij komen toch in het eerste half uur nog niet in Jona."

Casper zei niets maar ging met haar mede. Jo zag hen na en dacht:

"Nu, die is alweer ingepakt. Hoe onvoorzichtig, als zij nu nog maar geen Hollandsche was! Betsie heeft gelijk. In het buitenland sluit ze zich nooit aan bij Hollanders. Vreemdelingen, ça n'engage à rien, maar landgenooten, je weet niet in wat voor wespennest je je steekt!"

Casper zat beneden tegenover juffrouw Bauer, alsof vanzelf sprak; het was of die lach het ijs tusschen hen gebroken had. Zij spraken druk zonder jacht op geestigheden, zonder diepzinnige bespiegelingen.

Juffrouw Bauer vertelde dat zij met de stoomboot van Rotterdam naar Edinburgh was gereisd; zij dweepte met Edinburgh.

"En 't meest van Edinburgh?"

"Princestreet met die prachtige winkels," maar weer kwam het kuiltje om den hoek kijken.

Casper haalde diep adem.

"Dat doet me plezier," verklaarde hij. "'t Is zoo echt vrouwelijk!"

"Ondegelijk, ijdel!"

"Neen, natuurlijk!"

"Dunkt u dat? Zou het niet juist onnatuurlijk zijn, omdat wij, vrouwen, door eeuwenlange achteruitzetting gedwongen onzen troost te zoeken in het kleine, in het onbeduidende ons eenig genot vinden?"

"O neen, nu spreekt u of u lid is van de Vrije Vrouwenvereniging, ik vind dat juist allerliefst en dat een dame moed heeft zoo iets te durven zeggen in onzen tijd dat vind ik--eenig."

"Dus u denkt dat ik 't meen?"

"U kan niet zeggen wat u niet meent."

Zij lachte een geheimzinnig, aantrekkelijk ernstig lachje, heel iets anders weer dan dat van zooeven en roerde met neergeslagen oogen haar kopje koffie om.

"En toen heeft u den verplichten klassieken toer gemaakt," zoo eindigde Casper de pauze. "Callander, de Trossachs, Loch Katrine, Loch Lomond--Glasgow!"

"Ja, contrast--alles contrast."

En zij spraken druk, als hadden zij behoefte zich te verstrooien, over glens en lochs, over heide en meren.

"Maar dat Glasgow, dat vreeselijke Glasgow! O, hoe jammer, dat het die heerlijke, schotsche lucht bederft met zijn rook."

"En daar woon ik nu! Beklaag u mij niet?"

"Ja," zeide zij eenvoudig, "maar nog meer als u de zee en de bergen niet zoo dicht bij u had om er te vluchten als de rooklucht u te zwaar werd."

Er werd gebeld, Jona was in het gezicht; men moest weer uitstappen.

"Ze laten je geen uur met rust," zuchtte Berkmans, maar hij stapte toch uit en het drietal bleef bij elkander als hadden zij het afgesproken.

"Alweer contrast, hier vlakte, daar de rots van Staffa. Dat is het leven zooals ik het gaarne opvat; telkens iets nieuws, telkens iets verschillends," zeide Casper.

"Dat je niet tot adem laat komen," meende Jo.

Juffrouw Bauer keek hem aan; zij scheen tien jaar ouder zoo moede en afgemat stond nu haar gezicht, haar oog, haar mond, alles.

"Ja, het leven vermoeit."

"Zoo'n dag als vandaag ook?" vroeg Casper.

"Die zijn er te weinig, dat rust uit!"

"Is u werkelijk moe? Wil u dan niet leunen!"

Zij bedacht zich even, toen legde zij haar arm op de zijne.

"Ja, 't is vermoeiend, vooral voor dames. Betsie had het ook gevoeld. En die heeft nog anders wat mee te dragen dan de juffrouw!"

"Ik ben niet moe van het loopen," zeide zij, "maar...."

Zij voleinde haar gedachte niet en Casper vroeg niet verder.

Johan Berkmans werd aangeklampt door zijn vriendin van uit het schuitje, die de weldoordachte opmerking maakte dat men hier toch veel gemakkelijker liep dan in Staffa, ofschoon het ook niet over asphalt ging.

Een pad, ruw geplaveid, dat den somberen naam van "Weg der dooden" draagt, voert eerst langs armelijke hutten, terwijl kleine bedelaars steentjes en schelpjes aanbieden in ruil voor een aalmoes, en verder naar eenige brokstukken van muren.

"Dat was vroeger een nonnenklooster," zei de gids en wees op den grafsteen eener abdis.

"Hoe mal," riep Berkmans uit, het stijve in den steen gegrifte beeld beschouwende, dat twee engelen terzijde had, "die oude juffrouw heeft een kam en een spiegel boven haar hoofd."

"Misschien heeft zij daar in haar leven te weinig gebruik van kunnen maken," zeide juffrouw Bauer.

De cicerone wist ook van het zonderlinge denkbeeld, om toiletartikelen op den grafsteen van een abdis te plaatsen, geen uitlegging te geven en drong zijn oplettend luisterende kudde aan voort te maken.

"De leer der contrasten alweer, die hier overal gepredikt wordt," zei Casper, "dood en pronk!"

"Het kruis van Jona," riep juffrouw Bauer eensklaps opgewonden uit en wees op het oud Iersche kruis, dat terzijde van den "Weg der dooden" stond.

Een sierlijk kruis met fantastisch snijwerk versierd, rustend op een zwaar voetstuk van graniet. Vroeger, vertelde de gids, waren hier driehonderd van zulke kruisen geweest, maar de Puriteinen hadden ze vernield.

"Nu zijn ze verhuisd naar Princestreet, naar de juwelierswinkels," zeide het meisje half spottend, "daar ergeren zij niemand."

"Betsie heeft er ook zoo een gekocht. Kruisen zijn wel niet in de mode, maar zoo'n Jonakruis is toch altijd iets bijzonders, vond zij."

"Dit is het koningenkerkhof!"

Allen zwegen onwillekeurig. Jona was eens de grafplaats der Heeren van de Eilanden; nadat zij naar hartelust hun leven lang gemoord, geplunderd, gevochten, brand gesticht, gevaren en gezworven hadden, brachten de met rouw getooide schepen hun lijken naar dit eenzame eiland. Hier wenschten zij te rusten in de aarde, welke zij voor heilig hielden.

Indrukwekkend zijn de koninklijke grafsteden van Europa, de plaatsen waar zooveel macht en zooveel grootheid langzaam overgaan in stof en asch. Het Escuriaal, Saint-Denis, Westminster-Abdij, maar geen van allen wellicht kan de sombere grootheid evenaren van dit eiland in den Atlantischen Oceaan, waaromheen de wateren der onmetelijke zee hun eindelooze doodsgetijden zingen. De blauwachtige, grijze steenen liggen daar naast elkander geschaard, de zonnestralen verschroeien ze, de storm loeit over hen en begraaft ze onder stof, de sneeuw bedekt hen soms voeten diep en de herinnering aan de machtige heeren, de geweldige tyrannen, die hier in de koningsgraven rusten, is verdwenen als de sneeuw van den winter, verstoven als de storm van gisteren.

Niemand weet hun daden meer, niemand kent hun afstamming of hun nageslacht; men leest de inschriften die allen Mac Gregors, Mac Douglas, Mackenzies, Mac Kennans of Macleans verkondigen, men ziet naar de schilden met hun half afgesleten wapens, en 't is of niets meer de afgebroken keten aaneenhecht, of geen schakel meer reikt uit dat verre verleden naar het frissche heden, of dat alles voorgoed dood, begraven, vergeten is.

"Macbeth," las Casper op een der steenen. "Hij alleen leeft! De poëzie heeft hem uit zijn koningsgraf gehaald en een leven geschonken schooner misschien dan het zijne eens werkelijk geweest is."

"Vindt u Macbeth's leven schoon?"

"Zooals wij het kennen door Shakespeare, ja!"

"Ik vind Macbeth een allerakeligst stuk. Jongen, ik heb vóór dat de komedie op het Leidscheplein afbrandde Bouwmeester daar den Macbeth zien spelen. Naar, hoor! Naar! En eens Sarah Bernhardt als Lady Macbeth, maar ik vond Frenkel veel beter en Betsie ook. 't Leek er niet naar!"

"Amsterdam en het Leidscheplein tusschen de koningsgraven van Jona. De gids is weer een eind weg. Wij moeten hem inhalen."

"Ik wou dat die gids op den Ben-Nevis zat en ik hier mocht ronddwalen...."

"Ja, ik ook."

"Maar dan met u!"

Zij antwoordde niet, maar Casper zag dat het vel achter haar fijne oortjes vuurrood werd. Zij had het dus wel verstaan; toch klonk haar stem natuurlijk, toen zij bij de ruïne stond van het klooster van Sint-Columban. Een groot veld vol bouwvallen, waarin gras en onkruid welig woekert, opschietend tusschen de steenen, klimop zich slingert om de bogen en holle ramen, nieuw leven uitstortend over den dood. Een geweldig brok van een toren verheft zich somber en dreigend ten hemel; daaromheen nog sierlijke bogen, half afgebroken zuilen, overblijfselen van voorbijgegane heerlijkheid, en dan weer graven en nog eens graven.

"Zooeven sprak u van een ondergegane Alpenwereld door de zee bedolven, hier is het een andere beschaafde wereld, door domme dweepzucht verwoest," zeide juffrouw Bauer.

"Ja, men kan het zich nauwelijks begrijpen, hier was 't reeds een brandpunt van beschaving, toen Londen nog niets was dan een vesting tegen de barbaren, Glasgow een woest bosch, Amsterdam een visschersdorp of nog minder. Hier werd reeds gestudeerd, gelezen, geschreven, toen de engelsche fabrikant niets anders was dan een zeeroover en de hollandsche leeraar in de wiskunde een jager."

"En nu is het nog maar een graf, een reusachtig graf," zij huiverde, "en zal het ook eens zoo gaan met Londen en Glasgow?"

"Met de heele wereld," zeide Berkmans, "'t is mathematisch zeker dat wij allen van koude zullen sterven en de aarde dan doodsch en somber wordt als een reusachtig graf."

"Maar nu schijnt de zon nog, nu hebben wij het nog warm, nu zien wij neer op den dood en op het verleden, trotsch op ons bestaan."

Hij zag er zoo vol leven en kracht uit, terwijl hij dit sprak, zoo fier en sterk, dat onwillekeurig het gelaat van Andrée Bauer haar bewondering uitsprak; zij voelde het, keerde zich om en vroeg den gids om een kleine inlichting.

Nu werd haar een steen gewezen--Columbans slaapplaats, later zijn sterfbed.

"Dat is me ook een liefhebberij zoo te slapen."

"Gelukkig de tijd toen men nog een overtuiging had en voor die overtuiging kon lijden en sterven," zeide Andrée halfluid, "en zelfs--zijn slaap opofferen."

"Gelooft u dat die overtuiging nu niet meer bestaat?" vroeg Van Eyken.

"Waar zou ze nog zijn? Niemand gelooft, niemand hoopt immers meer iets! Men tracht het fundament van elke eerlijke overtuiging te ondermijnen en klaagt dan nog dat niemand overtuiging meer bezit en 't was toch zoo heerlijk, die zegepraal van den geest over de stof. De geest van een Columban, die leven bracht in deze steenen, die deze wildernis herschiep in een paradijs, die beschaving plantte terwijl overal nog barbaarschheid heerschte--en tot rustplaats voor zichzelf maar een steen koos."

"Vond u waarlijk Princestreet zoo mooi?" vroeg Casper, "ik begin er aan te twijfelen."

"Daar denk en voel ik weer anders dan hier," antwoordde zij eenvoudig.

"Weet u wat Dr. Johnson zeide van Jona: "De man is niet te benijden, wiens vaderlandsliefde niet aan kracht wint op het veld van Marathon, of wiens vroomheid niet levendiger gloeit bij de bouwvallen van Jona."

"Vaderlandsliefde en vroomheid zijn geen mode-artikelen meer; dat zou Johnson zelf moeten erkennen als hij nu leefde, maar 't is waar, hoe mooi wordt dit veld van ruïnes alleen door de verbeelding en de herinnering. In Staffa had men den indruk maar in zich op te nemen, het had aan zijn eigen schoonheid genoeg, hier moet men eerst zijn weten uitstorten over alles wat zoo vernield en misvormd lijkt en dan bloeit het weer op in een geheel andere schoonheid."

Hij legde haar arm op den zijne.

"U is toch een dweepster; ik had het niet gedacht."

"Waarvoor ziet u mij dan aan?" vroeg zij.

"Voor een raadsel! Maar een raadsel vol pikanterie."

"De oplossing zal u tegenvallen."

"O, neen! Dat kan ik niet denken."

"Ik ben er zeker van. Daarom, raad maar niet, u doet er mij plezier mee."

Zij waren een eind voortgeloopen nog steeds arm in arm.

"U kan niet gearmd loopen, u komt telkens uit den pas," zeide hij lachend en trachtte zijne stappen naar haar te regelen.

"Ik ben het niet gewoon gearmd te loopen."

"Dan heeft u geen broeder, geen vader, geen zwager, geen--geen--"

"Geen, wat?"

"O, neen! anders zou u hier niet alleen zijn."