Part 4
Hij bleef dien dag buitengewoon mat en stil; nu en dan alleen verscheurde een droge, benauwde kuch zijn borst.
Tegen den avond ontwaakte hij uit zijn dommeling en sprak bij tusschenpoozen.
"Wat een kort geluk, Céline, wat een korte liefde, nog geen twee maanden."
Zij fluisterde hem toe:
"En toch is die liefde sterker dan de dood."
Wijd opende hij zijn oogen.
"Ja, je hebt gelijk, een eeuwigheid is niet te lang om elkander zoo te beminnen. Niet vaarwel, tot wederzien!"
Toen hij haar weer zag schreien.
"Onze hoop sterft niet.... wees gerust! Je bent mijn laatste zonnestraal, mijn laatste--misschien mijn eenig geluk geweest dat ik niet verdiende. Laten wij ons vastklampen aan de hoop op wedervinden...."
En na eenige oogenblikken:
"Ik dank je voor alles, Céline.... alles heb ik je te danken zelfs die hoop!.... Je hebt mij beter gemaakt dan ik was... je gaf mij nieuw leven.... zooveel goeds was in mij gestorven.... je hebt het weer opgewekt... weer doen bloeien... ik dank je.... ik dank je...."
Hij kuste haar handen lang en innig.
"Groet je.... onze moeder en ons beider zusters.... je moet naar Holland gaan en.... laat mijn herinnering toch geen beletsel zijn voor je geluk."
"O neen.... neen! Je blijft mijn man, mijn bruidegom in eeuwigheid. Laat mij dien troost, Rudolf!"
Hij zweeg, altijd haar handen in de zijne gedrukt.
"Ik wil leven voor zieken en ongelukkigen tot het oogenblik dat ik zelf...."
"Beloof niets, vrouw. Wij hebben het aan ons zelf gezien, hoe weinig men meester is van zijn toekomstige gevoelens en gedachten. Zelfs in het gezicht van den dood!"
Twee maanden nadat Céline Samarang verlaten had met geen ander gevoel in haar hart, dan dat zij alweer een nieuwe betrekking ging aanvaarden, naar zij hoopte haar laatste, kwam zij bij haar vriendin mevrouw Van Velden terug in zware rouwkleeren, een schaduw van haar vroeger zelf, een gebogen, geknakte, doodsbedroefde weduwe.
"Arme, arme Line," zeide Elise, nadat zij elkander lang sprakeloos hadden omhelsd, "wie had zoo iets kunnen denken? Als ik dat geweten had!"
"Ach, Lise, ik ben je zoo dankbaar, zoo innig dankbaar, je hebt mij zoo'n kostbare herinnering gegeven, mijn leven verwijd, mijn hart opengezet. O, wat ben ik veranderd en als je wist hoe lief mij zelfs mijn smart geworden is, daar ik ze aan hem dank! Hoe ze mijn kostbaarste schat blijft."
"Niemand zal 't gelooven," snikte Lise, "zelfs mijn man niet," dacht zij, "en toch kan ik er goed inkomen," voegde zij er hardop bij.
"Ja jij, maar ook niemand anders, daarom zal ik mijn verdriet ook niemand vertoonen, ik zal het verbergen, zooveel ik kan."
"En wat zijn je plannen nu?"
"Naar Holland gaan! Hij verlangde het, al valt het mij hard zijn graf te verlaten, maar hij is altijd om mij, ik voel het! Daar zal ik rust hebben, daar zal ik vrij aan hem kunnen denken, terwijl hier...."
Om de zoogenaamde kletstafel in de societeit werd er ook gesproken over den dood van Telwerda, over de promotie, daardoor ontstaan en een die het wist, vertelde:
"Verbeeld je, hij is getrouwd in extremis met een meisje dat hij nooit gezien had, om zijn pensioen niet weg te werpen."
"Wanneer?"
"Een week of zes, zeven geleden."
"Nu, die heeft dan ook geboft, zoo gauw pensioen verdiend!"
"En vrij passage naar Europa."
"Zoo vlug, dat kunnen wij niet in dit lamlendig land! Sapada, sopie sama pait!" [2]
VACANTIE.
I.
Een sombere hemel grauwt over de woeste zee,--groote wolkenmassa's woelen dooreen, soms met geweld zich losscheurend om vlakken blauw, een enkele keer zelfs een rossig zonnelicht door te laten--maar verder alles even dof, grijs niets dan grijs voortschuivend. De golven slaan driftig tegen de massa's zwart graniet, verbrokkeld, verstrooid tusschen de branding liggend. Sissend en bruisend werpen zij haar schuim tegen hen aan, als zochten zij een voorwerp om haar onredelijken toorn tegen te koelen; wit glanzen de meeuwen af, in hun vlucht tegen den valen achtergrond, hun doordringende kreten vermengen zich met het gedruisch der baren. Het is geen storm, niets dan een van die woeste, sombere dagen, welke in Augustus reeds den naderenden herfst voorspellen.
De stoomboot maakt haar dagelijksche rondvaart; onverschillig of de zon zich koninklijke gastvrouw toont op dit gebied der zee, waar zij oppermachtig heerscht en van haar gunst alles afhankelijk maakt, of dat zij boos en grillig zich achter de wolken verschuilt, de "Columban" mag zich niet storen aan haar nukken; dagelijks volbrengt zij haar tocht langs de eilanden, naar Jona en Staffa, en voert de gasten trouw langs de waterwegen, die zij moeten hebben betreden, willen zij hun plicht van tourist gewetensvol vervullen.
De gedrukte stemming van zee, zon en lucht deelt zich onwillekeurig mede aan de niet zeer talrijke passagiers. Eenigen wandelden op het dek der salonboot--die eigenlijk niet anders is dan een drijvend hotel van den eersten rang,--op en neer: zij praten over het weer natuurlijk, dat zich gisteren zoo prachtig liet aanzien en vandaag zoo trouweloos in zijn beloften bleek--over de kansen van het opklaren--en toen over alles wat men in de laatste dagen had gezien en in de volgende nog hoopte te zien.
Een paar dames schenen nog erger onder den invloed van de afwezigheid der zon; zij zaten stil bij elkander, bang door een enkele beweging het altijd dreigende monster der zeeziekte gelegenheid te geven haar aan te vallen; zakdoeken nat van eau de cologne werden telkens naar den neus gebracht, die in zijn naasten omtrek al vrij bleek dreigde te worden.
Opgewektheid, levenslust, belangstelling in de grootsche omgeving ontbraken geheel; de stoffelijke eischen en behoeften van het lichaam overheerschten geheel de wenschen van den geest, die zich sedert wie weet hoe lang op dezen dag verheugd had, als op een, die verdiende met gouden teekens aangeteekend te worden in een reeks van doffe, grauwe dagen.
Jammer van die schaduw door het materieele geworpen op hetgeen juist het hoogere en beste van het intellectueele leven in beslag moest nemen: historische herinneringen, de liederen van Ossian, de stichting van Columban, de grafsteden der oude schotsche koningen, de watertochten der Vikings, de wonderbare schoonheid van Staffa, en de Fingalsgrot, de heerlijke eilandengroep, al die betoovering, door een ongeëvenaarde vermenging van historie en natuur ontstaan, alles weggedoezeld en weggewischt door een booze gril van het weder--geen wonder dat onverschilligheid, teleurstelling de stemming aan boord even droevig en somber maakte als die van zee, lucht en rotsen rondom.
Twee heeren alleen stoorden zich weinig aan de boosheid van het weer; integendeel, hoe hooger de golven gingen, hoe nijdiger de branding sloeg tegen de rotsen, hoe levendiger hun gesprek werd. Zij hadden zich behagelijk genesteld op de triomfstoeltjes van zeildoek tusschen houten staven, zij rookten en dampten als in wedstrijd met den schoorsteen der onvermoeide stoommachine; hun glas whiskey had hen opgewekt en zij waren er na aan toe de reis nog volstrekt niet onaangenaam te vinden, integendeel de beste, welke men in de gegeven omstandigheden genieten kon. Zij spraken beiden Hollandsch; de eene met dat onmiskenbare iets in den tongval dat een lang verblijf in Engeland verraadt.
"Neen, ik blijf er bij; zoo'n weer als vandaag brengt je juist in de stemming om Schotsche zee en schotsche rotsen op zijn best te zien. Mist, regen, wolken dat is hier immers het zondagsche kostuum van de natuur."
"Ik had ze dan even graag op zijn weeksch gezien," zei de andere, klein van gestalte, in gezocht touristen-kostuum, maar wien men toch den Hollander op twintig stappen aanzag; de eerste daarentegen scheen geheel Engelsch, zoowel door zijn forschen gespierden bouw, als door zijn practische kleeding, grijze kniebroek, grijs jasje over een rood gestreept flanellen sporthemd, grijze pet; hoewel Hollander geboren, had een lang verblijf in Engeland toch zijn voorkomen evenals zijn spraak geheel verengelscht.
"Toch blij dat Betsie hoog en droog in Oban is gebleven," ging de kleine voort. "Voor haar is het jammer dat zij het niet aandurfde; 't is de interessantste dag van een schotsche reis."
"Daar geeft zij wat om, zij heeft zich daar gezellig opgeschoten; misschien haar handwerkje voor den dag gehaald en zit nu met die engelsche gouvernante, die in Holland is geweest, druk te redeneeren over de manier, waarop men hier het koper schuurt en het vleesch braadt. Van avond weet zij een massa belangrijke dingen over het verschil tusschen engelsche en hollandsche booien."
"Dat zal wel!"
"Waarom jelui reist, begrijp ik eigenlijk niet. Betsie sleept haar huishouden in den geest overal met zich mee en jij zou een boek kunnen schrijven alleen over de verschillende tables d'hôtes en wijnkaarten van de hotels, die je bezocht."
"Nu, dat hoort toch ook tot het aangename van het reizen."
"Neen, tot het onaangename, het alleronaangenaamste, hoe minder je te lijden hebt van die materieele lasten...."
"Of lusten."
"Thuis kan het zijn prettige zijde hebben, op reis is het last, ballast. Hoe minder je daarmee "bored" bent, hoe genotvoller de reis."
"Ja, als je alleen bent maar met dames..."
"Och wat! dames! Je maalt nogal om je vrouw. Als je vreest er last van te hebben, dan bepraat je ze om thuis te blijven en zij laat zich bepraten met het grootste gemak. Daar kijk eens hoe prachtig dat schuim zich opwerpt tegen die zwarte rots! Zoo'n gezicht alleen is reeds de reis waard. Wanneer je zooals ik dag aan dag in een berookte, muffe, olieachtige fabriek zat dan waardeerde je zoo'n dag buiten zelfs in den mist en in den storm dubbel."
"Och je hebt het in de buurt, je kunt er dikwijls van profiteeren."
"Ik ben hier nog nooit geweest en ik woon toch reeds tien jaar in Paisley; als jelui hier niet gekomen waart, zou ik nog niet opgebroken zijn, maar nu moest ik toch de cicerone spelen."
"Maar hoe komt dat dan?"
"Hoe komt dat? Hoe komt het dat er in Amsterdam zoo'n massa lui wonen, die nog nooit in het Rijks Museum zijn geweest? Ze komen er alleen wanneer ze logés hebben. Mijn vacantie bracht ik tot nu toe altijd in Holland door, maar nu Mama er niet meer is, heb ik er geen huis meer."
Hij sloeg een dikke wolk uit zijn sigaar, de andere zeide een beetje aarzelend:
"Maar je weet, bij ons ben je altijd welkom."
De verengelschte Hollander lacht luid op.
"Praat je uit je eigen naam, Jo, of uit dien van Betsie? Zij zou haar broer jaarlijks zien aankomen met zijn schotschen rommel en onhebbelijke gewoonten. Neen man, het tehuis heb ik verspeeld voor goed!"
"En je denkt er niet aan er een eigen op te richten."
"Och wat, hier in het rookerige Glasgow? En dan moet je met je tweeën zijn, hé, dat bedoel je toch! Nu, oprecht gesproken, ik mag de tegenwoordige meisjes en vrouwen niet genoeg om mij levenslang met één op te schepen."
"Wat heb je er tegen? Zij zijn toch wat ze altijd geweest zijn."
"Meen je dat? Omdat je met je Betsie nu samen zoowat halfweg gepasseerd bent; jelui bent in mekaar gegroeid en dat maakt je blind voor de veranderingen in de meisjeswereld om je heen, maar je begrijpt als ik moet beginnen met to pop the question, het dient te zijn met een zoogenaamde modern meisje en die, neen--die bevallen me niet!"
"De schotsche misschien, maar...."
"De hollandsche evenmin; mijn goeie, oude vrouw had er zoo'n zwaar hoofd in mij alleen achter te laten. Ik begrijp het niet, het gold toch maar een dag of veertien, drie weken in het jaar. 't Is waar, ik teerde er de overige 49 op, zoo'n vacantie thuis, at home."
Hij zweeg even, zijn stem trilde hem wat te veel naar zijn zin; na een oogenblik ging hij voort:
"Zij en Betsie, en Cato, en Annie hadden besloten mij een vrouw te bezorgen en dan was het hier dan weer daar theevisite, muziekavondjes--ik noemde het de kijkkast. Dan werden al de dames van haar kennis verzocht; je weet ze wonen allen op verschillende plaatsen, dus ik had wel gelegenheid studies te maken en de dames vonden dien Schot interessant, en vertoonden zich op haar mooist, maar juist dat mooie, bah! 't is om van te walgen."
"Hoezoo?"
"Ik kan het je zoo niet zeggen, maar ik vond ze allemaal naar, hoog ontwikkeld, geleerd, onafhankelijk, met onbekookte ideeën of geaffecteerd huishoudelijk. Zeker, ze waren op hooger burgerscholen, kweekscholen, gymnasia, muziek-, kook- en huishoudscholen zelfs geweest. Zij hadden er geleerdheid opgedaan en een praats! Zij durfden over allerlei dingen spreken, waarover onze moeders nog onder haar grijze haren zouden blozen. Ze dweepten met sociale nooden, met dierenbescherming, met bond dit, bont dat, met kunst, met kindervoeding! Zij deden alles wetenschappelijk, zelfs coquetteeren, flirten, met de oogen draaien en de lippen trekken; maar natuur, hart, echt gevoel, ik heb er geen schaduw van gezien, geen glimpje en dat alleen had ik juist noodig."
"Maar denk je dan dat ze daarmede te koop loopen op theevisites?"
Zij liepen wel te koop met wat zij als surrogaat daarvoor aan den man zochten te brengen. Met intens gevoel, philantropie, kunstsmaak, wereldwijsheid; maar ik noem dit aanstellerij, opgeplakte gevoelens, niets anders. Ik kan dat tegenwoordige vrouwendom niet uitstaan."
"Moet je een dom gansje hebben, dat van niets afweet? Die zijn er nog genoeg, geloof me! Zoek ze maar te vinden!"
"Een vrouw die me liefheeft, die niet vreest mij dat te toonen en die mij niet aanziet als--als een vesting, die men veroveren moet, met alle krijgsmiddelen, welke de tegenwoordige overbeschaving haar aan de hand doet en die overigens verre, heel verre boven mij meent te staan. De vrouw is niet meer wat zij eigenlijk is, maar wat haar boeken, haar couranten, haar studiën en de praatjes om haar heen haar gemaakt hebben. Van de engelsche of schotsche vrouwen spreek ik niet. Die zijn over het algemeen minder ontwikkeld, maar onbeduidend, excentriek, vreeselijk coquet, maken van haar toilet een halfgod of zijn geleerd, philantropisch en verslodderen geheel."
"Niet zoo hard! Men kon je lieve principes eens verstaan hier in de buurt."
"We praten immers Hollandsch en er is geen Hollander aan boord."
"Men kan zich vergissen. In Oban hadden wij ook niet gedacht dat die miss Ellis Hollandsch verstond. Wat dunkt je van dat meisje?"
"Dat daar tegen de borstwering staat. Nu, als die niet Engelsch of Amerikaansch genoeg is, kan je ze terugbrengen. Ik heb ze al zooeven in het oog gehad, zij schijnt alleen te reizen."
"Dat kleine ding, geen beauté maar toch...."
"Iets aardigs!"
Onmerkbaar beefde het handje dat een binocle vast tegen de oogen hadt gedrukt en daarmede strak de rotsige kust van de stranden fixeerde. Zij kon even over de twintig zijn en was echt voor de reis gekleed, een gewoon donker serge rok, die tot de enkels reikte en voetjes liet zien, een stuk kleiner dan die men meestal in het Britsche rijk te bewonderen krijgt, geschoeid in roodbruine laarsjes; een lederen ceintuur omgaf haar middeltje, een eenvoudige ecru linnen blouse sloot knap om haar goed geëvenredigde buste; het matrozenhoedje was op dik, een weinig weerbarstig, bruin haar geplaatst; de zeewind had haar wangen en lippen hooger gekleurd dan anders, haar oogen zag men niet, verborgen als zij reeds sedert geruimen tijd waren door de binocle. Er lag iets kinderlijks en toch flinks in haar geheele optreden.
Zij stond op eenige stappen van de beide Hollanders en had, als zij gewild of gekund had, woord voor woord hun gesprek moeten volgen; zij zwegen beiden, hun aandacht was door haar geboeid en het was of zij het instinctmatig voelde, want zij liet eensklaps haar binocle zakken, ging naar hen toe en sprak in zuiver Hollandsch:
"Ik mag niet langer onbescheiden zijn, ik ben werkelijk uw landgenoot; toen ik hier kwam staan, had ik er geen idee van dat u Hollanders waart; eerst luisterde ik volstrekt niet, maar toen interesseerde mij uw gesprek onwillekeurig en ik ben zoo brutaal geweest u af te luisteren, maar nu wil ik u toch waarschuwen als u familiezaken behandelen wil voorzichtiger te zijn. Ons land is zoo verbazend klein."
Zij sprak met het grootste gemak, eenvoudig zonder bijzonderen nadruk en zonder gebaren. Nu konden zij haar in de oogen zien, groote grijze oogen met lange franje-achtige wimpers, en bijzonder mooie gewelfde wenkbrauwen; anders was er niets bijzonders aan haar gezicht, alleen een prettiger uitdrukking als zij sprak dan als zij zweeg, want dan groefden zich twee diepe strepen energiek aan weerszijden van haar kin en trokken haar mond naar beneden.
De heeren zagen haar een weinig verbaasd aan. De halve Schot echter begon hartelijk te lachen, stond op en zeide:
"Nu, die is goed! Ik zal maar niet zeggen wat een Hollandsch spreekwoord vertelt van den luisteraar aan den wand. Ik ben niet gewoon mijn opinies onder stoelen of banken te verstoppen en als u vindt dat ik gelijk heb, dan prouveert het voor u en--tegen de hollandsche dames."
Zij haalde de schouders op:
"Ik weet het niet. Mijn oordeel kan hier uit den aard der zaak weinig waarde hebben."
"Omdat u bevooroordeeld is?"
"Neen, volstrekt niet! Moet men blind zijn voor de fouten van zijn medemenschen omdat men vrouw is, dan zou ook geen man in staat zijn over zijn medemannen onpartijdig te oordeelen. Ik ben volstrekt niet van zins de partij van de hollandsche vrouwen op te nemen, maar ik zie ze als vrouw en dat geeft een verschil."
"Dus u vindt ze engelen?"
"Neen," antwoordde zij, "ik vind ze onuitstaanbaar."
Dat werd zoo kalm en bedaard gezegd, de groote oogen staarden hem zoo rustig aan, dat het woord bijna als een zweepslag neerkwam.
"Dan zijn wij het eens," riep de ongetrouwde, "dat is alleraardigst, flink gezegd, maar u zondert toch u zelf uit!"
"O neen," verklaarde ze nu met veel warmte, "ik kom mijzelf het onverdragelijkste vóór."
"Een rare sijs," dacht de man van de in Oban achtergebleven Betsie.
"Dat is iets nieuws! Nu de kennismaking toch zoo ongezocht heeft plaats gehad en ik mij zonder het te weten reeds bij u geïntroduceerd heb--mevrouw!"
"Juffrouw!"
"Nu, juffrouw dan, mag ik mij zeker wel aan u voorstellen. Casper van Eyken, technisch ingenieur op de fabriek van Clarkston te Paisley, mijn zwager...."
Maar de zwager stond er op alles in de puntjes te doen; hij haalde een keurige zakportefeuille voor den dag, welke hij op zijn verjaardag drie jaar geleden van Betsie had gekregen en die er nu nog zoo goed als nieuw uitzag, met een bouquetje van vloszijde er bovenop gewerkt en in dat portefeuilletje tusschen een paar portretten van Betsie haalde hij een met rouwrand voorzien kaartje voor den dag.
Joh. A. Berkmans Leeraar in de Wiskunde H. B. S.
Dat reikte hij haar over; zij nam het met een lichte hoofdbuiging aan, haalde toen ook haar zakboekje uit, dat veel gelijkenis toonde met het receptenboekje van een arts, en overvol was niet allerlei papieren en brieven. Zij legde er het kaartje in, hield een ander even tusschen de toppen harer vingers, toen bedacht zij zich.
"Ik heb geen kaartje," zeide zij, zonder de oogen op te slaan, "mijn naam is "Andrée Bauer" en ik woon in Amsterdam."
"Alleraangenaamst uw kennis te maken," zeide Berkmans op een toon, die genoeg verried dat hij die kennismaking eigenlijk alleronaangenaamst vond. Een geëmancipeerde dame alleen op reis. Nu, dat zou Bets bevallen.
Maar zijn zwager maakte aanstalten een stoel nader te schuiven en vroeg: "als u de kennismaking ook zoo aangenaam vindt als mijn zwager het zegt en ik het denk, wil u dan bij ons zitten?"
Zij keek hen weer met haar koelen, rustigen blik aan, die hen scheen te doordringen:
"Hoe kan u die kennismaking nu al prettig vinden? Dat u beluisterd werd, is zeker geen aangename verrassing. Misschien treffen wij mekaar straks weer, maar voor het oogenblik zal ik niet langer uw gesprek storen, en nog minder het afluisteren. Tot straks, heeren!"
En zij ging naar de andere zijde van de boot en de beide heeren keken elkander een weinig verbluft aan--toen zij zich alleen bevonden.
II.
Het onverwachte gebeurde; de wolken raakten moede van het door elkander en over elkander warren of liever de zon verveelde hun grillig spel, zij joeg hen plotseling met geweld uiteen en deed haar macht voelen over zee en wind.
In een oogwenk vluchtten de wolkbanken verschrikt weg; het blauwe veld werd wijder en wijder, bundels van zonnestralen wierpen zich over de golven, die als bij tooverslag hun grauwgele kleur verloren, om helder en doorschijnend te worden als smaragd.
Staffa was in zicht!
Een reusachtige natuurbouw van duizend en nog eens duizend zuilen van bazalt en graniet, dicht aaneen gedrukt, een berg zich verheffend op een voetstuk van verstrooide klippen, een tempel van zwart kristal door reuzenhanden opgericht in het midden der woestenij van onmetelijke wateren, kokend, donker schuim, borrelend opgestegen uit de diepste diepten van de zee en toen als door tooverslag versteend, een kathedraal, waarin een der oude goden aangebeden en verheerlijkt wenscht te worden nu hij van de aarde verdreven is, en waarin de golven het eeuwig orgelspel doen hooren--dat alles en nog veel meer schijnt Staffa met haar Fingalsgrot.
De stoomboot had de eilanden, die een soort van eerewacht vormen voor hun koningin, ver achter zich gelaten, nu bleef zij op een afstand liggen en ontlaadde haar passagiers in kleinere schuiten; bij de steenklompen, die den onderbouw schijnen van den kolossalen rotstempel, werd hun beduid, dat zij uit moesten stappen om over die steenen hun weg te vinden naar den ingang der grot.
Het was een moeilijke tocht al springend en klauterend over de ongelijke steenmassa's, door het zeewater onophoudelijk bespoeld en deze glimmend en glad achtergelaten door zeewier en schuim.
"Goddank! Dat Betsie er niet is," verzuchtte Berkmans weer uit het diepst van zijn hart.
"Ja, dan had ik met haar moeten optrekken, want je hebt genoeg te doen om je zelf voort te laten springen," antwoordde Van Eyken, die moeite had zijn lichten stap te matigen om zijn zwager bij te blijven en hem soms de hand te reiken als de sprong van den eenen steen tot den anderen te groot bleek.
"Die dikke Bets, zij was er bij neergevallen. In elk geval had zij het er niet zoo kranig afgebracht als die juffrouw--hoe heet ze ook, Bauer...."
"Nu als men ook alleen op reis durft gaan.... oef! 't word warm hé, die zon steekt, ze haalt een buitje op."
En blij een voorwendsel te vinden om even te kunnen stilstaan, veegde hij zich de druppels van het voorhoofd.
"Zij is nummer een, kijk, daar wipt ze al de grot in. Kom, Jo, laat je niet beschaamd maken! Daar geef mij de hand maar, laat je niet door valsche schaamte beet nemen. Ze zijn ons allen vóór."
"'t Is me werken voor zijn plezier! Had ik dat geweten...."
"Dan was je stil bij Bets gebleven, hé! Maar nu moet je vooruit, daar helpt niets aan."
Bijna loodrecht stijgt de gevel der Fingalsgrot uit zee, een reuzenboog, die zich naar binnen voortzet in een onafgebroken zuilenrij, tot het heiligdom voerend met een trap, waardig toegang te verleenen tot de paleizen van Neptunus. En deze gigantentrap was het, waarover Berkmans al huppelend en trippelend, al zwoegend en zweetend zich omhoog werkte.
Caspar van Eyken moest er om lachen, het was of hij een vlieg hoorde gonzen om de manen van een ingeslapen leeuw; hij stond reeds voor den ingang der grot toen zijn zwager nog de ongelijke, grillige lager, dichter en verder dooreengeworpen rotsblokken verwenschte.
Hij stond als overweldigd stil toen de andere half kermend uitriep:
"Is me dat een tocht? Heel aardig, maar is me dat zoo'n klim waard?"
"Och Jo, was je maar bij Betsie gebleven! Je hebt er toch geen verstand van."
Berkmans las uit zijn Baedeker voor:
"Tweehonderd dertig voet is de grot diep, van voren 90 voet hoog, 40 breed."
"Schei uit met je cijfers, man! Laat ze aan je hoogerburgerschooljongens over, zie, geniet!"
"God beware me! wat is dat glad, als je uitglijdt--oef, je hand Cas, even maar!"