In Extremis

Part 2

Chapter 24,193 wordsPublic domain

"Hoe hoog moet zij het loon niet stellen; daar zij geen werk er te zwaar voor vindt."

"Ik zal 't niet verzwaren door mijn schuld," hoorde zij hem al kuchend en hijgend zeggen.

Dit meende hij werkelijk, maar hij was geen meester over zijne verschillende stemmingen; de ziekte deed hem telkens overgaan van diepe zwaarmoedigheid tot bitteren spotlust om in zijn beste oogenblikken plaats te maken voor goedige ironie en zekere weekheid.

"Je moet er niet op letten, wat ik soms zeg, ik ben een arme zieke," zeide hij tot Céline en even later plaagde hij haar met allerlei overdreven eischen, met overbodige klachten en bittere verwijten.

"Dat kan mijn Amat beter doen. Daarvoor hoefde geen Hollandsche dame te komen om mij zoo te plagen," knorde hij dan, als zij tevergeefs trachtte hem een gemakkelijke houding te bezorgen.

"Ja, 't is zoo gauw niet gewonnen uw honorarium," spotte hij dan weer, "dacht u dat het zoo gemakkelijk ging? 't Is maar een begin. Is u vroom? Bid u dan maar dat magere Hein spoedig komt, dan is u verlost en ik er bij."

Céline zweeg; zij deed of zij die scherpe woorden niet verstond; zij was vast besloten den plicht, dien zij op zich genomen had, zoo goed mogelijk te vervullen tot het einde; maar haar zenuwen werden dikwijls overspannen door zijn onredelijke eischen, en eens dat hij weer zonder eenige reden scherp en bitter was geweest, ging zij de kamer uit om in de voorgalerij uit te schreien. Daar klonk zijn schelletje met verdubbelde kracht, zij liet hem bellen, nog weer bellen. Eindelijk kon zij niet langer weg blijven; zij droogde haar oogen en keerde terug naar de achtergalerij.

Hij was rood van kwaadheid en inspanning.

"Waar blijf je nu?" snauwde hij haar toe. "Is dat mij alleen laten? Schande zoo zijn plicht te...."

Hij zweeg plotseling, hij zag dat zij geschreid had.

"Waarom huil je? Om hetgeen ik zeg? Trek jij je dat aan?"

"Och neen! ik was zenuwachtig."

"Juist, dat is 't. Het zou ook te gek zijn te denken, dat de woorden van een halven doode zoo'n impressie op je konden maken."

En toen zweeg hij; zijn lippen trokken krampachtig onder zijn zwaren baard, zijn oogen knipten telkens toe.

"Een beetje bouillon?" vroeg zij.

"Neen, dank je!"

't Duurde lang vóór hij weer sprak en toen klonk zijn stem heel anders.

"Céline, ik ben een ruwe kerel; in de laatste jaren heb ik weinig met vrouwen--die ten minste waard zijn zoo te heeten--omgegaan en dan die ziekte is de zondebok van alles. Misschien zal ik je nog veel meer en nog veel leelijker dingen zeggen. Weet je wat je dan moet doen als het te erg wordt? Daar staat een fleschje met rustdruppels; de dokter heeft ze eerst niet hier willen laten. Belachelijk! Wat is dit eindje leven nog waard, of 't langer of korter duurt; als het nu te erg gaat, dan geef je het mij en neem ik twee druppels meer in en alles is gedaan."

"Neen," zeide Céline, "dat is gekkepraat."

"Waarom?"

"Dat weet ik zelf het best?"

"Wil je het mij niet zeggen?"

"Neen, nog niet."

Hij zag haar van terzijde aan en dacht:

"Zij heeft een mooi figuur, lieve oogen, die aan haar gewone trekken een eigenaardigen gloed geven. Toen zij la beauté du diable had moet zij er allerliefst hebben uitgezien."

"Céline," ging hij voort, "vergeef mij, ik ben een brute, maar waarlijk ik meen het niet slecht, die vervloekte kwaal maakt mij zoo."

Zij gaf hem de hand en toen gehoorgevend aan een plotselinge opwelling van medelijden, streek zij liefkoozend langs zijn voorhoofd en kuste hem.

Hij liet haar begaan, leunde even met de wang tegen haar hand en toen plotseling zijn gezicht verbergend in het kussen, barstte hij in een hevig snikken los.

"Je moet het niet doen," hikte hij, "o God! 't maakt me zoo benauwd, zoo ellendig, ik ben 't niet gewoon, ik verdien het niet."

Céline kon zich ook niet meer goed houden toen zij hem zoo hulpeloos zag schreien; zij kon er zelf niets aan doen, zij had het instinctmatig gedaan--om hem te kalmeeren, hem te toonen dat zij niet boos was; terwijl haar eigen lichaam onder de aandoening schokte en beefde, nam zij hem in de armen en liet zijn hoofd tegen haar borst rusten, maar hoe hartelijker zij hem behandelde, hoe heviger zijn aandoening werd; groote tranen rolden langs zijn wangen; zij veegde ze teeder af en kuste ze weg.

"Je bent een engel," fluisterde hij, "zoo lief, zoo goed.... ik dank je."

Eindelijk werd hij kalmer en viel in slaap, altijd met het hoofd tegen haar aan; hoewel haar houding zeer ongemakkelijk was, verroerde zij zich niet en bleef bijna een uur zoo zitten. Haar hart brak van medelijden om den sterken man, die zoo afgemat en hulpeloos in haar armen lag; zij stelde hem zich voor hoe hij in zijn gezonde dagen er uit moest gezien hebben en dan verbeeldde zij zich, dat zij op hem steunde, met hem wandelde en door hem geliefkoosd werd, en toen begreep zij eensklaps, dat het haar gemakkelijk zou geweest zijn hem de volle liefde van haar hart te schenken, voor en met hem te werken en te leven.

Hij werd wakker met een glimlach, uitgerust, kalm tevreden.

"Dat heeft mij goed gedaan!" zeide hij en richtte zich op in zijn rustbed, "heb je al dien tijd zoo gezeten, Céline? Och kind, ben je niet moe?"

Zij schudde glimlachend het hoofd, terwijl zij zich een weinig uitrekte; die glimlach en de kleur, welke door de inspanning haar gezicht bedekte, maakten haar mooi.

"Wat hebben wij daar een malle scène gemaakt," ging hij voort, "dat moet nooit meer gebeuren, hoor! Hoe kinderachtig van zoo'n grooten kerel zich zoo aan te stellen. Maar 't is jouw schuld, als ik zie dat men mij beklaagt, krijg ik kassian met mezelf en dan begin ik me waarlijk te grienen als een klein kind. Vind je mij niet dwaas? 't Eene oogenblik zoo uitvaren en dan...."

"Je moet maar stil liggen. Zoo, lig je wel goed, wel gemakkelijk? Nu neem je toch wat bouillon hé, met rijst!"

"Vrouwtje."

Hij kon dat woord zoo aardig, zoo vleiend zeggen en zij boog zich over hem en vroeg, wat hij verlangde.

"Wij moeten het ons maar zoo prettig en gezellig mogelijk maken, zoolang het duurt. En niet sentimenteel doen."

"Ja, Telwerda."

"Dat moet je niet zeggen. Noem mij "man" of "Ru", zoo zeide mama ook altijd."

"Ja, Ru!"

"Wat klinkt dat goed, geef mij nu wat bouillon, ik heb bepaald trek."

Céline was nog geen veertien dagen bij Telwerda aan huis of alles verkreeg er een ander aanzien; de bedienden kwamen meer onder appèl, de weerspannigen, die merkten dat zij onder het beheer der nieuwe Njonja niet meer als vroeger naar hartelust konden luieren en stelen, werden weggezonden.

De anderen moesten zich naar haar wenschen schikken. De kennissen van Rudolf, die hem trouw kwamen opzoeken, merkten de verandering, die niet alleen in het huis maar ook met hem plaats had. Hij was nu veel kalmer en minder ziekelijk opgewonden; hij kon uren lang stil liggen zonder gejaagd te zijn, zonder te knorren of te kermen.

Hij kreeg geregeld zijn medicijnen en zijn voedsel, hij werd verfrischt en opgeknapt, zooals Céline het noemde; hij hoefde nooit machteloos te wachten op de vervulling van een wensch en vooral hij had altijd gezelschap.

Geen oogenblik kon hij alleen zijn, zelfs niet wanneer Céline aan haar huishoudelijke bezigheden was; hij moest haar altijd om zich heen hebben. Zelfs wanneer hij met de oogen dicht lag, was het hem een troost als zij in de kamer op en neer ging, of stil voor zijn rustbed zat te werken.

De dokter kon er niet over uit, zoo'n juweel van een ziekenoppasster als mevrouw Telwerda bleek te zijn; die nu ontheven waren van de dikwijls niet al te gemakkelijke taak om hem gezelschap te houden, roemden haar om strijd.

"Hij had 't eerder moeten doen," zeiden zij.

"Die laatste streek is de verstandigste van zijn leven geweest."

Zooals het meer met zieken gaat, trad na de hevige crisis nu een tijdperk in van betrekkelijke stilstand; hij begon beter te slapen en te eten, hij was minder lusteloos.

"Verbeeld je, dat ik eens beter werd!" zeide hij eens.

Céline antwoordde niet; zij stond met den rug naar hem toe en voelde, dat zij een kleur kreeg: hij herhaalde zijn gezegde.

"Hoe zou je dat vinden?" vroeg hij en zij hoorde aan zijn stem, dat hij kregelig werd.

"Ik weet niet, hoe ik 't moet opnemen. Voor mijzelf zou ik God danken, maar voor jou was 't misschien vreeselijk, zoo'n koopje."

"Zou je dan, wanneer ik in 't leven bleef,--'t is te gek om van te praten--maar als het eens gebeurde, zou je dan mijn vrouw willen blijven?"

Zij zag hem aan met haar heldere, blauwe oogen en haar mooien lach.

"Ik, natuurlijk," antwoordde zij oprecht.

Hij keerde het hoofd om en mompelde:

"Es wär' zu schön gewesen."

Van dat oogenblik kwam er iets vreemds tusschen hen; zij vermeden elkanders oogen, elkanders aanraking; het prettige, kameraadschappelijke, dat na de groote scène hun verhouding had gekenmerkt, verdween onwillekeurig, en zonderling, de verandering scheen van hem uit te gaan en deelde zich aan haar mede.

Vóór dien tijd hadden zij veel met elkander gesproken; hartelijk, eenvoudig vriendelijk, vertelde Céline hem van haar familieomstandigheden, van haar lotgevallen in Indië, van haar zorgen, haar moedeloosheden. Ook hij haalde oude herinneringen op van de Polytechnische school, van zijn ouderlijk huis, van zijn diensttijd.

Al zijn herinneringen waren even zonnig, even gelukkig; de hare daarentegen even somber en kleurloos; tot aan zijn ziekte was hij in alle opzichten een verwend kind der Fortuin geweest, zij had niets anders dan het brood der dienstbaarheid en der verveling gegeten; niets anders moeten doen dan aan haar van levenslust en liefde overvloeiend hart het stilzwijgen opleggen. Die weerzijdsche confidentiën hadden hun goed gedaan, en nader tot elkander gebracht. Maar, nu bleven zij plotseling uit, uren lang zaten zij naast elkander en spraken slechts het hoognoodige, of iets om maar wat te zeggen; hij kreeg weer meer koorts en bleef dikwijls halve nachten wakker liggen, nu en dan rondziende met de oogen wijd geopend.

"Zal ik je eens iets voorlezen?" vroeg zij.

"Och! wat zal 't wezen? Daar ligt een heele rommel boeken, mijn vrienden hebben mij goed van lectuur voorzien, maar in den laatsten tijd had ik geen trek meer."

Céline keek de boeken na; het waren allen òf vakboeken; droog en geleerd, òf wel romans van meer dan lichtzinnig allooi.

"Bah, is me dat lectuur voor een zieke!" zeide Céline minachtend.

Hij glimlachte.

"Wil je mij dan vrome boeken voorlezen?"

"Ernstige ten minste," antwoordde zij, "die je op het leven uit de hoogte leeren neerzien, die je boven je zelf verheffen... Wat heb je aan de beschrijving van die dingen, waarvan je nu toch niet genieten kunt? Ze maken je maar wrevelig en opgewonden."

"Je hebt gelijk," hernam hij, "ik kon die prullen ook niet meer lezen. Heb je iets beters?"

Zij haalde een boekje voor den dag, dat er oud en versleten uitzag.

"Dit gaf mijn moeder mij bij ons afscheid, en 't heeft me nooit verlaten; als ik mij soms te moe of te verlaten voelde, dan sloeg ik 't op en las dan steeds iets toepasselijks op mijn toestand. Ik heb ook veel, heel veel gelezen, maar altijd kwam ik terug tot het boekje van mijn moeder. Dat alleen kon mij kalmeeren en kracht geven; andere verbitterden mij maar."

"Laat eens zien!"

Het was Thomas à Kempis; hij lachte een weinig minachtend.

"Ik wilde je juist verzoeken mij uit Heine voor te lezen; die is mij het langst trouw gebleven, die wist ook wat het beteekent in volle kracht door ziekte neergeworpen niet meer te kunnen leven en genieten, wanneer men zoo gaarne nog wil."

"Neen, Heine zal ik je evenmin geven als het vergif, waarom je eens vroeg."

"Vergif, daar zal ik je niet meer om vragen, maar mij dorst naar Heine, dat is andere, steviger kost dan die water-en-melk kwezelarij van je middeleeuwschen monnik."

Hij sloeg het boekje op, maar de letters dansten hem voor de oogen.

"Ik kan niet eens meer lezen," zeide hij met een hartverscheurenden glimlach, "ik verleer alles, wat ik met moeite heb aangeleerd; lees mij een volzin voor, daar deze, maar niet meer."

Zij las met bevende stem.

"Er is niets zoeter, niets sterker, niets verhevener, niets aangenamer, niets volmaakter, noch iets beter in den hemel en op aarde dan de liefde, want de liefde is uit God geboren."

Zij zweeg; hij knikte met het hoofd om haar aan te sporen meer te lezen en zij ging voort:

"De liefde is iets grootsch en een zeer groot goed, dat alleen datgene, wat zwaar is, licht maakt en dat gestadig alle ongestadigheid en ongelijk verdraagt, want zij draagt allen last zonder moeite en maakt al wat bitter is zoet en aangenaam."

"Dat is waar," fluisterde hij, "heel waar, hij weet het beter dan Bourget en Zola en die anderen."

Zijn oogen brandden op haar gelaat en zij sloeg verward den blik neer.

"Ja, hij weet het, lees voort, Céline! Je wist het zeker al lang, ik wist het ook, maar ik heb 't nooit zóó begrepen. Wij mannen zijn dat ontwend, wij vinden dat goed voor vrouwen of voor haar niet eens meer, voor bakvischjes alleen."

Céline was blijde voort te kunnen lezen; een dwaze verlegenheid had haar vervuld, haar handen beefden, haar polsen jaagden, en haar wangen gloeiden en terwijl zij voortlas nam haar stem een eigenaardigen klank aan.

"Vandaag niet meer," zeide hij eensklaps; het zweet parelde op zijn voorhoofd, zijn borst ging onrustig op en neer. "'t Kalmeert mij niet, integendeel, 't is of een nieuwe wereld voor mij opengaat, waarin ik niet kan binnengaan. O, 't is zoo mooi als men zóó het leven kan opvatten, hoog op alles neerzien, maar ach! 't is een illusie, een droom."

Céline ging stil heen, zij verliet de kamer en hij weerhield haar niet.

Die nacht ging voor Rudolf zeer onrustig en pijnlijk voorbij; hij ijlde bijna altijd voort en haspelde allerlei dingen dooreen; 't meest had hij het over liefde. De woorden, hem door Céline voorgelezen, waren hem in het zieke hoofd blijven hangen en telkens kwam hij er op terug.

Wat hij eigenlijk bedoelde en zeggen wilde, kon zij niet begrijpen; toen hij eindelijk insliep was het met haar hand in de zijne.

"Niet weggaan,.... niet weggaan,...." smeekte hij, "heb mij lief.... weinig,.... heel weinig maar.--De liefde immers acht niets zwaar."

Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd en haar aankeek, viel 't hem op dat zij er ellendig uitzag, met donkere kringen om de oogen en lang uitgetrokken wangen.

"Och! ellendeling, die ik ben, dat ik je zoo lang moet ophouden," steunde hij, "'t was voor je niet om te dragen al bezat je ook dat ééne waarover je gisteren las, en nu drukt het op je in volle kracht."

Zij keerde zich haastig om, want zij voelde haar stem stikken en haar oogen overloopen van tranen, die zij kost wat kost voor hem wilde verbergen.

"Céline," riep hij haar toe, terwijl zij met den rug naar hem gekeerd bezig was iets uit de kast te halen, eigenlijk om met haar aandoening ongezien te worstelen.

Zij veegde haastig de oogen af en trachtte zoo goed zij kon te glimlachen toen zij weer naast zijn bed stond.

"Zei je iets, Ru?" vroeg zij.

"Ik wou je iets zeggen," hij hield zijn hoofd afgewend, "ik heb in jaren niet gebeden, maar van nacht heb ik 't gedaan en weet je waarvoor? Om spoedig uit mijn lijden verlost te worden!"

"Is 't dan zoo erg?" snikte zij.

"Niet voor mij, neen! Dat komt er niet op aan, een paar weken langer of korter, ik ben er aan gewend, maar voor jou! Ik kan je niet zien tobben, en denken dat ik er oorzaak van ben!"

Zij bleef doorsnikken.

"Ja, huil maar niet zoo, Céline, 't zal wel afloopen, vroeg of laat en denk dan eens wat je een heerlijk lot wacht, vrij passage naar huis, alles wat ik bezit is voor jou, en dan pensioen. Hoe prettig kan je met je moeder en je gebrekkig zusje leven. Maar je hebt het verdiend, je bent zoo goed voor mij geweest, zoo goed, of je mij werkelijk hadt getrouwd--uit liefde."

Hij verborg het gelaat in de kussens; zij stond nog altijd bitter te schreien; na een poos ging hij voort:

"Je moet later naar mijn zusters gaan, Céline. Ze zullen er van opzien, dat ik een weduwe nalaat; maar zij moeten je als een zuster behandelen, ik verlang het, en zal haar ook schrijven, dat je mij zoo goed, zoo trouw heb opgepast in de laatste dagen."

"Ik doe mijn plicht," stamelde zij, "niets dan mijn plicht, er is niets bijzonders in. Ik nam 't op mij."

"Ja, ik weet het, 't is je plicht! Je hebt het op je genomen, 't is heel mooi! o zoo mooi! maar er is plicht en plicht doen."

't Scheen haar toe òf die woorden bitter en spottend klonken; maar met den besten wil der wereld kon zij niets antwoorden, al had zij ook gewild. Haar hart was tot berstens vol en zij vluchtte naar buiten, waar juist de dokter haar in tranen vond.

"Dokter," vroeg zij en nam radeloos zijn handen in de hare, "is er niets geen hoop, niets, kan u hem werkelijk niet redden?"

"Arm mevrouwtje! Staat het er zoo mee? Ik zou u kunnen vleien met een paar gemeenplaatsen, maar waar dient het voor? Ik heb 't u immers zwart op wit gegeven. Er is niet de minste kans op behoud. Alle edele deelen zijn aangetast."

"God straft mij," zuchtte zij, "dat ik rekende op zijn dood. Ik, die hem nu zou willen redden, ten koste van mijn eigen leven.... ô zoo graag."

De dokter schudde het hoofd.

"Wind u niet onnoodig op! Blijf zoo kalm mogelijk, dat is 't eenige middel om zijn leed te verzachten en zijn pijn te verlichten!"

De dokter kwam bij de zieke, die met zijn groote, wijdgeopende oogen de kamer doorzocht.

"Waar is mijn vrouw?" vroeg hij.

"Ik geloof dat jelui mekaar mooi zenuwachtig maakt. Zij is een heel best wijfje, maar dat nachtwaken en verplegen maakt haar prikkelbaar en als u haar dan nog opwindt met allerlei noodelooze praatjes, dan komt zij er nog heelemaal onder en wordt op slot van rekening zieker dan u."

"Ik heb haar niets gezegd, niets, maar zou u werkelijk denken, dokter, dat het haar afmat en afbeult? Dan zou 't beter zijn.... dat.... dat ik naar het hospitaal ging."

"Heb je van mijn leven! Nu naar het hospitaal gaan, terwijl je vroeger hemel en aarde hebt bewogen om in je eigen huis te blijven. Waarom ben je dan getrouwd, was 't dan niet om je een goede oppassing te verzekeren?"

"Ja, ja, 't is waar! Zoo moest ik 't beschouwen, maar nu kan ik 't niet meer! Ik begrijp mezelf niet, 't is zoo raar in mijn hoofd, zoo.... zoo.... donker.... en vreemd. Is dat het einde, dokter?"

"Geen quaestie man! Je hebt weer opnieuw geteekend, hoor! Je pols is bepaald sterker."

"Dokter.... zal 't nu nog langer duren, er moet een eind aan komen, zoo gauw mogelijk."

"Gekheid! houd je maar kalm! Weet je wat, ik zal je vrouw eens een kalmeerend drankje geven en naar bed zenden. Amat kan zoolang wel bij je blijven. Zij heeft hoog noodig te rusten."

"Ja, dokter, dat is goed, laat haar slapen."

Maar Céline wilde niet.

"Neen, ik verlaat hem geen oogenblik," verklaarde zij beslist, "ik zou 't mij eeuwig verwijten."

"Dan wordt u ziek en moet hem toch alleen laten. Wil u dat liever?"

"O neen, dokter! Ik zal gaan slapen."

Toen zij na eenige uren verfrischt en meer opgewekt bij den zieke terugkwam, schitterden zijn oogen van dankbaarheid en blijdschap; hoewel hij dank de rustpoeiers van den dokter zich betrekkelijk kalm had gehouden, was de tijd hem eindeloos lang gevallen.

"Gevoelt ge je wat beter?" vroeg hij belangstellend.

Céline hoopte, dat hij haar hand zou drukken of haar een kus vragen, maar hij deed het niet; hij zag haar nauwelijks aan.

"Heb je aan den dokter je nood geklaagd," ging hij voort met iets wantrouwends in de oogen.

"Wat voor nood?" vroeg zij verbaasd terug.

"Dat ik.... dat ik zoo lastig ben."

"Och Rudolf, hoe kan je zoo iets denken?"

"Ik denk soms hardop, maar ik zal 't niet meer doen, ik ben je veel te dankbaar, dat je zoo lief en hartelijk voor mij bent uit plichtgevoel, en ik zal mijn best doen je taak niet te verzwaren."

"Maar hoe kom je er aan! Je bent zoo geduldig en volgzaam, dat ik je in stilte bewonder."

"Kom, nu houd je me voor den gek! Weet je wat ik meer moest doen? De woorden van keizer Frederik ter harte nemen: Lerne leiden ohne klagen."

"O klaag gerust, je hindert mij niet."

Alweer kwam er een onaangename trek op zijn gezicht.

"'t Is heel vriendelijk van je; ik mag die woorden eigenlijk ook niet op mij toepasselijk maken. Wat een verschil tusschen keizer Frederik en mij! Hoe kostbaar was zijn leven en hoe nietig is 't mijne. O, wat heb ik dwaas gehandeld het iemand als een last op te leggen, als een plicht."

Alweer scheen Céline met stoutheid geslagen; haar hart en hoofd waren vol, maar haar tong weigerde elken dienst. Zij verstonden elkander niet meer. Eindelijk bracht zij er met moeite uit:

"Wanneer je wist hoe bitter je mij grieft door altijd hetzelfde te herhalen, zou je te goed zijn om die dwaze dingen te zeggen. Ik verdien het niet aan je, voor zoover ik weet."

"O neen, je doet je plicht onverbeterlijk."

Hij zweeg een poos en toen zeide hij: "We begrijpen elkander niet meer, elk gesprek eindigt in kibbelen en waarlijk, mijn leven is te kort om het in zulk onvruchtbaar twisten door te brengen. Wil je mij liever wat voorlezen?"

"Heel graag, wat dan? De Locomotief?"

"Neen--dat boekje van gisteren."

Céline las vandaag over onderwerping, over het nut van het lijden, over het nietige van al het aardsche, over de hoop op een eindeloos geluk.

"Je hebt gelijk," zeide hij, toen zij ophield, denkende dat hij in slaap was gevallen. "Er is toch iets kalmeerends in die eenvoudige woorden iets dat nog meer goed doet dan de rustpoeiers van den dokter. Vooral wanneer je zoo ziek en zwak bent, kan je er gemakkelijk in komen. Vroeger zou ik het femelarij hebben genoemd."

"Toen je gezond, sterk en gelukkig was."

"Gezond en sterk ja, maar gelukkig, ben ik het ooit geweest? Lees dat nog eens voor van gisteren, dat was zoo mooi."

Zij gehoorzaamde.

"Ja, liefde is beter dan alles.... zelfs beter dan plicht."

"Soms zijn plicht en liefde één," zeide Céline bijna onhoorbaar; hij scheen het niet te verstaan, want hij bleef onbeweeglijk, met gesloten oogen liggen.

't Was dien dag drukkend warm, en hoewel alle ramen openstonden en de jaloezieën neerhingen, drong de hitte in de kamer door.

Céline nam een waaier en wuifde hem zachtjes koelte toe.

"O hoe frisch!" mompelde hij, "wat zou ik niet geven om een stuk ijs. Mijn tong brandt."

"Ik heb naar Samarang geschreven om ijs," sprak zij.

"Je denkt om alles. Ik dank je! Een mooi ding toch die plicht."

Den volgenden morgen had een hevig onweer de lucht verfrischt; en hoewel het eerste gedeelte van den nacht voor Rudolf zeer benauwd geweest was, kwam hij evenals de natuur na de hevige uitbarsting tot rust en voelde zich 's morgens na eenige uren slaap verkwikt.

Nadat Céline hem gewasschen en gekleed had, voelde hij moed om aan haar arm naar de achtergalerij te gaan.

Het gezicht op het ravijn en de vlakte was verrukkelijker dan ooit; alles scheen te juichen in nieuwe jeugd en nieuwen glans; achter de bergen rees de jonge zon hoopvol en krachtig aan den bleekblauwen hemel op, stroomen van schitterend goud werpend op de zee van donker en licht groen aan hun voeten, de berg dreef in wazige sluiers, die zijn violet blauw nog dieper en krachtiger tegen de lucht deden afsteken. De regendroppels zogen met liefde de zonnestralen op en weerspiegelden hun glans naar alle zijden, vóórdat zij zich in hun warmte gingen oplossen.

"Hoe heerlijk zoo'n morgen in het gebergte!" en Céline ademde met volle teugen de frissche, geurige lucht op in haar gezonde longen.

Hij kuchte even, die fijne atmosfeer deed hem pijn.

"Ja, vroeger vond ik 't ook een paradijs, zoo'n morgen na een onweer en nu ik een paar dagen dat niet gezien heb, treft het gezicht mij weer in zijn volle pracht en schoonheid, 't is of nooit die stomme natuur mij verveeld, geërgerd, zelfs gewalgd heeft."

Hij leunde op de balustrade met de eene hand, de andere rustte op haar arm en plotseling, zonder dat zij er op verdacht was, fluisterde hij met zonderling klinkende stem: