In en om Java's Paradijs De Aarde en haar Volken, 1907
Chapter 2
Daar vóór ons rijst somber en dreigend de Bromo, die tot zevenhonderd voet boven de zandvlakte zich verheft, één aschhoop zonder een enkel grasscheutje of sprietje. Een deel van zijn noordoostelijken voet hangt samen met den Batok, dat broodsuikervormig geribt bergje, 926 voet hoog en waarvan de smaragdgroene voet verdwijnt in den vaalgrijzen bodem. De sedert lang uitgedoofde en de nog werkende krater willen nog niet van elkander scheiden, houden elkander vast aan de zoomen van hun kleed.
Maar dat kleed is bij den Batok groen als fluweel, door den verren afstand van de tjemaraboomen; bij den Bromo is het een treurig woest, doodsch, naakt en kaal gewaad.
En als dan de Bromo in werking is, dan ziet men vuur en rook en vlammen en warrelende kolommen opstijgen uit den vuurmuil van vijftien honderd voet diameter; men ziet de schijnbaar als vuurvonken opgeworpen lavabrokken in bogen neervallen; men hoort het geraas en gerommel opkomen uit de diepten van het hart der aarde en de omgeving sidderen onder de machtige mokerslagen van den god Vulcaan, die met zijn trawanten daar den vuurhaard stookt.
Doorleef het nog eens in uwe herinnering, gij die het ook gevoeld en ondervonden hebt; mededeeling door woorden aan anderen is ondoenlijk.
Een koude wind komt opzetten, de wolken van Tosari hullen alles in een sluier, geheimzinnig en zwaar: langzaam verlaten wij de plek, waar de natuur haar wonderen wrocht. De Bromo is reeds onzichtbaar, de doodsche vlakte ligt daar vaalgrauw in indrukwekkende majesteit, en in galop voeren de paarden ons door de Zandzee wederom den Moenggalpas op en terug naar het Sanatorium.
Daar liggen de golvende bergkammen en de ravijnen, daar blinken de prachtige dessa's en in de verte schemert de vlakte en de zee. En ziet! rijst daar niet in het allerverste Westen aan den lichten horizon Ardjoeno's goddelijk lichaam in maagdelijk blauw omhoog, met een blinkende glorie van witte, pure wolken om zijn statig hoofd? [1]
Heerscht in gewone tijden een doodsche stilte in en om de Zandzee, anders is het wanneer het Bromo-offerfeest zal worden gevierd.
Op de nauwe bergpaden, die naar den Moenggalpas voeren, verdringt zich dan de bont uitgedoste bevolking, gedeeltelijk gezeten op stevige bergpaardjes met rinkelende bellen behangen, op weg naar den ouden Wachter.
Reeds dagen te voren verzamelen zich de Tengger-bewoners in de Zandzee en slaan daar een tijdelijke woning op, zoodat die zandvlakte een kermisplaats zonder tenten gelijkt. Bij het ochtendgloren wordt dan de aschkegel bestegen door duizenden lieden, voorafgegaan door priesters, dragende offers bestaande uit rijst, klappers en pisang.
Ten opzichte van het brengen van levende offers zijn de tijden veel veranderd. In de 18e eeuw werd eenmaal per jaar een jonge maagd, bij het bergfeest, in den krater geworpen. Later, instede van de maagd, een stokoude vrouw reeds met één voet in het graf. Eindelijk werden, en maar gelukkig, dieren in plaats van menschen geofferd, en ook deze hoe langer hoe minder groot en kostbaar. Van een koe kwam men tot een kip. Schrijver dezes woonde het bij, dat men zelfs den kratergeest de kip niet meer gunde; althans het beest werd, zorgvuldig aan een touwtje gebonden, neergelaten en haastig weer opgehaald uit den vuurmuil.
Andere tijden, andere zeden!
Schier onhoorbaar is de stilte van den nacht gekomen over het wondervolle Tenggerland. In de helder verlichte zalen van het Sanatorium vermaakt men zich met spel en opgewekt discours, en naar buiten getreden, werpen wij een blik in de richting van het lage land in de vlakte, zes duizend voet beneden ons.
Als een reusachtig mysterie donkert de omgeving tegen ons aan, diep en zwaar. Hier en daar blinken lichten op uit de velden; één plek komt helder uit, vermoedelijk een boschbrand. Daar in de verte wordt van tijd tot tijd zichtbaar het vuur van Zwaantjes-droogte, een lichttoren van de vierde orde.
Als een reusachtig oog blikt het licht over het water. Het schijnt ook opwaarts te zien, als een symbool van hoop en vertrouwen.
Men voelt zich hier verheven boven het klein gedoe der wereld, zwoegende beneden ons; de bergen stemmen tot weemoed en ernst, maken den mensch beter, geschikter om te volvoeren de plichten, die hem opgelegd zijn, de plichten waaraan wij ons niet kunnen onttrekken zonder te kort te schieten in 't geen wij der gemeenschap verschuldigd zijn.
Blitar, 1907.
AANTEEKENING
[1] Borel, "Een Droom."
Uitstapje naar Kopenhagen.
Wie de deensche hoofdstad gaat bezoeken, richte het zóó in, dat hij bij nacht of ten minste bij avond de haven binnenvaart, want al is de ligging van Kopenhagen uit een schoonheidsoogpunt te vergelijken met die van Napels, Lissabon, Stockholm en Konstantinopel en dus ook bij dag interessant en mooi, de nachtelijke binnenvaart is onvergetelijk. De door de zee omspoelde stad heeft vóór alles het karakter van een vesting, maar van een moderne vesting, welker wallen ver buiten liggen in de zee als schier onneembare forten, in een krans den Sond omgevend en dien naar het Zuiden en Oosten beschuttend.
De binnenkomende stoomboot gaat er tusschen door, en van alle forten ziet men in het nachtelijke duister de schijnwerpers stralen, zoodat door fonkelende stralenbundels geëffend, de weg open ligt door de tallooze voor anker liggende schepen, de werven en de dag en nacht werkende baggermachines. De haven getuigt van een druk handelsleven. De oude vesting Driekronen, op welker wallen de kanonnen staan als wachters der stad, is de grens tusschen de buiten- en de binnenhaven. In de eerste gaan de schepen voor anker, die de Oostzeehavens bezoeken, in de laatste liggen de toeristenschepen, de pleiziervaartuigen en de kleine vaartuigen, door het land in het Westen en door een eiland in het Oosten voor wind en golfslag beschut.
De zee is de toonaangeefster in het kopenhaagsche leven. Slechts in een zeestad vindt men zulke kolossale handelshuizen als hier in het centrum der stad; slechts daar komt zulk een overvloed van producten der zee ter markt en is zoo'n levendigheid op de kanalen en in de grachten. Op de groote verkeerswegen, die van het station uit naar alle richtingen loopen is het een woeligheid zonder weerga, vooral op de zoogenaamde Ströget, een reeks van straten met aangrenzende pleinen, waar het kopenhaagsche leven zich concentreert.
De straten zijn niet breed en vertoonen moderne hooge huizen, terwijl vooral aan de mooie pleinen gebouwen uit vroegere eeuwen staan. Naast den stroom van voetgangers, die deze Frederiksgade, Bredgade en de andere straten, die de Ströget vormen, vult, ziet men alle soorten van voertuigen, cabs, met en zonder taxameter, hooge trams met twee étages, omnibussen, landauers en een massa fietsen, welk vervoermiddel bijna nergens zoo algemeen is als in Kopenhagen. Het drukste punt is de Kongens Nytorv of Konings Nieuwmarkt en verder is ook de Amagertorv zeer levendig en overal zijn aan de straten en op de pleinen de café's in de open lucht.
Bij de Amagermarkt verrijst de ruïne van het Christiansborger slot, dat in 1884 een prooi der vlammen werd en niet weer werd opgebouwd. Het is een stuk deensche geschiedenis, want Christiansborg is het oude deensche koningsslot en de door het vuur geblakerde muren omsloten eens een der schoonste kasteelen van Europa. Thans is de Amalienborg, in hollandsche renaissance opgetrokken, zetel van de koninklijke familie. Het plein is van een uiterst deftig en oud aanzien met de vier in gelijken stijl gebouwde paleizen en daartegenover de Frederikskerk met zijn goudgestreepten koepel. Wat een onderscheid met de Kongens Nytorv, waar alles modern is, hotels, winkels en café's.
Maar die tegenstelling treft telkens in Kopenhagen tusschen oude cultuur en moderne stroomingen. Eerbiedig is de hulde, die in het Thorwaldsenmuseum aan den grooten beeldhouwer is gebracht en niets kan soberder en tegelijk indrukwekkender wezen dan het eenvoudige graf op een plaats binnen de muren van het gebouw, waar geen steen en geen opschrift van hem getuigt, maar waar hij rust te midden van de marmeren bewijzen zijner grootheid.
En hoezeer is de omgeving van Kopenhagen met natuurschoon gezegend! Dichtbij de stad parken en lanen; in het Oosten het park van het Rosenberger slot in engelschen stijl met het standbeeld van den grooten sprookjesdichter Hans Andersen en in het Westen de Frederiksborgallee met haar honderdjarige boomen. Die omgeving van Frederiksborg met het park is voor de Kopenhagers wat de Champs Elysées voor de Parijzenaars, de Prater voor de Weeners en de Tiergarten voor de Berlijners is. Maar er is hier een concurrent, dat is Tivoli, het wereldberoemde Tivoli, een volmaakter Dresdener Vogelwiese en Berlijnsche Hasenheide, waar acrobaten en dierentemmers en goochelaars en pantomimes, vroolijke muziek oostersche bazars en wat niet al, avond aan avond de scharen amuseeren, vooral de vreemdelingen, waar Kopenhagen in den zomer van krioelt.
En dan is er de Sond, dat paradijs der Denen. Men wordt er aan Hamlet herinnerd, en in het park van Marienlyst wordt u zijn graf vertoond. Maar dat is sage, en er zijn herinneringen aan het echte verleden. Helsingör, thans een klein, stil plaatsje met zindelijke straten, was eenmaal, toen de beide oevers van den Sond nog aan Denemarken behoorden en het slot Kronborg als een wachtpost voor het rijk en de Oostzee lag, een veelbegeerde stad, waar het volkerenverkeer levendig was. Nu glijden de schepen, die door den Sond varen, lans Kronsborg en Helsingör en zien langs de kust van Seeland villa's en landhuizen in lange rijen, en stadjes en dorpen liggen tegen een achtergrond van groote bosschen.
Bij Rungsted heeft men slechts over den weg te gaan, om in het mooiste beukenwoud te komen, waarna de villa's zich weer aaneensluiten tot de stad Vedback.
De strandweg van Skadsborg naar Kopenhagen gelijkt een straat van villa's; kleine, sierlijke landhuisjes ziet men er naast prachtige kasteelen en hier en daar nog een eenvoudige vischershut. Om alles is geslagen de heerlijke band van bosch en zee en lachende tuinen. Hoog boven de vele concurrenten ligt Klampenborg, het bekende zeebad, waar de hôtels tusschen palmen staan en men broeikassen en terrassen ziet op de hoogte.
Mijlen ver strekt zich achter de bebouwde strook de Dierentuin uit als een schitterend mooi park in de schilderachtige omgeving van Denemarkens hoofdstad.
Tivoli heeft in de eerste week van October zijn automobielententoonstelling gehad. Het automobilisme heeft in het laatste jaar groote vorderingen in Kopenhagen gemaakt, ofschoon de ligging der stad niet juist bevorderlijk is voor de ontwikkeling der tuftufsport. Toch snorren thans veel prachtige wagens door de stad.
De weinige motordroschke's die het vorige jaar reden, en van een voorhistorisch model waren, zijn verdrongen door een groot getal kostelijk er uitziende, splinternieuwe opvolgers, waaraan niets lachwekkends is dan de bestuurder op den bok, in zijn oude koetsierspak met den witten hoogen hoed op; en het is ook maar alleen 's mans kleedij, want hij verstaat zijn werk reeds uitstekend.
De tegenzin, die hier als overal bij de menschen en vooral bij de paarden bestond, is bij beide reeds lang vervangen door een redelijker beschouwing, en men heeft zich met het nieuwe vehikel verzoend.
Maar één ding is jammer. Met al te groote gestrengheid handhaaft de Deensche justitie bepalingen, die een ernstige belemmering zijn voor het automobilisme op het eiland Seeland. Strandvejen, de weg van Kopenhagen naar Klampenborg langs den Sond, een der meest geliefde wegen, de toegang tot de schoonste deelen van het eiland, en de weg naar de badplaatsen langs de kust, is voor de auto's verboden. Het is er dikwijls druk, en de weg is niet breed, maar het is er niet zoo druk en zoo smal dat het verbod er door verklaard wordt. Dit verbod is te gekker, als men weet, dat in de zeer smalle, geasfalteerde stratenreeks van het raadhuisplein naar het Nytorv, het bij den Kopenhagenaar sedert eeuwen geliefde "ströget", autoverkeer wel toegelaten is. En toch is het er in de middaguren zoo druk dat men moeite heeft er te voet vooruit te komen. Maar door die menschenmenigte tuffen automobielen, men begrijpt niet hoe, en doen niemand kwaad; wielrijden is er echter verboden, en daar ook alleen in de heele stad.
Deze tegenstelling is wel zonderling, en de politie-directeur van Kopenhagen, die vroeger een streng heer was tegenover auto's, heeft zich dan ook met een uitvoerig gemotiveerd verzoek tot den minister gewend, om het verbod, wat het Kopenhaagsche gedeelte van Strandvejen aangaat, op te heffen. Hij wees daarbij op het onbillijke, om zonder voldoenden grond de zoover weg wonende en talrijke bewoners van dat stadsdeel te beletten de autodroschkes te gebruiken, en hun huizen onbereikbaar te maken voor de motorvrachtwagens, die hier hoe langer hoe meer in gebruik komen. Maar de minister heeft zonder opgaaf van redenen geantwoord, dat hij geen reden had om hierin verandering te brengen.
Of het gemeentebestuur erin zal slagen, ten slotte een middel te vinden tot openstelling van dien weg voor auto's?
End of Project Gutenberg's In en om Java's Paradijs, by A. Koorevaar