In de Oer-wouden van Afrika

Chapter 7

Chapter 73,927 wordsPublic domain

Ongelukkigerwijze was het onzen vrienden nog altijd niet gelukt de taal der Wagdies te verstaan, al bestond zij ook uit een zeer klein aantal woorden, daar deze primitieve wezens ook slechts een zeer beperkt aantal denkbeelden hadden. Wel had John Cort spoedig genoeg de beteekenis van sommige woorden begrepen, maar dat stelde hem toch nog niet in staat met de Wagdies een geregeld gesprek te voeren. Het trof hem echter bizonder, dat in hunne taal eenige inlandsche uitdrukkingen voorkwamen. Bewees dit niet, dat de Wagdies in verbinding stonden met de negerstammen aan de Oebanghi? En sterker nog, soms gebruikte Lo-Mai een woord, dat, hoe verbasterd en verminkt hij het ook uitsprak, toch blijkbaar aan de Duitsche taal ontleend was.

Zou hieruit moeten worden afgeleid, dat deze inboorlingen reeds eene ontmoeting hadden gehad met de in Kameroen gevestigde Duitschers? In dat geval zouden de Amerikaan en de Franschman niet de eer hebben van dezen stam te hebben ontdekt.--Maar als John Cort tegen Lo-Mai Duitsch ging spreken, bleek het alweer dat deze er niets van begreep, hij kende slechts een paar woorden in die taal.

Maar het meest gebruikte woord in elk gesprek bleef altijd Mselo-Tala-Tala, de naam of de titel van den vorst. Wij weten hoe vurig onze blanke vrienden verlangden bij dezen potentaat te worden toegelaten. Als zij dien naam uitspraken, boog Lo-Mai het hoofd ten teeken van diepen eerbied.

En nu gebeurde het, op den genoemden middag, dat Lo-Mai met vrouw en kind de hut der vreemdelingen kwam bezoeken.

Het viel dadelijk op, dat zij zich bizonder hadden opgetooid. De man droeg een krans van veeren om het hoofd en een schort van geweven boombast, de vrouw een dergelijk schort, in haar lokken eenige groene bladeren en om den hals een snoer van glazen kralen. Zelfs de kleine Li-Mai had een kort schortje voor, hij had dus zijn zondagspakje aan, zooals Max Huber lachend opmerkte en dadelijk vroeg hij:

"Wat zou dat beteekenen, dat zij er zoo deftig uitzien?"

"Het is voor hen zeker een feestdag", antwoordde John Cort.

"Mselo-Tala-Tala", zei Lo-Mai eensklaps, bij het binnenkomen.

"Vadertje met zijn bril", vertaalde Max Huber en hij snelde naar buiten, meenende dat de Koning op dit oogenblik voorbijkwam.

Hij werd echter teleurgesteld, er was geen schijn of schaduw van Zijne Majesteit te bespeuren, maar wel zag hij, dat het in het dorp erg rumoerig was. Van alle kanten kwamen drommen dorpelingen, opgesierd als de familie Mai en blijkbaar in zeer vroolijke stemming. En alles trok naar de westgrens van het dorp.

"Er gebeurt iets", zei Max Huber en naar Lo-Mai terugkomende, herhaalde hij:

"Mselo-Tala-Tala?"

"Mselo-Tala-Tala", antwoordde de man plechtig, kruiste zijn armen over zijn borst en boog zijn hoofd.

Het eenige wat John Cort en Max Huber hieruit konden afleiden, was, dat de Wagdies hunnen Koning gingen begroeten en deze zich dus in al zijn luister aan het verzamelde volk zou vertoonen.

Hunnerzijds konden zij geen deftige kleeren aantrekken, zij hadden niets dan hun jachtkostuum, tamelijk versleten nog wel. Bijgevolg konden zij ter eere van Zijne Majesteit geen toilet maken en volgden zij met Llanga de familie Mai, in hunne daagsche plunje.

Khamis, die om al dat "mindere volk" bitter weinig gaf, bleef "alleen thuis". Hij zou voor het eten zorgen en de geweren schoon maken, want met het oog op allerlei gebeurlijkheden moesten die steeds in de puntjes zijn.

John Cort en Max Huber lieten zich dus door Lo-Mai geleiden, door het thans zeer drukke dorp. Eigenlijke straten waren er niet, de hutten stonden onregelmatig, al naar de boomen, of liever hunne takken, de plaats hadden aangewezen.

Het was zeer vol. Minstens een duizendtal Wagdies stroomden naar het uiteinde van het dorp, waar het koninklijk paleis stond.

"Zij gedragen zich werkelijk als echte menschen", merkte John Cort op.

"Maar door hunne grimassen lijken het toch echte apen!" antwoordde Max Huber.

En werkelijk, de Wagdies, anders zoo ernstig, kalm en terughoudend, waren thans buitengewoon druk en uitgelaten.

Maar altijd nog jegens de vreemdelingen die onverklaarbare onverschilligheid. Zij schonken hun niet de minste aandacht en waren dus tegelijkertijd niet zoo opdringerig en lastig, als de Danka's, de Monboetoes, en andere Afrikaansche negerstammen, en .... als het beschaafde volk in de groote Europeesche steden tegen vreemdelingen, die door kleeding of uiterlijk wat anders zijn dan zij!

Na een lange wandeling kwamen Max Huber en John Cort op het voornaamste "plein" van Ngala, dat door den uitersten boomenrand in het Westen begrensd werd en waar in dicht lommer de woning van den vorst stond.

Daar stond een dubbele rij krijgslieden opgesteld, gekleed in antilope-vellen, door lianen bijeengehouden, het hoofd versierd met den kop van den steenbok, door welker horens de heele troep wel wat op een kudde geleek. Raggi, de "kolonel", was getooid met een buffelkop, hij droeg pijl en boog, een bijl in zijn gordel.

"Het schijnt wel dat de Koning een revue over zijn troepen gaat houden!" zei John Cort.

"Gaat Mselo-Tala-Tala uit?" vroeg Max Huber dadelijk aan Lo-Mai.

"Nu krijgen wij hem dan toch te zien", zei de Franschman, met niet veel eerbied voor een "gekroond hoofd".

"En laten wij in dien tusschentijd onze oogen maar goed de kost geven", hernam John Cort.

Het schouwspel was werkelijk belangwekkend genoeg. Het plein besloeg ongeveer een oppervlakte van een halve hectare en was op het midden na stampvol van een joelende menigte, maar dank zij de familie Lo-Mai kregen de beide vreemdelingen een prachtige plaats.

Weldra kwamen op de open ruimte, in het midden van het plein, een aantal jonge Wagdies, jongens en meisjes, die vroolijk gingen dansen, terwijl de ouderen daaromheen zich te goed deden aan een uit tamarinde gegisten drank. Aan muziek ontbrak het ook niet. De instrumenten bestonden uit kalebassen, waarover een vel gespannen was, dat met stokken werd geslagen, hetgeen een geluid gaf, om de ooren van blanken te verscheuren.

"Van maat schijnen zij weinig begrip te hebben", zei John Cort.

"En van melodie nog minder!" antwoordde Max Huber.

"En toch zijn zij gevoelig voor muziek, Max", merkte de Amerikaan op.

"Dat zijn de dieren ook, John, ten minste sommige."

Hoe dit zij, de Wagdies schenen toch werkelijk wel menschen te zijn, want zij hielden niet alleen van muziek, maar maakten zelven de instrumenten, wat toch zeker geen enkel dier doet!

Zoo gingen een paar uren voorbij, tot groot ongeduld van onzen Franschman. Het ergerde hem geweldig, dat Zijne Majesteit Mselo-Tala-Tala zich nog niet verwaardigde om de hulde van zijne onderdanen in ontvangst te nemen.

Intusschen werd het feest onder groot getier en veel gedans voortgezet. De oudere mannen waren flink blijven drinken en kwamen zoo langzamerhand in een staat van opgewondenheid, die aan dronkenschap grensde. Het was zeer te bezien of alles wel ordelijk en zonder ongelukken zou afloopen!

Maar daar ontstond eensklaps diepe stilte. De deur van de koninklijke hut ging open en de soldaten stelden zich in twee rijen ter weerszijden daarvan op.

"Zie zoo, eindelijk zullen wij Zijne Majesteit dan zien!" zei Max Huber.

Maar het was Zijne Majesteit niet, die uit de hut kwam. Een soort meubel, bedekt met een bladerkleed, werd naar het midden van het plein gedragen. En wie schetst de verbazing van de twee vrienden, toen zij in dat meubelstuk een gewoon straatorgel herkenden!

Hoogst waarschijnlijk kwam dit instrument alleen te voorschijn bij hooge, feestelijke gelegenheden en betuigden de Wagdies aan de muziek, die er uit voortkwam, den grootsten eerbied.

"Het is het orgel van dokter Johausen", fluisterde John Cort.

"Ja, dat moet", antwoordde Max Huber, "en nu begrijp ik, hoe ik in den nacht voor wij in dit dorp kwamen, de wals uit de _Freischütz_ heb kunnen hooren."

"En daar heb je mij niets van gezegd, Max!" zei John Cort verwijtend.

"Ik dacht natuurlijk dat ik gedroomd had!" hernam de Franschman.

"In elk geval moeten de Wagdies dit orgel uit de hut van den dokter gestolen hebben", ging de Amerikaan voort.

"Ja, na eerst dien braven Duitscher vermoord te hebben", antwoordde Max Huber bitter.

Een reusachtige Wagdie, waarschijnlijk de kapelmeester uit het dorp ging achter het orgel staan en begon te draaien, en dadelijk weerklonk, zij het dan ook wat gebrekkig, omdat sommige noten ontbraken, de meergenoemde wals. Zoo volgde dus op het dansen een concert, waarnaar de Wagdies met groote ingenomenheid luisterden.

Maar zouden deze brave dorpelingen wel weten, dat er nog andere wijsjes op het orgel zaten? Deze vraag kwam dadelijk bij John Cort op. En het was inderdaad niet waarschijnlijk, dat deze zwartjes zouden weten, dat indien een knopje in het orgel verschoven werd, er een andere melodie zou komen dan de wals uit de _Freischütz_.

Maar toen een half uur aan deze schepping van Weber besteed was, hield de zwarte orgelman met een forsche tjingel op en zoo waar, daar verschoof hij een paar knoppen, precies als onze straatorgelman dat doet.

"Maar dat is sterk!" riep Max Huber.

En inderdaad, het was zeer vreemd, dat deze wilde, hetzij dan aap of mensch, wist, hoe hij met een orgel moest omgaan.

Weer begon hij aan de kruk te draaien en daar weerklonk een andere melodie!

Maar daarmede scheen het repertoire van het orgel dan ook uitgeput. Nog een uur lang werd er op gespeeld, maar slechts de twee stukken wisselden elkander beurtelings af. Toen begon het dansen weder en daar het duister werd staken eenige soldaten toortsen aan, die het plein fantastisch verlichtten.

Max Huber en John Cort begonnen echter genoeg te krijgen van het schouwspel en juist wilden zij heengaan om naar hunne hut terug te keeren, toen Lo-Mai zeide: "Mselo-Tala-Tala".

Zou het waar zijn? Zou Zijne Majesteit zich thans verwaardigen de hulde van zijn volk in ontvangst te nemen? Bij het koninklijk paleis ontstond werkelijk eenige beweging, daar ging de deur open, de lijfwacht stelde zich op en Raggi plaatste zich aan het hoofd er van. Onmiddellijk daarna verscheen een troon, een oude sopha, bedekt met lappen en bladeren en gedragen door vier zwarten en daarop troonde Zijne Majesteit.

Het was een man van ongeveer zestig jaren, met witten baard en haar en zeer dik, zoodat de dragers aan het vrachtje zeker heel wat zouden hebben.

De stoel scheen een rondgang te gaan houden over het plein en de menigte boog zich diep ter aarde in plechtige stilte, alsof zij door de hooge tegenwoordigheid van Mselo-Tala-Tala betooverd was.

Deze zelf scheen echter tamelijk onverschillig voor die huldebetuiging, waarop hij naar zijne meening zeker recht had en waaraan hij gewend was. Te nauwernood gaf hij een flauwen hoofdknik; hij maakte geen gebaar, geen andere beweging dan dat hij zich een paar malen over zijn neus krabde, een lange neus met een grooten bril er op, waaraan hij den naam van Vader Spiegel te danken had.

Toen hij dicht langs onze vrienden kwam, kon John Cort zich niet weerhouden, uit te roepen:

"Maar het is een mensch!"

"En nog wel een blanke!" liet Max Huber er op volgen.

En inderdaad, er viel niet aan te twijfelen, het personage dat zich daar zoo deftig liet ronddragen, was zeer zeker geen inboorling, geen neger, maar een echte, onvervalschte blanke!

"En hij kijkt niet eens naar ons! Hij schijnt ons niet eens op te merken!" bromde Max Huber. "Wat drommel, wij lijken toch niet op die halve apen hier!"

"Stil!" zei John Cort, hem bij zijn arm grijpende, "ik herken hem thans, ik weet wie het is."

"Wie het is?"

"Ja, het is dokter Johausen!"

HOOFDSTUK XVII.

KONING JOHAUSEN.

John Cort had den dokter vroeger in Libreville ontmoet en hij kon zich dus niet vergissen, het was werkelijk de Duitsche geleerde, die hier als vorst troonde over het volk der Wagdies!

Zijn geschiedenis is in weinig woorden verhaald. Drie jaar geleden was hij, aangespoord door de pogingen van professor Garner, uit Malinba vertrokken, met een escorte negers, die levensmiddelen, ammunitie en andere onmisbare zaken droegen. Wij weten reeds wat hij in het Oosten van Kameroen wilde doen: zich vestigen te midden van de apen, om hunne taal te bestudeeren. Maar welke richting hij zou uitgaan, had hij aan niemand meegedeeld, want hij wilde alle eer voor zich alleen houden, en op dit punt was hij inderdaad eenigszins van Lotje getikt.

Wat Khamis en zijne tochtgenooten op hunne terugreis ontdekt hadden, bewees ontwijfelbaar, dat de dokter in het groote oer-woud de plek gevonden had, waar de rivier stroomde, die door Max Huber naar hem gedoopt was. Na zijn escorte te hebben teruggezonden, had hij een vlot gemaakt en had zich met zijn trouwen inlandschen bediende daar op ingescheept. Te zamen hadden zij de traliehut op den rechteroever opgericht en wij weten nog, dat Khamis daar een opschrijfboekje gevonden had, waaruit bleek, dat de dokter tot 25 Augustus, derhalve dertig dagen in die hut gewoond had.

Had hij die toen vrijwillig verlaten? Dat was niet waarschijnlijk; men moest aannemen, dat de Wagdies, die het geheele woud doorkruisten, want onze vrienden hadden immers tot aan den rand van het woud hunne lichten gezien, hem hadden gevangen genomen en meegevoerd. De inlandsche bediende was ongetwijfeld gevlucht, want als deze ook naar Ngala gebracht was, hadden John Cort en zijne makkers hem moeten zien, en zeer zeker zou hij anders vandaag ook wel in den koninklijken stoet verschenen zijn, misschien wel als Eerste Minister.

In elk geval hadden de Wagdies dokter Johausen niet slechter behandeld dan Khamis en zijn reisgenooten. Waarschijnlijk getroffen door zijn verstandelijke meerderheid, hadden zij hem tot hunnen Koning gemaakt, hetgeen ook John Cort of Max Huber overkomen had kunnen zijn, wanneer de plaats thans niet reeds ingenomen was. En dus bekleedde de Duitsche geleerde, onder den naam van Vader Spiegel of van Mselo-Tala-Tala, reeds drie jaren den Wagdieschen troon.

Dit gaf de verklaring van veel wat tot dusver onverklaarbaar was geweest: hoe verschillende Congoleesche woorden in de taal van deze primitieve menschen waren gekomen en zelfs eenige Duitsche woorden, hoe zij wisten om te gaan met een draaiorgel, hoe zij sommige stukken gereedschap wisten te maken, hoe dus een zekere beschaving over hen gekomen was.

Dit alles bespraken de twee vrienden met elkaar, toen zij na afloop van het feest in hunne hut waren teruggekeerd en toen riepen zij Khamis. Zij brachten hem van alles op de hoogte en toen zei Max Huber:

"Maar nu begrijp ik niet, dat dokter Johausen geen verbazing heeft getoond over onze tegenwoordigheid in zijn dorp."

"Ja, en ik kan niet begrijpen, waarom hij ons niet in zijn paleis ontboden heeft", voegde John Cort er bij.

Hoe het zij, het stond vast, dat de geleerde, uitgegaan om tusschen apen te leven, terecht gekomen was tusschen een volk, dat reeds op den menschelijken ladder stond en tot dusver nog onbekend was. Hij had hun het praten niet behoeven te leeren, want dat konden zij reeds, hoogstens had hij hen wat Congoleesche en Duitsche woorden bijgebracht. En als geneesheer had hij hen ook nog zulke groote diensten kunnen bewijzen, dat hij populair was geworden en zij hem tot hunnen Koning hadden uitgeroepen.

"Het is duidelijk wat wij thans te doen hebben", zei Max Huber, "ik wil aannemen, dat hij niet weet, dat wij hier zijn, dat onze tegenwoordigheid voor hem verzwegen is, zelfs dat hij ons daar straks niet heeft opgemerkt, maar dit alles is voor ons reden te meer, om hem in zijn paleis op te zoeken."

"Ho, ho!" zei John Cort.

"Ja zeker, en van avond nog; het volk aanbidt hem, het volk zal hem dus gehoorzamen en hij zal ons in vrijheid stellen en naar de grens van zijn land laten brengen.

"En als hij dat weigert?"

"Waarom zou hij dat weigeren?"

"Welnu, als hij weigert", antwoordde Max Huber, "dan zal ik hem zeggen dat hij niet waard is over deze halve negerapen te regeeren, maar dat hij koning verdiende te zijn over stekelvarkens!"

Maar hoe dit zij, het plan van Max Huber was wel waard eens overwogen te worden. De gelegenheid was gunstiger dan zij zich waarschijnlijk ooit zou voordoen. De Wagdies zouden half beschonken hunne roes uitslapen in hunne hutten, of wezenloos ronddwalen door het woud, zelfs de krijgslieden hadden door den drank het hoofd verloren, het koninklijk paleis zou minder streng bewaakt worden dan anders en het zou waarschijnlijk niet moeilijk zijn, tot in het vertrek van Mselo-Tala-Tala door te dringen.

Nadat het plan ook de instemming verworven had van Khamis, wachtte men tot het wat later in den avond en de dronkenschap in het dorp nog wat algemeener zou zijn.

Eindelijk, omstreeks negen uur, verlieten Max Huber, John Cort, Llanga en de voorlooper hunne hut. Het was stikdonker buiten, de laatste toortsen waren uitgebrand. In de verte, aan den anderen kant van het dorp, klonk verward rumoer.

Onze vrienden, die vast voornemens waren om te ontvluchten, hetzij dan met of zonder de toestemming van Zijne Majesteit, hadden natuurlijk hunne karabijnen medegenomen en hunne zakken volgestopt met patronen. Werden zij tegengehouden of overvallen, dan zouden zij dus hunne vuurwapenen laten medespreken, een taal, die de Wagdies nog niet zouden kennen.

Voorzichtig sloop het viertal voort tusschen de hutten, die meerendeels ledig bleken en op het plein gekomen, zagen zij dat ook dit geheel verlaten en stikdonker was.

Alleen uit het venster van de koninklijke hut scheen licht.

"Er is niemand", fluisterde John Cort.

En inderdaad had Raggi met de soldaten zijn post verlaten en op dezen avond was de vorst niet goed bewaakt, indien er in de hut althans geen "kamerheeren van dienst" zouden zijn!

Langzaam sloop Llanga vooruit en bevond, dat de deur geopend kon worden door er tegen aan te drukken. John Cort, Max Huber en Khamis voegden zich dadelijk bij hem en een paar minuten bleven zij scherp luisteren, gereed om in geval van nood dadelijk te vluchten.

Maar noch in de hut, noch daar buiten werd eenig gerucht gehoord.

Max Huber trad het eerst binnen, op den voet gevolgd door de anderen, die de deur achter zich sloten. De hut bleek te bestaan uit twee ineenloopende vertrekken. Het eerste was donker en er was niemand in; maar door de openstaande tusschendeur zag men een flauw lichtschijnsel en daar, op een divan tegen den achterwand, lag dokter Johausen.

Blijkbaar was dit meubelstuk met enkele andere, die hier stonden, tegelijk met den eigenaar uit de getraliede kooi hierheen gebracht.

Maar op het gerucht dat de bezoekers maakten, richtte de dokter zich half op en wendde hij zijn hoofd om.

Werd hij juist uit een diepen slaap wakker? Het was waarschijnlijk, want hij scheen de tegenwoordigheid der vreemden niet goed op te merken.

"Dokter Johausen", zei John Cort in het Duitsch, "mijne vrienden en ik komen Uwe Majesteit onze hulde betuigen..."

De dokter gaf geen antwoord... Zou hij het niet begrepen hebben? Zou hij zijn eigen taal vergeten zijn, nu hij drie jaren te midden der Wagdies gewoond had?

"Verstaat u mij?" hernam John Cort. "Wij zijn vreemden, die hier naar Ngala gevoerd zijn."

Nog geen antwoord.

Thans kwam Max Huber nader en schudde den Koning tamelijk oneerbiedig heen en weer.

Als eenig antwoord trok Mselo-Tala-Tala een leelijk gezicht en ... stak zijn tong tegen de vreemden uit...

"Zou hij gek zijn?" mompelde John Cort.

"Dat zou ik meenen", antwoordde Max Huber.

En ja, de ongelukkige geleerde was door zijn verblijf tusschen de Wagdies volslagen krankzinnig geworden. Maar juist dientengevolge was hij waarschijnlijk tot Koning uitgeroepen. Immers ook bij de Indianen van het verre Westen, bij de Australische wilden wordt een krankzinnige als een soort heilig wezen geëerd.

Maar thans verklaarde het zich ook, waarom de Koning heel niet naar de vreemde bezoekers had omgezien, waarom hij hen bij zijn rondgang niet eens had opgemerkt!

"Wij kunnen op zijn hulp niet rekenen bij onze vlucht", merkte Khamis zeer practisch op.

"Neen, zeker niet", beaamde John Cort.

"En die zwarte wilden zullen ons nooit goedwillig heen laten gaan", zei Max Huber. "Er is dus maar één ding: vluchten."

"En wel dadelijk!" voegde Khamis er bij. "Kom mede, wij moeten de trap trachten te bereiken en het woud insnellen."

"Alles goed en wel", zei Max Huber, "maar de dokter..."

"De dokter?"

"Wij kunnen hem zóó niet achterlaten, het is onze plicht hem te bevrijden..."

"Maar als hij niet mee wil?" vroeg John Cort.

"Dat zullen wij onderzoeken", hernam Max Huber.

Men begrijpt, dat het niet gemakkelijk zou zijn den zwaarlijvigen Duitscher mede te slepen, daarom namen de drie mannen hem bij de armen en poogden hem op te beuren, maar met buitengewone kracht wierp hij hen van zich af.

"Dokter Johausen!" riep John Cort nog eens en met nadruk, maar de ongelukkige gaf geenerlei blijk zich dien naam te herinneren.

"Hij wilde tusschen de apen wonen en is zelf een aap geworden", zei Max Huber.

Er bleef dus niets anders over dan te vluchten en haastig verlieten zij het vertrek en ijlden naar buiten.

HOOFDSTUK XVIII.

ONVERWACHTE ONTKNOOPING.

Buiten was alles nog stil, maar het was zóó donker tusschen de takken, dat het zeer moeilijk viel den weg naar de trap te vinden.

Eensklaps stond een Wagdie voor hen!

Het was Lo-Mai met zijn kind. Het knaapje had de vreemden de koninklijke hut zien binnengaan en was zijn vader gaan waarschuwen. En de brave neger, bevreesd dat den vreemdelingen eenig kwaad overkomen kon, had hen dadelijk opgezocht en bood hun thans zijn hulp als gids aan.

Gretig namen zij dit aanbod aan en zoo bereikten zij de trap, maar wie schetst hun schrik: de toegang werd bewaakt door Raggi en een dozijn krijgslieden.

Zouden zij met hun vieren die overmacht kunnen verjagen?

Max Huber achtte het oogenblik gekomen om van zijn karabijn gebruik te maken, maar dadelijk sprongen Raggi en twee zijner mannen op hem toe. De Franschman ging achterwaarts, legde aan, vuurde en midden in de borst getroffen, stortte Raggi dood neer.

Blijkbaar kenden de Wagdies het gebruik en de uitwerking van vuurwapenen niet. Het geluid van het schot en het neervallen van Raggi veroorzaakten eene ontsteltenis bij hen, waarvan geen beschrijving is te geven. Allen vlogen weg, eenigen het dorp in, anderen, als apen zoo vlug, de trap af.

De weg was dus vrij en onze vrienden lieten zich als het ware naar beneden glijden, liepen wat zij loopen konden in de richting der Rio en zoodra zij die bereikt hadden, maakten zij een der daar liggende kano's los en scheepten zich in met Lo-Mai en zijn kind, die bij hen gebleven waren.

Maar op hetzelfde oogenblik werden aan alle kanten fakkels ontstoken en van alle zijden klonken luide kreten, terwijl een wolk van pijlen op de vluchtelingen werd afgezonden.

"Er blijft niets anders over", riep John Cort, "vuur!"

Twee schoten weerklonken, twee Wagdies stortten neder en de aanstormende wilden bleven een oogenblik verschrikt staan.

Op hetzelfde oogenblik kwam de kano in het midden der rivier, de stroom voerde haar mee en zij verdween tusschen de zware boomstammen.

Het is onnoodig den verderen tocht naar het Zuid-Westen, in alle bizonderheden te beschrijven. Den eerstvolgenden avond legde Khamis de kano aan een boomstam vast. Het was toen de 16e April, Lo-Mai en zijn kind bleven dien nacht nog bij de vreemden, maar toen den volgenden morgen de reis zou worden voortgezet gaf de neger te kennen, dat hij niet verder wilde meegaan. Hoe John Cort en Max Huber ook aandrongen, dat het tweetal hen vergezellen zou naar Libreville, niets baatte, er viel niets anders te doen dan afscheid te nemen van den braven man, die uit dankbaarheid wegens de redding van zijn kind, hun als gids zulk een onwaardeerbaren dienst bewezen had.

Zoo ging de kano weder naar het midden der rivier, terwijl Lo-Mai en zijn zoontje aan den oever bleven staan, en wederzijds wuifde men elkander tot afscheid toe.