In de Oer-wouden van Afrika

Chapter 6

Chapter 63,974 wordsPublic domain

Want toen zij ten laatste ongeveer honderd voet geklommen waren, zagen zij tot hun verbazing hier, als het ware op de toppen der boomen, een plat, heerlijk door de zon verlicht.

Tusschen de nog hooger oprijzende boomen stonden in zekere regelmaat hutten van stroo, zoodat men meenen kon in een straat te zijn en de geheele oppervlakte van dit dorp in de lucht was zóó groot, dat onze reizigers de grens er van niet konden zien.

En daar liepen heen en weer een troep wezens, gelijkende op den beschermeling van Llanga. Hunne houding, overeen komende met die van den mensen, wees aan, dat zij gewend waren recht op te loopen en dus aanspraak mochten maken op den bijnaam _erectus_, dien dr. Eugène du Bois, de Nederlandsche officier van gezondheid, gegeven heeft aan de groote, uitgestorven aapsoorten, waarvan hij op Java overblijfselen heeft gevonden.

Maar Max Huber en John Cort hadden geen tijd, om bespiegelingen te maken. Of het dieren waren, of menschen, of wel schepsels tusschen den mensch en het dier in staande, moesten zij later uitmaken, thans werden zij door den troep, die onderling in een bepaalde taal sprak, in een hut gedrongen; de deur ging achter hen dicht en zoo waren zij goed en wel gevangen!

"Mooi!" riep Max Huber, "daar zitten wij, als die luidjes nu ook maar de gewoonte hebben hunnen gevangenen eten te geven."

"Misschien eten zij liever hunne gevangenen op", antwoordde John Cort droogjes.

En onmogelijk was dat niet, want er zijn in Centraal Afrika nog stammen, als bijv. de Mounbouttou's, die zich aan kannibalisme schuldig maken.

Hoe het zij, als deze schepsels apen waren, dan stonden zij toch in elk geval boven den oran-oetan van Borneo, den chimpanzee van Guinea en den gorilla van den Gabon, want zij wisten vuur aan te maken en dit te gebruiken, zooals bleek uit de toorts, die zoolang als wegwijzer had gediend.

En nu dachten onze vrienden eensklaps aan de bewegelijke vuren, die zij lang geleden aan den zoom van het woud bespeurd hadden. Konden die ook niet door deze vreemde bewoners van het groote woud aangestoken zijn?

"En zij praten ook met elkaar", zei John Cort, nadat het drietal allerlei opmerkingen over hun avontuur gemaakt had.

"Wist ik maar, hoe ik in hunne taal zeggen moet, dat ik grooten honger heb!" riep Max Huber, spotziek als altijd.

Van de drie gevangenen was Khamis de stilste. Hij had natuurlijk geen verstand van dierkundige vraagstukken en voor hem konden deze wezens niets anders zijn dan dieren, en wel apen. Het waren apen, die rechtop liepen, die praatten, die vuur aanlegden, die te zamen in een dorp woonden, maar toch in elk geval apen. Maar wel vond hij het vreemd, dat in het woud van Oebanghi zulke dieren leefden, waarvan men nog nooit gehoord had en zijn trots als neger kwam er tegen op, dat er apen waren, die zóóveel op menschen als hij geleken!

Intusschen verkeerden onze vrienden thans in een vreemd geval en er was maar één omstandigheid, die hun nog eenige hoop gaf, namelijk dat zij aangeland waren in het dorp, als men deze kolonie zoo noemen mocht, in het geboortedorp waarschijnlijk zelfs van den kleinen beschermeling van Llanga, en dat, nu het kleine zwarte schepseltje daar gezond en wel was aangekomen, de negerknaap er ook zijn zou.

En ziet, nauwelijks hadden John Cort en Max Huber dit besproken, of de deur van de hut werd geopend.

"Llanga!... Llanga!" riep John Cort.

"Mijnheer John!... Mijnheer Max!" Met deze woorden vloog Llanga op zijn beide blanke vrienden toe.

"Sedert wanneer ben je hier?" vroeg Khamis, die minder aangedaan was onder dat wederzien.

"Sedert gisteren morgen, zij hebben mij door het woud gedragen."

"Die hebben dus sneller geloopen dan wij. En wie heeft je gedragen?"

"Een van degenen die mij gered hebben, en u ook hebben gered."

"Zijn het dan menschen?"

"Zeker, menschen, geen apen ... geen apen!"

En toen begon Llanga zijn wedervaren te vertellen, waarbij hij herhaaldelijk de handen kuste van zijn twee blanke vrienden, die hij reeds voorgoed verloren waande.

"Toen het vlot tegen de rotsen stootte", zei hij, "werden Li-Mai en ik in het water geslingerd..."

"Li-Mai?" vroeg Max Huber.

"Ja, zoo heet hij", antwoordde Llanga.

"Heeft dat schepseltje dus een naam", zei John Cort, "heeft deze stam, of dit volk, of hoe gij het noemen wilt, dan soms ook een naam?"

"Ja, ik heb Li-Mai hen dikwijls Wagdies hooren noemen."

Toen Llanga tot zich zelf kwam, zoo bleek uit zijn verder verhaal, lag hij in de armen van een grooten Wagdie, den vader van Li-Mai, en deze zelf was in de armen zijner "ngora", zijner moeder. Hoogst waarschijnlijk was het schepseltje, een paar dagen vóór Llanga het uit het water opvischte, in het woud verdwaald.--En eenmaal in zijn dorp terug werd de kleine beschermeling nu op zijn beurt de beschermer van Llanga, hij werd goed behandeld en dezen zelfden morgen had Li-Mai hem bij de hand genomen en voor deze hut gebracht. Met welk doel wist hij niet, maar toen had hij hooren praten en de stemmen van John Cort en Max Huber herkend.

"Alles heel mooi, Llanga!" zei de Franschman, toen de knaap zijn verhaal gedaan had, "maar wij sterven van honger; gij, die hier zoo goed staat aangeschreven, kunt ons zeker wel een ontbijt bezorgen."

Llanga verliet de hut en kwam weldra met eenige spijzen terug: een stuk geroosterd buffelvleesch, een half dozijn vruchten van de _Acacia Adansonia_, ook wel genoemd apenbrood, wat bananen en in een kalebas heerlijk frisch water.

Toen het drietal zich aan dit koningsmaal verzadigd had, begon John Cort aan Llanga een soort verhoor af te nemen.

"Zijn die Wagdies talrijk?" vroeg hij.

"O, zóó veel! Zóó veel!"

"Even veel als in de dorpen van Bornoe of van Baghirmi?"

"Ja."

"En komen zij nooit van de boomen af?"

"Zeker ... om te jagen ... om vruchten en wortels te verzamelen ... om water te scheppen."

"En spreken zij?"

"Ja, maar ik begrijp hen niet, maar soms hoor ik woorden, die ik van Li-Mai wel eens gehoord heb."

"En de vader ... de moeder van dat kind?"

"O, die zijn zeer goed voor mij, wat ik straks hier gebracht heb, kreeg ik van hen."

"En hoe heet dit dorp in de boomen?"

"Ngala."

"Heeft het een opperhoofd?"

"Ja."

"Hebt gij dien gezien?"

"Neen, maar ik heb gehoord, dat hij Mselo-Tala-Tala heet."

"Dat zijn woorden uit een inlandsche taal", zei Khamis eensklaps.

"En wat beteekenen die?"

"Vader Spiegel", antwoordde de voorlooper.

En zoo noemen de Congoleezen inderdaad iemand, die een bril draagt.

HOOFDSTUK XIV.

DE WAGDIES.

"Wat verlangt gij nu nog meer, beste Max?" zei John Cort spottend, "mij dunkt dat dit nu iets buitengewoons en onverwachts is! Niet alleen een dorp in de lucht, maar zelfs een koning daarin!"

"Wat ik verlang John?" antwoordde de luchthartige Franschman, "wel, ik verlang niet mijn leven lang in deze hoofdstad van het rijk der Wagdies te blijven!"

"Maar Max, wij moeten hier toch een poos blijven om de bewoners van dit dorp te bestudeeren, wij moeten er een paar dikke folianten over schrijven, die de verbazing zullen opwekken van alle geleerde bollen uit Europa en Amerika!"

"Goed, ik wil bestudeeren en informeeren en al wat je verlangt, maar op twee voorwaarden!"

"En die zijn?"

"Ten eerste dat wij frank en vrij in het dorp mogen rondloopen en ten tweede, dat wij mogen heengaan, zoodra wij daar lust in hebben."

"En aan wien moeten wij die voorwaarden kenbaar maken?"

"Wel natuurlijk aan Zijne Majesteit Vader Spiegel; maar à propos, hoe zou de Koning aan dien naam komen? Zou hij bij geval kippig zijn en een bril dragen?"

"Maar waar is die bril dan van daan gekomen?" vroeg John Cort terecht.

Max Huber kon hierop geen antwoord geven, want wederom werd de deur van de hut geopend en ditmaal verscheen Li-Mai, die verheugd op Llanga toeliep. John Cort stelde dadelijk voor van de gelegenheid dat de deur open stond gebruik te maken en zoo traden onze vrienden dus naar buiten. Voorafgegaan door Li-Mai, die Llanga bij de hand hield, kwamen zij op een soort pleintje--een vrij open ruimte, die overschaduwd werd door het dichte bladerdak der boomen, wier krachtige stammen dit luchtdorp torsten.

Het was heerlijk weer en de zonnestralen speelden door het loover. Boven de hoogste takken vertoonden zich groote stukken van den blauwen hemel en een koel windje, bezwangerd met welriekende geuren van boschplanten, maakte de lucht heerlijk zuiver.

Terwijl het troepje zoo rondliep, keken de Wagdies, mannen, vrouwen zoowel als kinderen, naar hen, zonder bizonder veel verbazing te toonen. Wel wisselden zij onderling, met een schor stemgeluid, eenige vlugge, overstaanbare woorden. Slechts een hoogst enkele maal meende de voorlooper een paar woorden in de Congoleesche taal op te vangen, hetgeen niet zoo onmogelijk was, daar Li-Mai immers ook het woord ngora gebruikt had.

Maar het meest verbaasd was John Cort, toen hij duidelijk een paar Duitsche woorden meende op te vangen, waaronder het woord Vater (vader) en dadelijk deelde hij dit aan zijn reisgenooten mede.

"Ik verbaas mij over niets meer", gaf Max Huber ten antwoord, "ik zou het zelfs niets vreemd vinden, als die zwartjes mij vriendschappelijk op mijn schouder klopten en zeiden: 'Zoo amice, hoe gaat het?'"

Af en toe liet Li-Mai de hand van Llanga los en liep hij, als een vroolijk, spelend kind, naar een der Wagdies. Blijkbaar was hij er zeer trotsch op de vreemdelingen door het dorp te mogen rondleiden. Maar het was duidelijk, dat hij niet maar wat met hen ronddwaalde, hij bracht hen ergens heen en zij hadden niet anders te doen dan hunnen vijfjarigen gids te volgen.

Onderwijl hadden zij alle gelegenheid zich een oordeel te vormen over de uitgestrektheid van dit zonderlinge dorp, dat in omtrek zeker wel drie mijl zou meten.

De hutten, in den vorm van een bijenkorf, waren bijna alle open en men kon daar binnen de vrouwen bezig zien in hare huishouden. Van de mannen verzamelden sommige vruchten tusschen de takken, andere kwamen terug met gevangen wild of met kuipen water, dat zij uit de Rio geschept hadden.

Intusschen had Khamis getracht den kleinen Li-Mai in de inlandsche taal aan te spreken, maar het knaapje scheen niets daarvan te begrijpen. Toch had hij op het vlot duidelijk het woord ngora gezegd, wat toch een inlandsch woord was.

Na een uur kwamen de tochtgenooten aan het eind van het dorp, waar een hut van grooter afmeting stond, tusschen de takken van een reusachtigen wolboom. Voor den ingang stonden twee gewapende Wagdies. Was deze groote hut het koninklijk paleis, of het heiligdom der toovenaars, die men bij alle wilde volken in Afrika vindt? John Cort zag thans de gelegenheid om van Li-Mai eene inlichting te krijgen en zoo vroeg hij, op de hut wijzende:

"Mselo-Tala-Tala?"

Een knik met het hoofd was het eenige antwoord.

Daar woonde dus Zijne Majesteit de Koning der Wagdies en overmoedig en zonder veel complimenten liep Max Huber naar de hut, toen de beide schildwachten hem dreigend den weg versperden.

"Mooi, wij mogen er niet in!" spotte de Franschman. "Dan zullen wij Zijne Majesteit schriftelijk om een audiëntie moeten verzoeken!"

"Alsof hij zou kunnen lezen, verbeeld je!" antwoordde John Cort.

"Weet gij niet waar de hut van Li-Mai's ouders is?" vroeg Khamis aan Llanga.

"Neen, maar Li-Mai zal er ons bepaald wel heenbrengen, laten wij hem maar volgen."

Weinige minuten later kwamen onze vrienden in een meer beschaduwd, donkerder gedeelte van het dorp en daar bleef Li-Mai staan voor een strooien hut met een dak van bananenbladeren, dezelfde die Khamis voor het afdak op het vlot gebruikt had. Hij strekte de hand naar de hut uit en Llanga, die hem begreep, zei: "Hier woont hij."

De deur van de hut stond open en van binnen bleek zij te bestaan uit een enkel vertrek.

Tegen den achterwand lag een soort veldbed van droge kruiden en het overige huisraad bestond uit een drietal kalebassen, een aarden pot, gevuld met water en twee kleinere aarden potten. Van vorken hadden deze boombewoners nog nooit gehoord, zij aten met hunne vingers. Hier en daar waren planken gemaakt, waarop het proviand lag: vruchten, wortels, een stuk vleesch, eenige geplukte vogels. Aan een paar sterke dorens, die als spijkers dienst deden, hingen eenige uit boombast geweven doeken.

Twee Wagdies, een man en eene vrouw, stonden op, toen Khamis met zijn troepje voor de hut verscheen.

"Ngora... ngora... Lo-Mai... La-Mai!" riep het negerknaapje, terwijl het dadelijk naar zijn moeder liep, die het liefkoosde.

John Cort nam het paar eens goed op. De man was van krachtigen, goed geëvenredigden lichaamsbouw, zijn armen waren iets langer dan bij den mensch, ook zijn handen iets grooter; zijn voeten rustten met den geheelen zool op den grond. Zijn gelaatskleur was lichter dan van de bekende inlanders, zijn haar zwart en kroezend en hij had een korten, dunnen baard. Zijn hoofd was middelmatig van grootte, de kaakbeenderen staken niet ver naar voren en de oogen hadden een levendige uitdrukking. De vrouw was kleiner en had een zachtaardiger uiterlijk; haar tanden waren prachtig wit, maar wat John Cort vooral opviel, waren hare sieraden: glazen kralen en paarlen en om haar hals de medaille van Dr. Johausen, zooals haar kind er ook een had.

Praten met dit tweetal, ging tot John Cort's grooten spijt niet, maar het was duidelijk, dat zij de grootste gastvrijheid wilden betoonen, want den bezoekers boden zij dadelijk allerlei vruchten aan.

De Amerikaan luisterde intusschen goed naar de taal, die man en vrouw met elkander spraken en het kwam hem voor, dat hij, zij het dan ook verminkt, eenige woorden uit de Congoleesche en uit de Duitsche taal herkende.

Na een kwartiertje vertrokken de bezoekers weder, thans onder geleide van den man Lo-Mai zelf en zoo kwamen zij bij de hut, waarin zij den vorigen nacht hadden doorgebracht en die hun weder tot woning zou strekken. Voor hoe lang?...

Lo-Mai nam vooral hartelijk afscheid van Llanga, in wien hij ongetwijfeld den redder van zijn kind herkende en onze vrienden waren weder alleen.

HOOFDSTUK XV.

DRIE WEKEN STUDIE.

Hoe lang zouden John Cort, Max Huber, Khamis en Llanga in dit dorp blijven? Zou alles goed afloopen, zou er geen onraad komen? Van vluchten kon geen sprake zijn, daartoe werden zij te goed bewaakt. Maar al ware dit niet het geval geweest, hoe zouden zij dan den rand van dit onmetelijke woud kunnen bereiken, of de Rio Johausen terugvinden?

Max Huber, die zóó verlangd had naar het vreemde en onverwachte, had er reeds genoeg van en hij verheelde zijn ongeduld en verlangen om in Libreville terug te zijn, niet.

Ook Khamis, die op de dorpsbewoners als een laag staand ras, ja als een soort dieren, bleef neerzien, was zeer verlangend om Ngala te kunnen verlaten en wat hij doen kon om hiertoe te geraken, zou hij niet nalaten.

John Cort was minder ongeduldig. Hij vond het belangwekkend om die nieuwontdekte schepselen waar te nemen en te bestudeeren. Eenige weken had hij daar wel voor over, maar zou hun verblijf bij de Wagdies misschien niet veel langer duren? Jaren wellicht? En wat zou het eind van het avontuur zijn?

Maar tot dusver had men gelukkig nog niets vijandigs kunnen bespeuren. Vreemd bleef het echter dat die boschbewoners heel niet verbaasd waren op het zien van menschen.

Max Huber meende, dat men zich tot den Koning, Vader Spiegel, zou wenden, om hunne vrijheid terug te vragen, maar gesteld dat zij bij dit hooge personage werden toegelaten, hoe zouden zij elkander dan verstaan? De Koning zou zeker wel geen Congoleesch spreken.

Intusschen hadden zij bij het betreden van hunne hut eenige veranderingen gezien, die hun wel bevielen. Allereerst was een Wagdie bezig "de kamer te doen", als wij deze Europeesche uitdrukking mogen gebruiken. Het was een bewijs, dat deze stam grooten zin voor netheid en orde had; trouwens John Cort had reeds opgemerkt, dat zij op hun lichaam en kleeding ook zeer zindelijk waren. Achter in de hut waren stapels droge kruiden neergelegd en deze vormden voor onze reizigers, die zoo dikwijls op den naakten grond geslapen hadden, een heerlijk bed. Voorts waren eenige potten en pannen neergezet en een voorraad proviand: allerlei vruchten en een antilopebout.

Ter zijde van de hut was een platte steen, die als haard dienst deed; er brandden zelfs reeds eenige droge takken op.

De Wagdie, die voor werkmeid speelde, was een jonge man van omstreeks twintig jaren, met een schrander uiterlijk. Hij wees naar een hoek en zoo waar, daar zagen John Cort, Max Huber en Khamis hunne karabijnen, wel wat geroest, maar dat was te herstellen.

"Drommels, die komen te pas!" riep Max blij verrast.

"Maar de patronen?" vroeg John Cort.

"Die zijn hier", antwoordde de voorlooper en hij wees op het ijzeren kistje, dat achter de deur stond.

Zoo waren al deze kostbare zaken, die Khamis bij het vergaan van het vlot op de rotsen geslingerd had, door de Wagdies gevonden en behouden naar hun dorp gebracht.

"Zouden zij geen verstand van vuurwapenen hebben, dat zij ons die terug geven?" vroeg Max.

"Dat weet ik niet", antwoordde John Cort, "maar blijkbaar weten zij wel, dat men andermans goed niet mag behouden en dat bewijst, dat zij eerlijk zijn."

Eensklaps werd buiten met duidelijke stem geroepen:

"Kollo! ... Kollo!"

De jonge Wagdie keek John Cort aan en wees toen herhaaldelijk op zich zelf. De Amerikaan begreep hieruit, dat het de naam van hunnen nieuwen bediende was, en toen hij eenige malen het woord Kollo herhaalde, toonde de jonge man zijn tevredenheid, door vroolijk te lachen.

Uit dit alles bleek, dat de hut geen gevangenis was en dat de bewoners haar naar verlangen konden verlaten; of zij het dorp zelf dit ook mochten doen was intusschen nog twijfelachtig.

De vrienden moesten zich dus maar schikken en in het luchtdorp blijven wonen.

De Wagdies schenen zacht van aard, niet twistziek en ook niet nieuwsgierig. Lichamelijk bleken zij sterk en buitengewoon vlug en hun gezicht was bizonder scherp. Als zij op de vogeljacht gingen, schoten zij die met kleine pijltjes en ook op groote dieren, antilopen, buffels, misschien zelfs op den rhinoceros jaagden zij in het woud met goed gevolg. Max Huber had hen op die tochten gaarne vergezeld, zoowel om hunne wijze van jagen te leeren kennen, als om een poging te wagen tot ontvluchting.

Meermalen had Max aandrang gevoeld om met zijn karabijn een schot te lossen op de talrijke vogels, die hier in de boomen huisden, maar zijn makkers en hij werden dagelijks ruim van allerlei proviand voorzien. Hunne bediende Kollo liet het hun aan niets ontbreken, elken dag vernieuwde hij den voorraad water en brandhout. Bovendien zou het gebruik van het vuurwapen de kracht daarvan geopenbaard hebben en beter was het, die geheim te houden en de karabijnen in geval van nood als wapen te gebruiken.

Dat de Wagdies hunnen gasten vleesch bezorgden, kwam hieruit voort, dat zij zelven ook dit voedsel gebruikten, hetzij geroosterd op een kolenvuur, of gekookt in eigengemaakte aarden potten. Ook trof onzen vrienden een andere bizonderheid, waarover zij zeer verheugd waren: er was zout, dat evenals in Azië en Amerika, hier in het Afrikaansche woud als mineraal op den grond voorkwam.

Een vraag, die John Cort echter vooral bezig hield, was deze: Hoe kwamen die boombewoners aan vuur? Wreven zij stukken droog hout tegen elkander, op de manier van de wilden? Neen, het bleek hem, dat zij vuursteenen gebruikten en de vonken in droog mos of dorre bladeren lieten springen.

Behalve vleesch en plantaardig voedsel, allerlei wortels en vruchten, de laatste vooral van den onwaardeerbaren boabab of apenbroodboom, bananen en vijgen, aten de Wagdies ook honing en zij waren zeer schrander in het vinden van de bijennesten. Bovendien bevatte een stroom, die niet ver van het luchtdorp liep, zeer veel visch, die de Wagdies evenzoo vingen en aten.

Maar was die stroom bevaarbaar en gebruikten de Wagdies ook vaartuigen? Dit te weten was voor onze vrienden van groot belang, in geval van ontvluchting.

Aan den rand van het dorp, dicht bij de koninklijke hut, was die stroom te zien en scheen hij dertig à veertig voet breed, terwijl hij op korten afstand achter de reusachtige gomboomen verdween. Inderdaad werd hij door de Wagdies bevaren, waarbij zij gebruik maakten van een soort kano's gemaakt van uitgeholde boomstammen.

Dit alles was door Khamis ontdekt, die herhaaldelijk getracht had buiten het dorp te komen, maar steeds hadden de schildwachten bij den trap hem dit belet. Zij waren daarbij niet altijd even vriendelijk en eenmaal zou hij misschien zelfs mishandeld geworden zijn, als Lo-Mai, door het tumult aangelokt, niet tusschenbeide ware gekomen.

Deze laatste had het vooral aan den stok met een grooten Wagdie, dien men Raggi noemde. Aan de dierenhuiden die hij droeg en aan de veeren in zijn haar kon men zien, dat hij de chef van de strijdbare mannen was.

Onze vrienden hadden gehoopt, dat zij naar aanleiding van dit voorval, voor den Koning zouden zijn geleid en dus gelegenheid zouden hebben gekregen dezen potentaat, die door zijn onderdanen zoo angstvallig verborgen werd gehouden, eindelijk te zien. Maar dit gebeurde niet. Raggi scheen de hoogste macht te hebben en beter was het zijn toorn maar niet meer op te wekken.

Op een dag--het was de 9e April--ontstond eensklaps een hevig tumult. Van den kant der rivier klonken luide kreten.

Was dit een aanval op het dorp, door wezens gelijksoortig aan de Wagdies? Dit zou inderdaad hoogst ernstig zijn, vooral wanneer de aanvallers de boomen waarop het geheele dorp rustte, in brand zouden gaan steken!

Onmiddellijk waren Raggi en een dertigtal mannen naar den trap gesneld, dien zij met aapachtige vlugheid afsprongen. John Cort, Max Huber en Khamis waren met Lo-Mai naar den kant van het dorp geloopen, waar het gedeelte van de rivier te zien was.

Het bleek dat een groote troep wilde zwijnen, van het soort dat de Transvalers "boschvarken" en de Engelschen "bush-pig" noemen, op den linkeroever was verschenen.

Deze dieren zijn iets kleiner dan het wilde zwijn uit Europa, hebben zijdeachtig haar, oranjeachtig bruin van kleur en kwastjes aan de ooren, terwijl de mannetjes kromme slagtanden hebben, evenals het Babiroesa-zwijn.

Onze vrienden waren van hunne standplaats getuige van den strijd, die kort, maar niet zonder gevaar was. De Wagdies legden grooten moed aan den dag; met bijlen gewapend, sommige ook met speren, stortten zij zich tusschen de troep en na een uur waren verscheidene zwijnen neergeveld en de overige op de vlucht gejaagd.

Max Huber had zijn karabijn wel willen halen, maar de voorzichtige John Cort had hem dit ontraden. Beter was het, met het gebruik der vuurwapens te wachten, tot het bepaald nuttig of noodig zou zijn.

HOOFDSTUK XVI.

ZIJNE MAJESTEIT KONING MSELO-TALA-TALA.

Op dezen dag--of liever op den middag van den 15en April--zou er eene verandering komen in de anders zoo kalme gewoonten van de Wagdies. Drie weken lang hadden de gevangenen in Ngala geen enkele gelegenheid gehad om hunnen tocht dwars door het groote woud in de richting van de Oebanghi te hervatten. Zij werden goed bewaakt en waren binnen de onoverschrijdbare grenzen van dit dorp besloten, zoodat van ontvluchten geen sprake kon zijn.

Nu was het volkomen waar, dat bijvoorbeeld John Cort hier niet om treurde. Hij toch vond het zeer belangwekkend om studiën te maken van deze schepsels, die wel een schakel schenen te vormen tusschen den aap en den mensch. Hij zou hier prachtige bouwstoffen kunnen verzamelen ter beoordeeling van de zoogenaamde "theorie van Darwin." Maar om de geleerde wereld van zijn studiën vruchten te doen plukken, zou hij toch allereerst in Fransch Congo, en in Libreville terug moeten zijn!

Het was prachtig weer. De zon overgoot met licht en warmte de boomtoppen, die het luchtdorp overschaduwden.

Tusschen John Cort en Max Huber en de familie Lo-Mai was een druk verkeer ontstaan. Er ging geen dag voorbij zonder dat deze hen in hunne hut kwam bezoeken, of zij wederkeerig haar een bezoek brachten.