In de Oer-wouden van Afrika

Chapter 5

Chapter 54,016 wordsPublic domain

"Maar dat is geen kind! Het is een aap, een jong van een van die afschuwelijke dieren, die ons hebben aangevallen! En voor zoo'n apenjong heb je gevaar geloopen, zelf te verdrinken, Llanga!"

"Het is wel een kind!" hield de kleine neger vol, en hij droeg het naar het vuur en legde het daar op een hoopje droge bladeren neer.

De twee vrienden bemoeiden er zich niet verder mede en gingen slapen, terwijl Khamis tot middernacht de wacht zou houden.

Llanga kon niet slapen. Vol belangstelling nam hij elke beweging van zijn beschermeling waar. Maar wie schetst zijn verrassing, toen het, ongeveer om elf uur, op klagenden toon "Ngora! Ngora!" riep, ngora, zijn moeder!

HOOFDSTUK XI.

DE REIS VAN DEN 19EN MAART.

Den volgenden morgen werd de reis hervat met den kleinen passagier, waarvan Llanga niet wilde scheiden en dien hij behoedzaam onder het bladerdak op het vlot neerlegde. Dat hij behoorde tot een apenfamilie, hetzij dan van de chimpanzees, gorillas, mandrils of bavianen, stond voor Max Huber en John Cort vast. Dat Llanga het jonge dier, dat hij gered had, wilde behouden, zooals men een jong hondje bewaart, begrepen zij zeer goed, maar naar het jonge dier zelf keken zij niet om. Zij hadden zelf den kleinen Llanga tot zich genomen, hij mocht dus wel een kleinen aap tot zich nemen! Bovendien zou het dier, zoodra het kans zag aan wal te komen, de plaat wel poetsen en zijn redder met zwarten ondank beloonen!

Het is waar, als Llanga aan zijn blanke vrienden gezegd had: "Hij kan praten, hij heeft een paar malen ngora gezegd", dan zouden zij waarschijnlijk meer belang in het aapje gesteld hebben, maar Llanga zweeg daarover, in twijfel of hij zelf zich niet vergist had. Alleen nam hij zich voor, goed op te letten, of het nog eens gebeurde.

Daarom bleef hij dan ook onder het bladerdak naast zijn pleegkind zitten.

"En hoe gaat het nu met je aap?" vroeg Max, toen Llanga een oogenblik daarbuiten kwam.

"Hij slaapt nog, mijnheer Max."

"En wilt ge hem bij je houden?"

"Ja,.... als U dat goed vindt."

"O, ik heb er niets tegen, maar pas op, dat hij je niet krabt. Die jonge apen zijn zoo valsch!"

"O, deze niet, mijnheer."

"En hebt je hem al een naam gegeven?"

"Een naam? Welke?"

"Wel, ik zou hem Jocko noemen, alle apen heeten Jocko."

Maar deze naam scheen Llanga niet te bevallen, hij antwoordde niet en ging naar zijn beschermeling terug.

Dien middag had men geen last van de warmte, de zon bleef achter dikke wolken verscholen en dat was voor onze reizigers een geluk, want de Rio Johausen ging dikwijls door groote open plekken, waar geen schaduw was. De oevers werden weder moerassig en men zou wel een halve mijl naar rechts of links moeten gaan, om bij groote boomen te komen. Het was dan ook te hopen, dat er niet weder zoo'n regenbui kwam.

Van wild vertoonden zich niet anders dan watervogels; tot grooten spijt van Max Huber kwam geen enkel groot zoogdier, geen antilope, geen waterbok of hoe zij meer heeten, in het gezicht.

Dien dag zocht Khamis te vergeefs naar een geschikte aanlegplaats, de oevers met allerlei struikgewas bedekt, waren door het daarvoor liggend drassig en moerassig terrein onbereikbaar.

Hij vaarde dus verder en het was vijf uur, toen John Cort eensklaps zijn vriend opmerkzaam maakte, op iets, dat zich op den oever bewoog.

"Een buffel!" riep Max Huber, zijn karabijn richtende, "die zal ons een heerlijke schotel leveren!"

Khamis wendde het roer eenigszins, zoodat het vlot tot op dertig meter den oever naderde.

De buffel scheen niet van plan om heen te gaan; hij stond onder den wind en kon dus met volle teugen de frissche lucht opsnuiven, zonder het gevaar te bemerken, dat hem bedreigde. Max Huber legde voorzichtig aan, het schot knalde en werd door een klagend gebrul beantwoord. Het dier stortte neer, gleed langs den hellenden oever en kleurde het heldere water van de Rio Johausen met een rooden bloedstraal.

Khamis stuurde er behendig heen en sprong op den oever om de beste stukken van den buffel af te kappen; met te groote vracht mocht het vlot niet bezwaard worden en dertig of veertig kilo van dit vleesch zou bovendien genoeg voedsel zijn voor verscheidene dagen.

Vreemd was het, dat Llanga, anders zoo belangstellend in jachtavonturen, heel niet van onder het afdak te voorschijn kwam, maar dit had de volgende reden. Op het geluid van het schot was het jonge aapje uit zijn slaap of zijn bezwijming ontwaakt, het stak zijn armpjes uit, opende den kleinen mond en kreet:

"Ngora!.... Ngora!"

Ditmaal kon Llanga er niet aan twijfelen, het woord was heel duidelijk uitgesproken, met een bizonder ratelende r.

Llanga, die het woord Ngora, moeder, natuurlijk goed kende, was zeer ontroerd en verdubbelde zijn zorgen voor het schepseltje, dat door Max Huber zoo minachtend een aap genoemd was. Hij goot het wat frisch water in den mond en bleef naast hem zitten, tot hij eindelijk weder in slaap viel.

Maar toen had Llanga ook zijn besluit genomen: hij verliet het afdak en kwam bij zijn vrienden, die het vlot reeds weder van den oever afstootten naar het midden der rivier.

Llanga aarzelde een oogenblik, maar zei toen op beslisten toon, terwijl hij zijn hand op Max' arm legde:

"Het is geen aap."

"Geen aap?"

"Neen, hij heeft gesproken, straks, en van nacht ook."

"En wat heeft hij dan wel gezegd?"

"Hij heeft Ngora gezegd."

"Wat!" riep John Cort, "hetzelfde woord, dat ik op dien nacht ook gehoord heb?"

"Ja, ngora", hernam Llanga.

"Dat moeten wij onderzoeken, Max!" zei de Amerikaan.

Beiden gingen naar het afdak en beschouwden het kleintje. Ja, op het eerste gezicht zou men zeggen, dat het een aap was, maar het trof John Cort dadelijk, dat hij hier geen vierhandig, maar een tweehandig wezen voor zich had. Het kleine schepsel had werkelijk slechts twee handen, zooals alleen de mensch heeft, want alle apen, zonder uitzondering, hebben er vier. Zijn voeten waren inderdaad ingericht om er op te loopen en niet om er iets mee aan te grijpen, zooals bij de apen.

John Cort maakte er zijn vriend opmerkzaam op en deze erkende:

"Het is werkelijk zeer merkwaardig!"

Wat de grootte van het schepseltje aangaat, deze bedroeg nauwelijks 75 centimeter, maar het scheen dan ook nog jong te zijn.

Men kan zich voorstellen hoe verbaasd Max Huber en John Cort waren, toen zij daar eensklaps tegenover een volkomen vreemd schepsel stonden, nog door geen enkelen geleerde of natuuronderzoeker ontdekt en dat de schakel scheen te vormen tusschen den mensch en de dieren!

Zwijgend bleven zij staan, hopende, dat het wezentje weer zou gaan spreken en terwijl Llanga zijn gelaat met water bette, opende het eensklaps den mond en stamelde met zwakke stem:

"Ngora!... Ngora!"

"Te deksel, nu hoor ik het ook!" riep Max Huber.

John Cort bukte zich over het schepseltje heen, om beter te luisteren of het nog andere woorden zou spreken, maar wie beschrijft zijn verrassing, toen hij zag, dat het iets om zijn hals droeg. Hij betastte het en het bleek een zijden koord te zijn, waaraan een medaille!

Haastig maakte hij die los en beschouwde haar. Het was een nikkelen medaille, zoo groot als een cent, met een kop op de eene zijde en een naam op de andere, en naam en kopstuk beide waren die van dokter Johausen.

"Hij is waarlijk gedecoreerd door den Duitschen geleerde, wiens ledige hut wij gevonden hebben!" riep Max Huber meer en meer verbaasd.

Dat die medailles in de streken van Kameroen verspreid waren, had niets verwonderlijks, want de dokter had ze op ruime schaal onder de Congoleezen rondgedeeld, maar dat zulk een medaille aan een koord om den hals bevestigd was van dezen vreemden kleinen bewoner van het groote Oebanghi-woud...

Maar zij werden in hunne beschouwing gestoord door de stem van den voorlooper, die hen riep.

"Wat is er?" vroegen zij, buiten komende.

"Luister", antwoordde Khamis.

Vijfhonderd meter verder maakte de rivier eensklaps een rechtsche bocht, in eene kromming, waar de boomen weer in dichte massa's stonden. In die richting nu klonk een dof gerommel, heel iets anders als het geloei van buffels of het gebrul van roofdieren.

"Een vreemd geluid", zei John Cort.

"Misschien is daar een waterval", zei de voorlooper, "de wind komt uit die richting en ik voel, dat de lucht vochtig is."

En Khamis bedroog zich niet. Verder op boven de rivier dwarrelde fijn water, als stof en schuim, dat alleen ontstaan kon als het water daar zeer woest bewogen werd. Als daar een hindernis was, die de verdere vaart van het vlot belette, zou het voor onze reizigers een ernstig ding zijn.

Het vlot dreef intusschen tamelijk snel voort en na enkele minuten was het in de bocht. Thans kon men zien en de vrees van Khamis bleek maar al te gegrond. Honderd schreden verder vormde een opeenstapeling van zwartachtige rotsen een barrière van den eenen oever naar den anderen en alleen in het midden was eene opening, waardoor het water schuimend en spattend, met groote kracht heendrong. Als het vlot niet spoedig naar een van de oevers kon gestuurd en daar stevig vastgemaakt worden, zou het worden meegesleurd en tot splinters geslagen tegen die rotsen.

Er was geen oogenblik te verliezen, Khamis behield al zijn koelbloedigheid en stuurde op den oever aan. Maar de stroom was te sterk en Max Huber moest helpen om het roer vast te houden. Misschien zou het met hun vereende kracht gelukt zijn uit den snellen middenstroom te komen, maar daar trof hen een groote ramp, de houten plank, die als roer dienst deed, knapte midden door en het vlot dreef met duizelingwekkende vaart, zonder stuur, verder.

"Wij moeten tegen de rotsen opspringen", riep Khamis, "anders komen wij om in den waterval."

Inmiddels was ook Llanga verschrikt te voorschijn gekomen en onmiddellijk begreep hij het gevaar. Hij keerde naar het bladeren afdak terug, nam het kleine schepsel in zijn armen en knielde op het achterste gedeelte van het vlot neder.

Met woeste snelheid dreef het vlot voort, daar rezen de rotsen omhoog en met schriklijke kracht stootte het zwakke vaartuig er tegen aan. De opvarenden hadden ijlings hunne vuurwapens en wat verder onder hun bereik kwam, boven op die rotsen geslingerd en trachtten nog zelf er op te springen, maar dat gelukte hun niet, zij werden meegesleurd in de kolk, terwijl de stukken van het verbrijzelde vlot in het schuimende water werden voortgezweept.

HOOFDSTUK XII.

NA DE SCHIPBREUK.

Den volgenden dag lagen drie mannen bij een vuur, dat bijna uitging. Overmand door vermoeienis en slaap en na hunne kleeren zoo goed mogelijk bij het vuur gedroogd te hebben, hadden zij zich neergelegd en waren weldra vast ingeslapen.

Hoe laat het was, of het dag of nacht was zelfs, had geen hunner kunnen zeggen, hoewel te veronderstellen was, afgaande op den tijd sedert den vorigen avond verstreken, dat de zon reeds op moest zijn. Maar waar was het Oosten? Die vraag kon niet beantwoord worden.

Waren die mannen dan opgesloten in een grot, of in een donkere gevangenis, waarin geen lichtstralen konden doordringen?

Neen, maar om hen heen stonden zulke hooge, zwaar gebladerde boomen, dat op weinige passen alles donker was.

Die drie mannen waren John Cort, Max Huber en Khamis.

Hoe kwamen zij daar op die dichte, donkere plek in het groote woud? Zij wisten het niet. Van het oogenblik af dat zij van het vlot geslingerd en in den kolkstroom meegesleurd waren, wisten zij niet meer wat er met hen gebeurd was.

Maar wel wisten zij, dat niet allen aan de ramp waren ontkomen; twee ontbraken: Llanga, het pleegkind van John Cort en Max, en het kleine schepseltje, dat Llanga op zijne beurt tot pleegkind had aangenomen. Misschien was de negerknaap wel juist verdronken, omdat hij zijn beschermeling had willen redden!

De drie overgeblevenen hadden nu geen vuurwapens, geen patronen, geen gereedschap of kookgerei meer, niets dan een paar zakmessen en de bijl, die Khamis in zijn gordel had gedragen. Ook geen vlot hadden zij meer, maar in welke richting hadden zij ook moeten gaan om weer bij de Johausen-rivier te komen?

En hoe moesten zij zich nu voedsel verschaffen, nu er geen wild meer te schieten was? Moesten zij voortaan leven van wortels en wilde vruchten? Zou dat niet hetzelfde zijn als binnen kort van honger te sterven?

De eerste die wakker werd was John Cort en het was nog zoo donker of het nacht was. Hij stond op en onderscheidde met moeite de gestalten van Max Huber en Khamis aan den voet van de boomen. Allereerst ging hij naar het vuur; de asch gloeide nog en met wat droge takken en bladeren vlamde het weldra weder op.

Door het geknetter ontwaakten ook de beide anderen en het duurde niet lang of zij spraken over den ernstigen toestand waarin zij verkeerden.

"Waar zijn wij toch?" vroeg Max.

"Daar waar men ons heen gebracht heeft", antwoordde John Cort.

"Wat zegt gij daar!" riep Max Huber, "weet gij wel, dat ik op het oogenblik dat het vlot tegen de rotsen stootte, menschen op den linkeroever meende te zien.

"Ja, ja" bevestigde John Cort, "negers, die gebaren maakten en schreeuwden en naar de rotsen snelden."

"Hebt gij inboorlingen gezien?" vroeg de voorlooper.

"Een dozijn ongeveer", hernam Max Huber, "en aan hen hebben wij zonder twijfel onze redding te danken! Ja, zij moeten het zijn, die ons voor verdrinken hebben bewaard!"

"Ja, terwijl wij bewusteloos waren hebben zij ons hierheen gebracht ... met wat wij nog aan provisie overhadden. En na een vuur te hebben aangelegd, zijn zij heengegaan."

"En zoo goed heengegaan", voegde Max Huber er bij, "dat wij geen spoor van hen terug vinden. Dat bewijst wel, dat zij op onze dankbaarheid niet erg gesteld zijn."

"Geduld maar, beste Max", hernam John Cort, "het is best mogelijk, dat zij hier in de buurt ronddwalen. Waarom zouden zij ons anders hierheen hebben gebracht?"

"Een mooie plek!" bromde Max Huber, "het blijft stikdonker!"

Boven de toppen der boomen scheen een vaag licht, een bewijs dus, dat de zon inderdaad boven den horizon was verrezen, maar hoe laat het was, konden onze vrienden niet zoo spoedig beslissen, want de horloges der beide blanken waren na het gedwongen bad in de rivier stil blijven staan.

Intusschen was Khamis naar de plek geloopen, die door de reusachtige, vijftig voet hooge boomen eenigszins opengelaten was en die omzoomd was door slingerplanten en doornachtige heesters. Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van den hemel te ontdekken, want hij wilde zich oriënteeren, weten waar zich het Zuidwesten bevond....

Langzaam kwam hij bij de twee vrienden terug en vroeg eensklaps:

"Zijt gij er wel zeker van, mijnheer Max, dat gij op den oever inboorlingen gezien hebt?"

"Volmaakt zeker, juist op het oogenblik, dat het vlot tegen de rotsen verpletterd werd."

"En op welken oever?"

"Den linker."

"Weet gij wel zeker den linker?"

"Ja."

"Dan zouden wij dus Oostelijk van de rivier zijn?"

"Dat geloof ik ook", zei thans John Cort, "en bijgevolg in het diepste gedeelte van het woud. Maar hoe ver zijn wij van de rivier?"

"De afstand kan niet groot zijn", meende Max Huber, "want onze redders, wie het dan ook zijn, zullen ons wel niet eenige mijlen ver gesleept hebben."

"Dan moeten wij dus allereerst de rivier opzoeken", hernam Khamis, "en onze reis aan den anderen kant van de rotsversperring hervatten, als wij eerst een nieuw vlot gebouwd hebben."

"Maar hoe moeten wij dan leven, eer wij aan de Oebanghi zijn?" vroeg Max Huber. "Jagen kunnen wij niet meer."

"En hoe moeten wij uit dit doolhof komen?" vroeg John Cort.

"Hier langs", antwoordde de voorlooper en hij wees op de verscheurde en afgerukte lianen, de plaats dus, waarlangs zij op deze plek gebracht waren en waar werkelijk een soort pad begon.

Maar waar voerde dit pad heen? Naar de Rio? Hoogst onwaarschijnlijk. En zou het niet met andere paden kruisen en daardoor een reusachtig doolhof vormen?

"Hoe het zij", hernam John Cort, "wij kunnen niet van honger en dorst omkomen en moeten dus beginnen met hier vandaan te gaan."

"Wacht nog even!" zei Max Huber en opstaande, riep hij driemaal achtereen, zoo hard hij kon:

"Llanga! ... Llanga! ... Llanga!"

Er kwam geen antwoord, zelfs geen echo weerkaatste het geroep.

"Op weg!" zei de voorlooper.

Maar nauwelijks had hij twee stappen op het pad gezet, of hij bleef staan en riep:

"Een vuur!"

"Waar? Waar?" riepen de beide blanken en snelden op hem toe.

Het lichtschijnsel, waarschijnlijk van een toorts, scheen eenige honderden schreden verder en was slechts zeer flauw.

Wie waren het, die dat licht droegen? Moest men die lieden vreezen, of kwamen zij wellicht hulp brengen?

Besluiteloos bleven onze reizigers staan, maar hoe zij ook tuurden, het licht veranderde niet van plaats.

"Wat moeten wij doen?" vroeg John Cort.

"Naar dat licht toe gaan, omdat het niet naar ons komt", hernam Max Huber.

"Vooruit dan!" zei Khamis.

Maar wederom had hij te nauwernood eenige schreden afgelegd, of de toorts verwijderde zich. Zou diegene, die haar droeg, de drie reizigers dus bespieden? Of wilde hij hen als 't ware voorlichten en den weg wijzen, dien zij gaan moesten?

Er was geen tijd of gelegenheid meer voor beraad, er bleef niets over dan voort te loopen.

"Als hij ons maar uit dit doolhof brengt, dan ben ik tevreden", zei John Cort. "Wel vriend Max, is dit nu ook nog niet vreemd en onverwacht genoeg voor je?"

"Het gaat vrij wel", antwoordde de luchthartige Franschman.

Het licht volgende legden zij naar schatting vier of vijf mijlen af en toen bluschte het eensklaps uit.

"Laten wij halt houden", zei de Amerikaan, "het is blijkbaar een sein voor ons..."

"Of een bevel", meende Max Huber.

"Wij moeten gehoorzamen en hier overnachten", zei Khamis.

"Maar zal het licht morgen weer schijnen?" vroeg John Cort.

Dat was inderdaad de vraag.

Doodelijk vermoeid strekte het drietal zich aan den voet van een reuzenboom uit en de slaap liet zich dan ook niet wachten.

Toen zij ontwaakten drong een flauw licht door het gebladerte, een bewijs dat het dag was. Khamis meende te kunnen verzekeren, dat men in Oostelijke richting gegaan was, ongelukkigerwijze dus juist den verkeerden kant!

"En de fakkel?" vroeg John Cort.

"Daar begint zij juist weer te schijnen!"

Geen enkel avontuur deed zich op dezen dagtocht voor. De toorts bleef het drietal voorlichten, altijd in Oostelijke richting. Hoe moest dat afloopen? Als zij niet spoedig op de plaats hunner bestemming kwamen, zouden zij van honger moeten bezwijken!

Zoo kwam de avond, weder doofde het licht uit en moesten onze reizigers aan den voet van een boom overnachten.

Den volgenden morgen--23 Maart--ontwaakte John Cort het eerst en dadelijk riep hij:

"Terwijl wij sliepen is er iemand hier geweest!"

Dat was niet tegen te spreken: er brandde een klein houtvuur en een stuk antilope-bout hing aan een lagen tak van een acacia boven een klein beekje.

Maar geen van drieën toonde daarover groote verbazing, zij namen de dingen aan, zooals zij waren, het was nutteloos, ja, onmogelijk over al die onverklaarbare zaken te redekavelen. Aan het zoo geheimzinnig verstrekte voedsel deden zij zich echter begrijpelijkerwijze te goed en nauwelijks was dit ontbijt gebruikt of de toorts gaf weder het sein tot hervatting van den tocht.

En deze werd afgelegd onder dezelfde omstandigheden als de vorige dagen en toen tegen het vallen van den avond het licht weder verdween, kon men berekenen in het geheel ongeveer zestig kilometer te hebben geloopen, sedert men den oever van de Rio Johausen verliet.

Kort daarop was het drietal in slaap, maar, was het een droom?--Max Huber geloofde stellig, dat boven zijn hoofd de wals uit de _Freischütz_ van Weber gespeeld werd!

HOOFDSTUK XIII.

EEN DORP IN DE LUCHT.

Toen John Cort, Max Huber en Khamis den volgenden morgen ontwaakten, was het nog donkerder in het woud dan anders, maar, wat den drie tochtgenooten dadelijk trof, het was niet zoo stil als gewoonlijk. Heel in de hoogte klonk een dof gegons en toen zij opkeken, zagen zij een honderdtal voeten boven den grond een soort dak. Hoogst waarschijnlijk was dit door het in elkander groeien van allerlei takken ontstaan, maar het gaf tevens een verklaring van de duisternis, die aan den voet der boomen heerschte.

Wel een uur lang bleef Khamis heen en weer loopen, om naar alle richtingen uit te kijken of hij het licht, dat hun de vorige dagen den weg gewezen had, nog niet zag verschijnen. Maar dit gebeurde dezen ochtend niet en wat moesten onze vrienden nu beginnen? Verder gaan? Maar waarheen? Blijven? Hoe moesten zij dan aan voedsel komen? Honger en dorst deden zien toch reeds deerlijk gevoelen!

"Toch kunnen wij hier niet blijven", zei John Cort, nadat zij lang en breed beraadslaagd hadden, "en ik zou voorstellen om maar dadelijk op weg te gaan."

"Maar welken kant uit?" vroeg Max Huber.

"Komaan!" hernam John Cort ongeduldig, "wij zijn hier toch niet met onze voeten aan den grond vastgeworteld, zou ik denken!... Wij kunnen tusschen de boomen doorloopen en zien waar wij uitkomen."

"Vooruit dan!" zei Khamis.

Zoo gingen de drie tochtgenooten op weg en de bodem bleek overal kaal en droog te zijn, als onder een dicht dak, waardoor noch zonnestralen, noch regendruppels konden heendringen. En overal stonden dezelfde boomen, waarvan alleen de onderste takken waren te zien.

Onbewoond was dit woud echter, naar het scheen, niet. Herhaaldelijk meende Khamis schaduwen tusschen de stammen te zien sluipen. Was het verbeelding? Hij kon het niet zeggen. Maar eensklaps fluisterde hij:

"Daar ginds beweegt iets."

"Een dier of een mensch?" vroeg John Cort, in de aangeduide richting kijkende.

"Als het een mensch is, dan toch een kind", antwoordde de voorlooper, "want het was klein van stuk."

"Een aap!" meende Max Huber.

Onbewegelijk bleven zij staan om beter te zien en waarlijk, daar naderde het dier, en het toonde bij het bespeuren der drie menschen hoegenaamd geen verbazing. Het liep recht overeind, als een mensch, en bleef op korten afstand staan.

"Te drommel, het is het schepseltje, dat Llanga uit de rivier gered heeft!" riep Max Huber, ten hoogste verwonderd.

"Gelooft gij dat?" vroeg de voorlooper.

"Ja, het is zóó", bevestigde John Cort, "en wij zullen de proef op de som nemen."

Hij haalde de medaille aan het koord te voorschijn, die het schepseltje om den hals gedragen had en liet het heen en weer slingeren, zooals men bij een klein kind doet, om de aandacht te trekken. En nauwelijks had hij dit gezien of met één sprong was hij er bij. Ziek was hij niet meer, dat bleek, en hij had met zijn gezondheid ook zijn vroegere lenigheid teruggekregen. Klaarblijkelijk wilde hij de medaille weggrissen, maar Khamis sprong hem in den weg en greep hem vast.

"Li-Mai!... Ngala!... Ngala!" schreeuwde het kleine wezen.

Wat die woorden beteekenden wisten zij natuurlijk niet, maar zij hadden ook geen tijd er over te denken, want eensklaps verschenen een aantal groote schepsels, minstens vijf en een halven voet lang.

Of het dieren of menschen waren, konden onze reizigers niet zoo spoedig zien, maar zij begrepen, dat het in elk geval dwaasheid zou geweest zijn, zich te verzetten tegen een twaalftal van dergelijke krachtige boschjesmannen. In een oogwenk waren John Cort, Max Huber en de voorlooper gegrepen en half voortgeduwd, ging het tusschen de boomen door, zeker wel vijf- of zeshonderd meter.

Toen kwamen zij op een plek, waar twee boomen dicht genoeg bij elkander stonden, dat de takken er van naar elkander gebogen waren, zoodat zij wel geen trap, maar dan toch een zeer gemakkelijken ladder vormden. Vijf of zes van de troep klommen langzaam daar tegen op en de overigen dwongen de drie gevangenen hetzelfde te doen, waarbij zij overigens, zooals wij gaarne erkennen, volstrekt geen geweld gebruikten.

Naarmate men hooger klom, drong ook het licht sterker tusschen de bladeren door; reeds zagen onze vrienden eenige zonnestralen, waarvan zij zoo lang verstoken waren geweest.

En Max Huber moest bij zich zelf nu eindelijk erkennen, dat wat hem thans overkwam, toch werkelijk wel iets heel ongedachts en heel buitengewoons was!