In de Oer-wouden van Afrika

Chapter 4

Chapter 43,901 wordsPublic domain

Dus werd een kooi, in het genre van die van Garner, maar practischer ingericht, in Duitschland besteld, en in losse stukken te Malinba aangebracht. Levensmiddelen, kogels, kruit en andere benoodigdheden waren daar in grooten voorraad verkrijgbaar. Ook werden eenige eenvoudige meubelen meegenomen en zelfs een draaiorgel, daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor de schoonheden der muziek. Ook liet hij een aantal nikkelen medailles maken met zijn portret en zijn naam er op, zeker om die aan de hoofden van de apenkolonie uit te deelen.

Zoo scheepten den 13den Februari 1894 de dokter en zijn bediende zich te Malinba op een inlandsen vaartuig dat hen naar Nbarri zou brengen. Maar dan verder? Dat had Johausen aan niemand willen zeggen, hoe men hem ook met allerlei nieuwsgierige vragen lastig viel. Later werd bekend, dat hij honderd mijlen verder, naar het dorp Nghila gegaan was, daar een twintigtal negers als dragers had aangenomen en in Oostelijke richting getrokken was. Maar sedert had men niets van hem gehoord. De dragers, die in Nghila terugkeerden, konden niet met duidelijkheid uitleggen, waar zij hem verlaten hadden, en nu waren twee jaren verstreken, zonder eenige tijding van den dokter of zijn trouwen bediende.

Maar John Cort en Max Huber leerden er nu iets meer van. Zij wisten thans, dat dr. Johausen een rivier in het Noordwesten van het woud van de Oebanghi had bereikt, een vlot had gemaakt en daarmede die onbekende rivier was afgezakt, tot kort bij de plek, waar hij zijn kooi of getralied huisje oprichtte.

Dit alles was thans zekerheid, maar omtrent wat verder gebeurde, verkeerden beide vrienden in duister. Waarom was de hut leeg? Waarom hadden de twee bewoners haar verlaten? Hoeveel maanden, weken of dagen hadden zij er in gewoond? Waren zij vrijwillig vertrokken? Of waren zij opgelicht? Door wie? Door inboorlingen? Maar het woud ging voor onbewoond door! Zouden zij door wilde dieren verscheurd zijn? Leefden dr. Johausen en zijn bediende nog?

Op geen van deze vragen konden onze vrienden antwoord geven.

"Misschien geeft het aanteekenboekje ons inlichtingen", zei John Cort.

Max Huber opende het: sommige bladzijden kleefden door vocht aan elkander.

"Alleen op de eerste bladzijde staat iets", zei Max Huber, en met veel moeite gelukte het hem het volgende te ontcijferen:

29 Juli 1894. Met mijn eskorte aan den rand van het Oebanghi-woud aangekomen. Gekampeerd op den rechteroever eener rivier. Een vlot gemaakt.

3 Augustus. Het vlot is gereed. De dragers teruggezonden naar Nghila. Alle sporen van het kamp weggemaakt. Met mijn bediende op het vlot ingescheept.

9 Augustus. Zeven dagen zonder hindernis de rivier afgezakt. Een open plek in het woud. Talrijke apen in den omtrek.

10 Augustus. Geland. De hut opgericht onder de eerste boomen aan den linkeroever. Zeer veel apen. Chimpanzees, gorillas.

13 Augustus. De hut betrokken. Geen spoor van menschelijke wezens te ontdekken. Waterwild in grooten voorraad. Ook veel visch.

25 Augustus. Leven kalm en geregeld. Eenige nijlpaarden hebben zich in de rivier vertoond, maar toonden geen vijandelijkheden. Antilopen geschoten. Des nachts komen groote apen bij de hut, maar schijnen ook niet vijandig gezind. Heb gemeend in de verte een vuur te zien ... De apen schijnen wel onder elkaar te spreken, woorden en zinnen. Een jong heeft herhaaldelijk Ngora gezegd, dat ook bij de negers het woord voor moeder is ...

Llanga, die aandachtig had zitten luisteren, riep thans:

"Ja, Ngora! Ngora! ... Moeder! Moeder!"

En nu hij dat woord hoorde, herinnerde John Cort zich eensklaps weder, dat hij op dien nacht, terwijl hij waakte, het ook gehoord had, zonder dat hij het zich verklaren kon en thans deelde hij dit voorval aan Max Huber mede.

"Zou die professor Garner werkelijk gelijk hebben?" vroeg zijn vriend. "Zouden er apen zijn, die kunnen praten?"

Khamis was onder het voorlezen volmaakt onverschillig gebleven. Wat er met dr. Johausen gebeurd was, kon hem niet schelen. Hoofdzaak was, dat hij een vlot had gemaakt, waarvan men thans gebruik kon maken en bovendien nog eenige nuttige zaken in de hut achtergelaten had.

"Het blijkt uit alles", hernam John Cort, "dat de dokter den 9den Augustus op deze plek is aangekomen. Zijn aanteekeningen loopen niet verder dan den 25sten van diezelfde maand en om welke reden dan ook, hij schijnt op dien dag de hut verlaten te hebben, om er niet meer terug te komen."

Maar voor het oogenblik moesten onze vrienden aan zich zelven denken; het vlot moest hersteld en weggesleept worden. Later zou men misschien een expeditie kunnen uitrusten, om het woud te doorzoeken en de twee vrienden zouden desverlangd kunnen meegaan, maar thans hadden zij een andere taak.

Alvorens de hut te verlaten, onderzochten zij haar echter nog eens in alle hoekjes en gaatjes. Zij bood nog een voortreffelijke schuilplaats aan; het zinken dak bleek onbeschadigd. De traliezijde was naar het Noorden gericht en dus het minst blootgesteld aan schadelijke winden. Eenige kleine reparaties waren echter noodig, een paar planken zouden vernieuwd moeten worden, evenals een paar palen, die in den vochtigen grond waren beginnen te rotten. Maar waarom zouden Max Huber en zijn makkers het zich daar moeilijk mede maken? Het was hoogst onwaarschijnlijk, dat de hut nog eens betrokken zou worden door een onderzoeker van de apentaal.

Van wapens, gereedschap, kleeren of proviand vond men geen spoor. Zonder twijfel was alles van dezen aard medegenomen en Khamis wilde de hut reeds verlaten, toen hij in een hoek tegen iets trapte, dat een metaalachtig geluid gaf.

Het bleek een ijzeren kistje te zijn, dat daar bijna geheel in den grond begraven was. Khamis groef het op, opende het en de inhoud bleek te bestaan uit een honderdtal volkomen onbeschadigde patronen.

"Dank, brave dokter!" riep Max Huber, "mogen wij u ooit dezen dienst kunnen vergelden!"

En de dienst was inderdaad groot, want de patronen bleken juist van hetzelfde kaliber te zijn hunner karabijnen.

"Laten wij nu buiten gaan zien", zei John Cort, "of wij daar soms een spoor van den dokter en zijn bediende kunnen vinden. Het is mogelijk, dat zij door inboorlingen overvallen en weggevoerd zijn, maar het is ook mogelijk dat zij zijn gedood en dat hun gebeente nog op een begrafenis wacht...."

Maar hunne nasporingen waren vruchteloos, althans over een oppervlak van honderd meter straal leverden zij niets op. Men moest dus wel aannemen, dat de ongelukkige dokter weggevoerd was... En door wie anders dan door inboorlingen, dezelfde die Johausen voor apen aanzag en die onder elkaar praatten?

"Er blijkt in elk geval uit", merkte John Cort op, "dat het woud door inboorlingen bezocht wordt en dus moeten wij op onze hoede zijn."

"Juist", antwoordde de voorlooper. "En thans naar het vlot!"

Omstreeks negen uur kwam het viertal bij de grot terug en Khamis begon allereerst voor het ontbijt te zorgen; er was nu een ijzeren pot, men kon dus een soort soep koken, aangename afwisseling in het gewone menu.

Onderwijl werkten de anderen met grooten ijver aan het repareeren van het vlot, hetgeen bij gemis aan goed gereedschap nog zoo gemakkelijk niet ging. Maar lianen en andere sterke slingerplanten bewezen even goede dienst als touw en toen de zon achter de zware boomen op den rechter rivieroever wegzonk, was het werk gereed.

Den volgenden morgen vroeg zou men vertrekken, want het was raadzaam den nacht nog in de grot te blijven. Alvorens te gaan slapen, riep Max Huber echter eensklaps:

"Ik heb een voorstel!"

"En dat is?" vroeg John Cort.

"Wij moeten iets voor den dokter doen."

"En wat dan?" vroeg de Amerikaan nieuwsgierig.

"Wij moeten deze rivier naar hem noemen."

Niemand had daar iets tegen en dus zou men voortaan kunnen spreken van de Johausen-rivier.

De nacht ging rustig voorbij, en noch John Cort, noch Max Huber, noch Khamis, die beurtelings waakten, hoorden ook maar een enkel woord.

HOOFDSTUK IX.

OP DE JOHAUSEN-RIVIER.

Het was des morgens half zeven van den 16en Maart, toen het vlot werd losgemaakt en den stroom afzakte. Het was nog niet eens geheel licht, hoog in de lucht joegen donkere wolken. Als het niet ging regenen, zou het toch zeker den geheelen dag betrokken blijven.

En daarover beklaagden onze reizigers zich niet, want midden op de rivier zouden zij anders blootgesteld zijn aan de volle kracht der zonnestralen.

Het vlot meette ongeveer acht bij twaalf voet, en was dus maar even groot genoeg voor vier personen en eenige weinige bagage, waarbij thans ook een stapel droog hout gevoegd was, waarvan Khamis vuur zou kunnen maken. Aan den achterkant was van een paar planken een soort roer gemaakt, waarmede het vlot althans eenigszins bestuurd kon worden.

De stroom bleek een snelheid te hebben van omstreeks een mijl in het uur en als dat zoo bleef, zou het vlot twintig dagen noodig hebben, om de driehonderd kilometer af te leggen, die onze vrienden nog van de Oebanghi scheidden. Maar er konden zich allerlei hinderpalen in de rivier voordoen, er konden onverwachte stroomversnellingen komen of watervallen en men besloot dus goed uit te zien en voorzichtig te varen.

Tot aan de middaghalte ging de tocht zonder wederwaardigheden, dank zij de behendigheid van Khamis had het vlot geen enkele maal gestooten.

John Cort, die met de karabijn in de hand voorop stond, bespiedde zorgvuldig de oevers. Mocht hij het een of ander wild bespeuren, dat eetbaar was, dan zou hij dat gemakkelijk neerleggen. En tegen half tien gebeurde dit reeds; de eerste buit was een waterbok, een soort antilope, die bij voorkeur aan rivieroevers leeft.

"Een mooi schot!" riep Max Huber.

"Maar doelloos, als wij het dier niet kunnen meenemen", antwoordde John Cort.

"Dat is een oogenblik werk", zei de voorlooper.

Inderdaad wist hij het vlot handig naar den oever te sturen tot aan de plek waar de antilope lag en daar werd het spoedig gevild en ontweid, waarna de goede stukken op het vlot werden gebracht.

Onderwijl beproefde Max Huber zijn talenten als visscher, hoewel hij maar heel gebrekkig vischtuig had: eenig dun touw, in de hut gevonden en voor haak een acaciadoorn, waaraan een stukje vleesch gestoken was.

En terwijl Max vischte zat Llanga naast hem met groote belangstelling er naar te kijken.

En inderdaad, het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan boord gehaald. Hij woog zeker acht of negen pond en de reizigers zouden niet tot den volgenden dag wachten, om zich aan dit lekkerbeetje te vergasten.

Zoo bestond het twaalfuurtje uit geroosterde antilopenbout en gekookte snoek, waarvan niets dan de graten overbleven. Het middagmaal zou bestaan uit een flinke soep van de antiloperib gekookt en daar deze lang op het vuur moest staan, begon de voorlooper thans reeds den brand in het dorre hout op de voorplecht te steken en plaatste hij de ijzeren pot er op. En toen ging de tocht weer verder.

Tegen zes uur liet Khamis stilhouden bij een rotsachtigen inham, beschaduwd door de lage takken van een gomboom en dit rustpunt bleek zeer gelukkig gekozen. Allerlei mosselen en andere schaaldieren zaten hier tusschen de steenen en sommige hiervan gekookt, andere rauw vormden eene aangename afwisseling in het avondmaal.

Daar het zich liet aanzien, dat de nacht donker zou zijn, wilde de voorlooper liever niet midden op de rivier blijven, dikwijls toch dreven daar zware boomstammen en een botsing daarmede, had het vlot groote averij toegebracht. Men zou dus op het gras aan den voet van den gomboom overnachten, en dank zij het beurtelings waken van de drie mannen, kreeg men dien nacht geen onaangenaam bezoek. Alleen maakten de apen van zonsondergang tot zonsopgang een heidensch spektakel.

Den volgenden morgen regende het hard en dus werd besloten nog maar wat te blijven schuilen, want die regenbuien in equatoriaal Afrika gelijken soms een waren zondvloed.

"Als die regen niet ophoudt", zei John Cort, "zouden wij best hier kunnen blijven, wij hebben nu kruit en patronen genoeg, alleen zouden wij wel wat nieuwe onderkleeren mogen hebben."

"En waarom zouden wij ons niet naar het gebruik van het land kleeden?" vroeg Max Huber lachende. "Als wij dan baden wasschen wij tegelijkertijd ons linnengoed!"

Tegen half acht begon de regen te bedaren, maar het bleef toch onstuimig weer. Het vlot ging weer de rivier af en Khamis besloot niet de gebruikelijke middaghalte te houden, om den verloren tijd in te halen.

Dit gedeelte van het woud bleek zeer rijk aan wild. Niet alleen vertoonden zich talrijke watervogels, maar ook pallahs en sassabys, twee soorten van antilopen. Ook verschenen soms groote elanden, damherten, zeer kleine gazellen, koedoes, verder quaggas (een soort zebra) en zelfs bespeurde men eenige giraffen. Het zou zeer gemakkelijk geweest zijn, eenige dezer dieren te schieten, maar waartoe? Er was nog voedsel genoeg, het was daarbij elk oogenblik te krijgen en men behoefde het vlot niet te overladen.

Zoo werden een tiental Kilometer afgelegd. De rivier liep nog altijd naar het Noordwesten; haar oevers waren afwisselend hoog en laag, maar steeds bezet met zware boomen, waaronder de bombax of katoenboom, wiens bladerdak soms de geheele rivier overwelfde.

"Het lijkt waarlijk wel een park!" riep John Cort, vol bewondering. "Het gelijkt soms op het nationale park van Yellowstone!"

"Behalve dat daar geen apen zijn", antwoordde Max Huber. "En het lijkt wel of alle apen van de wereld hier hun verzamelpunt hebben gekozen! Wij zijn waarlijk midden in het apenland!"

En hij had gelijk, want aan de oevers en op de takken der boomen wemelde het van deze dieren.

"Maar eigenlijk is het geen wonder", hernam de spotzieke Franschman, "want wij zijn immers in Midden-Afrika en ik geloof dat tusschen de tweehandige en de vierhandige inboorlingen hier eigenlijk weinig onderscheid is!"

Het was op het oogenblik de geschikte tijd niet om daarover met Max te twisten. Van meer belang was het, voorzorgsmaatregelen te nemen tegen een mogelijk vijandigen aanval dezer apen, die sterk zouden zijn door hun kolossale overmacht.

De voorlooper bereidde zijn tochtgenooten dan ook op zulk gevaar voor.

"Houd uwe karabijnen en patronen gereed", vermaande hij, "want wij weten niet wat gebeuren kan."

"Ba! Een enkel schot en de heele bende is op de vlucht", riep Max, zijn karabijn aanleggende.

"Schiet niet, mijnheer!" riep Khamis, "lok hen niet uit, wij moeten hen niet aanvallen, wij zullen genoeg te doen hebben met ons te verdedigen!"

"Maar zij beginnen al!" zei John Cort.

"Schiet alleen, als het bepaald noodzakelijk is", zei de voorlooper.

En werkelijk, van den oever werd met takken, zelfs met steenen gegooid, door de apen, waarvan sommige buitengewone kracht schenen te hebben.

Khamis deed zijn best het vlot midden op de rivier te houden, maar toch kon men zich tegen al die projectielen niet geheel beschermen.

"Het wordt te erg!" riep Max Huber en aanleggende op een gorilla, dien hij aan den oever bespeurde, gaf hij vuur.

Maar op het geluid van het schot werd met een schrikbarend gekrijsch geantwoord en de bende nam de vlucht niet. Indien men alle apen, stuk voor stuk, had willen neerleggen, zou het aantal patronen lang niet toereikend zijn geweest en John Cort beval dan ook spoedig:

"Ophouden met vuren, het maakt de dieren nog maar boozer!"

Dus voer het vlot verder, aan beide oevers door troepen apen vergezeld. Misschien zouden zij tegen den nacht de vijandelijkheden staken, maar de voorzichtigheid gebood om geen halteplaats aan den oever te zoeken; het was echter pas vier uur en om zeven uur zou het eerst donker zijn; vóór dien tijd kon nog veel gebeuren.

En dat was inderdaad het geval. Om vijf uur werd de hemel aschgrauw, bliksemflitsen sneden door het luchtruim, gevolgd door geratel van donder en in weinige oogenblikken hadden de apen, als alle dieren bang voor onweer, in het dichte woud de vlucht genomen.

HOOFDSTUK X.

NGORA!

Den volgenden morgen was de lucht geheel opgeklaard, strak blauw spande zij zich boven de toppen der boomen uit. In de zonnestralen fonkelden de waterdruppels op bladeren en grashalmen als diamanten. De grond, die zeer snel opgedroogd was, was voortreffelijk begaanbaar, maar gelukkig behoefde men er nog geen gebruik van te maken. De Rio Johausen stroomde altijd nog in Zuidwestelijke richting en Khamis twijfelde niet of hij zou binnen veertien dagen de Oebanghi bereiken.

"Dat onweer is maar juist bijtijds gekomen", zei John Cort, terwijl hij en zijn vriend hunne karabijnen zaten schoon te maken en Llanga het kreupelhout was ingeloopen om eieren te zoeken.

"Dat geloof ik!" antwoordde Max Huber, "als die afschuwelijke dieren nu maar niet terugkomen, nu het weer opgeklaard is. Wij mogen wel goed oppassen."

"Ik ben straks den oever honderd pas langs geloopen", hernam John Cort, "maar ik heb geen enkelen aap gezien."

"Gelukkig! Ik hoop, dat wij onze patronen beter kunnen gebruiken. Het liet zich aanzien, dat wij waarlijk al onze kogels op de apen moesten verschieten."

Daar riep Khamis zijn reisgenooten voor het ontbijt en tegelijkertijd kwam Llanga terug met eenige eendeneieren, die met een stuk antilope-vleesch een goed maal opleverden.

Toen werd het vlot naar de rivier gesleept en kon de tocht worden voortgezet.

De Rio Johausen bleek steeds breeder te worden, de takken der boomen aan weerszijden raakten elkander reeds niet meer en mochten zich dus nu nog apen op de oevers vertoonen, dan zou dit lang zoo gevaarlijk niet zijn als den vorigen avond.

Deze dieren vertoonden zich echter niet meer, wel honderden watervogels, eenden, ganzen, pelikanen, snippen en John Cort schoot er eenige voor het middagmaal.

Zoo ging de tocht zonder ongevallen voort, tot omstreeks vier uur Khamis, die het roer hield, aan John Cort verzocht het even over te nemen, waarna hij op de voorplecht ging staan uitkijken.

Max Huber vroeg dadelijk:

"Ziet gij iets?"

"Daar", zei de voorlooper, terwijl hij een eind verder op de rivier wees, waar het water zeer beweeglijk was.

"Zou daar een stroomversnelling zijn, of erger nog een waterval?" vroeg Max.

"Neen", begon Khamis, maar hij zweeg, want een groote straal water spoot uit de rivier op.

"Te deksel, er zijn hier toch geen walvisschen!" riep Max Huber.

"Neen, maar wel nijlpaarden", antwoordde de voorlooper.

Daar klonk een geweldig geblaas en de geweldige kop van een nijlpaard verscheen even boven het water.

De hippopotamus, de grieksche naam die letterlijk vertaald, rivierpaard beteekent, komt nog voor van de Kaap de Goede Hoop tot aan den 23sten Noorderbreedtegraad. Het is een zachtaardig dier, maar toch te vreezen, want als het verschrikt, of erger nog, door een kogel getroffen of geharpoeneerd wordt, dan stort het zich woedend op de jagers en verbrijzelt hunne booten onder zijn reusachtige kaken.

Onze vrienden op het platte, zwakke vlot konden er dan ook niet aan denken, het nijlpaard aan te vallen. Het zou al erg genoeg wezen als het dier het hen deed, als het tegen het vlot stootte....

"Wij moeten hem onopgemerkt voorbij zien te komen", fluisterde Khamis, "laten wij ons plat op het vlot neerleggen, geen gerucht maken en ons gereed houden om dadelijk in het water te springen, als dat noodig is."

De raad van Khamis werd onmiddellijk opgevolgd. Allen strekten zich plat op het vlot uit, dat midden op den stroom voortdreef.

Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. Zou het vlot opgeheven worden door het reusachtige dier? Neen, het geblaas en geplas verstomde en toen zij het eindelijk waagden zich wat op te richten en rond te zien, bleek het nijlpaard verdwenen.

Het is waar, jagers die met de karavaan van Urdax op olifanten gejaagd hadden, zouden in gewone omstandigheden voor een nijlpaard niet bang zijn geweest. Meermalen hadden zij er in de Oebanghi zelfs op gejaagd, maar dan niet aan boord van een zwak vlot en dus waren zij zeer gelukkig er ditmaal zoo goed afgekomen te zijn.

Dien avond liet Khamis stilhouden in de monding van een beekje op den rechteroever, onder een boschje bananas. De bodem bleek ook hier wederom bedekt met allerlei schaaldieren, die zeer goed eetbaar waren. En het beekje verschafte daarbij heerlijk, frisch water.

"Het zou hier volmaakt zijn", zei Max Huber, "als wij nu ook maar rustig konden slapen, maar daar zullen die verwenschte muskieten wel voor zorgen!"

Maar Llanga wist daar goeden raad op. Hij schepte allerlei droge mest van buffels en antilopen bij elkaar en deze brandstof gaf een dikken, scherpen rook, een doeltreffend en misschien het eenige middel om de muskieten te verjagen en dat door de inboorlingen algemeen wordt toegepast.

Wel moest dit vuur den geheelen nacht worden onderhouden, waartoe de mannen beurtelings waakten, maar de anderen konden dan rustig slapen en verkwikt kon men den volgenden morgen vroeg de Rio Johausen verder afzakken.

Niets is verandelijker dan het weer in dit Aequatoriaal Afrika. Na den helderen hemel van den vorigen dag, was het luchtruim thans donkergrijs, hetgeen een regenachtigen dag voorspelde. En weldra viel dan ook een fijne motregen, maar die lang aanhield en verre van aangenaam was.

Gelukkig had Khamis een goed idee gehad. De bladeren van den hier voorkomenden bananenboom zijn misschien de grootste van alle tropische planten. De inboorlingen gebruiken ze om er de daken van hunne hutten van te maken en een twaalftal waren genoeg om midden op het vlot een soort afdak te maken, waarbij lianen heel goed als touw dienst deden. Dit afdak beschutte de vrienden zeer goed tegen den fijnen regen.

In de ochtenduren vertoonden zich eenige apen langs den rechteroever, een twintigtal groote, sterke dieren, die wel geneigd schenen te zijn om de vijandelijkheden te hervatten. Het verstandigst was elke aanraking met hen te vermijden en daarom werd het vlot dichter langs den linkeroever gestuurd, waar zich geen apen vertoonden.

In den middag hield het vlot slechts éénmaal op, om een antilope op te nemen, die John Cort bij een bocht van de rivier geschoten had.

Maar bij deze bocht wijzigde de Rio Johausen ook eensklaps haar richting naar het Zuidoosten en dit beviel Khamis in het geheel niet, want om uit het groote woud te komen, moest men in elk geval naar het Westen gaan. Gelukkig bleek het, dat de rivier een uur verder weder haar gewone richting hernam en men kon dus hopen, dat zij het vlot naar de grens van Fransch Congo zou brengen, van waar men gemakkelijk Libreville zou kunnen bereiken.

Om half acht was het nog niet donker, een schemering hing nog over het water, waarop allerlei bundels planten en boomtronken dreven.

Terwijl de overigen bezig waren het vlot aan den linkeroever vast te meeren en droge bladeren op te hoopen om er een vuurtje aan te leggen, vermaakte Llanga zich met naar die voorbijdrijvende plantenmassa te kijken.

Daar kwam in de verte een vrij zware boomstam aandrijven, met de takken vol bladeren en bloesems en gedeeltelijk onder water. Hoogst waarschijnlijk was deze boom in het laatste onweer door den bliksem getroffen. Maar toen hij naderbij kwam, meende Llanga er iets bizonders aan te zien, tusschen de takken bewoog iets.

Hij riep John Cort en Max Huber, de boom dreef steeds nader, daar klonk eensklaps een kreet, alsof een menschelijk wezen om hulp riep, en plotseling stortte zich iets uit den boom en trachtte den oever te bereiken.

Zonder recht te weten wat hij deed, zonder een woord te spreken, sprong Llanga in het water en wist het kleine wezentje te grijpen. John Cort en Max Huber snelden naar den oever en staken hem hunne hand toe.

"Maar Llanga, wat doe je nu!" riep Max.

"Een kind ... dat bijna verdronken was", stamelde Llanga.

"Een kind!" herhaalde John Cort, zeer verbaasd.

"Ja ... ja." En Llanga knielde neer bij het wezen dat hij gered had.

Max Huber keek er eens naar en riep: