Chapter 3
Met eenig dood hout werd een klein vuur aangelegd en het eenvoudige avondmaal daarbij gebruikt. Maar alvorens zich tusschen de wortels van den katoenboom uit te strekken, vroeg John Cort aan den voorlooper:
"Wij zijn immers nog altijd in Zuidwestelijke richting gegaan?"
"Altijd", verzekerde Khamis.
"En hoeveel mijlen denkt gij dat wij per dag afleggen?"
"Vier of vijf en als wij zoo voortgaan, zullen wij in een maand de Oebanghi bereikt hebben."
Alvorens zich ter ruste te leggen werd afgesproken, dat men beurtelings drie uren zou waken en John Cort nam dezen plicht het eerst op zich, terwijl de anderen zich tusschen de zware boomwortels uitstrekten. En hij was zoodanig met zijn gedachten over dezen vreemden en gevaarvollen tocht vervuld, dat de tijd voor hem omvloog en hij werkelijk ontstelde, toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde.
"Neen, het is geen menscheneter, ik ben het!" zei Max Huber vroolijk, "de beurt van waken is aan mij. Hebt gij niets verdachts gezien?"
"Niets", antwoordde de Amerikaan.
HOOFDSTUK VI.
ALTIJD NAAR HET ZUIDWESTEN.
Den volgenden morgen, 11 Maart, hervatten John Cort, Max Huber, Khamis en Llanga, geheel uitgerust, hun tocht.
Nog waren zij niet ver gegaan, of zij kwamen op een plek, die ongetwijfeld dikwijls door groote dieren werd bezocht, want verscheidene platgetrapte paden liepen hier in allerlei richting. En het duurde dan ook niet lang of men zag een kudde buffels en kort daarop in de verte zelfs een paar neushoorns, die men wijselijk besloot maar ongemoeid te laten.
Eerst tegen den middag, na ongeveer twaalf kilometer te hebben aangelegd, nam ons troepje rust. John Cort was zoo gelukkig een paar trapganzen te schieten, groote, zwarte vogels, wier vleesch overheerlijk smaakte.
En daarna werd de tocht door de wildernis weder hervat en meer en meer werd het woud ondoordringbaar, dicht struikgewas en een gordijn van slingerplanten versperden overal den weg en de messen moesten duchtig dienst doen. Het bladerdak was zóó dicht, dat van een regenbui, die een paar uren aanhield, bijna geen druppel op den bodem terecht kwam, maar Khamis kon toch op een meer open plekje den bijna leegen waterzak vullen, hetgeen niet te versmaden was, want tot dusver had hij nog geen stroompje of beekje kunnen ontdekken.
De nacht van den 11den op den 12den Maart werd niet tusschen de wortels van een katoenboom doorgebracht, maar aan den voet van een niet minder reusachtigen boom, een bombax, wiens stam zich honderd voet hoog verhief. Het waken geschiedde als naar gewoonte en de rust werd niet verstoord, dan door het verwijderd geloei van buffels of neushoorns. Dat het gebrul van een leeuw zich daartusschen zou mengen, was niet waarschijnlijk, want deze gevaarlijke roofdieren bewonen de dichte bosschen van Centraal-Afrika niet. Op hoogere breedte, hetzij ten Zuiden van de Congo, hetzij Noordelijker, in Soedan, nabij de grenzen van de Sahara, worden zij gevonden. De koning der dieren heeft ruimte noodig, groote vlakten door de zon bestraald, waar hij bot kan vieren aan zijn ontembaren vrijheidszin.
En ook kon het geen geloei van nijlpaarden zijn, hetgeen voor onze vrienden wel te betreuren was, want de nabijheid van die dikhuiden zou tevens de nabijheid eener rivier hebben verraden.
Den volgenden morgen vroeg, bij betrokken lucht, trok men weder voort. Het duurde niet lang of Max Huber had het geluk een antilope te schieten, van de grootte van een zebra. Het was een Oryx, roodbruin van kleur met een zwarten streep over den rug en zwarte ringen aan de pooten. De horens van deze dieren zijn niet zelden een meter lang en dienen hun tot doeltreffend wapen, somtijds zelfs tegen een aanval van den leeuw.
Khamis vilde en ontleedde het dier spoedig, hetgeen ongeveer een uur in beslag nam en zoo had het troepje weder voor verscheidene dagen vleesch genoeg.
Het liet zich echter aanzien, dat men dien dag nog meer kogels zou te verschieten hebben. Reeds een mijl verder stond de voorlooper in beraad zijn karabijn af te vuren op een troep apen, leelijke hondskopbavianen, die geruimen tijd in de nabijheid der menschen bleven en soms een dreigende houding aannamen. Maar tegen twee uur, toen het viertal een breeden platgetrapten weg bereikte, die zich tamelijk ver scheen uit te strekken, verdwenen de ongure beesten in het dichte van het woud.
Mochten zij zich zelf geluk wenschen met zoo'n gemakkelijk begaanbaar pad, er stond tegenover, dat zij veel kans liepen de groote dieren te ontmoeten, die het pad gemaakt hadden.
En inderdaad, een paar uur later hoorden zij niet ver af een dof geloei, het waren twee neushoorns.
Khamis zag hen het eerst en wenkte zijn makkers stil te blijven staan.
"Gevaarlijke dieren, die neushoorns", fluisterde hij, zijn karabijn gereed houdende.
"En toch eten zij alleen planten", merkte Max Huber op.
"Wat moeten wij doen?" was de verstandige vraag van John Cort.
"Hen ongemerkt voorbij zien te komen of voorbij laten gaan", antwoordde de voorlooper. "Maar wij moeten ons gereed houden, want als zij ons zien, zullen zij zich op ons storten."
Het viertal overtuigde zich, dat de karabijnen in goeden staat waren en sloop van het breede pad zijwaarts in de struiken.
Vijf minuten later kwamen de dikhuiden aandraven, recht op het boschje, waar onze vrienden zich verscholen hadden, en bleven eensklaps staan. Ongetwijfeld hadden zij de aanwezigheid der menschen geroken, of op andere wijze bespeurd.
Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan, een schot weerklonk, gevolgd door een, twee andere, maar de kogels drongen te nauwernood door de op een pantser gelijkende huid heen.
De boomstronken en struiken zouden zeker geen hinderpaal voor die twee kolossen opleveren. In een oogwenk zou alles vertrapt, zou het viertal vermorseld zijn. Te nauwernood aan de olifanten ontkomen, zouden zij thans gedood moeten worden door de rhinocerossen uit het groote woud. De vlucht konden zij niet nemen, de dichte slingerplanten en lianen zouden hen te veel belemmeren, zij zouden dadelijk zijn ingehaald. Maar er stonden boomen en dichtbij zelfs een groote boabab, op wiens takken zij veilig zouden zijn en die stevig genoeg in den grond stond, dat een paar neushoorns zijn wortels niet zouden kunnen loswoelen, zooals de olifanten met de tamarindeboomen gedaan hadden. Maar de eerste takken waren wel vijftig voet van den grond en de zware stam bood geen enkel hulpmiddel om er tegen op te klimmen.
Nog stond Khamis na te denken, hoe hij zijn troepje in veiligheid kon brengen, toen de struiken aan den rand van het pad bewogen en daar vertoonde zich de groote kop van den neushoorn.
Fluks schoot John Cort zijn karabijn af, maar de kogel drong slechts in den schouder en onder een hevig gebrul kwam de neushoorn aanstormen, met den anderen dicht achter zich.
Dit ging zóó vlug, dat niemand tijd had gehad zijn karabijn opnieuw te laden, het was zelfs te laat om in verschillende richtingen in de struiken te vluchten en instinctmatig snelden allen naar den boabab, om zich achter diens dikken stam te verschuilen.
Onder een hevigen schok trilde de boabab tot in zijn wortels; de eerste rhinoceros was in blinde woede er op aan gestormd, maar zijn hoorn was in den stam gedrongen als de bijl van een houthakker en welke kracht hij ook inspande, hij kon hem niet dadelijk weder losrukken. Het tweede dier bleef verschrikt op eenigen afstand staan en alleen uit het stampen zijner hoeven en het zwaaien van zijn staart, bleek zijn groote woede.
"Vlug! Vlug!" riep Khamis en op zijn voorbeeld snelden allen zijwaarts, het struikgewas in. Tot hun verbazing werden zij niet achtervolgd en na een dollen loop van vijf minuten bleven zij eindelijk buiten adem staan.
Dit was inderdaad een wonderbaarlijke redding en geen hunner dacht er aan, naar den boabab terug te keeren, om te zien of de neushoorns er nog waren. Met een breeden omweg kwamen zij op het pad terug en tegen zes uur in den avond kozen zij een haltepunt aan den voet van een hooge rots.
De volgende dag bood geen wederwaardigheden aan; de weg werd niet moeilijker begaanbaar en zoo konden weder een dertigtal mijlen in Zuidwestelijke richting worden afgelegd. Maar van een stroom of rivier was nog altijd niets te bespeuren.
Na het gewone avondmaal van antilopevleesch legde men zich ter ruste, maar de slaap werd verstoord door honderden vleermuizen, kleine en groote, die eerst tegen het aanbreken van den dag verdwenen.
"Afschuwelijke beesten", mopperde Max Huber, "ik heb geen oog dicht kunnen doen!"
"En toch hebt gij geen reden tot klagen", antwoordde de voorlooper.
"Wat zegt ge daar! En waarom niet?"
"Omdat het beter is met vleermuizen te doen te hebben dan met muskieten en daarvoor zijn wij tot dusver gelukkig gespaard gebleven."
"En zullen die ons ook nog komen plagen, Khamis?"
"Zonder twijfel, zoodra wij bij een rivier komen."
"Bij een rivier! Gelooft gij dan nog aan een rivier, hier in dit bosch? Ik niet meer!"
"En toch is zij misschien niet eens zoo ver meer af", hernam de voorlooper.
Hij had werkelijk eenige verandering in den bodem opgemerkt en zij waren nog geen drie uur verder, of de grond werd moerassig en hier en daar vertoonden zich gewassen, die aan waterplanten deden denken. Weldra zag men eenige gaugas, een soort wilde eenden, opvliegen en toen de zon naar de kim begon te dalen, begon het gekwaak van kikvorschen.
"De muskieten zijn niet ver meer af!" merkte Khamis droogjes op.
De plantenwereld begon van aanzien te veranderen, er vertoonden zich insekten, die men tot dusver niet gezien had, reusachtige, afschuw wekkende duizendpooten, maar ook wespen en de beruchte tsetsé-vlieg. Maar hoe gevaarlijk deze laatste ook moge zijn voor paarden en kameelen, voor den mensch is hij onschadelijk, evenals voor roofdieren.
Het kleine troepje bleef tot ongeveer half zeven in Zuidwestelijke richting voorttrekken en Khamis zag reeds uit naar een geschikte rustplaats voor den nacht, toen de aandacht van Max Huber en John Cort getrokken werd door roepen van Llanga. De negerknaap was naar zijn gewoonte wat afgedwaald en zijn onduidelijk geroep verschrikte beide vrienden niet weinig. Zou hij in gevaar verkeeren? Met de karabijn in de hand snelden zij toe, maar waren weldra gerustgesteld.
Llanga stond op een omgevallen boomstam en riep luidkeels:
"De rio!.... de rio!"
Ook Khamis was spoedig toegesneld en daar, op een halven mijl afstands, slingerde zich een stroom, waarvan het water de stralen van de ondergaande zon weerspiegelde.
"Nu komen wij gemakkelijk aan de Oebanghi", zei de voorlooper verheugd.
En inderdaad, het zou den vier mannen niet moeilijk vallen een soort vlot te maken, waarmede zij den stroom zouden kunnen afzakken.
Door een moerassige streek, terwijl de duisternis meer en meer begon te vallen, liepen onze vrienden in de richting der rivier en het was donker, toen zij haar tamelijk hoogen oever bereikten. Hier stonden zeer weinig boomen, geheel anders dan aan den overkant, waar het woud dicht en somber scheen. John Cort schatte de breedte der rivier op een veertig meter, het was dus geen beekje, maar werkelijk een stroom van eenige beteekenis. Intusschen deed men wijzer tot den volgenden dag te wachten, om zich rekenschap te geven van den toestand en zoo zocht Khamis een geschikte plek voor de nachtrust op, die hij in een soort rotsachtige uitholling in den oever meende gevonden te hebben.
De eerste uren zou John Cort waken en hij zag niets verdachts, maar wel meende hij af en toe een klagende stem te hooren, die "Ngora, Ngora!" riep, het woord dat in de negertaal moeder beteekent.
HOOFDSTUK VII.
DE LEDIGE KOOI.
Toen ons troepje den volgenden morgen ontwaakt was, verheelden John Cort en Max Huber zich hunne blijdschap niet. Die rivier zou hen zonder eenige vermoeienis ongeveer driehonderd kilometer verder brengen, tot waar de Oebanghi was, waarin zij natuurlijk moest uitstroomen. Zoo zou dus driekwart van den tocht onder de gunstigste omstandigheden worden afgelegd, en het andere vierde deel was reeds achter den rug, zooals John Cort met de inlichtingen van den voorlooper uitrekende.
In zuidelijke richting maakte de rivier op ongeveer een halve mijl afstand een plotselinge bocht en in die bocht toonde het woud zich weder even dicht als te voren.
Maar John Cort had daar nog niet veel oogen voor, hij dacht maar steeds aan dat woord "ngora", dat hij in de nachtelijke stilte gehoord had en dus zocht hij in den omtrek rond, of hij soms menschelijke sporen kon vinden, maar te vergeefs.
"Ik heb het mij verbeeld", dacht hij, "misschien ben ik een oogenblik ingeslapen en heb het gedroomd." En hij zei er dan ook maar niets van aan zijn makkers.
"Wij moeten onmiddellijk aan het werk om een vlot te maken," zei Khamis, "wilt gij mij helpen mijnheer John, want mijnheer Max moet op de jacht, er is niets meer te eten."
"Ja, ga je mee, Llanga!" riep Max, "wij zullen den oever eens langs loopen tot aan die kromming, wie weet of wij geen lekkere visch kunnen verschalken!"
"Pas maar op de krokodillen, en zelfs op de nijlpaarden," waarschuwde de voorlooper.
"Nu een nijlpaardenboutje kan heel lekker zijn," schertste Max Huber.
"Maar voor gij het hebt, zal het nijlpaard aardig boos op u zijn," zei John Cort, "wees dus verstandig en kom onmiddellijk terug, als gij eenig gevaar vreest en wees vooral hoogst voorzichtig!"
"Natuurlijk John! Kom Llanga, ga mee!"
"Wees zuinig op uw patronen!" riep de voorlooper Max Huber nog na.
Daarop begon Khamis met John Cort allereerst naar geschikt hout te zoeken om een vlot van te maken, want hoe eenvoudig dit ook zou worden samengesteld, hout was er in elk geval voor noodig. Maar zij hadden geen andere werktuigen dan een bijl en een paar zakmessen en daarmede konden zij bezwaarlijk de woudreuzen vellen. Khamis dacht er dan ook maar over om de afgevallen takken te gebruiken, die met lianen bijeen te binden, en er een vloer over te maken van vastgestampte aarde en wortels.--Een vlot van twaalf voet lengte en acht breedte zou voldoende zijn, om het viertal te vervoeren en des nachts zou men aan den oever kunnen slapen.
Hij deelde dit aan John Cort mede en noodigde dezen uit, met hem het benoodigde hout te gaan zoeken, zoover zij de rivier langs konden zien, was alles rustig en dus begaven zij zich onbezorgd op weg. Nog hadden zij geen honderd schreden afgelegd of zij vonden reeds een groote hoeveelheid geschikte stukken, maar de grootste moeielijkheid zou zijn, om ze tot aan den oever van de rivier te slepen. Waren zij te zwaar voor twee personen, dan zou gewacht moeten worden tot Max en Llanga terug waren.
Eensklaps hoorde het tweetal luide uitroepen, in de richting van het Zuidoosten, juist waarheen Max Huber gegaan was.
"Zouden zij in gevaar verkeeren?" vroeg John Cort.
"Vlug! Laten wij gaan zien!" antwoordde de voorlooper.
Na een poos ontdekten zij het tweetal, staande op een hoogte aan den linkeroever, maar van andere menschen of van dieren was in den omtrek geen spoor te zien. Zij snelden dus op hunne vrienden toe en Max Huber ontving hen met de woorden:
"Wij zullen niet noodig hebben een vlot te maken."
"En waarom niet?" vroeg John Cort.
"Omdat er hier een ligt, kant en klaar, wel wat verwaarloosd, maar gemakkelijk te herstellen."
En werkelijk, in een kleinen inham van de rivier lag een plat vlot, vastgehouden door een half vergaan touw.
"Zouden de inboorlingen tot hier zijn doorgedrongen?" vroeg Khamis ongerust.
"Inboorlingen of ontdekkingsreizigers", antwoordde John Cort.
En toch, als dit gedeelte van het groote woud van Oebanghi reeds bezocht was, zou dit in den Congo en in Kameroen bekend moeten zijn en de twee blanken hadden nog nooit gehoord, dat dit woud vroeger reeds doorzocht was.
"Maar wat doet dat er toe", hernam Max Huber, "de hoofdzaak is of wij dat vlot kunnen gebruiken."
"Zeer zeker", antwoordde Khamis en wilde er op stappen, toen hij door een kreet van Llanga teruggehouden werd.
De knaap had iets van den grond opgeraapt en toonde het aan zijn vriend Max. Het was niets minder dan een hangslot, zwaar verroest en zonder sleutel, maar een echt hangslot.
"Dat is niet afkomstig van Congoleezen of andere negers", zei de Franschman, ten hoogste verbaasd. "Hier moeten blanken geweest zijn...."
"Die nooit teruggekeerd zijn", voegde John Cort er bij.
En dit was inderdaad eene gevolgtrekking, die voor de hand lag. De zware roest op het slot bewees, dat het zeker reeds eenige jaren hier gelegen moest hebben en uit deze vondst viel tweeërlei af te leiden:
1e Ontdekkingsreizigers waren op deze plek geweest;
2e Om onbekende redenen hadden zij hun vlot hier achtergelaten.
Maar, wat daarvan zij, vast stond, dat zij nimmer waren teruggekeerd, John Cort noch Max Huber hadden sedert zij in de Congo woonden, ooit van blanke reizigers in het groote, onbekende woud gehoord.
En wat hier nog bij kwam: Max Huber moest afstand doen van de eer, van de eerste te zijn, die deze onbekende streken bezocht.
Volkomen onverschillig voor die eer, onderzocht Khamis de planken en balken van het vlot. De laatsten waren nog in goeden staat, van de eersten zouden eenige vernieuwd moeten worden, maar dat was niet erg, een heel nieuw vlot behoefde men nu in elk geval niet te maken, met enkele reparaties was men klaar!
Maar de twee vrienden konden over die vreemde vondst maar niet zwijgen.
"Er is geen kwestie of hier zijn blanken geweest!" zei John Cort; "het vlot kon desnoods nog het werk van negers zijn, maar dat hangslot nooit!"
"Wie weet wat wij nog verder vinden", merkte Max op; "misschien is hier in de buurt wel een kampement geweest. Laten wij eens wat verder langs den oever gaan, misschien vinden wij wel wat keukengereedschap, dat zou ons goed te pas komen!"
Het viertal liep langs den oever, een soort natuurlijk dijkje tusschen het moeras links en de rivier rechts, en heele vluchten watervogels vlogen voor hunne voeten op. Natuurlijk keken allen opmerkzaam rond, in de verwachting voetsporen te vinden, of een ander voorwerp, maar zij ontdekten niets.--Toen zij bij de eerste boomen kwamen, werden zij begroet door het gekrijsch van een troep apen. Deze dieren schenen niet erg verbaasd bij het zien van menschen.
"Maar zij hebben toch dat vlot niet gemaakt", zei John Cort, "en hoe slim zij ook zijn, een hangslot zouden zij toch nooit kunnen maken!"
"Evenmin als een kooi", voegde Max Huber er bij.
"Wat bedoelt gij?"
"Wel, ik geloof dat ik daar verder op iets zie, dat wel een kooi lijkt."
"Mijnheer heeft gelijk", bevestigde Khamis, "daar staat een hut met traliewerk. Laten wij voorzichtig zijn."
"Komaan, wat voor gevaar kan ons dreigen!" riep Max Huber vol ongeduld.
En inderdaad, menschen schenen hier niet te zijn. Zoo sloop het viertal behoedzaam nader en kon de hut duidelijker opnemen. Zij stond tusschen mimosas en had een schuin dak van verdroogde bladeren, terwijl slingerplanten aan alle zijden tot aan den bodem reikten. Maar wat haar wel het aanzien gaf van een kooi, dat waren de traliën aan de voorzijde, precies als van een hok in een menagerie.
En in die tralies was een deurtje, dat open stond en de kooi was leeg.
Max Huber snelde naar binnen en vond eenige kostbare voorwerpen: een pan, een kop, een wollen deken, een bijl, en een half vergaan brillenhuisje! In een hoek stond een koperen kistje, zoo verroest, dat hij het niet open kon krijgen. Eindelijk met behulp van een mes gelukte dit en in het kistje lag een aanteekenboekje, waar buiten op een naam te lezen stond: Dokter Johausen.
HOOFDSTUK VIII.
DOKTER JOHAUSEN.
Die naam was een openbaring! Hij onthulde een gedeelte van het geheim, een treurig geheim, al was het lachwekkende er ook niet vreemd aan, want de man, die zulke fantastische proeven had willen nemen, was hoogstwaarschijnlijk als slachtoffer van zijn streven omgekomen.
Misschien herinnert men zich, dat een Amerikaan, Garner genaamd, de taal der apen heeft willen bestudeeren. In alle couranten der wereld is daarover geschreven en ook Max Huber en John Cort hadden alles daarvan gelezen.
"Hij!" riep Max Huber, "van wien men nooit meer iets gehoord heeft!"
"En van wien men ook wel nooit meer iets hooren zal!" voegde John Cort er bij.
Deze "hij", dien de twee vrienden bedoelden, was dokter Johausen, maar alvorens over hem te spreken, moeten wij iets mededeelen over zijn voorganger, professor Garner.
Alvorens naar Afrika te vertrekken had deze Amerikaan bizondere studie gemaakt van de apen, en hij was tot de slotsom gekomen, dat die dieren onder elkander een bepaalde taal spraken, met bepaalde woorden om de gedachten uit te drukken. In de apenkooi in de diergaarde te Washington heeft Garner phonografen geplaatst om de woorden van die apentaal op te vangen en na allerlei onderzoekingen hieromtrent vertrok Garner in 1892 naar de Gabon, kwam den 12den October te Libreville aan en nam daar zijn intrek in de factory der firma John Holland & Co., waar hij tot Februari 1894 vertoefde.
Eerst toen besloot hij zijn studiën in het land der apen zelf voort te zetten. Met een kleine stoomboot voer hij de Ogoué op en kwam den 22sten April aan het Katholieke Zendingsstation van Fernand Vaz. De zendelingen namen hem gastvrij op in hun woning, die aan den oever van een prachtig meer gebouwd is en hielpen hem in alles, wat zijn onderzoekingen kon bevorderen.
Achter het Zendingshuis begon een groot woud, dat van de apen wemelde, maar Garner wilde in nauwere aanraking met die dieren komen en in hun midden leven. Daartoe had hij een ijzeren kooi laten maken, die uit elkander kon genomen worden en deze kooi liet hij naar het woud brengen. Als men hem gelooven wil, heeft hij drie maanden daarin gewoond, meestentijds alleen en dus doende den gorilla in den natuurstaat kunnen bestudeeren. Maar meer met de waarheid overeen komt, dat de voorzichtige Amerikaan zijn kooi niet verder heeft neergezet dan twintig minuten van het Zendingshuis, een plek, die hij den weidschen naam gaf van Fort Gorilla en die langs een mooi, schaduwrijk pad te bereiken was. Hij heeft er zelfs drie nachten achtereen geslapen, maar geteisterd door duizenden muskieten, kon hij het er niet langer uithouden; hij brak zijn kooi op en vroeg wederom gastvrijheid bij de zendelingen, die hem dit gulhartig verstrekten. En den 18den Juni ging hij weer naar Amerika terug, niets anders medebrengende dan twee kleine chimpanzees, die er niet aan dachten om met hem te praten!
Garner heeft dus al bitter weinig ontdekt. Als de apen werkelijk met elkander spreken, dan moet hunne taal altijd nog uitgevonden worden.
En toen gebeurde het twee jaren later, dat een Duitsch geleerde dezelfde poging wilde doen. Te Malinba, in Kameroen, woonde reeds eenigen tijd een zekere dokter Johausen, een geneesheer, maar die zich meer aangetrokken gevoelde tot plant- en dierkunde, en hoewel reeds boven de vijftig, besloot hij het door Garner opgegeven plan uit te voeren. Daar hij dikwijls in Libreville kwam, had John Cort hem meermalen ontmoet.
Deze dokter Johausen was een hoogst begaafd man, die niet alleen Fransch en Engelsch, maar ook de taal der inlanders sprak. Hij was rijk, oefende de geneeskunde uit zonder zich te laten betalen, had geen bloedverwanten en was dus volkomen onafhankelijk. Als bediende had hij een inlander, met wien hij het best kon vinden en toen hij dezen zijn voornemen te kennen gaf, om midden in het woud tusschen de apen te gaan leven, verklaarde de neger zich dadelijk volkomen bereid om zijn meester te volgen.