In de Oer-wouden van Afrika

Chapter 2

Chapter 23,844 wordsPublic domain

De jacht op deze reusachtige dieren is hoogst gevaarlijk. Alleen wanneer het gelukt enkele van de kudde af te scheiden, kan men het wagen den olifant door een schot, dat precies tusschen het oog en het oor treffen moet, te dooden. Maar tegen een kudde, zelfs tegen een tiental olifanten, is elke weerstand nutteloos en zelfs onmogelijk.

En toch is deze diersoort aan het uitsterven. Daar elke olifant gemiddeld voor eene waarde van vijftig gulden aan ivoor oplevert, wordt er hardnekkig jacht op gemaakt. Volgens berekening worden alleen in Afrika jaarlijks niet minder dan veertig duizend gedood, die zeven honderd vijftig duizend kilogram ivoor opleveren, welke naar Engeland verzonden worden. Maar eer een halve eeuw verstreken is, zal er op Afrika's bodem geen olifant meer zijn. Het ware inderdaad verstandiger, deze verstandige dieren te temmen, zij kunnen de vracht dragen van twee en dertig man en viermaal grooteren weg afleggen. En een tamme olifant is achthonderd à duizend gulden waard, tegenover de vijftig gulden, die hunne slagtanden opbrengen.

De Afrikaansche olifant vormt met den Aziatischen de twee eenige nog bestaande soorten. De Afrikaansche olifant is iets kleiner dan de Aziatische, zijn huid is iets bruinachtiger, zijn ooren zijn belangrijk grooter en zijn slagtanden veel langer. Ook is hij veel woester en gevaarlijker van aard.

In de streken van de Oebanghi komt de olifant nog veelvuldig voor, daar hij hier bij uitstek het plantaardig voedsel vindt, dat hij verlangt. En Urdax, die in hoofdzaak was uitgetrokken om ivoor te verzamelen, had dan ook rijken buit gemaakt. En thans op de terugreis bedreigde hem eensklaps zoo groot gevaar!

Wat kon men tegen zulk een bestorming doen? Van het heele kampement zou weldra niets dan wat splinters hout over zijn! Het eenige redmiddel was, zich over de vlakte te verstrooien, want men moet wel bedenken, dat de olifant minstens even hard loopt als een paard in galop!

"Wij moeten vluchten!" riep de voorlooper.

"Vluchten?" herhaalde Urdax, en hij bedacht hoe hij dan alles verliezen zou, wat hij op zijn langen tocht met zooveel moeite en gevaren verworven had.

"En waarheen moeten wij vluchten?" vroeg Max Huber.

"Naar het woud."

"En de negers?"

"Daar is minder gevaar dan hier", hernam Khamis.

Was dit werkelijk zoo? Niemand wist het, maar hier blijven kon men in elk geval ook niet; de eenige kans om niet vermorseld te worden onder de hoeven der aanstormende olifanten was een schuilplaats te zoeken in het bosch.

Maar zou daar tijd voor zijn? Twee kilometer ver moest men, en de kudde was hoogstens tot op één kilometer genaderd!

Urdax stond besluiteloos.

"Laten wij den wagen naar den anderen kant van den heuvel brengen", zei hij ten laatste, "misschien zijn wij daar veilig."

"Te laat", merkte de voorlooper op.

"Doe wat ik je zeg", herhaalde Urdax zenuwachtig en driftig.

"Maar hoe kan ik dat?" herhaalde Khamis, en hij had inderdaad wel recht tot die vraag, want de trekossen waren in doodsangst gevlucht en holden helaas, juist in de richting van de olifanten, die hen als vliegen zouden vertrappen.

Toen Urdax dit zag riep hij:

"Alle dragers, hier!"

"De dragers", herhaalde Khamis, "die vluchten ook!"

"De lafaards!" riep John Cort.

En inderdaad, al de negers snelden weg, deze met een baal goed, gene met een paar slagtanden; niet alleen als lafaards, maar ook als dieven verlieten zij hunnen meester!

Op hen viel niet meer te rekenen, zij zouden niet terugkomen, maar wel een onderkomen vinden in de naburige negerdorpen. Van heel de karavaan bleven alleen over de Portugees, de voorlooper, Max Huber, John Cort en de negerjongen Llanga.

"De wagen! De wagen!" bleef Urdax roepen, en met groote moeite gelukte het werkelijk aan het vijftal om het zware voertuig tusschen de boomen te krijgen. Misschien zou het daar veilig zijn, als de troep olifanten zich ten minste bij het boschje tamarindeboomen in tweeën splitste.

Maar toen de wagen daar eindelijk stond, bleef aan de menschen geen andere schuilplaats over dan de boomen.

Eerst gingen Max Huber en John Cort nog in den wagen en namen alle patronen mede, terwijl zij den voorlooper nog een flinke bijl als wapen gaven.

"Het zal ons wat baten", mompelde Max Huber zenuwachtig, "alleen kanonnen zouden hier hulp kunnen verleenen!"

Khamis was eigenlijk de eenige, die zijn koelbloedigheid bewaarde. Hij had twee revolvers in zijn gordel, de karabijn in de hand en wachtte, wat gebeuren zou. Urdax raasde en tierde over het verlies zijner goederen en scheen aan het dreigend gevaar weinig te denken. Llanga toonde wel is waar geen vrees, maar volgde Max Huber op den voet.

En onderwijl werd het gerommel, het gedreun van den bodem steeds sterker, steeds vreesaanjagender. De olifanten waren nu nog een vierhonderd schreden ver en in het halfduister namen hunne vormen een onnatuurlijken, beangstigenden omvang aan.

Werkelijk, het werd tijd, dat de mannen, op lijfsbehoud bedacht, een schuilplaats zochten tusschen de takken der tamarinden. Sterke boomen waren het, hunne stam meette aan den voet wel twee meter in omtrek, maar zouden zij den schok van zulk een aanstormende troep olifanten kunnen weerstaan?

De eerste takken waren dertig voet boven den grond en dus moeilijk te bereiken geweest, indien Khamis niet gedacht had aan zijn "sjamboks". Dit zijn riemen van neushoornhuid, waarvan hij eenige aan elkaar gebonden over den laagsten tak wist te werpen en met behulp daarvan kon hij zich ophijschen. Toen kon hij de anderen gemakkelijk behulpzaam zijn om evenzoo tegen den stam op te klimmen en zoo waren allen weldra tusschen de takken verscholen.

"Wel Max, zijt gij nu tevreden?" vroeg John Cort spottend.

"Waarover, dit is nog niet zooveel bizonders."

"Neen, maar wel zal het iets bizonders zijn, als wij behouden en wel uit dit avontuur terugkomen", hernam de Amerikaan.

Op hetzelfde oogenblik kwam de olifantentroep als een wervelwind aanstormen, tusschen en langs de boomen en de sterke reiswagen was in een oogwenk omver geworpen, verbrijzeld, versplinterd, als een stuk kinderspeelgoed!

Daar weerklonk een schot! Urdax, woedend over het verlies zijner bezittingen, wilde althans een der olifanten daarvoor straffen. En Max, John Cort en de voorlooper volgden weldra zijn voorbeeld.

Of de kogels doel getroffen hadden, was niet te zeggen, van mikken kon geen sprake zijn, men moest maar in de dichte massa vuren. En wat zou het gebaat hebben, al was elke kogel doodelijk geweest, wat beteekenden vier olifanten minder op zulk een troep?

Zij bewogen den grond met zulk een kracht, doorwoelden den bodem met zulk een heftigheid, dat de zwaar gewortelde tamarinden er van schudden. Weder klonken schoten, twee ditmaal, van Urdax en den voorlooper. Max Huber en de Amerikaan zagen het nuttelooze van dit schieten in en achtten het beter hun kruit en kogels te sparen.

Daar gebeurde eensklaps iets verschrikkelijks! De boom, door tal van woedende olifanten omringd, schudde geweldig en eer men het verhoeden kon, was de Portugees ter aarde gestort. Een enkele gil weerklonk en toen was alles stil.

"De ongelukkige!" riep John Cort.

"Aanstonds onze beurt!" antwoordde Khamis.

Wat moesten zij beginnen? Het schrikkelijk lot van Urdax, onder de pooten der olifanten verpletterd te worden, stond ook hun te wachten. De boom zou weldra moeten vallen, konden zij er vóór dien tijd nog uitkomen? Maar zelfs dan, zouden zij den tijd hebben aan de olifanten te ontsnappen? Zouden zij het woud kunnen bereiken? En bood dit zelfs wel veiligheid aan? Daar waren immers de inboorlingen, niet minder gevaarlijk dan deze monsterdieren!

De boom schudde zoo geweldig, dat Max Huber met zijn linkerhand Llanga vastgreep, terwijl hij met zijn rechterarm den stam omklemde. En werkelijk, daar lieten de wortels los en de boom neigde ter aarde, zonder met een geweldigen slag neer te komen.

De ongelukkigen waren onmiddellijk op de been en snelden zoo hard zij konden, in de richting van het woud. Maar nog hadden zij geen halven mijl afgelegd, of een tiental olifanten begon hen te volgen.

"Moed, moed, volhouden!" hijgde John Cort.

Nog een mijl verder kwamen zij, zonder dat de olifanten merkbaar wonnen maar toen waren zij ook uitgeput.

Het woud kon nog maar een honderd schreden ver zijn, en daar zouden de vluchtelingen wellicht veilig wezen, want de olifanten konden met hun reusachtige lichamen daar niet gemakkelijk doordringen.

Zij spanden hunne laatste krachten in, daar was reeds de rand van het bosch, de boomen stonden zoo dicht op elkaar, dat zij bijna geen doorgang verleenden; nog enkele schreden en buiten adem stortte het viertal op den met allerlei planten bedekten bodem neder!

HOOFDSTUK IV.

GEEN KEUZE!

Het was toen bijna middernacht. De vluchtelingen waren thans voor de olifanten veilig, maar zouden minstens zes uren in deze dichte duisternis moeten doorbrengen! Zes lange uren van gevaar en angst!

"Wij moeten wakker blijven", fluisterde Khamis, zoodra hij wat op adem gekomen was.

"Ja", antwoordde John Cort, even zacht, "wij moeten ons gereed houden op een aanval van de inboorlingen. Zij zullen niet ver af zijn, want hier hebben zij gekampeerd, hier heeft hun vuur gebrand, en kijk, daar gloeien zelfs nog enkele stukken hout!"

"Nu, ik geloof, dat zij ver weg zijn", hernam de onbezorgde Max Huber, "maar hoe het zij, ik ben dood van den slaap. Kom aan, Llanga, ga ook liggen. Ik ga slapen, wel te rusten!"

John Cort haalde de schouders op en bleef met Khamis praten. Zij hadden het natuurlijk over den ongelukkigen Portugees, die zulk een vreeselijk einde gevonden had.

"Hij had het hoofd verloren!" zei de voorlooper, "nu hij zag hoe die lafhartige dragers al zijn bezittingen roofden!"

"Arme kerel!" zei John Cort en dit waren zijn twee laatste woorden, want door vermoeienis overmand, strekte ook hij zich op het gras uit en was weldra in diepen slaap.

Zoo bleef Khamis alleen waken. Hij luisterde naar elk geluid, poogde de duisternis met zijn oogen te doorboren, maar hij hoorde of zag niets en zoo bleef hij op zijn post tot de ochtend begon te grauwen.

Onze lezers zullen wel reeds hebben opgemerkt, welk onderscheid er in karakter tusschen Max Huber en zijn vriend den Amerikaan bestond.

John Cort was ernstig van aard en zeer practisch, wat hij met de meeste zijner landgenooten gemeen had. Hij was in Boston geboren en dus een echte Yankee, maar had van de Yankees alleen de goede eigenschappen. Hij voelde zich bij uitstek aangetrokken tot de studie der volkenkunde en had als ontdekkingsreiziger meermalen grooten moed aan den dag gelegd.

Max Huber was een echte Parijzenaar, vroolijk, luchthartig, edelmoedig en dapper, maar altijd verlangend naar iets "bizonders", zoodat hij zich niet zelden in groote gevaren zou hebben gestoken, als zijn voorzichtiger vriend hem niet weerhouden had; en dit was sedert hun vertrek uit Libreville meer dan eenmaal het geval geweest.

Libreville is de hoofdstad van Fransch-Congo en van de Gabon en in 1849 op den rechteroever dezer rivier gesticht. Op het oogenblik telt zij ongeveer 1600 inwoners. Er woont een gouverneur, er is een hospitaal, een zendingshuis, maar buiten eenige factorijen en kolenparken biedt de stad verder niets bizonders aan. Drie mijlen verder ligt het dorp Glass, waar vooral Duitsche, Engelsche en Amerikaansche factorijen gevestigd zijn.

En hier hadden Max Huber en John Cort elkander zes jaar geleden leeren kennen en een innige vriendschap gesloten. Zij waren beiden werkzaam in de Amerikaansche factorij, die belangrijken handel dreef in ivoor, oliën, palmwijn, en inlandsche vruchten.

Drie maanden te voren hadden de twee vrienden het plan opgevat, de streek te bezoeken, die zich Oostelijk van Fransch-Congo en Cameroen uitstrekt. Zij waren hartstochtelijke jagers en sloten zich gaarne aan bij een karavaan, die toen juist uit Libreville naar die streken zou trekken, waar het nog van olifanten wemelt, voorbij Bahar-el-Abiad tot aan Barghimi en Darfoer. Die karavaan stond onder bevel van den Portugees Urdax, welke reeds in 1887 deel uitmaakte van de Vereeniging van Olifantenjagers, waarvan Stanley bij zijn komst in Ipoto eenige zou ontmoeten.

En aanvankelijk was de tocht met deze karavaan, zooals wij gezien hebben, zeer voorspoedig. Max Huber en John Cort, die reeds goed aan het klimaat waren gewend, verdroegen alle vermoeienissen van zulk een tocht, zij werden wel wat magerder, maar bleven goed gezond en zoo zouden zij behouden zijn teruggekeerd, als thans die schrikkelijke ramp niet over hen gekomen was! Het hoofd van de karavaan had zulk een vreeselijk einde gevonden, terwijl zij nog slechts een zestienhonderd mijlen van Libreville verwijderd waren!

Hoe dikwijls had Urdax hen niet over "het groote bosch" gesproken, dat woud van Oebanghi, waarin zij thans waren. En inderdaad, het verdiende den naam van groot ten volle! Er zijn op de aarde nog enkele streken, bezet met duizenden boomen, streken zóó uitgestrekt, dat menig rijk in Europa minder oppervlakte heeft!

Onder de uitgestrekte wouden der aarde worden vooral vier genoemd, die gelegen zijn in Noord-Amerika, in Zuid-Amerika, in Aziatisch Siberië en in Midden-Afrika.

Het eerste, dat zich in Noordelijke richting uitstrekt tot aan de Hudsonbaai en het schiereiland Labrador, beslaat over de districten Quebec en Ontario ten Noorden van de Sint Laurens-rivier eene oppervlakte ter lengte van 2750 en ter breedte van 1600 K.M.

Het tweede strekt zich in de Amazonevallei in Noord-Westelijk Brazilië uit over 3300 K.M. lengte en 2000 K.M. breedte.

Het derde, 4800 K.M. bij 2700 K.M., bedekt met zijn reusachtige pijnboomen van 150 voet hoogte, een gedeelte van Siberië, van de Obivlakte in het Westen tot de Indighiska vallei in het Oosten.

Het vierde eindelijk--waarover wij het in deze bladzijden meer bepaaldelijk hebben--strekt zich uit van de Congo-vallei tot aan de bronnen van den Nijl en de Zambesi, over een oppervlakte, die nog niet nauwkeurig gemeten is, maar waarschijnlijk de drie hiervoor genoemden nog overtreft.

Zooals wij mededeelden, had Urdax zich niet in dit woud durven wagen, maar het plan gehad het Westelijk om te trekken. Hoe had ook de wagen met zijn zes ossen in dezen doolhof vooruit kunnen komen?

Maar thans waren de omstandigheden geheel veranderd; geen wagen meer, geen ossen meer, geen groote sleep van dragers, geen kampgoederen. Niets was van de karavaan over dan drie mannen en een knaap, die hier, vierhonderd mijlen in het binnenland, van elk vervoermiddel verstoken waren!

Wat moesten zij doen? Den weg nemen, dien Urdax had willen volgen, maar dan onder veel ongunstiger omstandigheden? Of trachten te voet het woud dwars door te trekken?

Dit was het onderwerp, dat Max Huber en John Cort den volgenden morgen direct bespraken.

Heel den nacht had de brave voorlooper de wacht gehouden, maar niets had de rust der slapenden verstoord. Wel was hij meer dan eens met de revolver in de hand, een vijftig schreden ver door het kreupelhout geslopen, als hij eenig geluid had gehoord, maar dat bleek dan het kraken te zijn van doode takken, of de vleugelslag van een of anderen grooten nachtvogel.

Zoodra John Cort bij het krieken van den dag de oogen opende, had hij Khamis gevraagd:

"En de inboorlingen?"

"En zouden zij geen sporen van hun doortocht hebben achtergelaten?"

"Wel waarschijnlijk, aan den zoom van het woud, mijnheer John."

"Laten wij dan gaan zien."

Alle vier slopen voorzichtig door het struikgewas tot aan den rand van het bosch en inderdaad, hier waren nog overblijfselen te zien van verscheidene vuren, maar van menschen geen spoor.

"Zij zijn weg", zei John Cort.

"Ten minste voor het oogenblik", antwoordde Khamis, "maar anderen zijn er nog: de olifanten."

Inderdaad dwaalden nog verscheidene dezer dikhuiden over de vlakte rond en Max Huber en zijn genooten konden zien, hoe het tamarindeboschje bij den heuvel, waar zij gekampeerd hadden, geheel met den grond gelijk gemaakt was.

"Wij moeten ons schuil houden", zei Max, "dan zullen de olifanten ten laatste wel wegtrekken en hebben wij kans naar het kamp terug te gaan en nog iets te redden, wat kisten met proviand en ammunitie."

"En kunnen wij tevens onzen ongelukkigen Urdax een behoorlijke begrafenis geven", voegde John Cort er bij.

"Zoolang de olifanten hier blijven ronddwalen, valt daaraan niet te denken", zei Khamis, "en van de bagage zal bovendien wel alles in gruizelementen zijn."

Het viertal ging dus weder terug, het woud in, en Max Huber was zoo gelukkig, onder weg een stuk wild te schieten, waaraan het gezelschap wel genoeg voedsel zou hebben voor drie dagen.

Het was een Inyala, een soort antilope, grijs met bruine stippels, met spiraalvormig gedraaide horens en lange haren onder den hals en borst. Het dier woog meer dan tweehonderd vijftig pond, en Llanga, die als een jachthond er op toegeloopen was, kon er dus niets mede beginnen. Maar Khamis kwam hem te hulp. Zeer handig stroopte hij het dier en sneed de bruikbare stukken af, die boven een weldra aangelegd vuur geroosterd werden. Blikjes levensmiddelen en beschuit hadden onze vrienden niet meer; zonder twijfel hadden de dragers al deze kisten geroofd, gelukkig dus, dat een knap jager hier nog altijd genoeg viervoetig of gevleugeld wild schieten kon.

Erger was, dat de voorraad patronen niet zoo bizonder groot was. John Cort, Max Huber en Khamis waren wel gewapend met voortreffelijke karabijnen en revolvers, maar wat baatten hun die wapens, als kruit en kogels ontbraken! Met alles wat zij op het laatste oogenblik nog uit den wagen hadden kunnen medenemen, bezaten zij weinig meer dan vijftig patronen, een schrale hoeveelheid, als zij zich te verdedigen zouden hebben tegen wilde dieren en inboorlingen, op een tocht zeshonderd kilometer lang, voor zij den linkeroever van de Oebanghi zouden hebben bereikt.

Onder het eenvoudige maal, waarbij een teug water werd gedronken uit een klein beekje, dat tusschen de boomen stroomde, bespraken zij ernstig wat thans te doen.

"Khamis", zei John Cort tot den voorlooper, "tot dusver was Urdax onze aanvoerder, dien wij altijd gewillig volgden, omdat wij vertrouwen in hem stelden. Datzelfde vertrouwen stellen wij ook in u, op grond van uw karakter en uw ondervinding. Zeg dus, wat gij ons onder deze omstandigheden aanraadt. Gij kent dit land, reeds vele jaren diende gij de karavanen hier tot gids, geef ons dus raad en wij zullen doen wat gij zegt."

"Mijnheer John," antwoordde de voorlooper bescheiden, "gij kunt op mij vertrouwen."

"Welnu, wat is uw meening? Moeten wij het plan van Urdax volgen en het bosch omtrekken?"

"Neen, wij moeten er dwars doorheen," antwoordde de voorlooper zonder aarzelen. "Gevaarlijke ontmoetingen zullen wij er niet hebben, ja misschien wilde dieren, maar geen vijandige inboorlingen, die wagen zich nooit zoo diep in dit woud. Wij loopen op de vlakte juist veel grooter gevaar door die rondzwervende stammen.--Te voet, zonder wagens of bagage, zal het ons mogelijk zijn een doortocht te vinden, en als wij in zuid-westelijke richting gaan, heb ik wel hoop, dat wij de Oebanghi bereiken."

De raad van Khamis scheen verstandig, alleen moest men zich wel rekenschap geven van de hinderpalen, die men in zulk een oer-woud zou kunnen aantreffen. Van een eenigszins begaanbaar pad zou natuurlijk geen sprake zijn, hoogstens wat doorgangen door buffels, neushoorns of andere groote dieren op hunne geregelde wegen, veroorzaakt. Ook zou de bodem ongetwijfeld met dicht struikgewas begroeid zijn, hetgeen men zou moeten wegkappen, waarvoor de voorlooper een bijl, maar de andere slechts een zakmes zouden hebben.

Ook zou het moeilijk zijn zich onder de zware boomen te oriënteeren, daar de stand van de zon dikwijls niet zou zijn waar te nemen, maar dit behoefde geen zorg te baren, want Khamis had als vele negers--en zooals ook de Indianen van het Verre Westen hebben--een soort instinct, om meer geleid door gehoor en reuk dan door het gezicht, de juiste richting te vinden.

"Bedenk echter," zei Max Huber, "dat westelijk van ons kamp een stroompje liep in de richting van het woud. Misschien wordt het verder op wel een rivier en wij zouden dan van boomstammen een vlot kunnen maken...

"Je gaat weer fantaseeren, Max," zei de Amerikaan.

"Toch heeft mijnheer Max gelijk," hernam de voorlooper, "er is inderdaad een stroom, die in de Oebanghi moet uitloopen...."

"En die wel als alle rivieren in Midden Afrika grootendeels onbevaarbaar zal zijn," zei John Cort.

"Gij ziet ook niets dan moeilijkheden," merkte Max Huber op.

"Beter vooraf, dan te laat!" antwoordde zijn vriend zeer terecht.

"Nu goed, op weg dan!" riep de Franschman, en inwendig had hij heel veel lust om dat groote onbekende woud in te trekken. Misschien zou hij hier nu werkelijk eens iets heel buitengewoons beleven, waarnaar hij altijd zoo verlangd had!

HOOFDSTUK V.

DE EERSTE DAGEN IN HET WOUD.

Het was iets later dan acht uur, toen het viertal den tocht in Zuidwestelijke richting begon.

Waar zij den stroom zouden vinden, die naar verondersteld werd in de Oebanghi zou uitloopen, wisten zij niet, zooals zij eigenlijk niets wisten aangaande de streek, waarin zij zich zoo vermetel gingen wagen.

Aanvankelijk waren de boomen nog niet zoo dicht, dat de zon niet te zien was, maar toch heerschte op menige plek, ondanks de heldere Maartsche dag, een halve duisternis en bij betrokken lucht zou het daar zeker volslagen donker zijn. Gedurende den nacht zou de tocht dan ook moeten worden gestaakt, en Khamis stelde voor, dat men dan zou slapen tusschen de zware wortels der reusachtige stammen, zonder vuur aan te leggen, hetgeen slechts de aandacht van ongewenschte bezoekers zou kunnen trekken. Van koude zou men geen last hebben en een klein vuurtje overdag zou voldoende zijn, om wat vleesch of wild te roosteren voor een eenvoudig maal.

Meer te duchten waren de regens, die in deze streek zeer onverwacht kunnen opkomen en wel op een stortvloed gelijken.

Zooals wel te denken was, bood het woud geen gemakkelijk begaanbaar pad aan en dit deed Max Huber opmerken:

"Het is wel jammer, dat onze olifanten hier niet kunnen doordringen. Wat hadden zij netjes al die slingerplanten kunnen wegruimen en die zware wortels der boomen kunnen plat trappen...."

"En ons daarbij", zei John Cort.

"Laten wij tevreden zijn met wat de buffels en neushoorns gedaan hebben", hernam Khamis, "waar zij doorgegaan zijn, vinden wij een goed pad."

Behalve reusachtige tamarinden, groeiden hier in overvloed buitengewoon hooge mimosa's en baobabs, voorts vreemde gewassen van de familie der Euphorbiaceeën, met stekelige takken en groote bladeren.

Terwijl Max Huber mopperde over de lagere struiken, die den weg versperden, had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige en zeldzame plantenwereld hier te bewonderen.

En al die zware takken waren bewoond door allerlei dieren, vooral apen, waaraan Afrika zoo rijk is: grijze bavianen, mandrils, chimpansee's en de reusachtige en gevaarlijke gorilla's! Maar wat ons viertal tot dusver van deze vierhandigen gezien had, bood nog geen reden tot ongerustheid. Ongetwijfeld waren zij de eerste menschen, die aan de apen onder de oogen kwamen, en deze toonden dan ook meer nieuwsgierigheid dan vijandschap.

Na een korte rust op den middag, werd ten zes ure weder halt gehouden. De tocht had groote moeilijkheden opgeleverd, allerlei slingerplanten, allerlei belemmerende struiken hadden weggekapt moeten worden en dit was een zwaar werk geweest.

Daarom liet Khamis onder een zeer hoogen boom halt houden. Zijn bladerdak begon zes meter boven den grond en was grijsachtig groen, waartusschen witte bloemen prijkten. Het was een Afrikaansche katoenboom, wiens wortels een goede legerstede aanboden.

"Het bed is opgemaakt", schertste Max Huber. "Het is wel geen springmatras, maar wij slapen toch onder katoen!"