In de Amsterdamsche Jodenbuurt De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 2

Chapter 22,851 wordsPublic domain

"God, de schepper van het heelal, heeft den zevenden dag door rust gezegend en geheiligd; een eeuwig verbondsteeken is de Sabbath tusschen God en Israël; eene altijddurende herinnering aan de verlossing uit de Egyptische slavernij.

"Tot vrijheid is de mensch geboren en niet tot de slavernij van den arbeid... Geen leven zonder arbeid, maar ook geen arbeid zonder rust..... Arbeid is voorbereiding, vrijheid is doel..... Vrijheid is echter alleen het leven in God: in Hem is de rust en de vrede, de verlossing en de zaligheid, het licht en de vreugde...

"Al die hemelsche schatten brengt de Sabbath, en zoo is Sabbath het hoogste doel van het Joodsche leven. En zooals het aardsche leven in het algemeen zijn hoogste beteekenis en wijding vindt in de voorbereiding tot een leven in de gewesten der eeuwige zaligheid, zoo ontleent iedere week in het bijzonder haar wijding en waarde aan het streven naar den heiligen rustdag, den dag des Heeren. En zoo is dan Sabbath, de "Olam habba" in het klein, het symbool des eeuwigen levens en vormen de werkdagen het beeld van het aardsche leven, het tijdperk van arbeid en voorbereiding.

"In het Joodsche leven ontvangt dan iedere werkdag een straal van de Sabbath-wijding. De eerste, de tweede, de derde dag in Sabbathweek--zoo worden de Zondag, Maandag, Dinsdag, en volgende dagen genoemd.

"Tot ten slotte de zesde dag is aangebroken. Als de zon ter kimme daalt, zal de hemelsche bode, de rust en vrijheid, de verlossing en zaligheid verschijnen.

"O, kom, Goddelijke bruid, hemelsche Koningin!--zooals de wijzen des Talmuds haar noemen"...

Nu betrad ik ook hun Synagoge, in het hartje van de Jodenbuurt gebouwd. In den vroegen Vrijdagavond-schemer spoedden zich reeds de mannen de schuttenende poort door, dan het van stille huisgebouwtjes ommuurde pleintje over, traden het kerkgebouw binnen [2].

Weest gegroet! groeten zij met stille plechtige rompbuiging even bij het intreden van het afscheidende voorportaalhek, waar de synagogedienaar spiedend de bekende gezichten afleest.

...Hoe schoon zijn uwe tenten, o Jacob, uwe woningen, Israël!--zoo buigen ze.

En snel, met stil gebaar, haastig raakten zij de deurpost en brachten de vingers aan den mond ten kus.

In het murmelend gemompel van vele zachte stemmen schijnen de goud-glanzige kaarsvlammetjes, geplant in de ronde blakers op de banken, niet tot een stilstaande vlam te kunnen uitbranden. Zoo flakkert het zachtjens met gouden vlamscheutjes de heele groote ruimte door, een veld van geluwgouden lichttongetjes, die al maar bevend uit te branden staan op den bid-adem van al die murmelende stemmen.

Daarboven, met gouden flitsen en vlakken, flonkerend beschenen van het zacht-opdrijvende licht van beneden en van eigen kaarsenvracht, hangen de groote koperen luchterbollen met de kaarsarmen naar alle richtingen uitgewrongen. Vier groote kronen aan eindelooze stangen, die zwart zich verliezen naar het hemelende dakduister, rijen zich achter-een; tusschen de effen peilers, die het dak schragen en beneden als reuzig-massieve wachters staan, hangen de kleinere kronen.

En van al dat welig-gouden kaarslicht vlamt met zachten warm-gelen brand een koesterende straling uit, die zich strijkt in gulden glanzen de muren langs, zich schroeit met glimmers van goud om het houten lofwerk van kapiteel en over het snijwerk van de Mozeskast, de _Héchal_, eindelijk met stillen gloed van bevend vernis al die hoofden komt overschijnen, welke, lichte vlak tusschen zwart van hoed en jas, boven de donkere banken stippen.

Maar hoe het wazige gewijde kaarsenlicht als een stille vloed van goud schijnt uit te drijven naar de als verhoogde vloer opgebouwde _bimà_, die achter den ingang, aan de einding van het kerkschip, tegenover de Thorakast, zich vierkant omhoog blokt! Trappen voeren er heen, zwaar houten hek houdt het omsloten; op de vier hoeken, in groote koperen kandelaars, staan de hooge kaarsen stil te branden.

Het veel-vervige kleed, één warm-bonte kleurgroep in het effen van plechtigen kerkeenvoud, is met breede afhangplooien gespreid over den _thebà_.

En ervoor staat reeds de _Gazan_, alleen daar op den hoogen opbouw, achter den kleur-warmen sier van Oostersch kleed; en hij heel effen, wit-en-zwart, gansch gehuld in zijn _talith_, een vreemd-verhulde gedaante zoo, daar hoog en ver, en onkenbaar als mensch haast, alleen een smalle gelaatsstreep, bleek en donker even uit tusschen het gansch omwikkelde hoofd.

Met vlakke stem, zangerige priesterdreun, heeft hij het gebed ingezet, de vloeiend-rijende Hebreeuwsche klanken; dan, in haast onmerkbare omklanking, het koninklijk gebed:

A sua Majestade a Rainha des Païzes-Bainos, e seu Real consorte; a sua Majestade a Rainha Viuva, Madame sua Mai. Aos descendentes da Caza Real de Orange-Nassao; aos illustres membros que concorrem no governo destas terras e sos nobres e veneraveis senhores Burgamestre e Magistrados desta cidade de Amsterdam.

Uit de _talith_-plooien tasten zijn handen en bladeren in het Gebedenboek. En van ver gezien gaan zijn lippen, onder het gitzwarte baardje vrij geknipt, nu in vlugger prevelen mummelend op-en-neer; en dan in-eens met volle stem schalt het de ruimte door:

Mizmor Ledawied haboe l'Adonai bené Eliem haboe l'Adonai Kabod wa'oz. ............................

Een psalmgezang van David. Brengt den Eeuwige, gij zonen der machtigen brengt den Eeuwige roem en zegepraal! ............................

Na den psalm leest de _Gazan_ een stuk met ongerythmeerd geluid; het is een onbegeleide wijze, die als een klagende berustende roep wordt ingezet, en aan het eind als met goddelijke vraag tot een galm uitschalt.

Zacht prevelen ruischt tegelijk van alle kanten uit. Dit is als een stille melodie; de lippen even openen zich tot eentonig gemompel, om snel de gedempte Hebreeuwsche woorden te laten verklanken; maar het rept zoo vlug en binnensmonds, dat het van allen tot een mummelend, mompelend gedreun wordt, als de verre fluister van de windzucht over den boschrug, als de eindelooze stem van de roerige branding op het strand. En maar even, dan hier dan daar, stoot er even iets harder een klank uit, als een niet bedwongen mee-aanroep tot den God, als een klemtoon op het woord van passie in de lange vraag om erbarming; maar dan dadelijk mummelen weer vlug en reppend de lippen, en de gonzende dreun van, al die ongevormde woordklanken voor-zich-uit zingbiddende menschen drijft als een stille gedragen ondertoon, waarop zich in beurtelings klagenden cadans, dan in aanroependen uitgalm, de zangstem van den _Gazan_ steunt.

Lega dodi liekrat kalla Pené Sjabat nekabela Sjamór wezagór bediboer égad Hiesjmi'anoe El hamejoegad Adonai égad oesjmó égad Lesjim oeltieférith weliethila.

Welaan! mijn vriend, de bruid tegemoet getreden. Laten wij het vriendelijk aanzien van den Sabbath ontvangen!...

Lega dodi liekrat kalla Pené Sjabat nekabela ...

Het is Prinses Sabbath ter eer; en feestelijk en rein gekleed, hoog het hoofd en hart, zingen ze in hun lied Israëls huwelijk met de Prinses, die schooner was dan de Koningin van Sebà. Zij is de rust! Zingt haar ter eere! Verheugt u in haar rustdag:

Kom, mijn vriend! treedt de bruid tegemoet!

Eerst heeft de _Gazan_ gezongen met zijn jonge, in rondende galmen schallende mannenstem.

Maar nu in-eens zijn het hooge vlugge jongensstemmen, die hem van de andere zijde van het kerk-gebouw geantwoord hebben, een antwoord in denzelfden aanroep:

Lega dodi liekrat kalla Pené Sjabat nekabela...

Het zijn jong-schelle stemmen, die met metaalaanslag het lied uitroepen. Dan, op het eind, laten zij zacht de klank versterven, drie, twee hooge stemmen houden den naklank nog aan, dan is het ééne stem, die met wonder-vreemd timbre de reuzenruimte even door trilt, eindelijk in verre klanken wegdrijft.

Sjamór wezagór bediboer égad.....

In één uitroep verkondigde ons de eenige God:

"Betracht en gedenkt den rustdag." De Eeuwige, de Eenige, wiens naam eenig is! Tot roem, tot heerlijkheid, tot lof!

En de ijle jongensstemmen zingen, tegen den dreun van al die andere stemmen, dadelijk, nog vóór de laatste gons verzwond, omhoog:

Lega dodi liekrat kalla....

Dan weer de dreunende stem van àllen:

"Welaan! laat ons den rustdag tegemoet gaan!... Want hij is de bron van den zegen, van den beginne daartoe gewijd... Dit was der Schepping doel van den beginne af!"

Lega dodi.....

jubelen de hooge stemmen.

Maar de gemeente:

"Koningsheiligdom!... O Residentie!... Verhef u, en treedt te voorschijn uit de verwoesting!... Te lang verwijldet Gij in het jammerdal;... O! Hij wende zijn erbarmen U spoedig weder toe."

En dadelijk, tegen dien droefgeestigen jammer in, is er het gejuich der jonge stemmen weer:

Lega dodi..... Mizmor sjier liejom hasjabat.....

Een psalmgezang voor den Sabbathdag...

Dan stemt de _Gazan_ het lied in van het lijden en bevrijden van het volk van Israël.

..."Hij is het, die ons bevrijdde uit het geweld der Koningen; Hij, onze Koning is het, die ons verloste van den druk dier overheerschers... Hij, de Almachtige, is het, die onze beleedigers bestrafte, die alle vijanden van ons leven hun daden vergold... Hij is het, die onze ziel der onsterfelijkheid wijdt, en onzen voet niet laat uitglijden... Hij is het, die ons de trotsche hoogte der vijanden liet terneder drukken, en onzen gelukshoren verhief boven al onze tegenstanders, die voor ons wonderteekenen en wraak op Pharao uitoefende, teekenen en wonderen in het land van de kinderen van Cham; die in zijn verbolgenheid alle eerstgeborenen van Egypte verslagen heeft, en uit hun midden zijn volk van Israël tot eeuwige vrijheid uitgeleidde, die zijn kinderen door de vaneen-gescheiden Schelfzee liet trekken; en zijn vervolgers en vijanden in de diepte deed verzinken"...

En nu, met steeds machtiger stemschal, en van den stillen klank van ootmoedjammer stijgend tot een krachtige profetie:

...."Toen nu Zijn kinderen Zijn almacht zagen, loofden en dankten zij Zijn naam, en huldigden Zijn heerschappij met vreugdevollen wil... Mozes en de kinderen Israëls stemden U ter eer een beurtzang aan, en riepen in koor:"....

Maar reeds te gelijk vielen met groote en machtige stem alle aanwezigen in. Met een zwaar en donker geluid dreunde hun zang op, en nu niet meer met schellen slag van jonge kinderstemmen, maar als een hooger-gestemd lied daartegen-uitgezongen, dreef daarboven de zilveren stem van het jongenskoor:

Nedar bakodesj, nora tehilot ngôsé félé...

"Wie is als Gij verheerlijkt in Heiligheid, ontzachelijk in roem, wonderbaar in daad!"

En nog eens, nadat even zich losgemaakt heeft de stem van den _Gazan_, dreunt de zang van àllen:

"En de kinderen Israëls zullen in acht nemen den Sabbath om het Sabbathgebod uit te oefenen, ook hunne nakomelingen. Tusschen Mij en de kinderen Israëls is hij een teeken voor eeuwig, want in zes dagen heeft God hemel en aarde geschapen, en den zevenden gerust en Zijn doel bereikt"...

Toen was het plotseling stil; de groote pilaren, schorend het reuzendak, stonden bij het dragen van hun gewicht al even stil als de geel-gouden kaarsvlammetjes, die niet opgehouden hebben flakkerend te beven onder de murmelende stem van de prevelende mannen, en even heftig bewogen hebben, toen die groote stem van àllen den Gazan antwoordde. Nu was alles stil; het groote menschen-volle ruim was stil, en onbeweeglijk stonden daar in de donkere banken de menschen; stil brandden nu ook al die gelige kaarsvlammetjes onbewogen hun gouden gloed uit. Alleen was er de murmel van biddende lippen, maar ook deze was zóó stil, dat dit gebed van allen als een lange, ingehouden zucht wegstreek, zacht naar het einde van de kerk, waar zich, sterk en statig van donker-kleurig hout, de groote deuren verhieven, die toegang gaven tot de Thora.

Daarheen was nu in stille aandacht hun aller houding, en met stille groeten, het hoofd in buiging, de romp soms rond in plechtige neiging, groetten zij hun bidgroet daarheen.

Jiegdal Elohiem!...

En nog eenmaal paren zich àlle stemmen. Als een marschzang davert nu van zware mannenstemmen de eindzang, met hoog daarboven, als een jubel zoo blij, de juichende groet van hooge stemmen, die schateren doen den _Jiegdal_.

Jiegdal Elohiem Gai wejitsjtabag....

..."De levende God is groot en wordt geprezen!"

Maar dan meteen stommelen allen de kerkpaden vol; de zitplanken van de _gaveta's_ kleppen neer, sleutels rammelen, stemmen klanken tegen elkaar in; en van groote menigte, die opstaat in besloten ruimte en zich verspreiden gaat, is het heele gebouw ineens van gerucht vol.

Daarna de Sabbathviering in het Joodsche gezin bij te wonen!

De allereerste plechtigheid is het ontsteken van het Sabbathlicht. Zeven pitten heeft de Sabbathlamp, juist zooveel als er dagen in de week zijn; iedere levensdag zij gewijd, zij een dag van licht; doch Sabbath is de dag der dagen, de som van alle licht en wijding. Alle zeven pitten worden nu ontstoken aan de heilige lamp.

Het hoofd van het gezin kleedde zich in zijn Sabbathgewaad, na zich, volgens het rabbijnsche voorschrift, zorgvuldig gewasschen en gereinigd te hebben, omdat met rein lichaam en reine ziel de Sabbath ontvangen moet worden. Het kleed van den werkdag is uitgetrokken en daarmede tegelijk alle aardsche zorgen en beslommeringen. Zoo ging hij naar zijn bedehuis.

Terugkeerende uit de Synagoge vindt hij de tafel gedekt; ter plaatse waar de huisvader aan den Sabbathdisch zal gaan zitten, staat het "lechem mischne" (dubbel brood [3]), waarover de lofzegging aan den schenker der spijzen zal worden uitgesproken. Naast het brood staat de wijnkelk, waarmee de blijde komst der goddelijke bruid gevierd zal worden. De "kiddoesch" (wijding), met opgeheven beker uitgesproken, is de welkomsgroet, welke zich uit in een lofzegging aan God, die zijn uitverkoren volk door den Sabbath heeft geheiligd.

Verder zal er dezen dag in de meeste gezinnen op tafel wel visch staan; visch toch is sedert het oude Jodendom steeds de meest geliefkoosde spijs geweest, en dus moet er, wanneer het maar eenigzins mogelijk is, op dien feestdag visch op tafel zijn. Zoo wordt de lichamelijke genieting dienstbaar gemaakt aan de verhooging van den "Oneg Sabbath", van het geestelijk Sabbathgenot.

Is er eenige welstand in het huisgezin, dan worden de Sabbathmaaltijden,--er zijn drie verplichte--eenigzins uitgebreid.

Zoo heerlijk als dan smaakt de zoete "kuggel"! Gister was hij als een klomp rauw deeg in een goed gesloten bekkentje, tezamen met zijn onafscheidelijken vriend "schaletpot", die slechts koud water, rauw vleesch en wat erwten bevatte, naar den bakker gebracht. Reeds lang vóór de intrede van Sabbath worden de beide Sabbathspijzen in den heeten oven geplaatst, en daar aan hun lot overgelaten. Wat zou er van hen worden? Zal het water in den schaletpot verdampen? de kostelijke inhoud van het bekkentje verschroeien?... De hemel beware voor de ramp!... het genot van den Sabbathnamiddag was vergald!

Maar nee! de vrienden hebben zich uitstekend gehouden, in den besten staat zijn zij thuis gekomen, hebben behoorlijk de vuurproef doorstaan!

Als het deksel van den schaletpot wordt opgelicht, stijgen er de heerlijkste geuren uit op; en een overheerlijke schaletsoep loont de moeite van den vorigen dag. En hoe smakelijk is niet de kuggel geweest; glanzend en vet bolden zijn bruine wangen. Men zal smullen!

Zoo wordt de Sabbath in de strengste rust gevierd--en toch heeft men zich aan kokend heete spijzen te goed kunnen doen. Groote uitvinder van den Schalet! uw roem dure in eeuwigheid!

Een ander genot, dat de Sabbath-namiddag schenkt, is het Sabbathvieren op straat. Niet alle bewoners van de Jodenbuurten blijven na afloop van het middagmaal in het stille huisvertrek achter slot en grendel het vallen van den nacht, daarmee het einde van den rustdag, afwachten. Het meerendeel wandelt er uit.

En ziet ze wandelen, pronken in pracht van hun Sabbathkleeren! hoe de Kalverstraat, de café-straten, de drukke pleinen door hen overbevolkt worden!

Maar in de Jodenbuurten zelf is het niet minder druk van opgedirkte Sabbathvierders. Alles leeft dan weer op de straat. Daar spelen de kinderen "begouretje" met groote noten; daar zitten Koppel en Jachet voor de deur en kijken naar de passage; daar wandelen de jongens en meisjes en maken "chijntjes", slenteren joodsch-deftig de ouderen en spreken over alles, behalve vandaag over "massel".

Het eind van de Sabbathviering wordt voorafgegaan door de "Habdala", dus genoemd naar de slotwoorden der uit te spreken lofzegging, waarin God wordt geprezen, die den Sabbath boven de werkdagen heeft onderscheiden.

De plechtigheid geschiedt weer binnenskamers. Welk een contrast echter biedt dit huisvertrek met dat, waarin de Vrijdagavond gevierd werd! alles is nu in half-duister gehuld; slechts twee lichtjes, aan de Sabbathlamp ontstoken, verspreiden een spaarzaam licht; het tafellaken is reeds grootendeels weggeschoven, nog een klein deel van de tafel is gedekt--beeld van den Sabbath, die zoo aanstonds verdwenen zal zijn.

De huisvader vult den beker tot over den rand met wijn--symbool van overvloed en zegen; dit is de dronk ten afscheid. En daarbij neuriet hij in het oud naïef Joodsch-Duitsch het Habdala-lied:

"God van Abraham, Izak en Jacob! behoedt Uw volk Israël in Uwe almacht; deze week moge komen tot geluk, tot zegen en alle heil; de lieve heilige Sabbath gaat daarheen, de week moge komen tot geluk, tot zegen en goed gewin, Amen, Sela!"

En met de nieuw-aangebroken week eindigt hun Sabbath-bekoring, begint weer in de Jodenbuurt de werkelijkheid....

AANTEEKENINGEN

[1] Deze photografleën werden bij het ten vorige jaren gehouden photografisch concours van _De Aarde en haar Volken_ met den derden prijs bekroond.

[2] Het volgend fragment werd onder den naam "Sabbath-zang" in het "Alg. Handelsblad" opgenomen.--J. F.

[3] Het "dubbel brood" is de herinnering aan de dubbele spijs, die Israël in de woestijn op den zesden dag ontving, omdat op den zevenden dag geen manna neerdaalde; het is dus het symbool van den goddelijken zegen, die in dubbele mate rust op het werk van hem, die den arbeid staakt, om zich geheel aan God te wijden.

End of Project Gutenberg's In de Amsterdamsche Jodenbuurt, by Jan Feith