Huize "Canneheuvel"

Part 9

Chapter 94,138 wordsPublic domain

Zeker heeft Grootma er over geschreven? Grootpa heeft beloofd, dat Grootpa en ik lekker mee mogen werken met den timmerman. We hebben met Grootma de plaats al uitgezocht, waar de volière komt, op een mooi, zonnig plekje in den achtertuin. Er staan een paar jonge boompjes, en die blijven in de volière. Ze mogen niet hooger worden, want zooals Tobi heel wijs opmerkte: „’t Gaas kan niet tot den hemel worden gespannen.” Tante Lie zegt, dat als de boschvogels eenmaal goed gewend zijn, ze dan stellig blijvers worden. Tante kende vroeger een jongen, die een massa vogels in een volière tam heeft gekregen. Ze vlogen om hem heen, en kwamen aangevlogen als hij ze floot. Maar je moet in ’t begin hoopjes geduld hebben en ze veel lekkere snoeperijtjes voorzetten. Ik begin met groenlingen, je kunt alle boschvogels bij den vogelkoopman krijgen (wat eigenlijk een schandaal is, vindt U niet!) Wat zullen ze blij zijn, als ze bij ons in zoo’n ruim, prachtig huis komen wonen, zelfs met boompjes er in, en struiken, die altijd groen blijven. En naderhand zullen ze niet kunnen gelooven, dat ze zoo vrij zijn als vogels in de lucht. U begrijpt, dat ’t zaakje pas heelemaal in orde is, als de wilde vogeltjes uit de Boschjes uit zich zelf komen aanzetten. Maar o, wat zal ik daar lang op kunnen wachten! ’k Moet nou aldoor aan dat heerlijke present van U denken, en verlang verschrikkelijk om aan ’t vogelhuis te beginnen. ’k Ben niks bang, dat de vogels niet mak zullen worden en aan mij wennen. In de Boschjes laten ze me ook vlak bij komen. In ’t midden van de volière komt een vogelhuisje, dat gaat Grootpa voor mij timmeren in den vorm van een Indisch tempeltje met pilaartjes en zoo. Eenig! Daar komt dan brood of ander voer in te liggen. Grootpa wil er ook een bakje in maken met een afvoerpijpje, zoodat er altijd frisch water in ’t bakje kan zijn.

Vooruit bespreken en overleggen we alles samen: Grootpa, Grootma en ik, en telkens wordt er wat nieuws voor de volière verzonnen.

U weet niet hoe prachtig Grootpa timmeren en alles maken kan. Grootma heeft een beeldig naaidoosje van Grootpa gekregen, zoo maar gemaakt van een mahonie-houten boekenrekje, met zwaluwstaartjes, (weet U wat dat zijn?) en daar slaat iedereen zijn handen over in elkaar, zoo mooi en kunstig als ’t is.

Grootpa heeft een aparte timmerkamer (zooals U wel weet) met planken vol gereedschap, waar niemand aan mag komen. Laatst vroeg Bet: „Mijnheer als ’t niet astrant is, zou ik U wel willen vragen, of U mijn hakbord kan opknappen, U doet alles zoo degelijk.”

Nou Grootpa dee ’t natuurlijk voor Bet, en ’t is maar niet keurig en sterk geworden.

Bet zei: „daar doe ik verders mijn leven lang mee.”

’k Kan U niet van al de presenten vertellen op St. Nicolaasavond. Daar is geen beginnen aan. We vierden hem natuurlijk in de Duiventil; de heele familie was bij elkaar, de „Welkom Buiters” ook, dat begrijpt U.

Op ’t laatst bracht Marietje de pakjes met ’n mandje vol tegelijk binnen, „anders kwam ze den heelen nacht niet klaar,” had Kee gezegd. Ik kreeg ook veel te veel, maar ’t prachtigste, eenigste cadeau (behalve mijn volière dan) dat was voor Eer en Tobi. En U raadt nooit wat.... Een spiksplinternieuw poppenhuis. Eer en Tobi keken hoe langer hoe vreemder, hoe later ’t werd.

Voor geen van beiden kwam geen enkel pakje. Ja, wel een zeeppoppetje en een paar harten van chocolade, maar anders niks. Nou hoor pa en ma, ze hielden zich goed, maar keken toch wel een beetje als boeren met kiespijn. Om half tien werd er op eens ontzettend hard gescheld, en ’t was een lawaai in de gang van wat ben je me. Marietje stak haar hoofd om de deur, en vroeg om hulp. Wat ze nou hadden gebracht, dat kon ze onmogelijk naar binnen sjouwen, ’t was veel te zwaar.

We renden allemaal naar de gang, al de groote en kleine jongens. En daar stond me maar wat: een reuzenkist op een groote kruiwagen. We hadden dolle pret eer ’t gevaarte binnen was, en op ’t stoflaken stond, dat Grootma over ’t tapijt had laten leggen. Met koeien van letters was op de kist geschilderd: Voor Eric en Tobi van Rithem.

En nou had U de gezichten van die snuiters eens moeten zien. Eenig bepaald!

Grootpa moest er met zijn gereedschap aan te pas komen, eer de kist open was, en toen maakte iedereen plaats voor Eer en Tobiaantje, die aan ’t uitpakken gingen, zoo vlug, dat je er geen oog op kondt houden. Eerst een laagje houtwol, toen couranten, en toen.... ’t huis. ’k Geloof niet, dat er ooit een prachtiger poppenhuis is geweest, of er nog wezen zal, dan dat wat uit die kist kwam.

’t Heeft twee verdiepingen en negen kamers, allemaal met beeldige meubeltjes; tot een badkamer toe is er in, met een snoezig badkuipje en een electrisch geyzertje. Door op een knopje te drukken, kan je ’t heele huis electrisch verlichten, dan komt alles nog veel mooier uit. Eer en Tobi konden niets zeggen, en keken maar. Tobi had tranen in de oogen en Eric keek ook raar, maar dat wilden ze niet weten.

En dat was nog lang niet alles. Nou kwamen er allemaal doozen vol met kleeren. Ik wist wel een beetje, wie die gemaakt hadden, want ik had Grootma en de tantes wel eens overvallen als ze druk bezig waren, en tante Lie vooral, want die liep altijd door met een vingerhoed aan en een naald met een draad er in, als ze in de Duiventil was. Er waren ook een boel meisjespoppekleeren bij, en daar keken Tobi en Eer verbaasd van op, want Mijnheer had nog altijd geen bruid.

Maar in de laatste doos vonden ze ’t raadsel opgelost, daar kwam een snoezig popje uit in een wit satijnen sleepjurk en met witte bloemen in haar bruine krullen, en op de doos stond: „De bruid voor „Mijnheer”.”

Tobi en Eric waren heusch niet wijs van opgewondenheid, en ze deden net zoo. Tot tante Nel zei: „Kom nou eens hier kinders, dan zal moeder jullie vertellen, wie al die verrassingen voor jullie bedacht en gemaakt heeft en ze uit naam van St. Nicolaas aan je beidjes geeft.

„Grootpa heeft ’t huis met al de meubeltjes zelf gemaakt. Vader heeft ’t huis verlicht, Moeder de bruid gekocht en gekleed. Grootma en al de tantes hebben de kleertjes genaaid. Dus is dit een St. Nicolaas cadeau van Grootpa en Grootma, van Vader en Moeder en al de tantes en ooms. Eigenlijk dus van de heele familie.

„’t Kanariekooitje met Goudgeeltje er in geeft Basje. ’t Penduletje hebben jullie van de drie kleintjes en ’t bloementafeltje ook.—En wat zeg je daar nou van? Tante Lie heeft bijna alles bedacht, maar die bederft jullie veel te veel, want eigenlijk....”

„Kinders, smoor me zoo niet, want ik wil graag nog een beetje langer leven.”

Van al die omhelzingen en zoenen, die Eer en Tobi aan ’t uitdeelen gingen aan al de gevers, vertel ik U maar niet. Iedereen werd half gesmoord, behalve Jopie, Duimelientje en Cartje, want die waren naar bed gebracht, omdat ze omvielen van den slaap.

’t Eenige wat mij speet, en Grootma vast ook, was dat U, die natuurlijk bij zoo’n familiefeest hoort, er niet bij kon wezen.

Maar ’t is alweer een troost, dat U ’t allergrootste feest in de familie wel mee zult vieren, en ’k vind ’t eenig, dat ik alleen dit weet.

’k Hoor Grootpa en Grootma er dikwijls over spreken, hoe vreemd ’t is, dat U nooit eens schrijft van overkomen ’t volgend jaar, terwijl Grootma er telkens naar vraagt. Laatst zei Grootma: „’k Zou ’t vreeselijk vinden als Dolf en Lous er niet bij waren op onzen zilveren bruiloft.” U begrijpt hoeveel moeite ik heb om dan mijn mond te houden. Nou ik zou ook vast niet ’t rechte plezier hebben op Grootpa’s en Grootma’s feest, als wij U misten. Wat een reuzenverrassing zal ’t wezen als U volgend jaar October de Duiventil binnenvliegt. ’t Lijkt nu nog wel ontzettend ver weg, maar ’t is al gauw Nieuw Jaar, en dan kan ik denken: Ziezoo dit jaar zie ik mijn lieve „ouwetjes” vast terug, en blijven we een heele poos samen. ’k Zal ’t wel zoo weten aan te leggen, dat ik U stilletjes van de boot kom halen. Want ik moet U ’t eerst van allemaal zien, dat spreekt van zelf. ’k Heb hier een heerlijk thuis, beter dan best, maar wie verlangt er nou niet naar zijn eigen ouders? ’t Zal pas volmaakt zijn, als U ook thuis is. ’t Is al vast erg gezellig, dat oom Jan en tante Ajoe bij ons wonen. Ze zijn zoo lief en gul. „Echt Indisch”, zegt tante Nel, „de menschen leven daar veel gastvrijer en hebben veel meer voor elkaar over, dan de Hollandsche menschen.” Ik zeg maar: er zijn uitzonderingen b.v. bij ons in de Duiventil. Tante Ajoe heeft altijd den mond vol over Indië en vertelt graag van de gewoonten en zoo. Dat vind ik echt, want ’t geeft me ’t gevoel, alsof U dichter bij mij bent. Duimelientje is een snoezig dotje, maar net een trotsch prinsesje, niemand mag haar knuffelen. ’t Is een groote gunst als je er ook een krijgt, wanneer ze zoentjes uitdeelt.

Verleden week is Betjesmoe, U weet wel, de moeder van Bet, één en tachtig jaar geworden, en heeft ze al de kinderen uit de familie te visite gevraagd. We waren met ons negenen kinderen, want Sarina en Marietje waren er ook bij, en dan nog twee kinderen van Betjesmoes’ zoon. Die zoon van Betjesmoe is korporaal geweest in de Oost en nou politieagent, en een aardige, vroolijke man. Hij is dol op zijn jongetjes, en woont met die kinderen bij zijn moeder in, want zijn vrouw is al jaren dood.

Op den zolder hebben zij aardige kamertjes, en een van die jongens houdt duiven, die aldoor ’t zolderraam in- en uitvliegen. Ik vind anders aan die jongens, Bertus en Jan, niet veel aan, want ze zijn erg verlegen, en zeggen haast niks. Betjesmoe vindt dat natuurlijk niet; zij is erg trotsch op die bruine jochies.

We hebben veel pret gehad op Betjesmoes’ partij, en alle mogelijke spelletjes gedaan, ook verstoppertje, en je vond elkaar direct, omdat ’t huisje van Betjesmoe zoo klein is, maar ’t is overal even keurig netjes. Betjesmoe tracteerde op allerlei lekkers, eigenlijk veel te royaal.

Bet en Juf kwamen ons halen; er was haast geen plaats meer in de kamer, omdat we met zoo’n troep waren. Op eens was Jopie weg, en we konden haar niet vinden, tot dat ze onder ’t tafelkleed uit kwam piepen. Juf was er boos om (want er werd een kop chocola omgegooid) maar wij lachten en riepen: „hoera voor Jopie.” En Bet zei: „Moeder, je doet vast geen oog toe van nacht, je maakt je zelvers veel te druk.”

Betjesmoe lachte maar, en beweerde, dat ze op al die drukte juist best slapen zou. Toen we weg zouden gaan, kwam de korporaal, ik bedoel de politieagent, en toen moesten we op elkaars schoot gaan zitten, zoo vol als ’t was.

En we schaterden en hadden plezier om niks, en Betjesmoe was de vroolijkste van allemaal. De politieagent had ook bloemen meegebracht, en we moesten Betjesmoe er mee versieren.

Duimelientje zat op haar schoot, en stak de bloemetjes tusschen haar oorijzers, en onderwijl vertelde Betjesmoe nog even een verhaaltje aan Zonnetje. Want dat had Betjesmoe beloofd, en Duimelientje liet haar niet met vree, voor ze ’t eind had gehoord van over een meisje dat „luie Doortje” heette. ’t Was heusch een aardige partij, en we hebben zoo gelachen, dat we niet meer konden.

U vraagt naar mijn sijsje: Petertje. Nou dat blijft een verbazend leuk gedierte. Iedereen heeft schik in zijn kunstjes. Hij wordt àl tammer en meer aan mij gehecht. Of hij ooit in de volière kan komen, dat geloof ik niet. De andere vogels zouden hem misschien kwaad doen, omdat hij hulpbehoevend is. ’t Is voor zijn eigen bestwil, dat hij gevangen blijft en hij heeft ’t heusch zoo kwaad nog niet.

Ja, vader, U heeft goed gezien op mijn laatste portret: ik ben lang zoo dik niet meer.

U zal mij erg veranderd vinden, ik groei nu gelukkig in de lengte. Dat komt zeker van ’t tennissen en voetballen, want daar houd ik dol van en doe niet veel anders in mijn vrijen tijd, behalve lezen dan. Grootpa heeft U zeker wel geschreven, dat mijn rapport goed was, gelukkig, en ik best mee kan komen in de nieuwe klasse.

Als U ’t goed vindt, zou ik naderhand wel willen studeeren in de dierkunde, de Natuurlijke Historie, zegt Grootpa. Want ik lees ’t liefst over dieren. Maar ingenieur lijkt mij ook een erg mooi vak. Nou, ik hoef gelukkig nog niet te kiezen. Dokter zou ik liever niet worden, en dat is maar goed ook, want dan zou niemand meer uit al die dokters Canneheuvel wijs kunnen worden.

Is dit geen lange brief?

Als Grootma er niet altijd de postzegeltjes opplakte, had ik veel dichter in elkaar moeten krabbelen. Want zoo op ’t eind van ’t jaar zit ’t er niet aan, om misschien wel drie dubbele port te moeten betalen.

Dag lieve, beste Pa en Ma.

Dit is mijn laatste brief van dit jaar, en als ’t weer December is, dan zijn wij al lang weer bij elkaar. „Reuzen zalig, heerlijk, verrukkelijk,” zou Tobi zeggen. Nog eens duizend dankjes voor ’t prachtcadeau.

In gedachten omhelsd, met een stevigen pakkert, door

Uw eigen Basjesman.

XIV. OP WELKOM BUITEN

De winter, een echte, nare kwakkelwinter, zonder sneeuw of ijs (wat vooral Jan een groote teleurstelling bracht) was zoo zoetjes aan voorbij gegleden, en ’t mooie, vroege voorjaar werd door een kouden, regenachtigen zomer gevolgd. Tot ’t weer in Juli plotseling omsloeg, en de prachtzomerdagen tegen de groote vacantie intocht hielden. „Dat hoort ook zoo,” besliste Tobi, „verbeeld je, dat we op „Welkom Buiten” geen prachtweer hadden!”

Mevrouw Canneheuvel had Lien meer dan eens gevraagd: „Vrouwtje, is ’t jullie heusch niet te druk, zooveel logés tegelijk, zoo’n tijd achtereen?” En Lien had geantwoord: „Moeder, hoe kan je nou toch zoo dom vragen? We vinden ’t heerlijk ze allemaal hier te hebben. Frans zegt: „hoe meer hoe liever,” en ik voeg er bij: „we hebben plaats en ruimte genoeg, en niemand zal te kort komen, of ’t minder goed hebben dan thuis.”

„Frans, Cartje en ik verheugen ons den heelen dag op half Juli, dus vraag nou nooit meer, gekke mamp, of ’t ons wel schikt.”—

Nu half Juli steeds nader kwam, hadden moeder Lien en Cartje ’t dan al verbazend druk. Ze deden niet anders dan door ’t huis draven, trap op, trap af, nu beneden, dan weer boven. Als een trouw hondje liep Cartje achter moeder aan; waar zij was moest hij ook wezen. Voor ’t groote bezoek uit den Haag moest alles in de puntjes zijn; dit keer kwamen er nog vier gasten meer dan anders. In ’t geheel liefst vijftien, menschen en kinderen bij elkaar.

Vader en Moeder met Basje, Nel, Eer en Tobi (terwijl Joop twee weken zou blijven, en den overigen tijd zoo dikwijls overkomen als hij kon). Dan Puck, Jopie en Frits, die een lange vacantie noodig had, en alleen als ’t noodzakelijk was, naar den Haag zou gaan, wanneer zijn assistent, dokter Heller, dit absoluut noodig oordeelde, terwijl Ajoe, Jan en Suusje de rij sloten.

Kee, Juf en Sarina kwamen natuurlijk mee, om Gesien en Koosje te helpen. Anders waren er stellig handen te kort gekomen, om voor zooveel menschen te zorgen. Maar ze vonden ’t erg prettig, om mee te gaan, ’t was voor hen ook echt vacantie op dat heerlijk buiten, zoo gezellig met je velen. En al die vele handen maakten licht werk, zoodat er genoeg tijd om te genieten overbleef.

„Hoe zalig toch, dat we zoo’n heerlijk groot huis hebben, Frans,” riep Lien opgetogen, „zoo’n echt ouderwetsch, leuk buitenhuis met zooveel ruime kamers, breede trappen en portalen. En dan die gezellige zitjes en nissen! ’t Torenkamertje is natuurlijk weer voor Eric, daar is hij bizonder op gesteld.”

„’k Ben benieuwd,” zei Frans, „hoe je iedereen onder dak zult brengen, nu er weer drie logés meer zijn dan verleden jaar.”

„Of ’t zal best gaan. ’k Geef een van de groote kamers dit jaar aan al de kinderen samen, behalve Basje en Eer dan. Juf krijgt ’t cabinetje naast de kinderkamer. Cartje mag bij Tobi en Jopie, Suusje en Sarina slapen. Daar heeft hij zelf om gevraagd, en zijn bedje staat al boven.

„Jopie heeft ’t mij van de winter afgebedeld voor Cartje te mogen zorgen. Ze is even dol op hem als hij op haar.”

„Dat schijnt bij jullie in de familie zoo te hooren,” merkte Frans op: „altijd een spannetje, dat doodelijk van elkaar is. Vroeger waren Frits en Nel onafscheidelijk en jij en Puck. Nu Tobi en Eric, Cartje en Jopie.”

„’k Denk, dat ’t de invloed van Moeder is,” zei Lien. „Ze moedigde ’t altijd erg aan bij de kinderen, alles voor elkaar over te hebben, voor elkaar op te komen en eigen ikje op te offeren als de gelegenheid zich voordeed. Moeder gaf zelf ’t voorbeeld.”

„Dat heb jij dan al heel goed geleerd, Lien,” sprak Frans hartelijk.

„Daar was nog al wat aan te leeren,” lachte Lien, „als je zoo’n heerlijk, gelukkig leven hebt als wij thuis hadden. Maar Frans, nou is mijn tijd heusch schoon op, we moeten naar de keuken, hé Cartje? Gesien zal niet weten waar wij blijven, en er is voor morgen nog verbazend veel te bespreken.”—

Frans zou de gasten gaan halen van het dichts nabijzijnd station. Dat was nog een heel eind weg, en Bruin moest wel drie maal heen en weer met de brik. Als hij goeden zin had, deed hij den afstand in vijftien minuten.

Lien was pas gerust, toen al de logés er waren, en genoot van de drukte, ’t vroolijk praten en lachen op de portalen en trappen. Ze liet ’t zich door niemand nemen ieder naar ’t voor hem of haar bestemde vertrek te brengen, en vergezelde Eric zelfs naar zijn torenkamertje. Eric vloog Tante Lie om den hals. „Hoe echt heeft U alles weer voor me in orde gebracht, lieve Lie,” riep hij dankbaar, „maar die sarong aan de muur, en dat mooie wapen er tegen aan, is wat nieuws, eenig!”

„Dat is een kris, die oom Frits jaren geleden van een vroegeren bediende van Grootpa uit Soerabaïa present heeft gekregen,” vertelde tante Lie. „Naderhand heeft oom hem mij gegeven, en nou krijg jij hem weer van mij present. Als je naar huis gaat mag je de kris meenemen.”

Eric danste van plezier. „Heerlijk tante Lie, hoe echt! ’k Ben er dol blij mee. Zeg Tobi, ik mag de kris van die lieve Lie present,” riep hij zijn zusje toe, die net binnen kwam. „Lie heeft hem vroeger van oom Frits gekregen.” Natuurlijk was Tobi tante Lie en Eer achterna gehold, toen ze hoorde, waar die waren. Ze moest Eric’s kamertje toch ook zien, en had er dolgraag zelf willen slapen. Zoo’n torenkamertje deed je denken aan heel vroeger, toen de kasteelen en landhuizen nog vol schuilhoeken, verborgen plaatsen en geheime gangen waren. Toen je er altijd op verdacht moest zijn, dat de vijand je kon overvallen. Nieuwsgierig keek Tobi om zich heen. ’t Zou toch mogelijk kunnen zijn, dat er hier ergens een verborgen deur was, die naar een geheime gang leidde.... Doch ze kon niets verdachts ontdekken, en keerde dus tot de werkelijkheid terug.

„Hoe leuk voor je, Eer, om die kris cadeau te krijgen,” riep ze blij, want ze was blij voor Eric.

Maar bij zich zelf dacht ze: „ik gun hem jou, een meisje heeft net niks aan zoo’n ding.”

En met een wijs gezicht vroeg ze: „Tante Lie, waarom heeft oom Frits U dat bloeddorstige wapen gegeven? Wat doet een meisje daar nou mee?”

„Wel, ik had een weddenschap van oom gewonnen, en ik denk, dat hij mij een bizonder mooi cadeau wou geven, en niets anders wist te bedenken dan zijn kris. ’k Was er heel blij mee, hoor, en hing hem op in de kamer van tante Puck en mij. Daar mocht oom Frits er ook naar komen kijken, zoo vaak hij er lust in had. Want iets anders dan naar de kris kijken, mochten we er niet mee doen.”

„Nou ja,” dacht Eric, „maar een jongen heeft toch veel meer aan een wapen dan een meisje.

„Je kunt nooit weten, hoe zoo’n ding je nog eens te pas kan komen, vooral buiten met inbrekers en zoo.” Maar hij zei dit niet hardop. Want hij wist vooruit, dat tante Lie hem verbieden zou de kris van de muur te nemen. En dat was hij toch stellig van plan. Al was ’t maar één keer, hij moest de kris eens ter dege van dichterbij en van alle kanten bekijken.

Alleen Tobi mocht er bij zijn, als hij ’t deed. Die zou ’t ook fijn vinden.—

Was er heerlijker leven denkbaar dan op „Welkom Buiten” bij lieve tante Lie en gullen, aardigen oom Frans? En dan met iedereen er bij, die je eigenlijk niet goed missen kon, en naar wie je altijd verlangde als je alleen uit logeeren ging?

„’t Was gewoon zalig, heerlijk, verrukkelijk,” zooals Tobi zei, „van dat je opstond tot je naar bed ging. En dan was ’t nog niet uit, want je droomde van al ’t prettige, dat je overdag beleefd had.”

’t Bleef maar prachtweer, zoo’n echte ouderwetsche zomer, wanneer je haast altijd buiten kunt zijn. Zoo vroeg als ze mochten (en als Juf toe wilde staan) sprongen de kinderen ’t bed uit, om gauw, gauw buiten te komen. Juf hielp met ’t wasschen, jurken en blouses vast maken.

„Tolletje is akelig precies,” klaagde Tobi tegen Eric, „ze weet ’t altijd, als je je ooren bij ’t wasschen hebt overgeslagen.”

„Of ze raadt er naar, omdat je verdacht gauw klaar bent,” veronderstelde Eric.

Jopie trok Cartje sokjes en schoentjes aan, veegde met den borstel over zijn krulletjes, en streek ze in zijn oogjes, wat Cartje goedmoedig verdroeg. Dan riep ze vergenoegd: „Jopie heeft Cartje weer heel alleen gehelpt.”

Basje had Eric (die de langslaper in de familie werd genoemd) uit zijn bed getrommeld, en zoo ’s morgens ging de kinderoptocht allereerst naar den vijver om de zwanen en al ’t andere watervolk eten te brengen. De statige zwanen waren mooi om te zien, maar trotsche, onvriendelijke vogels. Ze bleven schuw en verwaardigden zich dikwijls niet eens naar den kant te komen, waar de kleintjes hen trachtten heen te lokken. Jopie en Duimelientje voelden dan ook veel meer voor de eenden en waterhoentjes. De eenden waren in ’t geheel niet bang, en werden al gauw erg vertrouwelijk. Brutaal bedelend liepen ze Cartje en de kleine meisjes na op den schelpweg om den vijver heen, aldoor snaterend om broodkruimels.

Alleen als Pluto, de jachthond, door Oom Frans uit het hok losgelaten, woest tusschen de vogels rondsprong, vlogen ze luid kwebbelend den vijver in, en zwommen verontwaardigd weg. Voor Tommy waren ze niet bang, die deed nooit zoo dol als Pluto, en marcheerde, net als zij, op korte pooten ’t leven door.

Jopie trok Cartje mee, de grooten achterna naar de wei, waar de koeien graasden, en de melkmeid met haar juk, waaraan de blank geschuurde emmers bengelden, om dezen tijd ’t land opging. Meestal was Arie, de oude knecht, daar ook, en tilde Jopie en Suusje op den ouden Bles, die heel vergenoegd met dien lieven lichten last ’t weiland rondstapte, terwijl Arie hem trouw op zij bleef, en zorgde, dat de „hartjes” niets kon passeeren. Ofschoon, de kans op vallen was buitengesloten, want Bles had een machtig breeden rug, en legde de zaak zeer kalmpjes aan. Dan kregen Cartje en Tommy (die zich de zaak, zeer tegen zijn zin, moest laten welgevallen) een beurt. „Drie keer ’t weiland om en één keertje toe,” zei Arie altijd, en hield zich trouw aan dien regel.

Eric wou dolgraag leeren melken, en Tobi beweerde, dat ze ’t al kon. Doch toen ze in haar haast om dit te bewijzen den halfgevulden melkemmer had omgegooid, en Bella zeer verontwaardigd achteruit was gestapt, om aan de greep van Tobi’s onbedreven vingertjes te ontkomen, wou Trine niets meer van die grappen weten.

De kinderen mochten haar zoo veel ze wilden op de vingers kijken, daar draaide ze geen vinger voor om, maar ’t melken moesten ze aan haar overlaten. Van melken moet je verstand hebben, anders gebeuren er ongelukken, dat zagen ze nou zelf.