Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie
Part 9
Al wordt de engelachtige leeraar steeds aangehaald met de woorden, Thomas of Thomas Aquinatis, gelijk ook zijn heilige voorgangers, en nimmer als St. Thomas, dit was slechts een teeken van Grotius' protestantisme, niet van dweperij of fanatieken haat tegen al wat roomsch was.--Integendeel de roomsche wetenschap, als wij dit woord mogen gebruiken, was hem lief en bijzonder de wijsheid der "school". Even gelijk Erasmus, haatte Grotius wel het gefilosofaster der 15e en 16e eeuw, maar niet de wijsbegeerte van de meesters der 12e en 13e eeuw.
Van Suarez zegt Grotius in een zijner brieven: Nam quorsum tantus Suarezii contemptus, hominis, si quid recte judico, in Philosophia, qui hoc tempore connexa est scholastica, tantae subtilitatis, ut vix quemquam habeat parem. [212]
Dit tweevoudige feit, zijne liefde voor de scholastieken en het meegaan met hen in vele ondergeschikte punten, bracht sommigen ertoe zonder verder onderzoek Grotius onder de volgelingen der school te rangschikken. Dat zij zich door den schijn lieten misleiden, is zeker.
Welke de genealogie van Grotius ideeën is, kunnen wij nog in 't kort aangeven. Vragen wij ons eerst af, in welk midden Grotius leefde, en welke gedachten-invloed hij van buiten onderging. Want dat de kring der ideeën, waarin men leeft, onze eigen ideeën en onze gedachten eenigszins zal beïnvloeden, wellicht zelfs in hooge mate, valt niet te ontkennen.
#Grotius en de omgeving, waarin hij leefde.#
Niet slechts in een kring van rechtsgeleerden leefde Grotius, zijn vrienden waren ook Jos. Scaliger, Justus Lipsius, Cansabonus, Hooft en zelfs Vondel. [213] Ook het litterarisch schoon trok hem aan. En hier vooral is het dat wij den sleutel vinden van Grotius stellingen.
Beschouwen wij een oogenblik de rechtsgeleerde wereld waarin hij leefde.
De rechtsgeleerden, waarmee hij in nauwer betrekking stond, waren op de eerste plaats de professoren van Leiden, mannen, die hun tijd en talent besteedden aan het leveren van commentaren op 't romeinsche recht;--het waren op de tweede plaats de schrijvers, vooral over 't publieke recht. Grotius zelf noemt ze in de voorrede van de Jure B. ac P. Het waren de schrijvers van Summa's over gewetenszaken, het waren Franciscus Victoria, Henrions v. Gorkum, Wilhelm Matthaeus [214]; Joannis Lupus, Franciscus Aria, Joannis de Lignano, Martinus Laudensis. Het waren, Faber, Balthazar Ayala en bovenal Alberic Gentilis [215]. Behalve dezen, die Grotius noemt, kende hij voor het recht ontelbare andere schrijvers van naam. Het blijkt uit zijn citaten. Grotius' eruditie in één woord was verbazend.
Grotius had een voorliefde voor het publieke recht, en het is hier, dat hij partij kiest voor de een of andere meening.
Want critiseert Grotius de methode van al zijn voorgangers, hij critiseert niet aller ideeën. Hij wikt en weegt ze, en toetst ze aan principen, die, naar zijn meening, algemeen en onafwijsbaar waren.
Bouwstoffen vond hij en die gevonden bouwstoffen heeft hij geordend. L'homme de génie, que l'on appelle le fondateur d'une science ne fait que rattacher ses éléments déjà existents: il se borne à réunir ses membres épars, à leur insuffler le souffle de la vie. [216]
Met de individualistische rechtstheoriën zijner voorgangers ging Grotius mede, en trachtte hun goed recht te bewijzen uit van te voren aangenomen beginselen, en wijzigde vervolgens die rechtstheoriën volgens de eens aangenomen principen.
Waar vond echter de Groot de beginselen zijner individualistische rechtsleer?
De weg werd hem gewezen door Erasmus, Coornhert, Thomas Morus en anderen, door de humanisten in één woord.
Dit brengt ons als van zelf er toe te spreken over een anderen kring van ideeën, waarin Grotius leefde, over het humanisme.
De scholastiek was na glorievolle dagen een tijdperk ingetreden van allengskens grooter en dieper verval. Zij was opgegaan in een ijdel woordenspel.
Terzelfder tijd kwam in Holland van uit Italië en Duitschland de kennis der grieksche en romeinsche oudheid. Ook hier kende de bewondering hunner kunstwerken weldra geen grenzen. Maar met de bewondering voor de vorm-schoonheid, waarin men zijn gedachten had weergegeven, kwam ook liefde voor die gedachten der Grieken en Romeinen zelf. Zoo vormde zich de partij der renaissance onder den invloed der oude wijsheid, geholpen door de groote vlucht, die de wetenschappen namen, terwijl de scholastiek daarentegen geen kracht bezat, het denken in andere banen te leiden. Daaraan dankte de partij der renaissance haar ontstaan, en als wachtwoord koos zij: de autonomie der menschelijke rede. Voor het tribunaal der menschelijke rede hadden zich alle instellingen der volken, had zich alles te verantwoorden, gelijk Dilthey zegt.
De protestanten der 17de eeuw noemden sommigen hunner partijgenooten "libertijnen", [217] het waren de humanisten, die het roomsch geloof verlaten hadden, niet om een nieuw dogma van Luther of Calvijn aan te hangen, maar om zelfstandig te kunnen denken.
Behalve de godsdienst-wetenschappen waren het vooral de zedekundige vraagstukken, waarmee velen der humanisten zich gingen bezighouden.
De zedenleer was grondslag der rechtsstudie, en zoo vinden wij Grotius, den rechtsgeleerde bij uitnemendheid op zijn plaats te midden der humanisten.
Waar de humanisten de bouwstof voor hun wijsgeerigen arbeid zullen zoeken en vinden, laat zich gemakkelijk raden. Het was bij hun gevierde auteurs. Vooral het neo-stoicisme trok velen aan; en werkelijk veel schoons en waars was hier te vinden.
Wij vinden het neo-stoicisme in meer of minder oorspronkelijkheid bij Erasmus [218] en Coornhert [219] bij Melanchton [220] en Lipsius. [221] Met dezen nu ging ook de Groot mede.
#Grotius en de romeinsche Stoa.#
Grotius sluit zich aan bij de naturalistische moraal van een Marcus Aurelius, Cicero en Seneca, bij Zenon en Chrysippus. Evenals zij beschouwt hij de zedenleer als een soort physica, natuurkunde. De natuurkunde zoekt de wetten der redelooze wereld, de zedenleer de wetten der redelijke wereld; hoe handelt van nature het met verstand begaafde schepsel, de mensch.
Niet alleen in het opzetten der vraag, ook in de uitwerking van het probleem gaat Grotius niet hen mede. Niet gelijk voor Hobbes is volgens hem de mensch een egoïstisch wezen, neen de mensch is sociaal en redelijk.
Het sociaal zijn van den mensch berust voor hem gelijk voor Cicero, op het idee eener algemeene broederschap tusschen de menschen onderling, en evenals voor dezen laatste volgt daaruit, dat het een gruwel is, elkander kwaad te doen, wijl dit tegen onze natuur is. Het was de omwerking van Aristoteles' gezegde, later door St. Thomas overgenomen: Homo est animal sociale.
Grotius verbetert Cicero, als deze laatste wil, dat onze goedgezindheid niet verder gaat, dan tot degenen, die ons geen kwaad doen. Ook tegenover zeeroovers bijv. gelden de sociale plichten. [222]
Dat er niet slechts tusschen, de menschen, maar ook tusschen God en den mensch, een "societas" is, ook dit had Cicero reeds beweerd. Est igitur, quoniam nihil est ratione melius, exque in homine et in Deo, primo homini cum Deo societas. [223]
Dat de rede den mensch meer dierbaar moet zijn dan zijn lichamelijke geneigdheden, verkondigden ook zij; de voldoening onzer lusten is slechts goed, in zooverre zij redelijk is. [224] Dezelfde plaats als bij Grotius, bekleedt God in de leer der Romeinsche Stoa over het natuurrecht.
Ook toen reeds had men ingezien, dat het voor het praktisch leven, niet voldoende was al begreep de mensch, dat het redelijk en goed, dat het door zijn natuur gewild, en plicht was gezellig samen te leven met die van zijn geslacht waren, en er tevens een daarmede samenhangende natuurlijke sanctie was van het recht; een hoogere sanctie was noodig en men vond die bij God. Hielden sommigen, dat de natuurwet een goddelijke wet was, dewijl zij de natuur vereenzelfdigde met God, anderen, ofschoon erkennend, dat de Schepper onderscheiden was van zijn schepping, zagen in de natuurwet een goddelijke wet, wijl de Schepper bij de schepping gewild had, dat zulke beginselen in ons waren, Hij had ze ons immers gegeven.
Het is niet te verwonderen, dat Grotius in zijn theoriën over privaat-eigendomsrecht, [225] over rechten en plichten van onderdanen en oversten, over strafrecht, enz. de zienswijze van het neo-stoicisme deelen zal. Deze theorieën immers waren slechts de logische toepassing van algemeene beginselen op bijzondere onderwerpen.
Om een enkel voorbeeld te noemen. Zoo beschouwde ook Cicero, [226] het privaateigendomsrecht, als een "lex humana"; welks ontstaan hij beschrijft met bijna dezelfde woorden als de Groot. Cicero en Grotius met hem, besluit daaruit, dat het privaateigendomsrecht daarom, gelijk elke door een menschelijken wil geworden wet, dient verklaard te worden, uit hetgeen men redelijker wijze denken kan, dat degenen wilden, die deze wet invoerden. Den wil der instellers dezer wet nasporend, komen zij dan tot het besluit, dat sommige niet echter alle zaken, toeeigenbaar zijn, dat er voor allen een zeker recht blijft, ook op de als privaat goed bezeten zaken, in zooverre dit recht overeen te brengen is met het recht van den eigenaar,--dat in geval van uitersten nood het privaateigendomsrecht ophoudt te bestaan.
Cicero, Seneca en Plato kennen, om dezelfde reden als Grotius, allen de bevoegdheid toe te straffen. Allen willen van nature de gemeenschap, en hebben dan ook recht op de noodige middelen tot instandhouding der gemeenschap, waaronder valt het toepassen van straf.
"Nihil est homini utilius homine altero" zeide Cicero, en bewees daaruit, dat de een mocht straffen ter wille van den anderen. Dat het straffen om te straffen, enkel uit wraakzucht slecht was, leerden reeds de romeinen [227],--zij achtten de doodstraf rechtvaardig, zelfs ooit als correctioneele straf, dewijl het ooit beter kon zijn voor den schuldige te sterven dan te leven, dan n.l. als geen beterschap maar nog iets erger te vreezen was;--zij spoorden de strafrechters aan de straf, uit liefde voor den schuldige, tot een minimum te reduceeren.
Wat Grotius' staatsleer betreft, ook hier is de invloed van het neo-stoicisme goed merkbaar.
De bepaling van wat de staat is, vindt Grotius bij Cicero: "Fruendae justitiae causae reges esse institutos" [228]
Ook volgens Cicero is de souvereine macht niet altijd bij het volk; het volk kan zich aan anderen onderworpen hebben. En hij geeft bijna dezelfde reden aan, waarom een volk zich aan anderen onderwerpt als Grotius. [229]
Seneca had reeds de drie regeerings vormen beschreven, zoo goed als Aristoteles: Interdum populus est, quem timere debeamus; interdum, si ex civitatis disciplina est, ut plurima per senatum transigantur, gratiosi in ea timentur viri; interdum singulis quibus potestas populi in populum data est. [230] Grotius vindt het een waar gezegde, het gezegde van Cicero: mihi pax omnibus cum civibus bello civili utilius videtur, en zegt daarom met den laatste, dat noodweer en zelfverdediging slechts zeer zelden, ja, buiten gevallen van al te diep ingrijpende rechtsverkrachting, bijna nooit geoorloofd is. [231]
Grotius' leer over de verhouding van Kerk en Staat, blijkt eveneens in nauw verband te staan met de leer van het oude Rome. Hij zag het bovennatuurlijk karakter der kerk over het hoofd, en daarmede, dat haar rechten hooger staan, dan de rechten van den staat. Dit zoodanig beschouwen van den godsdienst, wekt geen verwondering. De aanhangers van Luther en Calvijn, noemden Erasmus en zijne partijgenooten, waartoe ook Grotius behoorde, niet zonder grond "Libertijnen", zooals wij reeds boven opmerkten. Zij hadden de moederkerk niet verlaten om een nieuw dogma aan te hangen, een dogma gegeven door Luther of Calvijn, maar om vrij te zijn, om een natuurlijken godsdienst, op de rede gegrond, en daarom door niemand te loochenen, op te bouwen. Ook dit werken vond zijn verklarende oorzaak in het humanisme, en staat onder den invloed der heidensche wijsbegeerte.
#De verdiensten van Hugo de Groot#
Laat het waar zijn, dat Hugo de Groot in zeer nauwe betrekking staat tot de romeinsche Stoa, en van hen bijna alles overneemt,--bijna alles, want het christen geloof, dat Grotius belijdt, heeft invloed op zijn begrippen, [232] maar deze invloed is slechts secundair,--dit sluit nog niet in, dat zijn naam niet met eere zou kunnen genoemd worden in de geschiedenis der wetenschappen.
Ook wij meenen, dat Grotius' werkelijke verdiensten niet gering zijn. Inderdaad men moet hulde brengen aan Huig de Groot, "le jurisconsulte du genre humain" gelijk Vico hem noemt.
Waarom echter?
Wij zijn het niet eens met Glafey [233], voor wien Grotius' grootheid hierin bestaat, dat hij zoowat het eerst iets wetenschappelijks te berde bracht over natuur-en volkenrecht. Alles wat de scholastieken gezegd hadden over deze onderwerpen, had, volgens zijn bewering, volstrekt geen waarde. Wat de oudheid hierover ons naliet, was van weinig beteekenis.
Schmausz [234], Van Kaltenborn [235], Nijs [236] en Gierke [237] hebben de meening van Glafey voor eens en voor goed weerlegd; zij bewezen, dat de geschiedenis der rechts-en staatswetenschappen, zelfs die van het volkenrecht, van vóór Grotius dateert.
Er was een Thomas geweest, een Ferd. Vasquez, [238] een Suarez; [239] Molina [240], Leon-Lessius [241], Didacus Covarruvias [242] Dominicus Soto, [243] Albertus Bolognetus [244]. Vóór Grotius schreef reeds Melanchton [245], Stephani, [246] Meissner [247], Oldendorp [248], Wincler [249], Hemmingius [250], Jean Bodin [251], Althusius om enkele der meest bekenden te noemen, uit de middeleeuwen en den vóór-grotiaanschen tijd.
"Die controverse, ob und wie weit," gelijk Gierke [252] zegt, "Wille (voluntas) oder Vernunfteinsicht (intellectus), die eigentliche Substanz des Naturrecht und darum zuletzt alles rechtes ist," bestond reeds vóór Grotius. Zulke discusies bewijzen toch wel, dat men zeer ernstig nadacht over het natuurrecht, en dat er aangehouden begrippen bestonden omtrent zijn aard en wezen. Met scherpte waren reeds de voornaamste stellingen der staatsleer omlijnd geworden.
Zoo wat de theorie van het staatsverdrag betreft, die ten grondslag ligt aan Grotius' staatsleer, ook zij was door Grotius' voorgangers uitgewerkt.
Het is in de 16e eeuw vooral, dat deze theorie, reeds vroeger door enkelen verdedigd, haar rol begint te spelen, en de gedachten beheerscht. Vooral aan Althusius was het te danken.
De burgerlijke gemeenschap, de staat, berust voor dezen, op een daad van den menschelijken wil; die daad splitst zich in twee "in die beiden Glieder des Gesellschaftvertrages", gelijk Gierke [253] zegt, "und des Herrschaftsvertrages".
Is er eene wettige staatsmacht, dan is er een overheidscontract vooraf gegaan. Dit volgde uit zijn beginsel: alle recht der overheid kan zich alleen gronden op een vrijwillige en contractueele onderwerping der gezamelijke onderdanen.
Geen heerschappij is rechtmatig, tenzij die, welke "legitimo et ordinaris jure a populo et communitate manasse constat" dit hield ook Suarez (III c. 4.) en met hem vele anderen. [254]
Met Grotius en Puffendorf, werd deze leer een vaststaand dogma; de strijd ging voortaan slechts over de beteekenis van dit verdrag van volk en overheid, en zijn omvang. De overheid kreeg door deze overeenkomst absolute macht, beweerden sommigen, terwijl anderen er hunne leer over volkssouvereiniteit meenden uit te kunnen afleiden.
Zoo waren de door hen algemeen aangenomen stellingen de volgende.
Het geheel, het volk, draagt zijn bestieringsrecht aan een ander over, contraheert, moet dus zijn een zedelijk persoon, bekwaam om een verbintenis aan te gaan. Hoe is nu de menigte een éénheid on wel een zedelijke eenheid, die "sui juris" is? Door een onderlinge overeenkomst om samen te leven,--door een sociaal verdrag. Zoo was de staat een dubbele persoonlijkheid, één geworden door een verdrag; de staat was het volk èn de overheid. Eerst Hobbes critiseerde dit dualisme.
Was de staat het verdrag tusschen overheid en volk, dan moesten ook de contracteerende partijen blijven; zoolang zij bleven, bleef de staat; men nam aan met Seneca "Manet idem fluminis nomen, aqua transmissa." Het volk is als een onsterfelijk, bij het komen en gaan zijner leden, identisch voortbestaand geheel.
Rousseau schrapte uit zijn staatsleer het onderwerpings-verdrag en stelde daarmee een revolutionnaire daad.
Om terug te komen bij Grotius, heeft hij iets anders gedaan, dan deze leer opgenomen in zijn systeem?
Wat het volkenrecht aangaat, hierover zegt E. Nijs:
L'Italie avec ses juristes, et ses diplomates, l'Espagne avec ses grands scholastiques et ses fonctionaires de la puissante monarchie de Charles-Quint, la France avec ses nobles initiateurs qui ont nom, Honoré Bonet et Christine de Pisan, l'Angleterre avec ses légistes de la couronne fondent véritablement le droit des gens modernes. Et en effet, il faut se garder de la dater de Grotius. [255] Wij kennen een Victoria een Suarez, een Alberic Gentilis [256], en een breede rij van schrijvers over het recht van den oorlog.
Victoria had het volkenrecht reeds nader bepaald. Hij zegt: "quod naturalis ratio inter omnes gentes constituit, vocatur jus gentium."
Suarez had het zeer nauwkeurig bepaald. "Humanum genus," zoo schrijft hij, quantumvis in varios populos et regna divisum, semper habet aliquam unitatem non solum specificam, sed etiam quasi politicam et moralem quam indicat naturale praeceptum mutui amoris et misericordiae, quod ad omnes extenditur, etiam extraneos et cujus cumque nationis. Quapropter, licet unaquaeque civitas perfecta, respublica aut regnum, sit in se communitas perfecta et suis membris constans, nihilominus quaelibet illarum est etiam menbrum aliquo hujus universi, prout ad genus humanum spectat; nunquam enim illae communitates adeo sunt sibi sufficientes sigillatim, quin indigeant aliquo mutuo juvamine et societate ac communicatione, interdum ad melius esse majoremque utilitatem, interdum vero etiam ob moralem necessitatem et indigentiam, ut ex ipso usu constat. Hac ergo ratione indigent aliquo jure, quo dirigantur et recti ordinentur in hoc genere communicationis et societatis. Et quam vis magna ex parte hoc fiat per rationem naturalem, non tamen sufficienter et immediate quoa omnia; ideoque aliqua specialia jura potuerunt usu earumdem gentium introduci. Nam sicut in una civitate, vel provincia consuetudo introducit jus, ita in universo humano genere potuerunt jura gentium moribus introduci. Eo vel maxime quod ea quae ad hoc jus pertinent et pauca sunt et juri naturali valde propinqua, et quae facillimam habent ab eo deductionem adeoque utilem et consentaneam ipsi naturae, ut licet non sit evidens deductio tamquam de se omnino necessaria ad honestatem morum, sit tamen valde conveniens naturae et de se acceptabilis ab omnibus." [257]
Het verraadt dus wel een volslagen onkunde van den vóór-grotiaanschen tijd, Grotius te beschouwen als den eerste, die nadacht over natuur-en volkenrecht.
Zijn wij het niet eens met Glafey, wat sommige anderen in den laatsten tijd over de Groot gezegd hebben, zouden wij evenmin willen onderschrijven.
D'avoir fait de la raison un instrument de déduction scientifique en matière de morale et de droit, is volgens sommigen, gelijk E. Descamps [258] zegt, Grotius' verdiensten. Men vergeet dan echter, gelijk dezelfde schrijver opmerkt, dat ook de scholastieke doctors dit procédé kenden, en, wat meer is, toegepast hebben.
Pradier-Fodéré en Basdevant hebben een andere ontdekking gedaan.
Ni Bodin, zoo zegt de eerste, [259] ni Bacon n'avaient soupçonné la question du droit naturel et n'avaient tenté une explication philosophique de la nature humaine.
Poser la question du droit naturel, c'était ni plus ni moins se mettre en face de la théologie et en guerre avec elle. Il fallut pour cette oeuvre une époque de lutte et de liberté religieuse, le temps de Selden et de Grotius. Il ne faut pas croire cependant, que Grotius ait voulu isoler l'homme de Dieu, et méconnaitre l'autorité qu'excerce dans la vie humaine et dans l'histoire la religion, qui est la metaphysique des nations.
J. Basdevant [260] schrijft: Grotius dégage le droit naturel de la théologie et de la métaphysique. Il en fait matière à une étude scientifique sur la nature sociable de l'homme. C'est parce qu'il s'est attaché à cette conception et l'a répondue dans les esprits, qu'il a été considéré comme père du droit naturel.
Of hier de werkelijke verdiensten van de Groot zijn aangegeven? Ik zou het betwijfelen.
Was het waar, dat Grotius de eerste was, die een wijsgeerige uitlegging beproefde van de menschelijke natuur; was het waar, dat hij vóór alle anderen op de gedachte kwam het natuurrecht nu eens wijsgeerig te behandelen; dan, ja, kon Grotius, ook afgezien van de deugdelijkheid zijner philosophie, aanspraak maken op de erkentelijkheid van het menschelijk geslacht.
Maar zoo men zulks beweert, ziet men het wijsgeerig werken der middeleeuwen op dit gebied over het hoofd. En nu kan het wel gebeuren, dat men de beschouwingen der "school" over het natuurrecht theologische en metaphysische beschouwingen meent te moeten noemen, en geen wijsgeerige. Dit echter zou berusten op een wanbegrip. Want vooreerst al behandelden de scholastieken het natuurrecht bij gelegenheid van de theologie, daardoor is het nog niet zeker, dat zij dat onderwerp niet philosophisch, maar theologisch behandelden.
Kaltenborn heeft zich ongetwijfeld vergist, als hij zegt, dat men het natuurrecht aannam, alleen op grond van een schriftuurtekst. Wil men de Summa Theologica van St. Thomas openslaan, dan wordt het voor elkeen, die zien kan, duidelijk, dat er neven theologische gronden, ook wijsgeerige gronden worden aangegeven, en dat deze zelfs de grootste plaats innemen. Men verwarde geen philosophie met theologie, of liet de eerste niet opgaan in de tweede, men onderscheidde deze twee wetenschappen, versmaadde echter niet het licht der openbaring, ook in de wijsbegeerte.
Dat verder de philosophische verklaring van 's menschen natuur, onphilosophisch zou worden, zoo men er de metaphysiek bij te pas brengt, och ja, dit is het subjectieve oordeel der positivisten, dat men zou moeten bewijzen waar te zijn ook in de objectieve wereld.
Ik geloof liever, hetgeen Fonsegrive schrijft: La métaphysique supprimée la morale ne peut être qu'une physique des moeurs. [261]
Het gaat dus niet op, de Groot als den vader van het natuurrecht te beschouwen, op titel van deze stof het eerst wijsgeerig te hebben behandeld. Beter noemde men hem eenvoudig den "epocheman", den baanbreker, voor een nieuwe wijsgeerige richting.
Wat een andere bewering betreft, deze nl., dat de Groot de scheiding van moraal en recht wel niet voltrokken zou hebben, maar toch onder de voorloopers van Thomasius en Kant zou zijn te rekenen, ook dit is onwaar; want de Groot wil, dat ook de rechtsplichten van den mensch ethische plichten zijn. Men misdoet in geweten, als men ingaat tegen zijn sociale natuur; en ook hij zegt, dat men kan spreken van rechtvaardigheid, een deugd van den wil, om een ander te geven wat hem toekomt, en van het recht in objectieven zin, als hetgeen wat iemand toekomt. [262]
Welke zijn dan wel Grotius' verdiensten?
Met recht kan men hem noemen den vader van natuur- en volkenrecht, mits men deze woorden in een bepaalden zin opneme. Als men daardoor versta, dat Grotius het natuur-en volkenrecht heeft verheven tot den rang eener afzonderlijke wetenschap. Als men, gelijk Meyer [263] zegt, door Grotius vader te noemen van natuur-en volkenrecht, meer denke aan den vorm, waarin hij die zaken heeft voorgedragen, dan aan die zaken zelf.