# Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/hugo-de-groot-en-zijn-rechtsphilosophie-11591/index.md

Waarom zijn deze dingen goed volgens de natuurwet? Ziehier de reden; het goede is wat verlangd wordt, wat doelwit kan zijn, het kwade is, wat men niet wil, daaruit volgt, dat al hetgeen waartoe de mensch van natuur geneigd is, door de rede als goed wordt aangezien, en daarom met de daad te verwezenlijken, en het tegenovergestelde als kwaad en daarom te vermijden. Daarom volgen de natuurgeboden de orde der natuurlijke geneigdheden; en zoo komt op de eerste plaats, dat de mensch, gelijk elk wezen, zijn zelfbehoud zoekt; vervolgens als zinnelijk wezen voortplanting van zijn geslacht; daarna als redelijk wezen, "quod veritatem cogneoscat de Deo, et ad hoc quod in societate vivat." [177]

Of alle deugdzame handelingen onder de natuurwet vallen? Hierop antwoordt St. Thomas: In zekeren zin, ja. Want tot de natuurwet behoort al hetgeen, waartoe de mensch gedreven wordt door zijn natuur.

Van nature nu is elk wezen geneigd tot een doen overeenkomstig zijn vorm: De redelijke ziel is het vormelijk zelfstandigheids-beginsel van den mensch, en daarom is iedere mensch van nature geneigd te handelen volgens zijn rede en verstand; en dit is het deugdzame handelen. "Principium enim formale virtutis, ... est rationis bonum." [178]

Men begrijpt uit dit laatste, dat de mensch de natuurlijke geneigdheden zijner lagere krachten te bestieren heeft volgens rede en verstand.

Men zal zich nog afvragen, waarom niet elke verkeerde en zondige handeling, in de leer van St. Thomas zonde is tegen de natuur? Het antwoord is: zonde tegen de natuur, is een bijzondere naam, die vergrijpen aangevend, die in strijd zijn met hetgeen den mensch niet slechts als redelijk wezen past, maar zelfs als zinnelijk wezen. [179] Hieruit blijkt ook waarom men ooit zeide, de natuurwet is, "quod natura omnibus animalibus docuit." De bedoeling dezer woorden begreep Grotius niet, gelijk men kan zien. blz. 57.

Wij hebben gezien, wat de Scholastiek over de natuurwet dacht, en over haar verhouding tot God. Wat denkt Grotius hierover?

Wij weten het reeds, uit hetgeen wij boven gezegd hebben omtrent Grotius' begrippen over het natuurrecht.

Hoeveel punten van overeenkomst er zijn te bespeuren tusschen Grotius en St. Thomas, zal een aandachtige lezing van de door ons hier geciteerde texten van St. Thomas, en van de Jure Belli ac Pacis van den anderen kant doen zien.

Wonderlijk is het, hoe bij zooveel overeenstemming, beider gedachten hemelsbreed kunnen verschillen. En de reden daarvan? Een feit, neem het sociaal en redelijk aangelegd zijn van den mensch, wordt vruchtbaar, geeft recht tot verdere gevolgtrekkingen, door vooraf aangenomen beginselen. Deze nu verschillen hemelsbreed bij St. Thomas en de Groot. De laatste wilde met behulp dezer feiten, door niemand te loochenen, eene moraal en rechtsleer construeeren, die autonoom was, die op zich zelve stond, en daarom passend was in elk systeem, voor allen, welke wereldbeschouwing zij ook huldigden. [180] Het middel meende Grotius te vinden in het princiep: volgens zijn natuur leven is goed leven.

Het was het beginsel der romeinsche oudheid.

Zij, die aan het bestaan gelooven van een Schepper van hemel en aarde, die zich bekommert om zijn schepping, moeten tegelijkertijd aannemen, dat het ook Gods wil is, te leven gelijk van nature onze geaardheid is. Een ander idee heeft de Groot niet van de "lex aeterna", door hem zeker bij name gekend.

* * * * *

Dat ook de stellige wet in een nieuw licht voor Grotius verschijnt, is een gevolg van het voorgaande.

En de positieve menschelijke wet, en de positieve goddelijke wet is noodzakelijk naar St. Thomas, meening. De positief-menschelijke wetten zijn niet alleen nuttig, zij zijn noodzakelijk; èn ter verklaring en toepassing der natuurwet voor het praktische leven èn om de onwilligen door straf te dwingen, de maatschappelijke orde te bewaren. Homini naturaliter in est quaedam aptitudo ad virtutem (q. 53 art. 1.) Sed ipsa virtutis perfectio necesse est, quod homini adveniat per aliquam disciplinam. [181]

De positief-goddelijke wetten zijn noodig, om den mensch te bestieren op zijn weg naar een bovennatuurlijke bestemming. [182]

Of de positief-goddelijke en de positief-menschelijke wetten noodig zijn volgens Grotius? De strafwet is zeker nuttig, is zij echter noodzakelijk? Neen, want ook in dien toestand, waarin een ieder als strafrechter kan optreden, is nog mogelijk een maatschappelijk leven. Nuttig zijn ook de andere positieve wetten, maar om dezelfde reden als zoo even genoemd, zijn ook deze niet noodzakelijk.

Denkbaar is het, dat de menschen in een natuurtoestand, d. i. onafhankelijk van elkander levend, de natuurwet onderhouden, redelijk zijn in hun handelingen, en sociaal; maar waarom zijn dan nog positieve wetten noodig? Noodig zouden deze kunnen zijn, in geval de menschen verplicht waren tot de societeit in den strengen zin des woords, en tot het goed der gemeenschap, het "bonum commune"; dan immers was een meer bijzondere, niet uit de natuur van den mensch voortvloeiende richting, ordening van 's menschen doen naar het goede van het geheel, noodzakelijk. Deze verplichting ontkent echter de Groot.

Evenmin als positief-menschelijke wetten, zijn positief-goddelijke wetten noodzakelijk, naar Grotius' meening. Dit vindt zijn verklaring hierin, dat de Groot de begrippen van St. Thomas omtrent een bovennatuurlijke orde, en een de menschelijke krachten te boven gaande eindbestemming, niet huldigt.

Om terug te komen bij de menschelijke wetten, wat zijn zij voor hem.

Dat de positieve wet een uitlegging of toepassing zijn zou der natuurwet in de wisselende omstandigheden des levens, dat de positieve wet noodzakelijk zijn zou om den mensch, die in het algemeene geleid wordt door de natuurwet, te leiden in het bijzondere, in het praktische leven, hieraan denkt Grotius dan ook niet meer. De positieve wet voor hem is het willekeurig verplichtend maken van datgene, wat op zich zelf te doen goed, maar ook niet te doen, geen kwaad was en omgekeerd.

De mensch, zoo redeneert hij, heeft dikwijls een speelruimte voor zijne vrijheid op zedelijk gebied. Want al is de mensch, als redelijk wezen, verplicht zedelijk te handelen, dat zedelijk of "eerlicke" handelen, bestaat niet altijd als in één ondeelbaar punt; en daarom is iedere afwijking ter rechter of ter linker nog niet immer een onredelijk, en bijgevolg anti-natuurlijk handelen. Naar believen kan de mensch in zulk geval het een of het ander kiezen, Die vrijheid na, die bevoegdheid kan hij afstaan aan anderen, of kan hem ontnomen worden door God, of, ter wille eener misdaad, door den mensch. Zoo ontstaat de overheid, die zoo zij wil, kan zeggen, welke van die goede daden den mensch te doen, welke hij te laten heeft; de overheid kan en neemt de taak over, die de nu onderdaan gewordene, vroeger zelf had.

De menschelijke wetten, d.i. "istae particulares dispositionis adinventae secundum rationem humanam" [183] verdeelt St. Thomas met Isidorus, in "jus gentium" en "jus civile" [184]. Datgene wat uit de natuurwet wordt afgeleid, gelijk een gevolgtrekking uit een beginsel, is het "jus gentium", "ut justae emptiones, venditiones et alia hujusmodi", terwijl de meer bijzondere bepalingen omtrent voorschriften van het natuurrecht, den naam dragen van burgerlijk recht. [185]

Wat voor St. Thomas in zekeren zin tot de "lex humana" behoort, het "jus gentium" of de algemeene gevolgtrekkingen af te leiden uit de natuurwet, behoort voor de Groot tot het natuurrecht zelve. Dit verschil van opvatting berust hierop, dat volgens Grotius door onze natuur is voorgeschreven of verboden, al datgene wat volgens de uitspraak van ons verstand, overeenkomstig is of in strijd met onze geaardheid. De bepaling der natuurwet, gelijk hij die geeft, kan men boven vinden.

St. Thomas zag in de natuurwet een "principium actionis", wel een uitwendig beginsel, maar een beginsel was zij; daarom was voor hem natuurwet slechts datgene, wat van nature in den mensch lag, datgene waarheen de mensch zich van zelf getrokken voelde, wijl het de natuurlijke werking was zijner faculteiten, terwijl het niet van nature gevoelde goed of kwaad zijn eener handelwijze, maar door het vergelijken en overeenbrengen dier handeling met een natuurlijk geziene goede handeling, dus door redeneering het "jus gentium" vormde. Daarom had het jus gentium eenigszins kracht van natuurwet. [186]

* * * * *

Van het recht in strikten zin kan men wel geen beter omschrijving geven, dan die van Pottier. [187] Een zedelijke praeferentie, zoo noemt hij het recht, waardoor iemand de voorkeur heeft, met uitsluiting van alle anderen, in het gebruik eener zaak en die op de bijzondere betrekking berust, waarin die zaak staat tot hem.

Op dezelfde wijze als Pottier denken ook Grotius en St. Thomas zich het recht, in dezen strikten zin. Enggenomen recht, zegt de eerste, is het opzigt dat daer is tusschen een redelijk wezen en iets dat op het selve past, door waardigheid ofte toebehooren. [188] St. Thomas zegt: jus sive justum est aliquod opus adaequatum alteri secundum aliquem aequalitatis modum. [189]

Voor beiden is eveneens het recht, het jus, het voorwerp van de deugd van rechtvaardigheid. "Jus est objectum justitiae" aldus St. Thomas [190]. Rechtvaardigheid is een deugd van den wil om te doen wat rechtmotig is, aldus Grotius [191].

St. Thomas wil verder, dat iets iemand kan toebehooren, ofwel uit den aard der zaak zelf [192] ofwel "ex condicto, sive ex communi placito."

Iets kan van nature iemand toekomen, zegt St. Thomas. Hier echter maakt hij noch een onderscheid. "Secundum absolutam sui considerationem" kan iets ooit iemand toebehooren; en in dit geval spreekt hij van "jus naturale" [193].

Iets kan iemand toebehooren, wel niet op de zooeven genoemde wijze, maar secundum aliquid quod ex ipso sequitur. In dit geval, spreekt St. Thomas van "jusgentium" [194]. Tegenover het "jus naturale en het jus gentium" staat dan het "jus positivum" (aliquid commensuratem alteri ex condicto etc.)

In dit laatste gaat de Groot niet heel en al met St. Thomas mede. Hij maakt geen onderscheid, tusschen natuurlijk recht en jus gentium. Zien wij dit echter over het hoofd, en vragen wij ons af, waarop voor beiden de rechtsorde der menschen onderling berust.

Om de vraag een eenvoudige vorm te geven; Evenals de mensch, zoo heeft ook het dier het leven, den mensch evenwel mag ik niet dooden, het dier echter wel. Vanwaar dit onderscheid? Volgens Grotius moeten wij onzen evenmensch laten, wat hij heeft en geven wat hij hebben moet, om rede wij van nature sociaal zijn. Uit den socialen zin van den mensch volgt voor hem het recht.

St. Thomas beschouwt deze kwestie van uit een ander gezichtspunt.

Als beginsel zet hij op, dat alle dingen gebruikt mogen worden voor hetgeen, waarvoor zij dienen. [195]

Waarvoor dient de mensch?

Dat het goede wat de mensch heeft, hem niet gegeven is ten voordeele en ten bate van de andere menschen, gelijk dit het geval is met de redelooze wereld, wier goed bestemd is, en hun gegeven is ter wille van den mensch, deze stelling leidt St. Thomas hieruit af, dat de mensch is een intellectueele zelfstandigheid, en dus dicht komt bij het altijd zijn; de mensch is naar zijn ziel onsterfelijk. Want, zoo zegt hij, wat iemand op zich zelf wil, wil hij altijd; quod enim propter se est, semper est. Daarom moet God, die den mensch een onsterfelijk wezen wilde, hem ook op zich zelven gewild hebben. Niet gelijk de dieren en de lagere wezens, die slechts komen en gaan en daarom niet voor zich zelf gewild zijn, maar voor de andere wezens, wilde God dus den mensch, maar Hij wilde hem op zich zelf.

Dit alles sluit echter niet uit, zoo voegt St. Thomas er bij, dat de mensch verder bestemd is voor God en de volkomenheid van het geheel. [196]

De conclusie, die St. Thomas hieruit trekt is deze: Volgens Gods ordinantiën is de onderlinge verhouding der menschen een vreedzame, waarin ieder zelfstandig aan zijn eindbestemming kan werken, en deze is mogelijk wanneer aan eenieder het zijne gegeven wordt. [197]

Alhoewel Grotius derhalve het begrip recht even gelijk de school, binnen de grenzen van het zedelijke, vindt, alhoewel hij bijna met dezelfde woorden, als de Baets, zou kunnen zeggen, dat het recht, in een subjectieven, zin genomen, is "ce pouvoir d'acquérir sa destinée, s'y conduisant par sa raison et sa volonté, de disposer par conséquent, par ces mêmes facultés, des moyens nécessaires à cet effet; c'est le pouvoir moral qu'on appelle le droit"; [198]--is er toch een diepgaand verschil tusschen de leer van de Groot en van de school over de bron van het recht.

Daaruit nu volgt weer, dat de school een ander standpunt inneemt dan Grotius, in het bepalen van wat recht is.

Voor de Groot is recht, wat niet in strijd is met de sociale natuur van den mensch, terwijl voor St. Thomas de mensch recht heeft op datgene, wat hem noodig is om zijn einddoel te bereiken en in staat is recht te hebben op datgene, wat voor dat doel nuttig is.

Want zoo zegt met recht de Baets, l'homme n'a pas seulement le droit de tendre a sa fin le droit de vivre, de penser, de vouloir. Il peut avoir des droits plus déterminés, le droit de propriété sur telle maison, le droit de travailler chez tel patron, etc.

Ces droits et tous les autres, ne sont que des manisfestations concrète du droit général a l'existence et à l'acquisition de sa fin. Ces déterminations doivent provenir du fait. [199]

C'est grâce à ces données de fait, que tel homme a droit à telle chose déterminée.

Zien wij nu, hoe deze verschillende zienswijze over de bron van het recht, bij Grotius en de school, oorzaak is van het verschil hunner theoriën over het privaateigendomsrecht, en den staat.

* * * * *

Het privaat eigendomsrecht en de staat hebben volgens Grotius een gemeenzame eigenaardigheid. Beiden zijn menschelijke instellingen, die geen natuur- maar positief-rechtelijk karakter dragen.

De Groot verschilt weer in meening met St. Thomas. Op de eerste plaats, wat betreft het privaat-eigendomsrecht. Voor dezen laatsten is er sprake van "jus sive justum naturale" wanneer iets uit zijn aard een ander toekomt of op hem past. [200]

Op twee wijzen kan nu iets uit zijn aard een ander toekomen. Zoo maar zonder meer, alleen de zaak waarover het gaat, op zich zelf beschouwend, kan het ooit duidelijk zijn, dat iemand recht heeft op die zaak, het kan evenwel gebeuren, dat men het behooren van iets aan iemand, niet maar zoo direkt kan opmaken uit het wezen der zaak, waarover het gaat, maar wel uit hetgeen zou volgen, zoo die zaak niet aan deze of gene behoorde.

Redeneeren kan alleen de mensch en daarom noemt St. Thomas het behooren van iets aan iemand, om de gevolgen, die er uit voortvloeien, het "jus gentium" en als voorbeeld hiervan geeft hij "proprietas possessionum". Er is geen reden, waarom de akker, die daar ligt meer aan mij toekomt dan aan een ander, zoo men nl. die akker op zich zelf beschouwt;--wel echter zoo men er aan denkt, dat die akker bebouwd en wel goed bebouwd moet worden. [201]

Als iemand iets van nature toekomt op de eerste manier, noemt St. Thomas, dat toebehooren, een "jus naturale" in den striktsten zin des woords. Redeneeren is dan niet van noode. [202]

Wat de staat betreft, ook deze heeft voor St. Thomas een natuurrechtelijk karakter; d.w.z, dat de staat, het leven in een staatsgemeenschap, den mensch past gelijk de "commixtio maris et feminae". De mensch, zoo zegt hij, is van nature niet zoo goed toegerust voor den levensstrijd als het dier, en daarom moet hij het middel, dat in zijn bereik ligt, en geëigend is om hierin te voorzien, den staat, gebruiken; en heeft hij van een anderen kant, een natuurlijk recht, dat middel te gebruiken. [203]

Waarom zijn volgens Grotius in tegenstelling met de scholastiek zoowel de staat als het privaat-eigendomsrecht positief-rechterlijke instellingen? De oorzaak is weer te zoeken in beider beginselen. De Groot meent natuurrecht te moeten noemen, datgene, wat gevorderd wordt door of in strijd is met de redelijke en sociale natuur van den mensch en de rede heeft hier uitspraak te doen.

St. Thomas echter noemt natuurrecht de van nature nagestreefde harmonische ontwikkeling van den mensch en zijn faculteiten, als een geheel beschouwd, en onder een ander opzicht, de zedelijk onschendbare bevoegdheid, die de mensch heeft, om naar zijn einddoel te streven, en diensvolgens de redelijk onschendbare bevoegdheid op de daartoe noodige middelen.

Grotius meent, dat staat-en privaat-eigendomsrecht niet tegen de redelijke en sociale natuur van den mensch ingaan; maar dat zij noodzakelijk gevorderd worden voor het welzijn van den mensch en van het geheel, komt niet in zijn gedachte op. Zij zijn nuttig ja, maar noodig?

Wat is noodig, wat is goed of kwaad? Alleen wat aan het individu als redelijk en sociaal wezen past, dat is verstandig, met oordeel handelen en welwillend, niet ten nadeele handelen der anderen, hun niet ontnemen wat zij hebben. Al is de staatgemeenschap, eenmaal aangenomen dat de menschelijke natuur zoodanig is, een voor den mensch noodzakelijk iets, hieruit volgt voor de scholastiek niet, dat de staat die werkelijk bestaat alle positief-rechterlijke elementen uitsluit. Neen. De mensch vindt in de burgerlijke gemeenschap een onmisbaar middel om tot zijn doel te komen, maar hij is vrij in deze of die burgerlijke gemeenschap in te treden.

Wat de verhouding der afzonderlijke personen betreft, ten overstaan der gemeenschap of der, het gemeenebest vertegenwoordigende overheid, volgens de Groot is deze rechtsverhouding af te meten naar het contract, dat bestaat tusschen de individuen en het geheel of tusschen afzonderlijke personen en de overheid. Dat het zoodoende mogelijk is, dat een volk totaal dienstbaar is aan zijn vorst, is duidelijk.

Het overheidsgezag kan zijn alleenlijk ter wille der overheid, en niet ter wille der ondergeschikten; alhoewel dit niet in den regel het geval zijn zal, zoo zegt hij.

Niet uit een overeenkomst of een contract leidt St. Thomas de rechtsmacht van den staat af en de plichten der onderdanen tegenover de gemeenschap, maar uit het wezen of den aard der burgerlijke societeit, die vast omschreven is voor hem, wijl zij is een natuurlijk en geen willekeurig iets; wijl de staat een door 's menschen natuur onafhankelijk van zijn vrijen wil aangegeven en daarom bepaald middel is tot zijn doel. [204]

De mensch is voor St. Thomas een pars, een deel der gemeenschap; het deel is onvolmaakt ten overstaan van het geheel, en zoo is de mensch voor de societeit; en daarom kan hij ter harer wille worden opgeofferd, zoo het noodig is, voor het welzijn van het geheel.

Van den anderen kant echter is de mensch een persoon, die blijft, zich niet verliest in de gemeenschap. De gemeenschap is middel voor den mensch en de mensch middel voor de gemeenschap, doch niet geheel en al terwille der gemeenschap alleen bestaat hij, gelijk de redelooze wereld alleen voor den mensch. Daaruit volgt nu, dat het staatsgezag niet kan zijn ten bate der overheid, maar dat alle gezag, is ter wille der onderdanen in hun geheel, het goed zijn van alle ondergeschikten. Het "bonum commune" is het doel der staatsoverheid.

Om hierbij een woord te zeggen over Grotius' strafrechts-theorie; hij bepaalt de straf juist gelijk de scholastiek; hij verschilt van St. Thomas in het afleiden van de bevoegdheid van den staat om misdadigers te straffen; Grotius wil, dat dit recht ontstaat door een overeenkomst; het den persoon eigen recht is afgedragen aan de gemeenschap of aan de overheid; terwijl St. Thomas meent, dat aan de overheid dit recht toekomt, omrede het een middel en wel een noodwendig middel is tot instandhouding der menschelijke gemeenschap. [205]

De zienswijze van Grotius berust weder op zijn individualisme. Alle rechten van de gemeenschap waren oorspronkelijk rechten der afzonderlijke personen; langs contractueelen weg zijn zij overgegaan. Dat de menschen levend in een natuur-toestand de bevoegdheid hadden om te straffen, berust verder voor hem op de noodzakelijkheid der straf voor het sociale leven, terwijl van den anderen kant den misdadiger geen onrecht gedaan wordt, wijl hij de straf verdiende.

* * * * *

"Gewiss", zoo schrijft W. Dilthey, "gewiss umgiebt den Melanchton, die ganze Tradition der Väter und Scholastiker.

Ihre Begriffe sind ihm bekannt. Sie werden von ihm benützt. Aber der metaphysische Zusammenhang, in welchen diese Begriffe bei den Scholastikern stehen, ist für ihn unbrauchbar." [206]

Wat W. Dilthey over Melanchton zegt, zou men met evenveel recht kunnen zeggen over Grotius.

Ook in Grotius leeft nog de traditie van vroegere eeuwen, maar ook voor hem, is de "metaphysische Zusammenhang, in welchen diese Begriffe bei den Scholastikern stehen, ... unbrauchbar;" hij kent of begrijpt dien samenhang niet meer, en daaruit is te verklaren, hoe zijn systeem, ofschoon essentieel verschillend van dat der scholastieken, toch ontelbaar vele aanknoopingspunten vertoont met het systeem der laatstgenoemden.

Het zou ons te ver voeren ze op te sommen. Op eenige kunnen wij de aandacht vestigen; Grotius beschouwt den mensch als sociaal en redelijk wezen, en bouwt op deze menschelijke eigenschappen zijn moraal en rechtsleer. Hij spreekt van een natuurwet en daarneven van een stellige wet, die een goddelijke of een menschelijke kan zijn, en die hij gelijk de scholastieken bepaalt. Bijna gelijk Grotius definieert Leonardus Lessius [207] het natuurrecht. Jus naturale, schrijft deze, dicitur, quod ex ipsis rerum naturis oritur, sive ex natura rationali.... Unde ejus rectitudo, supposita existentia naturae humanae, non pendet ex aliqua libera ordinatione Dei, vel hominis, sed ex ipsa natura rerum.

Voor Grotius is daarom de "lex naturalis" onveranderlijk, zoowel als voor de scholastieken, en hij spreekt de taal der school, als hij hare onveranderlijkheid bewijst. Daarom ook zijn er voor de Groot handelingen, die op zich zelf goed of op zich zelf kwaad zijn.

Ook in de behandeling van zijn onderwerp volgt hij de "school"; zijn methode is scholastiek. Gelijk Hely [208] ergens zegt: Grotius geeft verdeelingen tot in het oneindige, en beschouwt de vraag, die hij behandelt, uit verschillende gezichtspunten.

Dit alles was wel de reden, waarom sommigen meenden, dat Grotius heel en al meeging met St. Thomas; te meer nog wijl Grotius zich openlijk uitsprak ten gunste der "school"; wijl hij de denkers der voorgaande eeuwen bewonderde.

Grotius beoordeelt de scholastiek wel wat gunstiger dan Kaltenborn. Deze durft zeggen, "die Dialektik (der scholastiek) ist Spitzfindig und weitschweifig, ... die Darstellung unklar, unverständlich, voller Sprungs und Widersprüche." [209]

"Scholastici", zegt de Groot, "quantum ingenio valeant, saepe ostendunt: sed in infelicia et artium bonarum ignara saecula inciderunt: ejus minus mirum, si inter multa laudanda, aliqua et condonanda sunt.... Tamen ubi in re morum consentiunt, vix est, ut errent, quippe perspicaces admodum ad ea videnda, quae in aliorum dictis reprehendi possunt: in quo ipso tamen diversa tuendi studio laudabile praebent modestiae exemplum, rationibus inter se certantes, non qui mos nuper adeo litteras inquinare coepit, comitis turpi foetu impotentis animi." [210]

Als Grotius Benjamin Maurerius aanzet tot de studie van het openbare recht, en dezen de auteurs aanwijst bij zijn studie te raadplegen, is het niet alleen Plato en Cicero, maar ook Thomas Aquinatis, die onder de aanbevelingswaardige schrijvers vermeld wordt. "Neque poenitebit, ex scholastisis Thomam Aquinatem si non perlegere, saltem inspicere secunda parte secundae partis libris, quem summam theologiae inscripsit." [211]

