# Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/hugo-de-groot-en-zijn-rechtsphilosophie-11591/index.md

Het tweede behandelt de wettige oorlogsredenen. Want is de oorlog uit zijn aard niet kwaad en ongeoorloofd, kan hij rechtvaardig zijn, in welke gevallen zal hij zulks zijn? Wettige reden tot oorlog nu is een injuria facta aut non facta. Op de eerste plaats: een geleden onrecht. Het kan hersteld worden of niet hersteld worden, maar wel gestraft. Op de tweede plaats: In juria non facta. Hierop heeft betrekking noodweer en zelfverdediging, deze twee rechten worden nu het eerst besproken. Wanneer is zelfverdediging geoorloofd (§ 3-7.) Is zelfverdediging plicht? (§ 8-9). Hoever mag noodweer gaan? (§ 10-14). Is het duel geoorloofd (§ 15). Wat verder de volken betreft. Is andermans aangroeiende macht reden tot noodweer. (§ 17). Is hij die zelf oorzaak was, dat men tegen hem optrok, in zijn goed recht om weerstand te bieden? (§ 18). De oorlog is geoorloofd om een geleden onrecht te herstellen of om het te straffen. Dit vooronderstelt, dat men wete, wanneer er onrecht geleden is en daarvoor diene men nog te weten, wat het onze is of wat men ons schuldig is?

Het onze is hetgeen wij bezitten. Wij kunnen iets bezitten met anderen, of alleen m.a.w. de goederen zijn gemeengoed of privaatgoed. Welke dingen als gemeen goed zijn te beschouwen, wordt nu uitgelegd en vervolgens welke van deze goederen privaat eigendom kunnen worden (c. 2.) en op welke wijze (c. 3.) Er wordt ook nog onderscheid gemaakt tusschen een "acquisitio originaria" van zaken (c. 3.) en personen (c. 5.) en een "acquisitio derivata" (c. 6.)

Een "acquisitio derivata" is er, wanneer wij recht verkrijgen over personen of zaken door middel eener menschelijke daad of door de wet.

De overgave van het souvereiniteitsrecht en de goederen daarbij behoorend, komen hier ter sprake (c. 6.) Bij een acquisitio derivata door de wet wordt behandeld het heele erfrecht. (c. 7.)

Is eenmaal voldoende uitgelegd, hoe rechten verkregen worden en overgaan op anderen, dan moet nog worden nagegaan wanneer eigendomsrecht en overheidsrecht ophouden, (c. 9.)

Hierna volgt de uiteenzetting van de verplichting, die op anderen berust, tengevolge van het recht, dat wij hebben op iets. Wat is men ons verschuldigd? c. X is een tractaat over het restitueeren.

Na de verplichting van anderen tegenover ons als eigenaar van iets, volgt de verplichting, voortvloeiend uit beloften. Wat zijn beloften? (c. 11.) Wat is een contract? (c 12.) Welke kracht zet de eed bij aan beloften? (c. 13.) Iets speciaals komt weer bij dit alles als het personen betreft, die een souvereine macht bezitten. Hoever zijn dezen gehouden beloften na te komen. (c. 15.)

Overeenkomsten zijn verder van publieken of privaten aard, daarom dient de aandacht nog gevestigd te worden op de gevolgen van conventies tusschen volken of hunne hoofden. Hierbij sluit zich als van zelf een kapittel aan over de interpretatie, (c. 16.)

Behalve uit geoorloofde daden, n.l. doordat wij iets rechtens bezitten, of ons iets beloofd is, kunnen de verplichting van anderen tegenover ons of de rechten van ons tegenover anderen, voortvloeien uit ongeoorloofde daden, namelijk hierdoor dat een ander door zijn schuld ons een nadeel toebracht, (c. 17. § 1.) Nadeel is, dat wij minder hebben, dan wij moesten hebben, dan ons toekomt, hetzij ons iets toebehoort van nature òf door een verdrag òf door de wet.

De verplichting kan ten laatste nog voortvloeien, niet uit het natuurrecht, maar uit de positieve wet. (c. 18.) Zoo ontstaat door het volkenrecht, het ambassadenrecht, de verplichting de dooden te begraven, (c. 19.)

Een rechtvaardig oorlogsmotief is het herstellen van een geleden onrecht, maar ook die oorlog is geoorloofd, welke dient om te straffen voor een aangedaan onrecht, dat niet hersteld kan worden, en daarom geeft Grotius nu zijn theorieën over het strafrecht, (c. 20. 21.)

Na de redenen, waarom men volgens recht een oorlog mag beginnen, bespreekt Grotius de redenen, die een oorlog wel niet rechtvaardig maken, maar hem een schijn van rechtvaardigheid geven. Hij weet goed, dat men ooit ten strijde gaat zonder zelfs een zweem van recht, maar hierover zal hij niet uitweiden. Men is dan te vergelijken met wilde dieren. Zij, die den oorlog beginnen, om er eenig voordeel mee te behalen, zijn roovers.

Wat men te doen heeft, in geval er twijfel komt, of een daad werkelijk oorlogsreden is of slechts schijnbaar, wordt aangegeven in c. 23. Dan volgt nog de vermaning, niet lichtvaardig den krijg aan te vangen ook al is men in zijn recht. (c 24.)

Een kwestie, met de voorgaande verband houdend, is deze: Hij, die persoonlijk onrecht leed, is bevoegd geweld te gebruiken; maar geldt dit ook voor een ander, mag een derde in de bres springen voor den verongelijkte? Grotius antwoordt bevestigend en voegt er bij, in hoeverre men daartoe verplicht is. (c. 25.)

Vervolgens wordt nog gevraagd, in hoeverre zij, die afhankelijk zijn van iemand, op eigen gezag geweld mogen gebruiken?

Het derde boek heeft ten doel aan te geven, wat men zoo al doen mag in den oorlog. Wat is geoorloofd door het natuurrecht? Hier wordt gehandeld over de neutraliteit der niet strijdenden, over bedrog en list, gebruikelijk tusschen oorlogvoerende partijen, alsmede over de leugen en of zij op zich zelf geoorloofd is. (l.3. c.1.) Een bijzondere opmerkzaamheid verdient vervolgens de vraag: Wat is toegestaan door het volkenrecht? De publieke oorlog n.l. is ofwel solemneel of niet solemneel. Het verschil ligt hierin, dat in den solemneelen is voldaan aan zekere voorwaarden, gesteld door het volkenrecht, hetwelk ook aan de strijdvoerende partijen in een solemneelen oorlog bepalingen voorschrijft. Een dier voorwaarden is, dat aan den solemneelen oorlog moet voorafgaan een oorlogsverklaring. Wat een oorlogsverklaring is, wordt uitgelegd en daarna wat het volkenrecht bepaalt omtrent het dooden van vijanden of het gebruik van ander lichamelijk geweld; omtrent het verwoesten en plunderen; het recht op veroverde zaken en personen; het postliminium, (c. 2:9.)

Het feit, dat het volkenrecht deze rechten erkent in een oorlog, die publiek en solemneel is, ook al is hij onrechtvaardig in geweten, geeft aanleiding tot de vraag, in hoeverre men gehouden is te restitueeren voor hetgeen verkregen of misdaan is in een onrechtvaardigen, ofschoon solemneelen oorlog. Verder, wijl het volkenrecht wel iets gerecht kan maken, maar niet alles; wijl het soms slechts een onstrafbaarheid verleent van slecht zijnde en slecht blijvende daden, geeft Grotius aan, welke maat volgens plicht en geweten in het gebruik dezer rechten is te houden, zelfs in een rechtvaardigen oorlog, (c. 10 enz.)

In den oorlog kan iets gedaan worden door de strijdende partijen, maar wijl in den publieken oorlog het heele volk in strijd is, kan er ook iets gedaan zijn door de afzonderlijke personen in qualitate qua. Wat is hierover te zeggen. (c. 18.) "Of 't geoorlooft zij particulierlijck den vijant schade te doen (§ 1.) Wat den genen die op haar eyghen kosten ten kryghe dienen ... nae de inwendige rechtvaerdigheyt geoorloft zij, ten aansien der vijanden.(§2.)"

Waartoe zijn zij verplicht, die den vijand, zonder last en bevel, schade hebben toegebracht? (c. 6.) "Van trouw een gheloove onder den vijanden" handelt c. 19. Allerhande vijanden is men trouw en geloof schuldig. (§ 1.)"

Vandaar komt Grotius op de publieke trouw, de trouw, die noodig is tot het sluiten van een vredesverdrag, het einde van den oorlog (c. 20,) die andere verdragen mogelijk maakt, zooals wapenstilstand, terugkoop van gevangenen enz. (c. 21.) C. 22 behandelt de door lagere overheden aangegane overeenkomsten; de kracht der door particuliere gemaakte verbintenissen wordt beschreven in c. 23. Verbintenissen zijn vervolgens openlijk of, stilzwijgend, c. 24 behandelt deze laatste.

Hierna meent Grotius te kunnen eindigen, maar niet alvorens allen aan te sporen tot trouw aan het gegeven woord; want onderlinge trouw houdt het gemeene best en de geheele menschheid omvattende societeit in stand. Door onderlinge trouw blijft de vrede. De vrede, die ook moet zijn het doel der strijdenden, willen zij onder het wapengekletter bewaren den innerlijken vrede des harten en het vertrouwen op God. Hij zegt St. Augustinus na: "Non pacem quaeri ut bellum exerceatur, sed bellum geri ut pax acquiratur. c. 25 § 2." Dat God, zegt Grotius, die het alleen kan, deze woorden schrijve in de harten van hen, die het lot der christenheid in hun handen houden. "Inscrisbat haec Deus (qui solus hoc potest) cordibus eorum, quorum res christiana in manu est, et isdem mentem divini humanique juris intelligentem duit, quaeque semper cogitet lectam se ministram ad regendos homines, Deo carissimum animal." Hiermede eindigen de drie boeken de Jure Belli ac pacis.

Al werd Grotius' werk in 1627, door de Katholieke Kerk op den Index geplaatst [41], dit kon niet verhinderen, dat zijn werk een buitengewone waardeering ten deel viel. Dat hij was "le législateur du droit naturel et social" [42] voor de renaissance. De tallooze uitgaven, die zijn boek mocht beleven en de vele commentaren, die er op geschreven zijn, bewijzen het.

Wij laten die lijst hier volgen:

Hugenis Grotii de Jure Belli ac Pacis libri tres. Bûon. Paris 1625--Weckel. Francfort 1626. Guil. Blaeu Amsterd. 1631--Amsterd. 1631--J. Janssonium, Amsterd. 1631--Blaeu--1632--1633--1642--Paris 1632.--Joh. et Corn. Blaeu, Amsterd. 1646--H. Laurentii Amsterd. 1647.--Joh. Blaeu, Amsterd. 1650 (4° en 8°)--Joann. Janssonius, Amsterd. 1651--Joh. Blaeu, Amsterd. 1651--1652--Joh. Blaeu, Amsterd. 1660--63--67--70--Cum notis Gronovii, Janssonio--Waesbergios Amsterd. 1680--idem Arn. Leers, Hagae Comitis 1680--idem 1684--idem Janss.--Waesbergios, Amsterd. 1689.--1663--64 Straatsburg--Jena, Fleischern 1673--Paris 1675--Budelst 1680--cum notis variorum, edente Joh. Becmano. Francf. a O 1691--herdruk 1699--cum notis G. v. der Muelen et Gronovii, van de Water, Utrecht 1696--herdruk 1704--Cum not. Gronovii, Tesmarii (hoogleeraar v t recht Marburg), Obrechti Francf. a M. Lunneri 1696--Cum notis variorum et Gothofredis Spinaei. Lugd. Bat. 1696--Cum praef. Joh. Schulteri Straatsburg 1699--idem 1704--Cum notis Gronovii Janssonio--Waesbergios Amsterd. 1701--Cum notis Gronovii Amsterd. Officina Westeniana 1712--Cum not. Gronovii Janss.--Waesbergios Amsterd. 1612--Cum. not. Gronovii et Barbeyrac, Amsterd. Off. Wetsteniana 1720--idem Janss-Waesb. 1720--1722.--Cum not. Gronovii Barbeyrac et aliorum. Jans.--Waesb. 1735--idem Fritsch 1735--Cum observat Joh. Jägero-Tubinque 1710--Cum praef. Chr. Wolfii--Marburgi Cattorum--Mülerum 1734--Cum not. dict. Herm. Kemmerichii, Jena 1738. Henrici de Cocceji, Wratislaviae 1744, 46, 47.--Cum notis H. de Cocceji, Gronovii, Barbeyrac et Samuel de Cocceji Lausannae 1751--Cum not. Gronovii, Barbeyrac Lipsiae 1758--Cum not Gronovii Barbeyrac editus Meidardus Tijdeman, Traj. ad Rhen. 1773.--Hollandsche edities Petrus Pippius, Amsterd. 1626--door H. V. Haerlem Roman 1635--van Seer, Amsterd. Jac. Colom 1651--Delft 1652--Amsterd. 1657, door B. D. bij Jan Hendricksz. en W. v. Beaumont, Amsterd. 1689--door Jan v. Gaveren, Amsterd. Frans v. der Plaats 1705 met aanteekeningen van Gronovius.

Koning Adolf v. Zweden liet de J. B. ac P. vertalen in het Zweedsch--Er is nog een vertaling in het Deensch.--Een Engelsche Vertaling gaf Will. Evat 1681--herdrukt 1718.--Een andere verscheen te London 1738.--Nog is bekend die van 1853 door William Whewell Cambridge, Parkar--Fransche vertalingen: Le droit de la guerre et de la paix enz. Antoine de Courtin, Paris, Seneuze 1687--à la Haye Mr. Wolfgang 1688--1703.--Le droit de la guerre enz. par J. Barbeyrac, Amsterd. Pierre de Coup 1724--1736--Bazel Thourneisen 1746--Amsterd. 1754--Leiden 1759--Bazel 1768. Le droit de la guerre enz par M. P. Pradier-Fodéré, Paris, Guillaumin et C'ie 1867.

Hug. Grotii Drey Bucher von Rechte enz. vertaling van Schütz, praef. van Thomarius. Leipz. 1707. Francf. a M Fischern 1709--prof. Schweizer, Zurich, 1718--J. H. von Kirchmann Berlijn 1869.--

Commentaren schreven: Ad Struvii--Grotius enucleatus 1660 Jenae--Joh. Mulleri. Hug. Grotii liber de J. B. et P. in tatulas redaetus. Francf. 1664. J. H. Borcler Hoogl. Geschiedenis Straatsburg. Casp. Ziegler hoogl. recht Wittenberg 1666--Jan A. Osiander hoogl. godgel. Tubingen 1671.--Henricus Henniges observ. politico-morales 1672-73--J. G. Kulpis, Collegium Grotianum super jur. b. et p. Francf. 1682--Heineccius, Praelectiones in Grotium 1744--G. G. Keuffel Exercitationes Grotiana de j. b ac p. 1762--Joh. Stapf Jus natur. et gent. in duas divisus tractatus quorum alter H. Gr., J. B. ac P. explicantur: Mogunt. 1735--Joh. Muller De J. B. ac P. Francf. 1664. Thomasius, specimen tabularum novarum in H. Gr. Lips. 1670. Velthemii. Introd. ad H. Gr. Janae 1676-77--S. Musaeus H. Gr. ad disputandum propositus 1682--J. H. Suiceri H. Grotius vom Kriegs. und Friedensrechte, Zurich 1718. Chr. Waechtleri Lectionum Grotianarum Lips. 1680-82. N. C. Lynkeri, Series operis Grotianae J. B. ac P. 1688. Joh. Olivekrantzii Tabulae in H. Gr. 1688-90-1706. Joh. Schefferi, H. Gr. de J. B. ac P. enucleatus Stettin 1693. J. S. Hendigeri, Sicilimenta de H. Grotio Rost. 1712. J. B. Wernher, Annot. Succinctae ad H. Gr. 1721. F. C. von Scheib, Grotius de J. B. ac P. in nuce 1737. G. M. Horn, observ. jurisgentium et publici univers. ad H. Grotii 1744. M. Hassius, Conspectus H. Grotii trium de J. B. et P. librorum 1746--C. F. Schott, Dissert, sistens analysin operis Grotiani de J. B. et P. Tubingen 1768-1770.--H. Grotius de J. B. et P. in compendium redactus a J. Scheffero, cum notis, edidit J. G. Wickers, Groning. 1771. In handschrift bestaan nog: H. Cras Praelect. in Grotium de J. B. et P.--Vitriarii, dictata in Grotium de J. B. et P.--Ruckeri ad Grotium. [43]

Met recht, gelijk men ziet, kon Ompteda zeggen:

"Nicht leicht hat sich een gelehrtes Werk so berühmt und allgemein bekant gemacht, nicht leicht ist dasselbe so vielfältig von neuen ausgeleget, so vielfältig commentirt, und mit Noten versehen, auch in so manche Sprache übersetzet worden, wie eben dieses." [44]

Bij zooveel lofs rijst de vraag: Heeft Grotius ook tegenstanders gehad?

Het zou wel wonder zijn, zoo dit niet het geval ware geweest.

Wij willen er slechts enkelen noemen: De annotata van Johannis à Felde [45] waren tamelijk scherp. De twee de Cocceji, Henricus en Samuel, [46] hadden veel op-en aanmerkingen, zij waren het positivisme in de zedenleer toegedaan.

De professoren der Leuvensche "Alma mater," ofschoon Grotius' genie erkennend, meenden toch, dat zijn "de Jure Belli et Pacis geen onmisbaar boek was by de studie van het publieke recht. Een zekere Robert durfde zelfs zijn lessen beginnen, met te bewijzen, dat Grotius' heele systeem over het "jus naturae sociale" een "figmentum" was. [47]

#Hugo de Groot en het recht.#

_I. Zijne grondstelling._

Wij kennen de ellenden, waaraan Europa, dank de averechtsche beginselen in recht en politiek, door vorsten en volken gehuldigd, in de 16'de en in het begin der 17'de eeuw, ter prooi was.

Die valsche beginselen waren geïncarneerd in de zoogenaamde machiavellistische leer, [48] de leer, dat de hoogste wijsheid der vorsten en volken was, steeds bedacht te zijn op eigen baat en hiernaar altijd en vóór alles te streven, met behulp zelfs van leugen en bedrog.

Het was tegen deze leer en, tegen de praktijk, die zich rechtvaardigde op grond dier beginselen, dat Grotius manmoedig ten strijde trok.

Macht was recht geworden.

Macht was geen recht voor Grotius. Volgens hem mochten vorsten en volken, en alle redelijke wezens hun eigen voordeel zoeken, maar niet dan, in zooverre zij in dat zoeken van hun belang, niet misdeden tegen de rechtvaardigheid. Want de mensch had volgens hem den plicht, zich in zijn doen en laten te houden aan het recht, aan de zedelijke perken gesteld, aan zijn kunnen ofwel door zijn natuur, ofwel door God, ofwel door eigen vrijwillige beschikking, en welke bestonden in hetgeen den evenmensch toekwam.

Ziedaar de stelling van Grotius. Ziedaar wat hij, die de ongerijmdheid en valschheid der machiavellistische leer in het licht wilde stellen, op de eerste plaats te bewijzen had. Want was het een onloochenbaar feit, dat wij samen leven met anderen, aan ons gelijk, en waren allen het hierover eens; een ander daarmede verband houdend feit werd juist geloochend. Het feit n.l. dat die aan ons gelijken iets toekomt, iets behoort, dat wij hun iets verschuldigd zijn, en wel zoo, dat wij zelven in onze handelingen rekening moeten houden met hetgeen hun toekomt, dat wij daartoe zelfs verplicht zijn, m.a.w. dat er recht bestaat.

Daarom was de kern der vraag deze: Waarvandaan komt het, dat aan anderen iets van nature of door Gods toedoen of door den menschelijken wil, toebehoort en wel op die wijze toebehoort, dat wij tezelfder tijd daardoor gebonden worden in onze handelingen, dat het onze plicht wordt, te eerbiedigen, wat den naaste toekomt?

_II. Het natuurrecht en het stellige recht._

-A. Het natuurrecht-

+De stand der vraag en de grondslagen van het recht.+

Gelijk de meeste zijner tijdgenooten was de Groot een taalkunstenaar en leverde evenals zij, er ook gaarne de proeven van, zelfs in wetenschappelijke geschriften.

In meesterlijke taal geeft Grotius in de prologommena van zijn hoofdwerk aan, hoe men zich moet plaatsen voor het probleem: of er al dan niet een recht en een deugd van rechtvaardigheid bestaat.

Het mooie latijn is hier echter oorzaak, dat het betoog wel wat duister wordt, en moeilijk te volgen is.

Om ons te zeggen, op welk standpunt wij ons moeten plaatsen bij de vraag naar recht en rechtvaardigheid, laat hij Carneades sprekend optreden. Deze wordt als advocaat benoemd [49] en moet pleiten in naam van hen, die het recht ontkennen. Carneades' pleidooi nu was het volgende: In hun eigen belang hebben de menschen onderling verschillende rechtsbepalingen gemaakt, en zich zelf zekere voorschriften voor hun doen en laten opgelegd.

Met de verandering van tijden en gebruiken, zijn ook deze veranderd. De natuur van den mensch geeft echter geen voorschriften aan de menschelijke handelingen, die betrekking hebben op anderen; van nature staat de mensch in volle vrijheid tegenover zijns gelijken. De mensch immers, zoowel als het dier, zoekt uit zijn aard steeds wat voordeelig en goed is. Er bestond alzoo geen natuurrecht; noch eene daaraan beantwoordende deugd; en zoo men wilde, dat er wel eene bestond, wat was die deugd anders dan een groote dwaasheid; het zou immers niet minder zijn dan zijn eigen welzijn opofferen aan de belangen van anderen. (prol. 5.)

Horatius, zoo zegt Grotius, was dezen wijsgeer gevolgd. Ook hij zeide: Nec natura justa potest secernere iniquum." (prol. 6.)

Waarom, zoo vraagt nu op zijne beurt de Groot, ontkennen Carneades en Horatius, dat er een natuurrecht bestaat? Hierom, omdat zij willen, dat de mensch van nature zelfzuchtig is. Hij is een egoïst.

Dat zij zich hierin hebben bedrogen, toont de Groot dan verder aan. Tegelijkertijd ontneemt hij hun den grond van hun beweren, omtrent het niet bestaan van het natuurrecht.

Voor wij dit verder bespreken, vooraf eene andere vraag: is het ons nu duidelijk geworden, hoe Grotius zich de kwestie van het bestaan of niet bestaan van een natuurlijke rechtsorde voorstelt?

Ik meen van wel. Hij stelt zich die vraag voor, als de vraag naar het zus of zoo zijn van de menschelijke natuur. En waarom? Ook dit leest men tusschen de regels in. Grotius neemt als uitgangspunt het bekende beginsel: "naturae conformiter vivere is het goede en geboden leven en handelen". En in zooverre is hij het dan eens met Carneades en Horatius; want, dat ook dezen hiervan uitgingen, is duidelijk uit hetgeen Grotius hen laat zeggen. Het is deze laatste stelling, die de Groot voorop zet, en die hij, naar zijn meenen, niet behoeft te bewijzen. Wat hij bewijzen moet en ook doen zal is dit: De mensch is goedig, sociaal van aard, in het diepste van zijn wezen is hij geen egoïst.

Nu wij weten, hoe Grotius zich plaatst voor het probleem, kunnen wij gaan zien, welke voor hem de grondslagen van het natuurrecht zijn.

+Van het natuurrecht in engen zin.+

De menschelijke natuur moet ontleed worden, dit deden ook Carneades en Horatius. Grotius ziet evenwel meer in den mensch, dan zij. De mensch is volgens hem een zinnelijk wezen, maar dit niet alleen, hij is nog wat meer. Onder de zinnelijke wezens bekleedt hij een uitgelezen plaats. Grotius omschrijft den mensch als een "eximium animans, multoque longius distans a caeteris omnibus, quam caeterorum genera inter se distant, cui rei testimonium perhibent multae actiones humani generis propriae." (prol. 6.)

Een der kenmerkende eigenschappen van den mensch is: "de begeerlickheyt tot geselligheyt, dat is van ghemeynschap": "appetitus societatis, id est communitatis," en wel tot een samenleving in vrede en eendracht, geordend volgens de gegevens van het menschelijk verstand; hetgeen de stoïcijnen, [Grieks: oiKeiosin], gemeenzamen omgang, noemden (prol. 6.) [50]

In het algemeen kan derhalve niet gezegd worden, gelijk Carneades wil, dat _elk_ zinnelijk wezen baatzuchtig is.

En de mensch niet alleen vormt een uitzondering, zelfs bij sommige dieren vindt de Groot een socialen aanleg. Er zijn dieren, die zorg dragen voor de anderen. Zij zijn goed voor hun jongen of voor hun soort.

Maar toegegeven, dat de mensch van nature sociaal is, volgt daaruit en daaruit alleen, dat de mensch rechtsplichten heeft? Neen. Bij den socialen aanleg moet nog iets anders komen, n.l. dat de mensch verstand bezit.

Dit verklaart Grotius als volgt. Het sociale leven der dieren is, volgens hem, te danken, aan een verstandelijk beginsel buiten hen, omdat zij zelf geen verstand bezitten. En dit blijkt hieruit, dat zij niet eenzelfde gedragslijn volgen in alle andere zaken, ook zijn deze op zich zelf niet moeilijker.

Maar, zoo laat Grotius hier aanstonds op volgen, wat nu den mensch betreft, die in het volle bezit en gebruik is zijner vermogens, deze bezit zelf verstand, hij weet immers in gelijke omstandigheden gelijk te handelen en daarom is hij in staat algemeene beginselen te kennen en daarnaar te handelen. Daaruit nu volgt, dat de mensch, die in zich een bijzondere begeerte heeft tot sociaal leven, volgens dien socialen zin moet leven en in alles zijn doen daarnaar heeft te regelen. Om die redenen zijn zulke handelingen van den mensch overeenkomstig zijn natuur, welke in overeenstemming zijn met zijn aanleg tot gezelligheid. [51]

De "custodia societatis", is alzoo, en wel, in zooverre de mensch daartoe de middelen kent, de bron van het recht in den strikten zin des woords, van het recht, dat het "jus sociale" genoemd wordt en waaronder valt: het eerbiedigen van andermans goed; het teruggeven van hetgeen wij van een ander hebben of van de winst, die het ons gaf; de verplichting, van aangegane verbintenissen na te komen; van te restitueeren de door onze schuld veroorzaakte schaden; het verdienen van straf bij de menschen, (prol. 8.)

Hiermede was de bewering van Carneades en van hen die zeiden: "Utilitas justi propre mater et aequi" (Horatius) ontzenuwd. Want het natuurrecht dankt zijn ontstaan aan de menschelijke natuur zelf, die ons, ook al hebben wij er geen voordeel bij, naar onderlinge gemeenschap doet verlangen. (prol. 16.)

Vatten wij voor de duidelijkheid Grotius' gedachten nog eens samen. De sociale gezindheid, waarvan de mensch blijk geeft, wordt voor den mensch eene rechtsbron: want, dewijl hij het vermogen in zich draagt in alles een zelfde gedragslijn te volgen, dewijl hij verstand bezit, kan hij in alles sociaal zijn, is het hem _natuurlijk_, sociaal te zijn, d.i. zorg te dragen, dat er gemeenschap blijve met de anderen, en daarom, omdat hem dit natuurlijk is, omdat dit in zijn vermogen ligt, is het voor hem ook een plicht.

