Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie

Part 10

Chapter 10 3,706 words Public domain Markdown

Grotius was de eerste, die van natuur-en volkenrecht een afzonderlijke wetenschap maakte, want bij al de schrijvers, en zij zijn legio, over oorlog en vrede en over aanverwante onderwerpen, hebben wij slechts traktaatjes over bijzondere onderwerpen, wij missen een geheel. Wij missen misschen wel niet een nauwkeurige bepaling van natuur-en positief recht, van volkenrecht, maar deze bepalingen bijeen, in verband met elkaar, en in verband met het daaruitvolgende; n.l. wat de mensch te doen of te laten heeft overal en altijd, wat hem vrijstaat te doen of niet te doen; wat hem in het praktische leven geoorloofd is of niet, al naar gelang hij door zich zelf verplicht is geworden tot iets, of door God; ziedaar wat tot dan toe ontbrak.

Herhalen we nog eens de woorden van Robert Flint, gelijk E. Nijs ze vertaalt: L'homme de génie, que l'on appelle le fondateur d'une science ne fait que rattacher ses élements déjà existants; il se borne à réunir ses membres épars, à leur insufler le soufflé de la vie. [264].

Vóór Grotius was veel gewerkt. Toute la dernière partie du moyen âge a un caractère juridique prononcé; au fond de toute son histoire se trouve l'idée du droit. [265]

Behalve de rechtsgeleerden, hebben Erasmus, Coornhert, Thomas Morus, Lipsius aan Grotius bouwstof geleverd, zoowel als Montaigne en zijn leerling Charron, zoowel als Bacon en Herbert de Cherbury. Kortmartus [266] beweerde zelfs, dat Grotius Montaigne niet alleen in vele punten gevolgd heeft, maar zelfs "de verbo ad verbum annotavit".

Zeker is het, dat Michel de Montaigne (1533-1592) het ethisch, aan Socrates en het stoïcijnen herinnerend, princiep: zedelijk leven is leven volgens zijn natuur, zoo goed als Grotius huldigde. Charron (1541--1603) zeide: Alle wijzen leeren, dat het goede leven het leven is volgens de natuur, en dat het hoogste goed is, met zich zelf over een te stemmen. [267]

Bij Bacon is de natuurwet, de sociale, op het welzijn van het geheel gerichte, aandrift der afzonderlijke personen, in overeenstemming gebracht met de aandrift tot zelfbehoud.

Herbert de Cherbury (1581-1648) spreekt van "communes notitiae" die voor hem de grondslagen worden van zedelijkheid en van recht.

Grotius vond de bouwstof bereid en verwerkt, zijn genie vond het middel ze te ordenen tot eenen bouw, tot een geheel. Dit is zijn verdienste.

Zoo b.v. had Alberic Gentilis, die door Grotius dankbaar wordt herdacht, [268] zich te veel op autoriteit beroepen, zonder zelf eens te zien, hoe zwaar de autoriteit van sommige rechtsgeleerden woog. [269]

Voegen wij hierbij nog deze vraag: Behoorde Grotius tot de in die dagen zoo dikwijls genoemde en zoo heftig bestreden "politici," die Thomas Stapleton [270] ons beschrijft?

Grotius was eerder een hen tegenovergestelde meening toegedaan. Hij erkende in de overheid een recht en een plicht uit te komen voor den godsdienst en hij wil, dat men eerder God moet gehoorzamen dan de menschen.

#Ons oordeel over Grotius.#

Aan zijn "de Jure Belli ac Pacis" hebben wij in het begin gezegd, dankt Grotius zijn onsterfelijkheid, en geen wonder, kunnen wij er bijvoegen hier is een meesterwerk, alleen een genie kon het tot stand brengen.

Een meesterwerk is de Jure Belli ac Pacis om de zooeven aangegeven reden.

De Jure Belli ac Pacis moest naar de bedoeling des schrijvers de onomstootelijke, voor allen klare en evidente beginselen aangeven van recht en zedelijkheid en daardoor medewerken aan het practisch naleven der instinctmatig gevoelde rechten en plichten der volken en der menschen onderling. Het moest, de volken en de vorsten, die in deze wereld geen rechters hadden, er aan herinneren, dat zij oneerlijk kunnen doen en onrecht bedrijven, maar dat zij dan een eeuwigen rechter, wiens macht geweldig is, te vreezen hadden.

In die poging is Grotius voor eenigen tijd geslaagd; het is ontegenzeggelijk, dat hij een heilzamen invloed heeft uitgeoefend op de toestanden dier dagen en zelfs later. De kunst des meesters lag hierin, dat hij het oude in vele punten, in de meeste zelfs, kon bewaren met nieuwe middelen, die in den geest des tijds waren, met nieuwe beginselen.

"Of all works", zoo sprak Andrew D. White, bij de Grotius' plechtigheid te Delft (4 Juli 1899) "not claiming divine inspiration, that book, written by a man proscribed and hated both for his politics and his religion had proved the greatest blessing to humanity. More than any other it has prevented unmerited suffering, misery, and sorrow; more than any other it has ennobled the military profession; more than any other it has promoted the blessings of peace and diminished the horrors of war. [271]

Il (Grotius) travaille noblement à faire descendre, au milieu de tant de fougueux capitaines, la sévère majesté du droit; zegt Ed. Descamps. [272]

Heeft Grotius' werk een zegenrijken invloed gehad op de politiek van het Europa der 17de eeuw en misschien zelfs later, dit kan ons de oogen niet doen sluiten voor de schaduwzijde van zijn werk. De tijdelijke verbetering, die Grotius bracht, weegt niet op tegen de veel grootere onheilen, de valsche leeringen, voor welke hij de baan opende, met zijn naturalistische moraal en individualistische rechtsleer.

Met den natuurtoestand tot uitgangspunt te nemen van recht en zedelijkheid leidde Grotius de moraal en de rechtswetenschappen in een zeer verkeerd spoor. Hobbes, Spinoza, Puffendorf, Cumberland, Christiaan de Wolf, om niet te spreken van J. J. Rousseau, even zooveel mannen van naam, zijn Grotius in deze richting gevolgd.

Wat men met dat woord "natuurtoestand" bedoelde, moet nog even gezegd worden. Puffendorf beschrijft hem ons. L'état de nature est celui, où l'on conçoit les hommes les uns par rapport aux autres, en tant qu'ils n'ont ensemble d'autres relations que celle qui est fondée sur cette liaison simple et universelle, qu'il y a entre eux par la ressemblance de la nature, indépendamment de toute convention et de tout acte humain qui les ait assujettis les uns aux autres d'une facon particulière.... Ceux qui vivent dans l'état de nature sont ceux, qui ne sont ni soumis à l'empire l'un de l'autre, ni dépendants d'un maître commun, et qui n'ont reçu l'un de l'autre ni bien ni mal.... Le principal droit de l'état de nature c'est une entière indépendance de tout autre que de Dieu. [273]

Welke plichten de mensch in dien natuurtoestand heeft, wordt dan verder--en hier komt het vooral op aan--afgeleid uit de neigingen van den mensch, die de een sociaal, de andere anti-sociaal, de een egoïstisch, de andere altruïstisch noemt of beide te gelijk.

Van eenzelfde beginsel uitgaand, vormt men partijen, al naar gelang men, gelijk Grotius en Puffendorf en Wolf bijv., afgaat, om te weten wat de mensch van nature is, op den "sensus communis" op het algemeen en redelijk gevoelen daaromtrent; ofwel gelijk velen in Engeland en Schotland, een meer wetenschappelijk onderzoek daarnaar instelt.

Wat Grotius miste, het was eene voldoende wijsgeerige vorming.

Deze ontbreekt hem, gelijk zij ontbreekt aan de romeinsche stoa.

Er is wel wat waarheid in de woorden van Leibnitz [274]: Mons. Grotius était d'un très grand savoir et, d'un esprit solide: mais il n'était pas assez philosophe pour raisonner avec toute l'exactitude nécessaire sur des matières subtiles, dont il ne laissait pas d'écrire.

Is dit het oordeel dat wij vormen over Grotius werk, wij eeren den man, een der grootste, die Holland ooit gekend heeft, met zijn eerlijk karakter, dat "lebt und webt in den Ideeën des Friedens [275], met zijn diepen godsdienstzin [276], die aan God een plaats liet in de menschelijke maatschappij. Wij betreuren het, hetgeen hijzelf betreurde voor de scholastieken: "in infelicia saecula inciderunt." Had Grotius den wijsgeerigen blik gehad van de mannen, die naast hem stonden, ik bedoel de volgelingen der schoolsche wijsbegeerte, en die hun plan de ontwrichte maatschappij der 17de eeuw en de pas geworden staten te herinneren aan recht en zedelijkheid, misschien wel niet zoo schitterend als hij, en zoo in den geest, des tijds en met zoo groot een eruditie, voltooiden, Grotius zou waarschijnlijk nog grooter geweest zijn.

#Werken over de Groot [277]#

#Accolas, E.#--Droit de la guerre.

#Altmeyer, J. J.#--Précurseurs de la réforme aux Pays-Bas. La Haye 1886.

#Arnd, J.#--Spec. de H. Grotia a commentatoribus juris B. ac P. immerito vapulante. Rostock 1712.

#Asser, T.#--Hugo de Groot, 1583-1883. Gids 1883. II 441.

#Basdevant.#--Les Fondateurs du droit interm. Paris 1904.

#Batesius, G.#--Vitae selectorum aliquot virorum. London 1681, bldz. 420.

#Beyerlinck.#--V. Grotius.

#Berger, J. G.#--Oratio de H. Grotio Rostochii moriente Lips. 1716.

#Bossuet#.--Oeuvres Compl. Dis. prelim.

#Brandt, Casp. en Adr. v. Cattenburgh.#--Historie van het leven des Heeren H. de Groot. Dordrecht en Amsterd. 1727.

#Broere.#--De gezindheid van H. de Groot voor de Kathol. Kerk. De Katholiek 1852 en vlgd. jaarg.

#Burigny.#--Vie de H. Grotius. Paris 1752.

#Butherforth.#--Institutes of natural laws ... lectures on Grotius de J. B. ac P. London. 1754.

#Butler.#--Life of H. Grotius. 1827.

H. Grotii epistolae ad Gallos. Lugd. Bat 1648. [278]

H. Grotii et M. Berneggeri epistolae mutuae Argentor. 1667.

H. Grotii epistolae quotquot reperiri potuerunt. P. Blaeu. 1687.

Epistolae ad I. Jaski. Dantz. 1670.

Epistolae ad Oxienstierna's patrem et filium aliisque Sueciae conciliarios, Haarlem 1806.

Epistolae sex ineditae. Lugd. Bat. 1809.

Epistolae ad Oxiensternam et J. A. Salvium Haarlem 1829.

Brieven v. Mar. v. Reigersbergh. H. Vollenhoven en G.D.J. Schotel. Middelb. 1857-58. Geheime briefwisseling tusschen Schriverius H. de Groot en R. Hoogerbeets. Histor. Genootschap Borigten 1850, blz. 303.

Onuitgegeven brieven en bescheiden betreffende H. de Groot. Algem. Kunst-en Letterbode 1860. bldz. 254.

H. Grotii Bref. publié par l'Acad. Royale de Stockholm 1889-91.

Epistolae H. Grotii ad Domum regiam Sueciae et alios Suecios omnes fere ineditae. Stockholm 1892.

Brieven v. Nic. v. Reigersbergh aan H. de Groot. Dr. H.C. Rogge, Amsterd. 1901.

#Caumont.#--Etude sur la vie et les travaux de Grotius. 1862.

#Coopsen, B.#--Ad H. Gr. de J. B ac P. III. 20. 43, 3. 1765.

#Courat.#--De Dood v. H. de Gr. Nederl. Speet. 1884.

#Cras.#--Laudatio H. Gr. Kongl. Vitterhet. Historie. VII. 187. Stockholm. 1802.

#Cras.#--Oratio, enz. Amstelod. 1776.

#Cras.#--Laudatio H. Grotii. Amstelod. 1796.

#Creuzer.#--Luther und Grotius. Heidelberg. 1816.

#Descamps, E.#--Essais de phil. juridique. H. Grotius et le droit naturel ch. II Louvain. 1889.

#Diest Lorgion.#Het Catholicisme v. H. de Groot. Waarheid in Liefde. Godgel. tijdschr. 1857.

#Dilthey, W.#--Die Autonomie des denkers in 17 Juhzh. Archiv. f. Gesch. der Phil. 3. VII blz. 66, 74.

#Dodt, J. J.#--H. Grotius. Algem. letterl. Maandschr. 1847. blz. 574.

#Doedes, J.#--Venetiaansche uitgaaf v. "De Verit. Rel. Christiana" godgel. Bijdr. 1869 blz. 359.

#Dorn, J.#--Ad H. Grotii de J. B. ac P. Jena. 1716.

#Eggers, J.#--Annot. ad H. Gr. Introd. ad juris prudentiam Holl. Lugd. Batav. 1839.

#Familieboek# (een oud) v. de Groot. Algem. Ned. Fam. blad. 1883-1884. no 142.

#Felden, Joh. à#--Annot ad H. Grotium de J. B. ac P. Amsterd. 1652-3.--Annot. ad H. Grotium, quibus immixtae sunt responsiones ad stricturae Graswinckelii-Jenae. 1663.

#Fockerna, Andreae.#--Inl. tot de H. Rechtsgel. van H. de Groot, Arnhem 1895.

#Franck.#--Ad. Reformateurs et publiciste de l'Europe du XVIIe S. Paris 1884 blz. 253 en v.

#Franck Ad.#--De droit de la guerre et de la paix p. Grotius, Journ. d. Savants. 1867 blz. 428.

#Fruin, R.#--H. de Groot en Mar. v. Reigersbergh. Gids. N. S. d. 11.

#Fruin, R.#--Memorien v. H. de G. Maatschappij Ned. Letterk. 1866.

#Fruin, R.#--Onuitgegeven werk v. H. de Gr. Gids 1868. d. 4.

#Fruin, R.#--Verhooren enz. v. H. de Gr. Werken v. h. Histor. Genootschap no 14, 1871.

#Geesink, W.#--Calvinisten in Holland. Rotterd. 1887.

#Gierke, O.#--Joh. Althusius-Breslau 1880 en [Noot van PG redacteur: originele tekst deels weggevallen]

#Gilze, J. v.#--Is H. de Gr. Roomsch geworden? Gids N.S. d. 11.

#Glafey.#--Geschichte des rechts der Vernunft. Leipzig 1739.

#Graaff, M. de#--Het H. de Groot feest. Leeskabinet. 1883 II 1.

#Gratama, S.#--H. de Gr. tegen Hufeland en Lampredi verdedigd. Rechtsgel. mag. I. 1.

#Gratama, H.#--Disertatio ... in quaestione faenebri: Gron. 1820.

#Groot, Hugo de.# Gouverneurs oude huisvriend. 1883--blz. 193.

#Groot#, (het einde van). Nieuwe vaderl. Bibliotheek. Amsterd. 1797-1804 VII.

Grotius and the sources of international law. Edinburgh review, 1860. d. 112.

#Groot (Hugo de)# Levensbeschr. v. meest Nederl. mannen en vrouwen 1774-82. D. II. blz. 1.

#Groot (Hugo de)# en Bilderdijk. Vaderl. letteroef. 1829. II. blz. 248

#Groot.# Terugkeer v. H. de Gr. tot het kath. geloof. Amsterd. 1857.

#Grotii (Hugonis)# quaedam doctrinae multum noxiae. Bibliot. Royale Brux. Section des mscrits. 17584-85, no 4.

#Gronovii, F.#--Dicta ad Hug. Grotii libros. ibid. 14551.

#Hartenstein, G.#--Darstell, d. Rechtsphilos. des H. Grotius Abhandl. der Sachs-Gesellsch. 1850 blz. 483.

#Halenses# (observationes) de vita, morte et scriptis H. Grotii 1700-1705, II no 15. blz 329.

#Hely.#--Etude sur le droit de la guerre de Grotius.

#Hertling, J.#--Disp ... ad ductum H. Grotii de J. B. ac P. Heidelberg 1733.

#Holtzendorff#--Handbuch des volkerrecht. Berlin. 1885.

#Jong, J. de#--Dissert. Grotianae doctrinae ... de jure criminali Tra. ad Rhen. 1827.

#Kaltenborn, C. von#--Vorläufer des H. Grotius. Leipzig. 1848.

#Klönne, B.H.#--Leonardus Marius en H. de Groot. De Katholiek. 1889-90.

#Klose, R.L.#--Hugo de Gr. als schwedischer Gesandte v. Bulau. Geheime Geschichten enz. B. 12, blz. 61. 1860.

#Knuttel W.#--Over het sterven v. H. de Gr. Ned. Spect. 1884. blz. 275.

#Kolstee, M.J.#--Levenschets v. H. de Groot. Delft, 1883.

#Kortmartus#--Abrégé des memoires illustres.

#Krogh-Thonning#--H. Grotius und die religiösen Bewegungen im Protestantismus seiner Zeit. Köln. Bachem. 1904.

#Labouchère, C.#--Dissert, de Grotii "Jurispr. Holl. Lugd. Bat." 1839.

#Land, Dr. J.P.N.#--Wijsbegeerte in de Nederl, 1899--blz. 96 en v.

#Laurentius#--Grotius papizans, Amsterd. 1830.

#Leeuwen, J. v.#--H. de Groot als dichter-Eigenhaard. 1883.

#Lehman.#--H. Grotii manes ... vindicatae. Delph. 1727.

#Lerminier, E.#--Introd. genèr, à l'histoire du droit. Brux. 1830. blz. 93. 109.

#Leupe.#--Brief v. d. Kamer v. Zeeland der O. I. Compagnie aan Mr. H. de Gr. Ned. Spect. 1875. blz. 204.

#Leven v. H. de Groot.#--Amsterdam 1875.

#Lyon, B.#--Diss. de loc. Grot. Intr. ad Jurisprad. Holl. 1839.

#Luden, H.#--H. Grotius nach. S. Schiksal und Schriften. Berlin 1806. H. de Groot uit zijn lotgevallen en schriften. Leeuwarden 1830.

#Maurier, (Louis Ambery Chev. Seign de)#--Memoires pour servir à l'histoire d'Hollande enz. Paris 1680-88. blz. 433-80.

#Marcovii#--Quaestion. sel. jures nat. et gent. inter Grotium et Pufendorfium controversis. Lipsiae 1748.

#Meister#--Bibliotheca juris naturae et gentium. Göttingen 1749-59.

#Meuschen, Joh.#--Observ. de vita, morte et scriptii. H. Grotii.

#Millies, H.#--Over de oostersche vertalingen v. Grotius' «de Veritate Rel. Christianoe.» Versl. Koninkl. Academie d. Wetensch. VII 109.

#Muller, S.#--Grotius contra mare liberum. Nijhoff. Bijdragen. N. R. IX 222.

#Muller, J.J.#--De obligatione subditorum ex delicto Summae potestatis ad H. Gr. de J. B. ac P. Jena, 1689. De occisione furis nocturni, Jena 1689. De jure feesàli, 1690--De jure transitus 1697.

#Neumann.# Hugo Grotius--Berlin 1884.

#Nijs, E.#--Le droit de la guerre et les précurseurs de Grotius. Brux. 1882. Origine du droit intern. Brux. 1894.

#Niceron.#--Vie de Grotius. Mémoires. Paris 1729-45.

#Nuyens.# De partijen in de 17de eeuw en het rechtsgeding v. H. de Groot. Wachter 1874, I en II.

#Ompteda,#--Litterat. des Völkerrecht,--Regensburg. 1785.

#Oosterzee#--Maria v. Reigersberg. Jaarboekje voor Zeeland 1854, blz. 208.

#Oudeman, A.#--Uitgaven der rechtsgel. Werken v. H. de Gr. en geschriften over en naar aanleiding v. deze werken. Tijdschr. voor het Nederl. Recht. Gron. 1872.

#Paludanus, R.#--Dissert. ad § 2. 1. 1. H. Grotii Juris pr. Holl. Lugd. Bat. 1759.

#Philippona, Chr.#--Guy Patin over godsdienstige gevoelens v. Gr. De Katholiek. N. R. 1886.

#Plois v Amstel.#--Uitmuntend karakter en lotgevallen v. H. de Gr. Amsterd. 1774.

#Portretten v. H. de Gr. en zijn vrouw,#--Navorscher 1873. blz. 192.

#Pfenniger, H.#--Der Begriff der Strafe untersucht an der Theorie der H. Gr. Zurich. 1877.

#Riet, J. v.#--Dissert. de H. Grotii in jure criminali meritis 1828.

#Rogge, H.#--H. de Groot-Eigenhaard 1883.

#Rogge, Dr. H. C.#--Bibliographie der Werken v. H. de Groot. 1883.

#Robert.#--Discours, enz. mscrits. Archiv. Gener. Brux. f. Secr. d'Etat et de guerre l. 2122.

#Schatter, J.#--De natura virtutis ad H. Grotium in prolog. Argent 1649.

#Scheltema, P.#--Memorie v. mijne intentiën en notabele bejegingen door H. de Groot, I blz. 175.

#Scheltema, P.#--Dagboekje v. Willem de Groot, enz. Nieuw Archief v. kerkl. gesch. I, 331.

#Schneider, J.#--De fide perfidis servanda en Grotii de J. B. ac P. Hallae 1723.

#Schotel.#--Lucian Muller over de lat. gedichten v. H. de Groot. Vaderl. letteroef. 1867. II, 437.

#Schott, C.#--Dissert. sistens analysin operis Grotiani de J. B. ac P. Tub. 1768--Dissert. altera 1770.

#Schmausz, Joh. Jac.#--Neues Systema der R. der Natur. 1754.

#Schröckhs, J.#--H. Grotius. Abbildungen und Lebenbeschr. berumhter Gelehrten. Leipz. 1766--69 II. 257-376.

#Schumann, H.#--Dissert an H. Grotii uxor ob liberatum e carcere maritum juste puniri potuisset. Wittenb. 1727.--De H. Grotio perduellionis crimine absoluto. Viteb. 1727.

#Schudt, Joh.#--Vita H. Grotii. Francf. 1722.

#Seegar, C.#--Oratio de H. Grotio humanorum et divinorum scriptorum interprete. Traj. ad Rhen. 1785.

#Seiden, Joh.#--Mare clausum Londen. 1685.

#Simonis, J. G.#--De fide minorum potestatum in bello ad Grotii J. B. ac P. III 22. Jena. 1675.

#Smeer, T.#--Hulde aan H. de Groot. De Fakkel. Rotterdam 1825-39. II blz. 123.

#Soutendam, J.#--Een onbekend werk v. H. de Gr. uit zijn vroege jeugd. Oud-Holland 1889. blz. 293.

#Stahl.#--Gesch. d. Rechtsphil, blz. 158.

#Stolker, A.#--Twee rekuesten v. Maria v. Reigersbergh. Vaderl. letteroef. 1824. II. 674--Maria v. R. en haar broeder, ibid. 1824. II blz. 19.--Derde berigt wegens brieven v. M. v. Reigersbergh ibid. 1824. II. blz. 320--Vierde berigt, dito, ibid. 1829. II. blz. 482-519.--Een bijzonderheid wegens Elsje v. Houweningen. Vaderl. Letteroef. 1809 blz. 309.

#Standbeeld v. H. de Gr. te Delft.#--Eigenhaard. 1886--Leeskabinet 1885.

#Thomasius, C.#--De sponsione Caudina ac Numantina ad H. Grotium. Lips. 1684.

#Tellegem, B. D. H.#--Dissert. de jure in mare, inprimis proseimum. blz. 18. 30.

#Visser, D.#--Dissert. de oeconomia politica et jure publico, ad Grotiands libros. Luyd. Bat 1856.

#Vissering, S.#--Over een drietal handschriften v. H. de Gr. Koninkl. Acad. v. Wetensch.

Vita Hugo Grotii cum litteris Principis Arautionensis ad Grotium et reginae Christinae ad Grotii viduam. zie Grotii opera theologica. Amsterd. 1679, en Guil-Batesis vitae select. viror. Lugd. 1611. blz. 420.

#Vita H. Grotii.#--Leiden. 1704.

#Voort, J. v.#--Over de letterkundige verdiensten v. H. de Gr. L. IX. 145. Verhandl. Ned. Instituut v. wetensch. Amsterd. 3de klas, IV, 2, 1.

#Vorsterman van Oijen.#--Het zegel van H. en W. de Groot. Eigenhaard. 1883, blz. 193.

#Voraterman v. Oijen.#--H. de Groot en zijn geslacht. Antwerpen. 1883.

#Vries, J. de#--Een brief v. Maria v. Reigersbergh van H. de Groot. Vaderl. letteroef. 1824. II. blz. 425.

#Wagner, B.#--De consensu gentium ad H. Gr. I, 4, 62. Viteb. 1633.

#Walter, J.#--De praescriptione inter liberasgenter, ad H, Gr.

#Witte v. Citers.#--Brief v. E. de Courcelles corrector v. de Groot's drukproeven. Ned. Speet. 1866, 301.

#Witten.#--Memoriae Theologorum. Francofurti 1674, 5, IV.

#Wolters, W.#--H. de Gr. als verdediger v. h. Christendom. De Gids, 1869, III, 436.

#Wijn, H. v.#--Verklaring der schilderstukken betreff. H. de Gr. Wagenaar Bijlagen.

#Wijnmalen, Th.#--Apropos du 3'ieme centenaire de Grotius. Revue de droit intern. 1883, 160.

#Zentgravius, J.#--Diss. de armis in bello prohibitis. ad Grot. Argent. 1677--De caede hostium captivorum Argent. 1693--De milite voluntario ibid. 1685--De jure commerciorum inter belliqerantes, ibid. 1690--Ad Gr. de J. B. ac P. II. 2. 10. ibid. 1693--De imperio parentum in liberos, ibid. 1695.

#VOETNOTEN:#

[1] Otto Gierke, Joh. Althusius und die Entwicklung der naturrechtlichen staatstheoriën. Breslau 1902. blz. 1.

[2] Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Gouda, Amsterdam waren de zes groote steden.

[3] Nuyens. Wachter 1874. De politieke en kerkelijke partijen enz.

[4] Brandt. Historie van het leven des Heeren Huig de Groot etc. Dordrecht en Amsterdam 1727 blz. 6 en v.

[5] Inleiding tot de Holl. Rechtsgeleerdheid beschreven bij Hugo de Groot 1631 's Gravenh. Nieuwe uitgave door Mr. S.J. Fockema Andreae Arnhem 1895. Voorr. p. IX.

[6] Corn. de Groot: libros nullos edidit, sed elaboratos quosdam commentarios ad diversas juris partes conscripsit.

Julius a Beyma commentaria in jus civile parrata relinquit.

Socius schreef commentaria in codicem.

Ev. Bronckhorst: Dum hoc munus professoris sustinet, varior tum pandelectarum, tum codicis titulos, tractatusque juris publice enarravit et interpretatus est. Hij schreef over romeinsche controversen, een "methodus feudorum." Ger. Tuningius schreef commentarius ad quatuor digestorum libros.

[7] blz. 17. Hist. du Cartesianisme en Belgique.

[8] De Wijsbegeerte in de Nederlanden door Dr. J.P.N. Land. Vertaald door Mr. C. v. Vollenhoven 's Gravenh. 1899 blz. 113.

[9] Verantwoordingh v. d. wettel. regiering enz. Parijs blz. 286.

Beiden waren remonstrantsch gezind. Uit zijn propoosten (zegt Grotius van Uitenbogaerdt) heb ick niets anders ghemerckt, dan dat hij de leer van de remonstranten van herte was toegedaan. Ibid.

[10] Deze Frans Junius werd in 1609 opgevolgd als prof. door den bekenden Arminius, van wien de partij haar naam kreeg.

[11] Brandt p. 13.

[12] Hij zegt daar van zichzelf: Et cum Lugduni aliquamdiu dilectissimus Scaligero vixisset, verente patre ne amoenioribus studius irretiretur juvenilis animus, anno 1599 (ante legitimam actatem, anno quippe decimo sexto--Fruin) Hagensium advocatorum ordini asscriptus est, neque multo post causas egit, nonita tamen ut humanioris litteraturae libenter oblivisceretur. Fruin. Geschiedenis van de inleid. tot de Holl. rechtsgel. uitgave van Fockema Andreae.

[13] Hij schrijft aan zijn vriend Daniël Heinsius, professor te Leiden, dato 21 Juli 1603: Nescis mi Heinsi, quam totos mihi dies furetur in gratum illud forum. Crede mihi et gratulare fortunae tuae: longe aliud hoc est quam Academia. Nam lites nostrae, praeterquam quod homini etiam diligentissimo molestiam exhibent et minime conveniunt, ingenio tam pacato, qualia sunt haec nostra, tum offensarum apud adversarios plurimum habent, gratiae apud clientes parum, gloriae apud caeteros paene dixeram mihi. Burmanni-Syll. II p. 391.

[14] Brandt p. 13.

[15] Gratularis mihi et cur quaeso gratularis, quiane eraptam mihi vides eam, quam semper habui maximam literariam voluptatem? An quia in lites apud quas diverti hactenis, nunc totus religor? An vero quia totes dies cum eo hominem genere videndum mihi erit, quos vos non possitis sine stomacho aspicere?

[16] De pensionaris was de bezoldigde rechtsgeleerde raadsman der steden, dienaar der magistratuur, die een bijna souvereine macht had in de steden. Hij was ook de afgevaardigde der steden bij de Staten.