Part 9
Bij de laatste woorden fronsde de senator het voorhoofd, en zeide niet zonder opgewondenheid: "Niet alles wat de heidenen hebben gemaakt, is te verwerpen. Polycarpus moet ernstig en voortdurend aan het werk blijven, want hij richt zijn oogen op iets, waarvan zij afgewend moeten blijven. Sirona is de vrouw van een ander, en men mag ook niet uit scherts de vrouw van zijn naasten voor zich trachten te winnen. Acht gij de Gallische in staat haar plicht te verzaken?"
Dorothea aarzelde; na een oogenblik nadenkens antwoordde zij: "Zij is een schoon en ijdel kind, ja een kind! Ik denk daarbij aan hare geheele manier van zijn, niet aan haar ouderdom, ofschoon zij inderdaad de kleindochter kon zijn van den wonderlijken man, voor wien zij geen liefde of achting, neen, niets dan afkeer gevoelt. Wat het is weet ik niet, maar reeds in Rome moet hij haar iets ontzettends voorgesteld hebben, en ik doe maar geen pogingen meer om haar hart gunstig voor hem te stemmen. In alle andere dingen is zij gevoelig en laat zij zich gemakkelijk leiden, en dikwijls kan ik mij niet begrijpen, hoe zij zoo uitgelaten kan zijn, wanneer zij met de kinderen speelt. Gij weet toch hoe de kleinen, zelfs Marthana aan haar gehecht zijn. Ik wenschte wel dat zij eene christin was, want ook ik, waarom zou ik het verzwijgen, heb haar lief. Men kan in hare tegenwoordigheid niet droefgeestig zijn. Zij is mij genegen, zij vreest mijne berisping en is er altijd op uit mijne goedkeuring te winnen. Het is waar, zij tracht alle menschen te behagen, zelfs de kinderen; doch Polycarpus, welk een flink man hij ook is, zoover ik zien kan, niet meer dan de anderen, stellig niet!"
"Doch de jongen," zeide Petrus, "ziet telkens naar haar om, en Phoebicius heeft het opgemerkt. Gisteren is hij mij tegengekomen, toen ik naar huis ging, en hij verzocht mij, op zijne beleefde maar scherpe manier, mijn zoon den goeden raad te geven, in het vervolg, als hij rozen wilde schenken, deze liever in de vensters van anderen dan in het zijne te werpen, want hij was geen vriend van bloemen, en voor zijne vrouw plukte hij ze liever zelf."
De vrouw van den senator verbleekte, en zeide kortaf en op stelligen toon: "Wij hebben dien huurder niet noodig, en hoezeer ik zijne vrouw ook missen zal, geloof ik toch dat het beste zal zijn, wanneer gij hen verzoekt naar een ander verblijf uit te zien."
"Spreek niet verder, vrouw," zeide Petrus ernstig, terwijl hij met de hand zijne afkeuring te kennen gaf. "Zullen wij er Sirona voor laten boeten, dat onze zoon om harentwille eene onbezonnenheid heeft begaan? Gij hebt echter gezegd, dat het verkeer met de kinderen en hare achting voor u haar voor afdwalingen zullen bewaren, en nu zouden wij haar de deur wijzen? Dat nooit. De Galliërs blijven in mijn huis, zoolang zij niets doen wat mij dwingt hen er uit te zetten. Mijn vader was wel een Griek, maar van moederszijde heb ik Amalekietisch bloed in de aderen, en zoo ik hen, met wien ik eens onder mijn dak het brood deelde, over mijn drempel joeg, zou ik mijzelven onteeren. Polycarpus moet gewaarschuwd worden en vernemen, wat hij aan ons, aan zichzelven en aan het gebod des Heeren verschuldigd is. Ik weet zijne uitnemende gaven te waardeeren en ben zijn vriend, maar ook zijn heer, en zal weten te voorkomen, dat mijn zoon de losse zeden van de hoofdstad in zijn eigen vaders huis invoert."
De laatste woorden klonken als hamerslagen, en in de oogen van den senator stond te lezen, dat hij op dit punt vastbesloten was.
Toch naderde zijne vrouw hem zonder vrees. Zij legde hare hand op zijn arm en zeide: "Wat is het toch goed dat de man het rechte in het oog houdt, terwijl wij vrouwen gewoon zijn den eersten indruk van ons hart te volgen. Ook bij het worstelen bedient gijlieden u enkel van geoorloofde handgrepen, terwijl vechtende vrouwen soms nagels en tanden gebruiken. Beter dan wij weet gij het onrecht te voorkomen; dat hebt ge mij weder getoond. Maar in het ten uitvoer brengen van hetgeen goed is, zijt gij onzen meerderen niet. De Galliërs mogen in vrede bij ons blijven, en gij kunt Polycarpus streng in 't verhoor nemen; doe het echter allereerst als zijn vriend. Of ware het niet beter, wanneer gij dit aan mij overliet? Hij heeft zich zoozeer verheugd in het vooruitzicht op het voltooien zijner leeuwen, en zijne medewerking bij den grooten bouw in de hoofdstad, en daarmede zal het nu uit zijn! Ik wenschte dat ge hem dit reeds aan het verstand had gebracht. Doch liefdesgeschiedenissen zijn vrouwenzaken, en gij weet hoe lief de jongen mij heeft. Een moederlijk woord werkt dikwijls meer uit, dan de klap eens vaders. Het is in het leven als in den krijg: eerst brengt men de boogschutters in het veld; de zwaargewapenden blijven achter en dienen hun tot steun. Eerst als de vijand niet wijken wil, treden de laatsten vooruit en beslissen den slag. Laat mij vooraf met den jongen spreken. Het kon toch zijn, dat hij enkel uit scherts eene roos in het venster der Gallische wierp, die immers met zijne broertjes en zusjes speelt, alsof zij tot onze familie behoorde. Ik zal hem in 't verhoor nemen, en is het er zóo mede gesteld, dan zou het noch billijk, noch verstandig zijn hem te berispen. Zelfs met eene waarschuwing moet men voorzichtig te werk gaan, want menigeen, die nooit aan stelen heeft gedacht, is door eene valsche verdenking een dief geworden. Zulk een jeugdig gemoed dat begint lief te hebben, is als een wilde knaap, die bij voorkeur langs paden wandelt, waarvoor men hem gewaarschuwd heeft. Toen ik nog een meisje was, ontwaarde ik zelve eerst hoe lief ik u had, nadat de vrouw van den senator Aman, die u voor hare eigene dochter begeerde, mij den raad had gegeven mij voor u te wachten. Wie zijn tijd te midden van al de verleidingen van het Grieksche Sodom zoo ernstig heeft besteed als Polycarpus, wie zich daar zulk een lof van zijne leeraars en meesters heeft verworven gelijk hij, hem heeft de loszinnigheid der Alexandrijnen niet geschaad. In de eerste jaren bepaalt de mensch in welke richting hij gedurende zijn volgend leven zal voortgaan, en die richting heeft Polycarpus aangenomen, alvorens hij ons huis verliet. Ja, als ik niet wist hoe braaf hij is, dan zou ik slechts op u hebben te zien, om tot mijzelven te zeggen: "uit het kind, dat door dezen is groot gebracht, kan nooit een slecht man groeien."
Petrus haalde bedenkelijk, als hield hij die vleiende woorden zijner vrouw voor ijdele dwaasheid, en toch lachend de schouders op, en vroeg: "Bij welken rhetor hebt gij toch school gegaan? Het zij zoo; spreekt gij met den jongen als hij uit Raïthoe terugkomt. Wat staat de maan reeds hoog! Kom, laat ons ter ruste gaan, Antonius zal morgen zeer vroeg het altaar opstellen, en daar wil ik bij zijn."
NEGENDE HOOFDSTUK.
Mirjam had goed gehoord. Terwijl zij bij het avondeten werd opgehouden, had Hermas de deur van den hof geopend. Hij was gekomen om den senator, uit erkentelijkheid voor de geneesmiddelen, waaraan zijn vader zooveel beterschap had te danken, een flinken jongen steenbok te brengen, dien hij weinige uren geleden geschoten had. Hij had hiermede wel tot den volgenden morgen kunnen wachten, maar hij vond geen rust boven op den berg en hij kon noch wilde het zichzelven verhelen, dat veel minder het verlangen om zijn gevoel van dankbaarheid uit te spreken hem naar de oase dreef, dan wel de hoop om Sirona te zien en een woord van hare lippen te hooren.
Sedert zijne eerste ontmoeting had hij haar meermalen gesproken, en hij was zelfs in haar huis geweest, als zij hem wijn voor zijn vader gaf en hij de ledige flesschen terugbracht. Eens, terwijl zij de flesch die hij vasthield uit de groote kan vulde, hadden hare blanke vingers de zijne aangeraakt, en haar vraag of hij dan bang voor haar was, of waarom anders zijne hand, die toch zoo sterk scheen te zijn, zoo angstig beefde, kon hij maar niet vergeten.
Hoe meer hij het huis van Petrus naderde, des te heviger klopte zijn hart. Hij bleef voor de deur van den hof staan om adem te halen en weder op zijn verhaal te komen, want hij gevoelde dat het hem, in zulk een opgewonden toestand, moeielijk zou vallen in behoorlijke orde zijne gedachten uit te spreken. Eindelijk greep zijne hand den knop van de deur en trad hij den hof binnen.
De honden kenden hem al en sloegen maar even aan, toen hij den drempel overschreed. Hij had iets te brengen en wilde niets wegnemen, en toch scheen het hem toe alsof hij een dief was, toen hij eerst opzag naar het groote huis, dat door het maanlicht helder werd beschenen, en dan naar het huis van den Galliër, dat daar, in duisternis gehuld, in onbestemde omtrekken stond, en eene breede donkere schaduw wierp op het glad geloopen en glinsterend graniet van het plaveisel. Er was geen mensch te bespeuren, en de reuk van het feestgebraad zeide hem, dat Petrus en de zijnen aan den maaltijd zaten.
"Ik zal hun, die daar zitten te smullen, ongelegen komen," sprak hij in zichzelven, terwijl hij den bok neerlegde op den steenen bank bij de deur en daarbij naar het hem maar al te goed bekende venster van Sirona keek. Het was niet verlicht, maar hij zag toch iets wits in het steenen kozijn, en dit trok zijne blikken met onweerstaanbare toovermacht aan. Nu bewoog het zich; daar verhief Sirona's hazewindhondje vlak bij hem zijn schelle stem.
Zij was het, zij moest het zijn! Haar beeld trad hem in al zijn glans voor de oogen, en opeens kwam het hem in de gedachte, dat zij alleen was, want hij was Phoebicius en de oude slavin te midden van de Mithras' aanbidders op den weg in de oase tegengekomen.
Hoe was die vrome jonkman, die de geeselriemen op zijn vleesch deed nederdalen, om verleidelijke droomgestalten te verbannen, in weinige dagen veranderd! Om zijn vaders wil had hij den berg nog niet verlaten, hij was echter besloten de wereld niet langer te ontvluchten, maar haar veeleer op te zoeken. De verpleging zijns vaders had hij aan den vromen Paulus overgelaten, en hij had beneden de rots omgezworven. Nu eens oefende hij zich daar in het werpen met de schijf, dan weder maakte hij jacht op steenbokken en roofdieren. Soms daalde hij, doch altijd wel een weinig schroomvallig, in de oase af, om daar rondom het huis van den senator te loopen, ten einde Sirona te zien.
Thans werd hij met eene onweerstaanbare kracht tot haar getrokken, daar hij wist dat zij alleen was. Wat hij van haar wilde, wist hij zichzelven eigenlijk niet te zeggen, en volmaakt duidelijk was hem niets, dan dat hij wenschte haar vinger nog eens met den zijnen aan te raken. Of dat zonde moest heeten of niet, dit was hem vrij onverschillig. Zonde had men ook zijn onschuldig spel genoemd, zonde elke gedachte aan de wereld, waarnaar hij verlangde, en hij was geheel besloten de zonde voor zijn rekening te nemen, ten einde zijn doel te bereiken. Het was ten slotte toch niet anders dan een schrikbeeld, waarmede men kinderen bang maakt, en de waardige Petrus had hem verzekerd, dat hij een man was, van wien men daden moest verwachten. In het gevoel dat hij een ongehoord waagstuk ging beginnen, naderde hij het venster van de Gallische, en deze herkende hem terstond, want hij werd beschenen door het licht van de volle maan.
"Hermas!" hoorde hij zacht roepen.
Hem overviel zulk een hevige schrik, dat hij als aan den grond genageld bleef staan, en meende dat zijn hart ophield te kloppen.
Andermaal riep eene zachte vrouwestem: "Hermas zijt gij het? Wat brengt u zoo laat in den avond tot ons?"
Hij stamelde onsamenhangende woorden; doch zij zeide: "Ik kan u niet verstaan; kom wat nader bij."
Onbewust bewoog hij zijn voet en trad in de schaduw van het huis tot aan haar venster.
Zij droeg een wit gewaad met open mouwen, en hare armen kwamen niet minder helder dan haar kleed tegen de duisternis uit.
Het hazewindje begon weder te keffen. Zij bracht het tot bedaren en vroeg vervolgens aan Hermas hoe het zijn vader ging, en of hij ook wijn noodig had.
Hij antwoordde dat zij goed was, engelachtig goed; dat de kranke weder geheel bijkwam, en dat zij hem veel te veel van hare goede gaven had geschonken. Wat beiden verder spraken mocht ieder hooren; toch fluisterden zij, alsof het over verbodene dingen handelde.
"Wacht even," verzocht Sirona, en verdween in de kamer. Een oogenblik later verscheen zij weder en zeide op zachten treurigen toon: "Ik wilde u uitnoodigen binnen te komen, maar Phoebicius heeft de deur gesloten. Ik ben geheel alleen. Houdt de flesch omhoog, opdat ik haar door het venster uit de kruik vulle."
Bij deze woorden bukte zij naar de groote wijnkan. Zij was sterk, maar de kruik scheen haar heden veel moeielijker op te tillen dan op andere dagen, en zuchtend zeide zij: "De amphora is mij te zwaar."
Hij hief de hand naar het venster op; wederom raakten hare vingers de zijne aan, en weder had hij hetzelfde zalig gevoel, waaraan hij dag en nacht had gedacht, sedert hij het voor de eerste maal had ondervonden.
Op dit oogenblik kwam er beweging in het tegenoverliggende huis. De slaven stonden van den maaltijd op. Sirona wist wat er plaats had. Zij schrikte en riep, terwijl zij angstig naar de deur van den senator wees: "Bij alle goden, zij komen, en wanneer zij u hier opmerken, ben ik verloren."
Hermas overzag, terwijl hij scherp luisterde naar hetgeen er in het andere huis gebeurde, met een snellen blik den hof. Zoodra hij begreep, dat het onmogelijk zou zijn de meer en meer naderende slaven van Petrus te ontloopen, riep hij Sirona gebiedend toe: "Ga achteruit!" en sprong door het venster in het vertrek van den Galliër.
Op hetzelfde oogenblik ging de deur van den senator open en liepen de slaven den hof in, Mirjam de eerste van allen. Vol verwachting overzag zij de groote ruimte, om met hare oogen hem te zoeken. Zij zag zich teleurgesteld; hij was er niet. Toch had zij hem hooren binnenkomen, en de deur had zich niet andermaal geopend; dat wist zij stellig en zeker.
Eenige slaven begaven zich naar den stal, anderen gingen de poort door de straat op, om van de avondkoelte te genieten. Jethro's oog viel op den steenbok. Hij liet het beest door een der slaven optillen en in de schuur brengen. Hij onderzocht niet hoe het hier kwam, want een Amalekietisch jager, wien Petrus een stuk grond in gebruik had gegeven, was gewoon telkens het beste deel van zijn buit, zonder een woord er bij te voegen, voor de deur van zijn weldoener neer te leggen.
De slaven zetten zich buiten in groepen op den grond, keken naar de sterren, babbelden en zongen. De herderin bleef alleen in den hof achter, en doorsnuffelde dien in alle hoeken, als zocht zij een verloren kleinood. Zij keek zelfs achter de molensteenen en de donkere schuur, waarin de werktuigen der steenhouwers bewaard werden. Eindelijk bleef zij staan en balde de kleine vuisten. In weinige vlugge sprongen stond zij in den schaduw van het huis, waarin de Galliërs woonden. Tegenover Sirona's venster bleef zij staan. De man die daar binnen op en neer liep was hij en geen ander.
Thans wist zij waar hij toefde. Zij beproefde te lachen, omdat de smart die zij ondervond haar te brandend heet scheen om die door tranen te kunnen blusschen. Met dit al verloor zij toch hare tegenwoordigheid van geest niet geheel en al. "Zij zijn in het donker," dacht zij, "en zullen mij zien wanneer ik onder het venster ga staan om te luisteren. Toch moet ik weten wat zij samen doen."
Fluks keerde zij de woning van den Galliër den rug toe, trad in den helderen maneschijn, bleef daar een oogenblik staan, en ging vervolgens het slavenverblijf binnen. Weinige oogenblikken later sloop zij achter de molensteenen, en kroop van daar zonder geritsel als een slang over den grond, langs de in den donkeren schaduw liggende fundamenten van het huis van den centurio, om onder het venster van Sirona te blijven liggen. Haar hart klopte zoo luide, dat het hare scherpe ooren moeielijk viel te luisteren. Maar al kon zij niet verstaan wat hij zeide, zij onderscheidde toch de klank van zijne stem. Hij bevond zich niet meer in Sirona's vertrek, maar met haar in de kamer aan de straat. Zij kon liet dus wagen op te staan, om door het geopende venster naar binnen te zien.
De deur, die de beide vertrekken van den Galliër verbond, was gesloten, en eene lichtstreep zeide haar, dat er in Phoebicius' woonkamer, waar zij samen waren, eene lamp brandde. Reeds strekte zij de hand uit, om in het donkere slaapvertrek te klimmen, toen een luide schaterlach van Sirona haar oor trof.
Het beeld harer vijandin trad haar voor de verbeelding, schitterend en in een stralenkrans van licht, als op dien morgen, toen Hermas tegenover haar had gestaan, door betoovering als aan den grond genageld. En thans, thans lag hij zeker aan hare voeten, zeide hij haar zoete, vleiende woorden, sprak hij haar van liefde, strekte hij zijn arm naar haar uit. En zij had gelachen!
Daar lachte zij weder!
Waarom werd het nu stil?--Bood zij hem misschien hare lippen aan tot een kus?--Zeker, zeker!--En Hermas rukte zich niet los uit hare blanke armen, zooals hij op dien middag aan de bron zich met afschuw uit de hare had losgewrongen, om niet weder te keeren!
Het koude zweet stond haar op het voorhoofd. Als eene waanzinnige greep zij in hare dikke zwarte haren, en haar bleeke mond kon een luide kreet niet terughouden, die geleek op het geschreeuw van een angstig dier. Eenige oogenblikken later sloop zij door de stallen en de poort, waardoor men het vee uitdreef, naar buiten, en vloog, zichzelve niet meer meester, den berg op naar de Mithrasgrot, naar Phoebicius, Sirona's echtgenoot. De Anachoreet Gelasius zag van verre in de maneschijn de gedaante van de herderin, die daar den berg opklauterde, en hoe haar schaduw haar volgde van steen tot steen. Hij wierp zich ter aarde en sloeg een kruis over zijn voorhoofd, want hij meende eene spookgestalte gezien te hebben uit de heidensche godenwereld, eene Oreade [4], door een satyr vervolgd.
Sirona had de kreet van de herderin gehoord.
"Wat was dat?" vroeg zij verschrikt den jonkman, die in den vollen feestdos van een Romeinsch officier, zoo schoon als een jonge krijgsgod, maar links en tamelijk onkrijgshaftig in zijne bewegingen voor haar stond.
"Er heeft een uil gekrast," antwoordde Hermas. "Vader moet mij eindelijk zeggen uit welk geslacht wij afkomstig zijn, en dan ga ik naar Byzantium, het nieuwe Rome, om den keizer te zeggen: "Hier ben ik. Ik wil onder uwe soldaten voor u strijden."
"Zóo bevalt ge mij," riep Sirona.
"Als dat waar is," hernam Hermas, "zoo bewijs het mij, en laat mij slechts eenmaal mijne lippen op uw gouden haren drukken. Gij zijt zoo schoon en vriendelijk als eene bloem; zoo vroolijk en schitterend als een vogel, en toch zoo hard als het gesteente van onzen berg. Als ge mij niet éen kus toestaat, word ik ziek en kwijn ik weg van smachtend verlangen, eer ik van hier weg kan komen, om in den krijg mijne kracht te toonen."
"En willigde ik uw verlangen in," zeide de Gallische lachend, "zoo zoudt gij steeds meer kussen willen hebben, en ten laatste in het geheel niet meer weg kunnen komen. Neen, neen, mijn vriend, ik ben de wijste van ons beiden. Ga nu in de donkere kamer. Ik wil eens onderzoeken of de lieden weder naar binnen zijn gegaan, en of gij door het venster aan de straat ongehinderd weg kunt komen; want gij zijt reeds veel te lang bij mij geweest. Hoort gij, dit verlang ik bepaald!"
Hermas gehoorzaamde met een zucht. Sirona opende intusschen de vensterluiken en zag naar buiten. De slaven gingen juist in den hof terug. Zij riep hen eenige vriendelijke woorden toe, die niet minder vriendelijk beantwoord werden, want de Gallische, die ook met welgevallen op den geringste neerzag, was bij allen even geliefd. Met volle teugen dronk zij de koele nachtlucht in, en zag vergenoegd naar de maan op, want zij was zeer tevreden over zichzelve.
Toen Hermas in haar kamer was gesprongen, was zij verschrikt achteruitgegaan. Doch hij had haar hand gegrepen en zijne brandende lippen op haar arm gedrukt. Zij had hem laten begaan, want een zonderlinge verwarring had zich van haar meester gemaakt. Daar hoorde zij hoe vrouw Dorothea riep: "Zoo aanstonds, zoo aanstonds! Ik wil de kinderen eerst goeden nacht zeggen."--Deze eenvoudige woorden uit dien mond werkten als met een toovermacht op de schoone vrouw, die zoo mishandeld en gewantrouwd werd, die toch zoo geheel geschapen was voor geluk, liefde en vreugde, en wier hart zoo warm klopte.
Toen haar echtgenoot haar opgesloten en zelfs hare slavin met zich medegenomen had, was zij eerst begonnen te razen en te weenen. Zij dacht aan wraak, aan vluchten, maar was geëindigd met, innerlijk beleedigd en stil, voor het venster plaats te nemen, om te denken aan haar schoon vaderland, hare broeders en zusters, en de donkere olijvenbosschen van Arelate.
Daar verscheen Hermas. Het was haar niet ontgaan, dat de jonge Anachoreet haar hartstochtelijk bewonderde, en dat verheugde haar, want hij beviel haar. Het streelde haar en scheen haar van dubbele waarde, dat hij in verwarring was geraakt toen hij haar aanzag; want zij wist dat de kluizenaar in het schaapsvel, wien zij den wijn schonk, toch eigenlijk een aanzienlijk jongeling was. En hoe verdiende de arme jongen medelijden, daar een harde vader hem zijne jeugd ontstal!
Eene vrouw toont den man, met wiens lot zij begaan is, gemakkelijk eene teedere toegenegenheid, misschien omdat zij het aan hem te danken heeft, dat zij zich de sterkere mag gevoelen, en omdat door hem en zijn leed de edelste begeerte van haar vrouwelijk gemoed, namelijk om hulp te bewijzen door zorgvuldige verpleging, bevrediging mag verwachten. In de harten van mannen pleegt de liefde te verflauwen, als het medelijden begint. Op de ontkiemende plant eener vrouwelijke neiging werkt de bewondering als de zonneschijn, en het medelijden is de glans, die van het vrouwelijk gemoed zelve uitstraalt.
Maar noch het een noch het ander had dien avond Sirona aanleiding gegeven, om Hermas aan haar venster te roepen. Zij gevoelde zich zoo beangst en verlaten, dat ieder haar welkom moest zijn, uit wiens mond zij een vriendelijk woord mocht verwachten, een woord dat haar beleedigd gevoel van eigenwaarde weder kon opwekken. Daar verscheen nu de Anachoreet, die in hare nabijheid zichzelven, en al het overige vergat; wiens blikken, wiens bewegingen, wiens zwijgen haar zelfs scheen te huldigen. En dan zijn dwaze sprong in haar venster, en zijn hartstochtelijk bedelen om een gunst! Dat is liefde, zeide zij tot zichzelve. Hare wangen gloeiden, en toen Hermas hare hand greep en zijne lippen op haar arm drukte, weerde zij hem niet af, totdat de stem van Dorothea haar herinnerde aan die waardige vrouw en hare kinderen, en door deze aan hare eigene ver verwijderde broertjes en zusjes.
Als een reinigende stroom vervulde de gedachte aan deze reinen haar ontroerd gemoed, en opeens stelde zij zich de vraag: Wat zou ik toch zijn zonder die daar aan de overzijde, en is deze groote verliefde knaap, die nog pas als een schoolknaap tegenover Polycarpus stond, dan waard, dat ik om zijnentwil het recht opgeef hun vrij in de oogen te zien? Zij weerde daarom Hermas, die het voor de eerste maal waagde met zijne lippen hare welriekende goudgele haren te naderen, met gestrengheid af, en gebood hem bescheiden te zijn en hare hand los te laten.
Zij sprak zacht, maar op zulk een beslissenden toon, dat de jongeling, aan gehoorzaamheid gewend, zich zonder weerstand te bieden door haar in het woonvertrek liet duwen. Daar stond een brandende lamp op de tafel, en op de rustbank, geplaatst tegen een der zijwanden, die met bonte kleuren beschilderd waren, lagen de kleederen, de helm, de staf van den centurio en de overige deelen van zijne wapenrusting, die Phoebicius had afgelegd, vóor hij naar het Mithrasfeest was gegaan, om zich te tooien met het gewaad van een ingewijde in den leeuwengraad.