Homo sum: Roman

Part 7

Chapter 73,959 wordsPublic domain

"Vrouw Dorothea vertelde mij gisteren avond," zeide zij vriendelijk, "dat Petrus hoopt uw vader te kunnen herstellen, maar hij is nog zeer zwak. Misschien zou goede wijn hem helpen; heden nog niet, maar morgen of overmorgen. Kom maar bij mij, wanneer gij dien noodig hebt; wij hebben in den kelder ouden Falerner en witten Mareotischen, die uitnemend en versterkend is."

Hermas dankte, en toen zij hem nogmaals aanmoedigde, om zich gerust tot haar te wenden, wist hij over zich te krijgen, haar meer stamelend dan sprekend toe te roepen: "Gij zijt niet minder goed dan schoon."

Deze woorden waren ter nauwernood over zijne lippen, toen de bovenste, van de naast het slavenverblijf kunstig opgestapelde steenen, met luid geraas naar beneden rolde.

Sirona schrikte en ging van het venster terug. Het hazenwindje begon hard te blaffen, en Hermas bracht de hand aan het voorhoofd, alsof hij uit een droom ontwaakte. Even daarna klopte hij aan de deur van den senator. Nauwelijks had hij het huis betreden, of de tengere gestalte van Mirjam kwam, als eene schaduw, achter de steenen te voorschijn, om snel en zonder eenig geluid te maken, in de woning der slaven te verdwijnen.

Dit verblijf was thans ledig, daar de bewoners op het veld, of in huis, of in de steengroeven aan den arbeid waren. Het bestond uit eenige slecht verlichte vertrekken, met naakte oneffene wanden. De herderin ging het kleinste binnen, waar de slaaf, dien zij gewond had, rustte op een bed van palmtakken. Hij bewoog zich even, toen zij in vliegende haast een nieuwe slordig gevouwen compres scheef op zijne diepe hoofdwonde legde. Zoodra deze plicht vervuld was, verliet zij het vertrek weder, plaatste zich achter de halfgeopende deur, die toegang verleende tot den hof, en zag hijgend nu eens naar het huis van den senator, dan weder naar de vensters van Sirona.

Eene nieuwe gedachte had haar jeugdig hart in onstuimige beweging gebracht. Weinige oogenblikken geleden zat zij nog naast den gewonden man op den grond neergehurkt, met het hoofd rustende op haar hand, denkende aan den berg en haar geiten. Daar vernam zij aan de zijde van den hof een zacht gedruisch, dat een ander zeker ontgaan zou zijn. Zij echter merkte het niet enkel op, maar zij kon ook met volle zekerheid onderscheiden, wie er de oorzaak van was. In het geluid van Hermas' schreden kon zij zich niet vergissen, en het werkte op haar met onweerstaanbare macht.

Snel hief zij het hoofd en den arm op, sprong overeind en ging den hof in. De molensteenen maakten haar onzichtbaar, maar zij kon Hermas toch zien, zooals hij daar stond in bewondering verzonken. Zij volgde zijne blikken en--daar zag zij hetzelfde beeld, dat zijne oogen in verrukking bracht, de schoone, door het zonlicht beschenen gedaante van Sirona. Zij zag er uit als sneeuw met rozen en goud bestrooid, als de engel aan het graf op de nieuwe schilderij in de kerk. Ja, als de engel! En op eens bedacht zij, hoe bruin en zwart zij zelve was, en dat hij haar een duivelin had genoemd.

Eene diep smartelijke gewaarwording overmeesterde haar, en zij gevoelde zich als verlamd naar lichaam en ziel. Spoedig echter ontworstelde zij zich aan deze betoovering; haar hart begon onstuimig te kloppen, en zij moest zich met de witte tanden op de lippen bijten, om het niet luide uit te schreeuwen van toorn en pijn. Hoe gaarne was zij tegen dat venster opgeklauterd, waaraan Hermas' blikken hingen; was zij Sirona in de goudgele haren gevlogen; had zij haar op den grond getrokken en als een vampyr haar het bloed uit de roode lippen gezogen, tot zij vóor haar uitgestrekt zou liggen, bleek als het lijk van eene die van dorst was omgekomen.

Thans zag zij hoe het dunne gewaad haar van de schouders gleed, hoe hij schrikte en de hand aan zijn hart bracht. Wederom welde eene andere gedachte bij haar op, namelijk om Sirona toe te roepen en te waarschuwen. Zelfs vijandinnen reiken elkander in den geest de handen, wanneer het geldt het bedreigde heiligdom van het zedig vrouwelijk gevoel te beschermen.

Zij bloosde om Sirona's wil, en reeds opende zij de lippen, toen het hondje aansloeg en het gesprek tusschen beiden begon. Aan haar scherp gehoor ontsnapte geen woord van hetgeen zij sprak, en toen hij zeide, dat zij zoo schoon was als goed, gevoelde zij, dat zij begon te duizelen. De bovenste steen, die weinig steun had, en waaraan zij zich wilde vasthouden, verloor zijn evenwicht. Zijn val stoorde het gesprek van de twee en deed Mirjam naar den kranke terug ijlen.

Thans stond zij aan de deur op Hermas te wachten. Dat wachten viel haar lang, zeer lang. Eindelijk kwam hij met vrouw Dorothea te voorschijn en zij bemerkte alleen nog, dat hij weder naar Sirona opzag. Een ondeugend lachje speelde om hare lippen, want het venster was ledig, en het schoone beeld, dat hij gehoopt had weder te zien, was verdwenen.

Sirona zat thans aan haar weefstoel in het voorvertrek; het geluid van een naderenden hoefslag had haar daarheen gelokt. De tweede zoon van den senator, Polycarpus, was op den fieren hengst zijns vaders voorbij gereden, had haar gegroet en tevens eene roos op den weg geworpen.

Een halfuur later kwam de oude slavin bij Sirona, die met vlugge hand den weversspoel door den inslag schoot. "Meesteres!" riep de zwarte met een hatelijk lachje. Zoodra de verlatene vrouw haren arbeid staakte en haar vragend aanzag, overhandigde de oude haar de roos.

Sirona nam de bloem aan, blies het stof dat haar bedekte weg, schikte met de vingertoppen de sierlijke blaadjes, en zeide, terwijl zij aan deze bezigheid hoofdzakelijk hare opmerkzaamheid scheen te wijden: "Laat voortaan die rozen liggen. Gij kent Phoebicius, en wanneer iemand het ziet, dan komen er maar praatjes van."

De zwarte vrouw haalde de schouders op en keerde haar den rug toe. Sirona dacht echter: "Die Polycarpus is toch een schoon en vriendelijk jonkman. Zulke groote gevoelvolle oogen heeft zeker geen ander. Als hij maar niet altijd van zijne ontwerpen, teekeningen, figuren en zulke ernstige dingen spreken wilde, die mij niets aangaan!"

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Toen de zon den volgenden dag hare middaghoogte reeds voorbij was en het koeler begon te worden, willigden Hermas en Paulus den wensch van Stephanus in en brachten zij hem naar buiten, want hij begon zich krachtiger te gevoelen.

Thans zaten de Anachoreten naast elkander op een vlak rotsblok, dat Hermas voor zijn vader door eene laag van frissche kruiden in een zacht kussen had veranderd. Beiden zagen zij den jongeling na, die met pijl en boog den berg opklom, ten einde een steenbok te schieten. Petrus toch had den kranke krachtige spijs voorgeschreven.

Zij spraken geen woord, tot de jager uit het gezicht was. Toen zeide Stephanus: "Wat is hij toch veranderd, sedert ik ziek ben! Het is toch nog zoo lang niet geleden, dat ik hem voor het laatst bij daglicht zag. Inmiddels schijnt de knaap een man geworden te zijn. Met welk een gevoel van zelfbewustheid ging hij daarheen!"

Paulus prevelde, terwijl hij naar den grond keek, eenige bevestigende woorden. Het werpen met den schijf kwam hem weder voor den geest, en hij dacht: "Zeker heeft hij de palaestra in zijn hoofd. Hij heeft zich ook gebaad. Reeds gisteren, toen hij uit de oase terugkwam, stapte hij voort als een jeugdig athleet.

Dan eerst mag de vriendschap eene ware heeten, wanneer twee menschen, zonder een woord te spreken, zich toch mogen verheugen in elkanders samenzijn. Stephanus en Paulus zwegen; nochtans bestond er tusschen hen eene onmerkbare gedachtenwisseling, toen zij, terwijl de zon begon onder te gaan, naar het westen zagen. Diep beneden hen glansde in zacht blauw-groene tinten de smalle vlakte der Roode zee, aan de kusten begrensd door naakte, helder goudgele bergen. In hunne nabijheid verhief zich de veelgespleten kroon van het reuzengebergte, die zoodra de dagvorstin achter haar verdween, als omgeven werd met een stralenkrans van vurige robijnen. Een gloeiend rood overdekte den westelijken horizont; dunne nevelsluiers begonnen het kustgebergte te omhullen; de zilveren wolkjes aan den reinen hemel veranderden van tint, zich kleurende met het zachte rood der pas ontluikende rozen; en de heuvels aan het strand schitterden met het doorzichtig blauw van violen en amethysten. Er was geen zuchtje; geen geluid verstoorde de plechtige avondstilte.

Eerst toen de kleur der zee al donkerder en donkerder werd, toen de gloed op de bergtoppen en in het westen was uitgedoofd, toen de nacht zijne schaduwen over hoogten en laagten begon uit te breiden, maakte Stephanus zijne gevouwen handen los en riep zijn metgezel zacht bij den naam.

Paulus verschrikte, en zeide als een die uit een droom ontwaakt, en zich bewust is de woorden van den ander niet verstaan te hebben: "Gij hebt gelijk! Het wordt donker en koel, en gij moet weder in de spelonk gaan."

Stephanus verzette zich niet, en liet zich naar zijn leger brengen.

Paulus zuchtte diep, terwijl hij het schaapsvel over den kranke uitspreidde.

"Wat ontroert uwe ziel?" vroeg de oude man.

"Het is... het was... Wat kan het mij baten!" riep Paulus diep bewogen. Wij zijn daar getuigen geweest van het heerlijkst wonder des Allerhoogsten, en ik heb schaamteloos afgoderij gepleegd, want ik zag den wagen voor mij met de blinkende, vuursnuivende, gevleugelde rossen van Helios, en den god zelven in de gedaante van Hermas, met schitterende goudgele haren, en de dansende Horen [3], en de gouden poorten van den nacht. Vervloekt demonen-tuig!...."

Hier werd de Anachoreet gestoord, want Hermas trad de spelonk binnen, hield de beide mannen een steenbok voor, dien hij geschoten had, en riep: "Een flinke borst, en hij heeft mij maar eene enkele pijl gekost. Ik zal dadelijk vuur ontsteken en de beste stukken braden. Daar zijn nog bokken genoeg op onze bergen, en ik weet ze te vinden."

Een uur later aten vader en zoon de aan het spit gebraden stukken vleesch. Paulus weigerde er mede van te nuttigen, want toen hij, na het werpen met den discus, zich in vertwijfeling en berouwvol had gegeeseld, had hij zich een streng vasten opgelegd.

"En nu," riep Hermas, toen zijn vader, wien deze lang ontbeerde krachtige spijs voortreffelijk scheen te smaken, verklaarde dat hij verzadigd was, "en nu komt het beste! In deze flesch heb ik versterkenden wijn, en wanneer zij ledig is, wordt zij opnieuw gevuld."

Stephanus greep den houten beker, dien zijn zoon hem toereikte, dronk een weinig en zeide, terwijl hij den kostelijken smaak van het edel vocht nog eens met zijne tong keurde: "Dat is wat goeds! Syrische wijn! Proef eens, Paulus!"

De aangesprokene nam den beker in de hand, snoof de geur van den gulden drank onderzoekend op, en prevelde toen, zonder er zijne lippen aan te zetten: "Dat is geen Syrische; het is Egyptische. Ik ken hem wel. Ik houd hem voor Mareotische!"

"Zoo heeft Sirona hem ook genoemd," zeide Hermas. "En gij herkent den wijn alleen aan den geur! Ze zeggen dat hij bijzonder heilzaam is voor zieken."

"Dat is hij," verzekerde Paulus.

"Sirona?" vroeg Stephanus verwonderd. "Wie is dat?"

Het hol werd maar flauw verlicht door het vuur, dat bij den ingang was ontstoken; de beide Anachoreten konden dus niet opmerken, dat Hermas kleurde tot over zijn ooren, toen hij antwoordde: "Sirona? De Gallische Sirona? Kent gij haar niet? Zij is de vrouw van den centurio, beneden in de oase."

"Hoe komt gij juist aan haar?" vroeg de vader.

"Zij woont in het huis van Petrus," antwoordde de jongeling, "en daar zij van uwe verwonding hoorde...."

"Breng haar mijn dank over, wanneer gij morgen naar beneden gaat," vroeg Stephanus; "haar en ook haar echtgenoot. Is hij een Galliër?"

"Ik geloof ja,... neen stellig," antwoordde Hermas. Zij noemen hem den leeuw. En hij komt uit Gallië."

Toen de jongeling het hol had verlaten, legde de oude man zich te slapen neder, en Paulus waakte aan zijne zijde op het bed van zijn zoon. Maar Stephanus kon den slaap niet vatten. Toen zijn vriend hem naderde, om hem het geneesmiddel toe te dienen, zeide hij: "De vrouw van een Galliër heeft mij een weldaad bewezen, en toch die wijn zou mij beter bevallen zijn, wanneer hij niet van een Galliër afkomstig was."

Paulus zag hem vragend aan, en hoewel er volslagen duisternis heerschte in de spelonk, zoo gevoelde Stephanus toch dezen blik en zeide: "Ik ben op niemand boos, en heb mijn naaste lief. Ik ben diep beleedigd; maar ik heb vergeven, van ganscher harte vergeven. Daar is maar éen, wien ik kwaad zou gunnen, en dat is een Galliër."

"Vergeef ook hem," smeekte Paulus, "en laat u den slaap niet verstoren door bittere gedachten."

"Ik ben niet moede," hernam de kranke. "Wanneer u wedervaren was, wat mij is aangedaan, zou dit ook u de nachtrust bederven!"

"Ik weet het, ik weet het," zeide Paulus, om hem wat neer te zetten. "Het was een Galliër, die uwe arme vrouw misleid heeft, zoodat zij uw huis en uw kind heeft verlaten."

"En hoe heb ik Glycera bemind!" sprak de kranke steunend. "Zij werd behandeld als eene vorstin, en ik wist hare wenschen te voorkomen, vóor zij ze had uitgesproken. Honderdmaal heeft zij mij gezegd, dat ik te goed en te zwak voor haar was, en haar niets te wenschen overbleef. Daar kwam die Galliër in ons huis, een mensch, een kerel zoo norsch als zure wijn, maar welbespraakt en met vonkelende oogen. Hoe hij Glycera in zijne strikken heeft gevangen: ik weet het niet en wil het niet weten. In de hel zal hij er voor boeten. Dag en nacht bid ik voor de arme verlorene vrouw. Zij is bezweken voor eene betoovering, doch haar hart bleef in mijn huis achter, want daar was haar kind, en zij had Hermas zoo lief, en ook aan mij was zij zoo innig gehecht! Hoe sterk moet wel de begoocheling zijn, die zelfs de moederliefde kan dooden! Ik arme! Ach ik ongelukkige! Hebt gij ooit eene vrouw liefgehad, Paulus?"

"Gij moet slapen," zeide de Anachoreet vermanend. "Wie kan, gelijk ik, bijna een halve eeuw geleefd hebben, zonder te voelen wat liefde is!--Maar ditmaal spreek ik geen woord meer; neem gij den drank dien Petrus u gezonden heeft."

Het middel van den senator werkte krachtig, want de kranke sliep in, en ontwaakte eerst, toen het volle daglicht de spelonk verlichtte. Paulus zat nog altijd aan zijne legerstede, en overhandigde hem, nadat zij gemeenschappelijk gebeden hadden, de kruik, die Hermas, alvorens hij naar de oase ging met frisch water had gevuld.

"Ik gevoel mij versterkt," zeide de oude. "Het geneesmiddel is goed. Ik heb rustig geslapen en heerlijk gedroomd. Maar gij ziet er zoo bleek en ontdaan uit."

"Ik!" vroeg Paulus, "Ik heb daar toch op het bed gelegen. Laat mij nu een oogenblik naar buiten gaan."

Terwijl hij dit zeide ging hij het hol uit. Zoodra hij zich aan de blikken van Stephanus had onttrokken, haalde hij diep adem, rekte hij zijne leden en wreef hij de brandende oogen uit. Want, het was hem als had hij zand onder de oogleden, die hij drie dagen en nachten achtereen niet had willen sluiten. Bovendien kwelde hem een hevige dorst, want zijne lippen hadden in dienzelfden tijd spijs noch drank aangeroerd. Reeds begonnen zijne handen te beven, maar de zwakheid en de pijn vervulden hem met stille vreugde, en gaarne had hij zich in zijn hol teruggetrokken ten einde zich, en dat niet voor de eerste maal, over te geven aan den bitterzoeten waan, dat hij aan een kruis hing en evenals de Heiland uit vijf wonden bloedde.

Doch Stephanus riep hem, en zonder te talmen ging hij tot hem en beantwoordde zijne vragen. Het spreken viel hem daarbij gemakkelijker dan het hooren, want het suisde en gonsde en klonk hem in de ooren, alsof hij bevangen was door den vurigen wijn.

"Als Hermas nu maar niet vergeet den Galliër te bedanken," zeide Stephanus.

"Danken, ja danken moeten wij altijd," antwoordde de ander, terwijl hij de oogen sloot.

"Ik heb van Glycera gedroomd," begon de oude man opnieuw. "Gisteren zeidet gij, dat de liefde ook u eens het hart heeft bewogen. Gij zijt toch nooit gehuwd geweest.--Gij zwijgt? Maar antwoord mij dan toch?"

"Ik? Wie heeft mij geroepen?" prevelde Paulus, en staarde den vrager met strakke blikken aan.

Deze verschrikte, zoodra hij bemerkte, dat Paulus over al zijne leden beefde, richtte zich op, en gaf hem de flesch met den wijn van Sirona, die de ander, zichzelven niet meer meester, hem hartstochtelijk uit de hand rukte en brandend van dorst ledigde.

De vurige drank wekte zijne wegzinkende krachten weder op, kleurde zijne wangen en verleende aan zijne oogen een eigenaardigen glans. Daarbij zeide hij, diep ademhalende en zijne hand tegen de borst drukkende: "Hoe goed heeft mij dat gedaan!"

Stephanus was nu volkomen gerustgesteld, en herhaalde zijne vraag. Doch hij gevoelde weldra berouw over zijne nieuwsgierigheid, want de stem van zijn vriend had een geheel vreemden klank aangenomen, toen hij antwoordde: "Ik was nooit gehuwd, neen nooit. Maar toch heb ik lief gehad, en ik wil u alles vertellen, alles, van het begin tot het einde. Gij moogt mij echter niet in de rede vallen, geene enkele maal! Ik ben zoo zonderling te moede! Misschien komt het van den wijn. Ik heb dien in lang niet gedronken. Ik heb gevast, sedert, ... sedert... Doch dat doet er niet toe. Zwijg nu stil, doodstil, en laat mij vertellen."

Paulus zat op Hermas' legerstede. Thans boog hij zich een eind achterwaarts, leunde met zijn hoofd tegen den rotswand der spelonk, door welker opening het volle daglicht binnenstroomde, en begon terwijl hij in de ruimte staarde: "Hoe zij er uitzag wie kan haar beschrijven? Zij was lang en groot als Hera en toch niet trotsch, en haar edel Grieksch gelaat was niet minder lieftallig dan schoon. Zij kon zoo heel jong niet meer zijn, toch had zij de oogen van een vriendelijk kind. Ik heb haar alleen zeer bleek gekend. Haar smal voorhoofd kwam als elpenbeen onder de donkerbruine haren te voorschijn. Blank als haar voorhoofd waren ook hare schoone handen, handen die als bezielende wezens, eene eigene taal wisten te spreken.

Als zij ze aandachtig samenvouwde, dan was het als spraken zij voor zichzelve een gebed uit. Zij was buigzaam als een jongen palm, als zij zich bewoog; toch was er iets voornaams en waardigs in hare houding, zelfs in de dagen toen ik haar voor het eerst aanschouwde. Dat was op eene verschrikkelijke plaats, in de ijzingwekkende gevangenkamer in de Rhakotis. Zij droeg slechts een doorschijnend gewaad, dat eens kostbaar was geweest. Gelijk een hongerige rat eene gevangene duif, zoo volgde haar een morsig wijf, dat haar met smaadwoorden overlaadde. Zij antwoordde niets, maar groote dikke tranen rolden langzaam over hare bleeke handen, die zij over de borst gekruist hield. Uit hare blikken spraken leed en angst, maar geene gemoedsbewegingen verstoorden de regelmatigheid harer trekken. Zelfs de smaadheid wist zij waardig te dragen, en met welk een taal vervolgde haar de woedende oude!

"Ik was reeds lang gedoopt, en voor mij, den rijken Menander, den zwager van den praefect Pompejus, stonden alle gevangenissen open, waarin onder Maximinus zoovele Christenen zouden gedwongen worden tot afval van hun geloof. Maar zij behoorde niet tot de onzen. Haar oog ontmoette het mijne; ik maakte het teeken des kruises, maar zij beantwoordde den heiligen groet niet. Thans voerden de wachters de oude vrouw weg; zij trok zich echter in een donkeren hoek terug, hurkte daar neder en verborg het aangezicht met de handen.

"Hoe zonderling het ook was, ik gevoelde deelneming met deze ongelukkige vrouw tot in het diepst mijner ziel. Het was mij als behoorde zij aan mij en ik aan haar, en ik stelde vertrouwen in haar, al vertelde de cipier mij ook in ruwe woorden, dat zij met een Romein bij dat oude wijf had gewoond, dien zij voor veel geld had opgelicht.

"Den volgenden morgen kon ik niet nalaten weder naar de gevangenzaal te gaan, om harent- en mijnentwil. Daar vond ik haar weder in denzelfden hoek, waarin zij den vorigen dag gevlucht was. Haar gevangenkost, een kruik water en een stuk brood, stond onaangeroerd naast haar. Toen ik haar nader kwam, merkte ik op, hoe zij een klein stuk van de dunne snede voor zichzelve afbrak, en vervolgens een christenknaapje, dat zijne moeder in den kerker gevolgd was, tot zich riep, om dit kind de rest te geven. Het kind bedankte haar vriendelijk; zij echter greep en kuste het, ofschoon het er niet mooi en zeer ziekelijk uitzag, met hartstochtelijke teederheid.

"Wie kinderen zóo lief heeft," zeide ik tot mijzelven, "is niet bedorven," en ik bood haar aan naar mijn vermogen te helpen. Niet zonder wantrouwen nam zij mij met de oogen op en zeide, dat zij loon naar werken ontving, en dat zij alles dragen wilde.

"Eer ik verder bij haar kon aandringen, werden wij door christenen gestoord. Zij hadden zich geschaard rondom den waardigen Ammonius, die hen met stichtelijke woorden vermaande en troostte. Zij luisterde opmerkzaam naar den grijsaard, en den volgenden dag vond ik haar in gesprek met de moeder van het knaapje, waaraan zij het brood had geschonken.

"Op zekeren morgen was ik met vruchten gekomen, waarmede ik de gevangenen en haar in het bijzonder wilde verkwikken. Zij nam een appel, stond op en zeide zacht: "Thans vraag ik u om een ander geschenk. Gij zijt een christen; zend mij een priester om mij te doopen, wanneer hij mij niet voor onwaardig houdt. Want ik ben zoo zwaar met zonden beladen, zwaarder dan eenige andere vrouw."

"Wederom welden er stille tranen in hare lieve, groote kinderlijke oogen. Ik sprak haar hartelijk toe en toonde haar de genade van den Verlosser, zoo goed ik kon. Spoedig daarop heeft Ammonius haar heimelijk gedoopt. Zij verzocht dat men haar Magdalena zou noemen. Zóo geschiedde het, en daarna schonk zij mij haar volle vertrouwen.

"Zij had haren echtgenoot en haar kind verlaten, om de wille van een duivelschen verleider, dien zij naar Alexandrië was gevolgd, en die haar daar in den steek had gelaten. Alleen, zonder vrienden, in gebrek en schulden, bleef zij bij eene onmeedoogende en hebzuchtige waardin achter, door welke zij voor den rechter en in den kerker werd gesleept.

"In welk een afgrond van de diepste zielesmart liet deze vrouw, die een beter lot waardig was geweest, mij een blik slaan! Wat is voor eene vrouw het hoogste? Hare liefde, hare moederplicht, hare eerbaarheid! En Magdalena? Zij had alle drie verspeeld, vergooid door eigen schuld. De slagen van het lot, waaraan wij niets veranderen kunnen, laten zich gemakkelijk dragen, maar wee hem die door eigen toedoen, zijn levensgeluk verstoort!

"Zij was eene zware zondares; zij gevoelde dit met bitter berouw en wees mijn aanbod haar vrij te koopen, standvastig af. Zij hunkerde naar de straf, gelijk een koortslijder naar den bitteren drank, die zijn bloed tot bedaren zal brengen.

"Bij den gekruisigde! Ik heb onder zondaars meer edel menschelijk gevoel gevonden, dan bij menig rechtvaardige in priesterlijk gewaad!

"De kerker kreeg voor mij door Magdalena zijn heiligheid terug. Vroeger had ik die plaats dikwijls met diepe verachting verlaten, want onder de gevangene christenen was veel lui volk, dat den Heiland in het openbaar had beleden, om zich te doen onderhouden door de liefdegaven der geloofsgenooten. Ik vond er vloekwaardige misdadigers, die de verbeurde zaligheid door den marteldood hoopten terug te erlangen. Ik hoorde het gejammer der blooden, die den dood niet minder vreesden, dan verraad te plegen jegens den Allerhoogste. Men kon er hartverscheurende tooneelen aanschouwen, maar ook toonbeelden der verhevenste zielegrootheid. Ik zag mannen en vrouwen, die in stillen vrede den dood tegengingen, en wier uiteinde waarlijk edeler was dan de geprezene zelfopoffering van een Codrus of een Decius Mus.