Part 6
"Maar val mij dan niet weder in de rede," verzocht Paulus en ging voort: "Bij al dat vroolijke leven gevoelde ik mij niet gelukkig, neen waarlijk niet. Wanneer ik soms alleen was, en niet te midden mijner lustige makkers en, onder aanvallige meisjes met popelgroen bekranst den beker ledigde, dan was het mij soms als wandelde ik aan den rand van een zwarten afgrond, of als ware alles in mij en rondom mij ledig en woest. Uren lang kon ik in zee staren, en als dan de golven zich verhieven om weder te dalen en geheel te vervloeien, dacht ik dikwijls dat ik niet ongelijk was aan deze, en dat de toekomst van mijn nietswaardigheden toch een ijdel niets was. Onze goden hadden weinig waarde voor ons. Mijne moeder offerde nu eens in dezen, dan weder in genen tempel, al naar de behoefte van den dag medebracht. Vader nam deel aan de feesten, maar dreef den spot met het bijgeloof der menigte, en mijn broeder sprak altijd van het wezen van licht, waaruit alles ontstaan zou zijn, en was steeds in de weer met allerlei demonen en tooverformulieren. Hij was een aanhanger van de leer van Jamblichus, Ablavius en andere Nieuw-Platonische wijsgeeren, die mij, domkop, voorkwamen nu eens bovenmenschelijk diepzinnig, dan weder onmenschelijk dwaas te zijn. Menig woord uit zijn mond is mij bijgebleven, en eerst hier in de eenzaamheid heb ik het leeren verstaan. Het redelijke buiten ons te zoeken is niets; maar het hoogste is, wanneer de rede in ons zichzelve mag beschouwen. Zoo dikwijls de wereld voor mij in het niet wegzinkt en ik in God leef, hem alleen heb en vasthoud, zijne onmiddellijke nabijheid gevoel, gedenk ik die leerstelling. Hoe zochten en luisterden al die dwazen, of zij de waarheid ook vinden en verstaan mochten, de waarheid die naast hen zoo luide verkondigd werd!
"Overal vond men Christenen, en zij behoefden zich in dien tijd niet te verbergen; ik had echter niets met hen uit te staan. Maar tweemalen kruisten zij mijn weg. De eene maal was ik niet weinig verdrietig, toen in het renperk de paarden van een christen, die een Nazareenschen zegen had ontvangen, de mijnen overwonnen. De andere keer was ik zeer vreemd te moede, toen ikzelf zulk een zegen van een ouden christelijken havenwerker ontving, wiens zoon ik uit het water had gered.
"Er verliepen jaren. Mijne ouders stierven. De laatste blik mijner moeder was op mij gericht, want van al hare kinderen hield zij toch het meest van mij. Men zeide ook dat wij veel op haar geleken, ik en mijne zuster Arsinoë, die spoedig na den dood mijns vaders met den praefect Pompejus in het huwelijk trad.
"Bij de verdeeling der erfenis liet ik de fabrieken en de leiding der zaak aan mijn broeder over, ja ook het huis in de stad, ofschoon het mij als den oudsten toekwam. Daarvoor nam ik het landgoed vóor de Canobische poort in bezit, en vulde daar de stallen met edele paarden, en de schuren met niet minder kostelijken wijn. Dien had ik noodig ook, want de dagen waren aan de baden en het worstelperk gewijd, maar de nachten werden met drinken doorgebracht, nu eens bij mij, dan weder bij een vriend, of ook in een der herbergen te Canobus, waar de gastmalen werden gekruid door gezang en dans van de schoonste Grieksche meisjes.
"Wat hebben, zult gij vragen, deze plaatsen van ijdel zingenot met uwe bekeering te maken? Hoor mij slechts aan. Toen Saul uitging om de ezelinnen zijns vaders te zoeken vond hij eene kroon.
"Op zekeren dag waren wij in onze vergulde booten daarheen gevaren, en de Lesbische Archidice had voor ons in haar huis een gastmaal gereed gemaakt, zooals men het zelfs in Rome nauwelijks zou kunnen toebereiden. Sedert Diocletianus, na den opstand van Achilleus, onze stad had ingenomen, gedroegen zich de keizerlijke troepen, die naar Alexandrië waren gekomen, meer dan overmoedig. Al maanden lang hadden mijne vrienden met eenige jonge officieren uit Romeinsche patricische familiën telkens weder verschil gehad over paarden, vrouwen en weet ik wat niet meer. Nu wilde het ongeluk, dat wij juist deze heertjes in de woning van Archidice aantroffen. Het kwam tot bitse woorden, die de krijgslieden op hunne manier beantwoordden, eindelijk tot beleedigingen, ja, toen de wijn hen en ons verhit had, tot luide bedreigingen.
"De Romeinen verlieten de woning vóor ons. Met kransen getooid, zingende en geen kwaad vermoedende, volgden wij hen een poos later. Reeds waren wij dicht bij de haven, toen een schreeuwende troep uit eene zijstraat te voorschijn kwam, en ons met blanke wapenen op het lijf viel. Het was maneschijn, zoodat ik enkele van onze aanvallers kon herkennen. Ik wierp mij op een langen tribuun, worgde hem en zonk, toen hij viel, met hem op den grond. Wat verder geschiedde, weet ik niet recht meer, want zwaardhouwen vielen als een slagregen op mij neer en het werd mij zwart voor de oogen. Ik weet alleen nog wat ik toen in het aangezicht van den dood heb gedacht."
"Wat dan?" vroeg Stephanus.
"Ik dacht," antwoordde Paulus, terwijl hij een kleur kreeg van schaamte, "aan mijne kwartels in Alexandrië, die ik onderhield om te vechten, of zij wel water hadden gehad. Daarna overviel mij eene diepe en sombere bewusteloosheid. Weken lang heb ik zoo gelegen, want ik was gehakt als het worstvleesch van den slager. Ik had twaalf wonden, de kleine niet mede gerekend, ieder van welke zeker een ander het leven zou hebben gekost. Gij hebt u immers menigmaal over mijne litteekens verwonderd."
"En wien heeft de Allerhoogste uitverkoren om u te redden?"
"Toen ik ontwaakte," ging Paulus voort, "lag ik in een groot net vertrek, achter een gordijn van helder doek. Ik kon mij niet oprichten, en als had ik evenveel minuten als dagen gesluimerd, dacht ik dadelijk weder het eerst aan mijne kwartels. Bij den laatsten kamp had mijn beste haan dien van den schoonen Nicander leelijk toegetakeld, en toch beproefde hij mij den inzet te betwisten. Ik wilde mij evenwel recht verschaffen. De kwartels moesten althans nog eens tegen elkaar in het strijdperk, en als Nicander mocht weigeren, dan wilde ik hem in de palaestra tot een vuistkamp dwingen, en hem ter herinnering aan zijn schuld een blauw teeken op het oog schilderen. Mijne handen waren zwak en toch balden zij zich tot vuisten, als ik aan dat ergerlijk gedrag dacht. Ik zal hem! prevelde ik in mijzelven.
"Daar hoorde ik hoe de deur van het vertrek, waarin ik sliep, werd geopend, en zag hoe drie mannen eerbiedig een vierden naderden. Deze laatste begroette hen waardig maar toch vriendelijk, en rolde een geschrift op, waarin hij gelezen had. Gaarne had ik hem geroepen, maar ik kon de drooge lippen niet openen. Toch zag en hoorde ik alles wat er in de kamer bij mij voorviel.
"Dat kwam mij toen vreemd genoeg voor. Reeds de groet dezer mannen was zoo zonderling. Weldra bespeurde ik, dat hij die op den stoel zat een rechter was, en dat de anderen als klagers kwamen. Zij waren alle drie oud en arm, maar goede menschen hadden hun een stuk grond in gebruik gegeven. Gedurende den tijd van den akkerbouw was de een, een flinke grijsaard met lange witte haren, ziek geweest, zoodat hij ook bij den oogst niet had kunnen medehelpen. Nu zullen zij hem zeker, dacht ik zoo bij mijzelven, zijn aandeel aan het koorn willen onthouden. Doch het kwam gansch anders, uit. De gezonden hadden den kranke het derde deel van het gedorschte in huis gebracht, en de grijsaard weigerde hardnekkig de tarwe aan te nemen, daar hij noch bij het zaaien, noch bij den oogst had medegeholpen. Hij verlangde van den rechter, dat deze den anderen aan het verstand zou brengen, dat hij niet gerechtigd was aan te nemen, wat hij zich inderdaad niet verworven had.
"De rechter had tot hiertoe gezwegen. Thans hief hij zijn verstandig en vriendelijk gelaat op, en vroeg den grijsaard: 'Hebt gij voor uwe gezellen en voor het gedijen van den arbeid gebeden?'
"Dat heb ik gedaan," antwoordde de oude.
"Zoo hebt gij hen door uwe voorbidding geholpen," besliste de rechter. 'Het derde deel van den oogst is het uwe en gij moogt het behouden!'
"De grijsaard boog; de mannen gaven elkaar de hand, en weldra was de rechter weder alleen in het vertrek.
"Ik begreep niet recht wat er in mij omging. Zoowel de klacht als de uitspraak van den rechter schenen mij onredelijk toe. Toch werd ik door beiden in het hart geroerd. Ik sliep weder in, en toen ik den volgenden morgen gesterkt ontwaakte, kwam de rechter naar mij toe en bood mij geneesmiddelen aan, niet enkel voor het lichaam maar ook voor de ziel, die zeker even diep gewond was als de arme gekwetste leden."
"Wie was die rechter?" vroeg Stephanus.
"Eusebius, de presbyter van Canobus. Christenen hadden mij halfdood op de straat gevonden en in zijn huis gebracht, want de weduwe Theodora, zijne zuster, was diakones der stad. Zij beiden hebben mij verpleegd, als ware ik werkelijk hun broeder. Eerst toen ik krachtiger was geworden, toonden zij mij het kruis en den doornenkroon van hem, die ook om mijnentwil zooveel smartelijker lijden ondergaan heeft. Zij leerden mij zijne wonden vereeren en de mijne met geduld dragen. Aan het dorre hout der vertwijfeling botte weldra de groene knop der hoop; in plaats van dat ijdel niets aan het einde des levens, toonden zij mij den hemel met al zijne vreugde. Ik werd een nieuw mensch en de toekomst lag voor mij als een eindeloos zalig bestaan. Na den dood, dit leerde ik nu, zal er niets zijn dan de eeuwigheid. De poorten des hemels waren wijd voor mij geopend en te Canobus werd ik gedoopt.
"In Alexandrië had men mij reeds als een afgestorvene betreurd, en mijne zuster Arsinoë had, als mijne erfgename, met haar echtgenoot den praefect mijn landhuis betrokken. Ik liet het gaarne aan haar over en woonde van nu aan weder in de stad om, als de vervolgingen opnieuw mochten beginnen, de broeders te kunnen bijstaan. Dat viel mij gemakkelijk, want door mijn zwager was de toegang tot alle kerkers voor mij geopend. Eindelijk moest ik in het openbaar voor mijn geloof uitkomen en heb ik op de pijnbank en in de porfiergroeven veel moeten lijden. Doch elke smart was mij welkom, daar zij mij het doel van mijn vurig verlangen nader scheen te brengen. Als ik hier op den heiligen berg mij over iets te beklagen heb, dan is het alleen over dit, dat de Heer mij niet verwaardigt tot meerder lijden, daar toch zijn eigen beminde zoon voor mij en elken arme, zulke bittere smarten op zich genomen heeft."
"Gij heilige man!" prevelde Stephanus en kuste deemoedig Paulus' schaapsvel; deze scheurde het hem echter uit de hand en zeide mismoedig:
"Ik bid u, laat dat! Wie mij hier in dit leven met eerbewijzen nadert, die werpt mij steenen in den weg op het pad der zaligheid. Thans ga ik naar de bron om frisch water voor u te putten."
Toen Paulus met de kruik terugkeerde, vond hij Hermas, die zijn vader een morgengroet bracht, eer hij weer naar den senator in de oase-stad ging om nieuwe geneesmiddelen te halen.
ZESDE HOOFDSTUK.
Sirona zat voor het open venster van haar slaapvertrek, en liet door eene oude zwarte slavin, die haar echtgenoot in Rome gekocht had, hare blonde haren opmaken. Zij zuchtte, terwijl de slavin met welriekende olie op hare vlakke hand, nu hier dan daar, den glanzenden hoofdtooi van hare meesteres bestreek.
Thans greep de zwarte krachtig in de volle afhangende haren, waarover een gouden glans lag gespreid; zij scheidde ze met beide handen, om met het maken van vlechten te beginnen; doch Sirona weerde haar af en zeide: "Geef mij den spiegel!"
Een tijdlang staarde zij weemoedig op het gladgepolijste metaal. Toen zuchtte zij andermaal, tilde het hazewindhondje, dat aan haar voeten gelegen had, in haar schoot en zeide, terwijl zij het diertje den spiegel voorhield: "Daar, arme Jambo; als wij beiden binnen deze vier wanden wat willen zien, dat ons bevalt, dan moeten wij hier inkijken."
Daarop vervolgde zij, terwijl zij zich tot de slavin richtte: "Wat beeft dat diertje toch! Ik geloof dat het naar Arelate terug verlangt, en bevreesd is dat wij nog lang hier onder de brandende zon zullen blijven. Geef mij mijne sandalen."
De zwarte overhandigde hare meesteres twee kleine zolen met gouden versierselen op de keurige riemen; Sirona wierp het haar met den rug van haar hand naar achteren en riep: "De oude, niet deze! Een houten schoen zou thans ook voldoende zijn."
Bij deze woorden wees zij naar den hof onder het venster, en deze verkeerde inderdaad in zulk een toestand, als hadden hare met goud geborduurde sandalen dien nog nooit betreden. Hij was van alle zijden door gebouwen omgeven. Aan de eene zijde verhief zich een muur met eene ingangspoort, op elk der anderen zijden stond een gebouw, die te zamen een scherphoekig hoefijzer vormden.
Tegenover den vleugel, waarin Sirona met haar echtgenoot een onderkomen had gevonden, stond het zooveel hoogere huis van Petrus, en beide waren op den achtergrond van den hof aan elkander verbonden door een schuur van roodbruinen steen met palmtakken gedekt. Daar woonden de slaven van den senator en werd het akkergereedschap bewaard. Daarvóor lag een hoop zwarte kolen, zooals men ze hier brandde uit het hout van den doornigen Sayal-acacia, en een niet onaanzienlijke rij goed geslepen molensteenen, die Petrus in zijne steengroeven liet vervaardigen en in Egypte verkocht.
In dit vroege morgenuur lag deze geheele ruimte, die er niet fraai uitzag, en door eene menigte hoenders en duiven bevolkt was, in diepen schaduw. Sirona's venster alleen werd door de morgenzon beschenen. Als zij geweten had welk een tooverglans het gouden licht over hare gestalte, haar blank en blozend gelaat en haar glimmend haar uitgoot, zou zij de zon vriendelijk hebben dank gezegd, terwijl zij nu boos op haar was, omdat zij haar zoo vroeg wekte uit den slaap, haar beste troost in de eenzaamheid.
Behalve over eenige zijvertrekken, had zij nog te beschikken over een grooter vertrek, de voorkamer, die op den straat uitzag.
Op dit oogenblik hield zij hare hand voor de oogen en zeide:
"Die lastige zon! Zij kijkt bij ons het eerst door de vensters. Als of ons de dagen niet lang genoeg vielen! De bedden moeten in het woonvertrek opgemaakt worden; daar sta ik op!"
De slavin schudde het hoofd en antwoordde stamelend: "Dat wil Phoebicius niet."
In Sirona's oogopslag lag wrevel, en hare bijzonder welluidende stem trilde een weinig, toen zij vroeg: "Wat heeft hij nu weer?"
"Hij zegt," antwoordde de zwarte, "dat de zoon van den senator, Polycarpus, uw venster meer voorbij gaat dan hem lief is, en het komt hem voor, als bemoeit gij u meer dan noodig is met zijne kleine zusjes en die andere kinderen daarboven."
"Is hij daar nog?" vroeg Sirona, terwijl hare wangen vuurrood werden en zij dreigend met den vinger naar het woonvertrek wees.
"De heer is weg," stamelde de oude. "Hij ging reeds vóor zonsopgang uit. Gij moest hem niet met eten wachten: hij komt eerst laat terug."
De Gallische antwoordde niet, maar zij boog het hoofd en hare bloeiende gelaatstrekken teekenden diepe troosteloosheid.
Het hazewindje scheen het leed zijner meesteres ook te gevoelen, want het richtte zich tot haar op, als wilde het haar kussen. De verlatene vrouw drukte het diertje, dat zij uit haar vaderland had medegebracht, hartstochtelijk aan haar borst, want haar hart werd beklemd door een buitengewonen angst. Zij gevoelde zich zoo eenzaam, zoo zonder vrienden, zoo geheel aan zichzelve overgelaten, als dreef zij alleen in een bootje zonder roer, alleen op de onmetelijke zee.
Huiverend kromp zij ineen. Zij had aan haar echtgenoot gedacht, aan den man die alles voor haar moest zijn, en wiens tegenwoordigheid haar toch met weerzin vervulde, wiens onverschilligheid haar niet meer beleedigde en wiens teederheid zij oneindig meer vreesde dan zijne wilde prikkelbaarheid. Zij had hem nooit liefgehad.
Zonder zorgen was zij onder vele broeders en zusters opgegroeid. Haar vader was penningmeester van het college van decurionen in zijne vaderstad. Hij woonde tegenover het circus; toch had hij, gestreng in zijne beginselen, zijne dochters nooit veroorloofd de schouwspelen bij te wonen. Maar hij kon haar niet verbieden de menigte het amphitheater te zien binnenstroomen en weder verlaten, zonder het gejubel en de hartstochtelijke kreten van woede en bijval te hooren.
Sirona werd groot, vervuld met het steeds levendiger maar nooit bevredigd verlangen naar het genot, dat zij dagelijks voor oogen zag. Zij had echter geen tijd om zich met onnutte dingen bezig te houden, want hare moeder stierf eer zij tot vollen wasdom was gekomen, en op haar rustte de taak, om voor hare acht jongere broertjes en zusjes te zorgen. Dat deed zij dan ook zeer trouw, doch in hare vrije uren luisterde zij gaarne naar de verhalen van de vrouwen der beambten, die de heerlijkheden van het gulden Rome hadden gezien en altijd roemden.
Zij wist dat zij schoon was, want zij behoefde maar even buitenshuis te komen om het te hooren. Maar wanneer zij heimwee gevoelde naar de hoofdstad, dan was het niet om bewonderd te worden, maar omdat daar zooveel heerlijks te zien en te bewonderen was. Toen nu de centurio Phoebicius, de bevelhebber over de bezetting in hare vaderstad, naar Rome werd verplaatst, en verlangde haar, de zeventienjarige, die meer dan veertig jaren jonger was dan hij, als zijne vrouw mede te nemen naar de keizerstad, volgde zij hem in overmoed en vervuld van blijde hoop.
Zeer spoedig na de bruiloft stak zij te Massilia in zee, vergezeld van eene oude bloedverwante, en trok hij over land aan het hoofd zijner cohorte naar Rome. Zij bereikte het doel der reis veel vroeger dan haar echtgenoot, en gaf zich, hoewel altijd vergezeld van hare bloedverwante, van ganscher harte en geheel onbevangen over aan de vreugde van zooveel schoons te zien en te bewonderen. Daarbij ontging het haar niet, dat zij overal de aandacht trok, en hoewel haar dit in den aanvang streelde en behaagde, zoo bedierf het haar toch menig genot, toen jonge en oude Romeinen begonnen haar na te loopen en het hof te maken.
Eindelijk kwam ook Phoebicius aan, en toen hij bemerkte dat vele bewonderaars van zijne vrouw zijn huis wat te dikwerf bezochten, nam hij tegenover Sirona eene houding aan, alsof zij sedert lang hare trouwbelofte had geschonden. Dit nam niet weg dat hij haar dwong van de eene vermakelijkheid naar de andere, nu eens naar deze dan naar gene vertooning mede te gaan. Want hij vond er behagen in met zijne mooie jonge vrouw te pronken.
Wat haar betreft, zij was niet geheel vrij van behaagzucht. Maar zij had van haren strengen vader, als opvoedster van hare broertjes en zusjes, reeds jong geleerd, recht en onrecht, goed en kwaad juist van elkaar te onderscheiden, en zij merkte spoedig op, dat de vermaken der hoofdstad, die haar in den beginne toelachten, als bonte bloemen met schitterende kleuren en bedwelmenden reuk, bloeiden boven afzichtelijke moerassen.
Zij had aanvankelijk met welgevallen gezien naar alles wat schoon, wat lieflijk, wat vreemd was. Doch haar echtgenoot vond slechts behagen in het gemeene en verfoeielijke, waarvan zij walgde. Hij bespiedde elk harer blikken, en toch wees hij haar bij voorkeur op hetgeen het oog eener reine vrouw kwetsen moet. Het genoegen werd haar tot eene kwelling, want ook van den zoetsten wijn gevoelen wij een afkeer, wanneer hij wordt aangeroerd door onreine lippen. Na den afloop van elk feest en ieder schouwspel, overlaadde hij haar met smadelijke verwijten. Toen zij, zulk eene behandeling moede, eindelijk weigerde een voet buiten de deur te zetten, dwong hij haar toch hem te begeleiden, zoo dikwijls de legaat Quintillus, die over hem gesteld was en haar dagelijks met bloemen en geschenken overlaadde, zulks wenschte.
Tot hiertoe had zij al haar best gedaan hem te verdragen, hem te verontschuldigen, en zichzelve aansprakelijk te stellen voor veel dat zij te lijden had. Daar werd haar echter--het was tien maanden na hare komst in Rome--door Phoebicius iets voorgesteld, iets, dat zich als een muur van metaal verhief tusschen hem en haar. En daar dit iets ten gevolge had, dat hij, in plaats van bevorderd te worden, gelijk hij had gehoopt, verbannen werd naar de afgelegene oase en gedegradeerd tot aanvoerder van een armzalige handvol soldaten, begon hij haar met opzet te kwellen. Zij trachtte zich te verweren, door eene ijskoude onverschilligheid, en bracht het eindelijk zoo ver, dat de man, voor wien zij niets dan verachting voelde, haar levensgenot niet meer en niet minder bedierf dan eenig lichamelijk lijden, dat de kranke veroordeeld is levenslang te dragen. In zijne tegenwoordigheid zweeg zij, toonde zij zich trotsch en terughoudend, doch zoodra had hij haar niet verlaten, of de haar van nature eigene goedheid en kinderlijke vroolijkheid ontwaakte tot een nieuw leven. Haar warm hart uitte zich in ongekunstelde blijdschap en deed de liefelijkste bloemen ontluiken in het huis van den senator en onder de kleine schare, die hare liefde met wederliefde vergold.
Phoebicius behoorde tot de aanbidders van Mithras. De dienst dezer godheid deed hem nu eens vasten, zóo streng dat hij bijna werd uitgeput, dan weder zich bedwelmen met de feestgenooten, tot hij zijn bewustzijn verloor. Ook hier had hij in het Sinaïtisch gebergte een grot voor het vieren der Mithras-feesten ingericht, en eenige weinige geestverwanten rondom zich verzameld. Wanneer hij dagen en nachten achtereen uitbleef, om bleeker dan gewoonlijk terug te keeren, dan wist zij waar hij geweest was.
Op dit oogenblik stond het beeld van dezen man met zijne nu eens slaperige, dan weder van brandenden toorn gloeiende oogen, in scherpe omtrekken voor hare verbeelding, en zij vroeg zich af hoe het mogelijk was geweest, dat zij er in had toegestemd zijne vrouw te worden. Eene versnelde ademhaling deed haar borst zwoegen, want zij dacht weder aan den hoon, die hij te Rome haar had aangedaan, en hare kleine handen balden zich tot vuisten.
Plotseling hief het hondje zich op in haar schoot en sprong blaffend op de vensterbank. Zij verschrikte een weinig, maakte haar morgenkleed, dat van den blanken schouder was gegleden, weder dicht, snoerde de laatste riemen van haar sandalen vast, en keek in den hof.
Terstond speelde er een glimlach om haren mond, want zij bespeurde den jongen Hermas, die reeds lang roerloos tegen den wand van het huis van Petrus had gestaan, en het beeld der schoone vrouw met zijne blikken als verslonden had. Haar bewegelijk gemoed was als het oog, waarin de verlammende duisternis geen spoor meer achterlaat zoodra het een straal van het licht heeft opgevangen. Geen leed was in staat haar zóo diep te treffen, dat niet de ademtocht van eenig nieuw genot het naar alle windstreken kon uiteendrijven. Evenals vele rivieren bij hare bronnen eene andere kleur hebben dan bij hare monding, zoo ging het niet zelden met hare tranen; zij begon van smart te weenen, en door overmaat van vreugde viel het haar moeilijk hare oogen te droogen.
Hoe gemakkelijk zou het Phoebicius zijn gevallen, haar het leven te veraangenamen, want zij was hoogst gevoelig van hart en dankbaar, ook zelfs voor het kleinste bewijs van liefde. Maar tusschen hem en haar was elke band verscheurd.
De houding en het gelaat van Hermas bevielen haar. Zij vond dat hij er voornaam uitzag, ondanks zijne armelijke kleeding. En toen zij opmerkte dat zijne wangen gloeiden, en zijne hand, waarin hij het medicijnfleschje hield, beefde, wist zij dat hij haar bespied, dat haar aanblik zijn jeugdig bloed in beweging gebracht had.
Eene vrouw, en vooral eene die gaarne behaagt, vergeeft alles wat om harentwil wordt misdreven, en hare stem klonk zelfs vriendelijk genoeg, toen zij Hermas goeden morgen wenschte en hem vroeg hoe zijn vader het maakte, en of het geneesmiddel van den senator gewerkt had.
De antwoorden van den jongeling waren kort en verlegen; doch zijne oogen verrieden, dat hij haar gaarne gansch andere dingen zou gezegd hebben, dan die zijne ongeoefende tong haar schuchter vermocht te antwoorden.