Homo sum: Roman

Part 23

Chapter 231,247 wordsPublic domain

Een tijdlang keek hij nadenkend voor zich, daarna ging hij met zijne alleenspraak voort: "Hoe was die geschiedenis ook weer die de oude Serapion mij vertelde? In de Thebaïs woonde een boeteling, die meende zeer godzalig te leven en al zijne metgezellen in strenge deugd ver overtrof. Toen droomde hij eens, dat er in Alexandrië iemand gevonden werd, die nog volmaakter was dan hij. Phabis zoo heette hij, was een schoenmaker, en woonde in de Witte straat aan de haven Kibotos. De Anachoreet wandelde terstond naar de hoofdstad, vond den schoenmaker, en toen hij hem met belangstelling vroeg: 'Hoe dient gij den Heer? Welk een levenswijze leidt gij?' gaf hij verbaasd ten antwoord: 'Ik? Wel, als mijn Heiland. Ik werk van vroeg tot laat en zorg voor de mijnen, en bid 's morgens en 's avonds met weinige woorden voor de geheele stad!'--Petrus meen ik, is zulk een Phabis. Maar er leiden vele wegen tot God, en wij en ik...."

Wederom verstoorde eene rilling zijn denken, en het werd terwijl de morgen begon aan te breken, zoo gevoelig koud, dat hij beproefde een vuur te ontsteken.

Terwijl hij met moeite de kolen aanblies, kwam Hermas bij hem. Deze had van hen, die Polycarpus wegbrachten, vernomen, waar hij Paulus vinden zou, en toen hij nu tegenover zijn vriend stond, vatte hij zijne hand, streelde hij zijne ruwe haren, en dankte hij hem teeder en diep ontroerd voor het zware offer, dat hij voor hem had gebracht, toen hij de onteerende straf voor zijn misdrijf op zich genomen had.

Paulus wees alle medelijden en dank kortweg af, en sprak vervolgens met Hermas over zijn vader en zijne toekomst tot het dag was geworden, en de jongeling zich gereed maakte naar de oase te gaan, ten einde de afgestorvenen de laatste eer te bewijzen. Op zijn verzoek om hem te vergezellen, antwoordde Paulus: "Neen, neen, thans niet, thans niet; want indien ik nu met menschen in aanraking kwam, sprong ik zeker uit elkander, evenals een versleten zak vol gistende wijn. In mijn hoofd gonst een bijenzwerm, en mijn borst is een mierenhoop geworden. Ga nu heen en laat mij alleen."

Na de begrafenis nam Hermas van Agapitus, Petrus en Dorothea vriendelijk afscheid en keerde daarna tot den Alexandrijn terug, met wien hij zich naar het hol begaf, waarin de gestorvene zoolang met hem had gewoond. Hier overhandigde Paulus hem den brief zijns vaders aan zijn oom en sprak tot hem op liefderijker toon, dan ooit te voren.

Dien nacht legden beiden zich op de bekende legersteden neder, maar noch de een noch de ander kon rusten of slapen. Van tijd tot tijd prevelde Paulus zacht maar zeer smartelijk: "Te vergeefs, alles te vergeefs," en eindelijk: "Ik zoek, ik zoek, maar wie wijst mij den weg?"

Vóor de dag aanbrak stonden beiden op. Hermas daalde nog eens af naar de bron, knielde daarbij neder, en dacht bij het afscheid nemen aan zijn vader en de wilde Mirjam. Herinneringen van allerlei aard doken in zijne ziel op, en zoo groot is de verheerlijkende macht der liefde, dat hem de beeltenis van de armzalige bruine herderin duizendmaal schooner toescheen dan die van de schoone vrouw, die de ziel van een groot kunstenaar in verrukking bracht.

Kort na zonsopgang bracht Paulus hem naar het visschersvlek, en wel tot den Israëliet, die de zaakwaarnemer was van het huis zijns vaders, liet hem rijkelijk van goud voorzien en geleidde hem tot aan het kolenschip, dat hem naar Klysma zou overbrengen.

Het afscheid viel hem zeer zwaar. Toen Hermas zijne oogen vol tranen zag en voelde dat zijne handen beefden, zeide hij: "Bekommer u niet om mij, Paulus; wij zien elkander weder, en ik zal u zoowel als mijn vader gedenken."

"En uwe moeder," voegde de ander er bij. "Ik zal u wel missen; maar dat wat ik zoek is juist het lijden. Als het iemand gelukte het leed der gansche wereld zich toe te eigenen, en als hij bij elke ademtocht een smart door zijne ziel voelde gaan, hoe zou deze niet smachtend uitzien naar een wenk des Verlossers?"

Hermas viel hem weenend om den hals, en hij verschrikte toen de gloeiende lippen van den Anachoreet zijn voorhoofd aanraakten.

Eindelijk haalden de matrozen de touwen in. Toen keerde Paulus zich nog eens naar den jongeling om en zeide: "Gij gaat nu uw eigen weg. Vergeet dezen heiligen berg niet en bedenk ook dit nog: Van alle zonden zijn deze drie de zwaarste: valsche goden te dienen, zijns naasten vrouw te begeeren, en de hand tot doodslag op te heffen. Hoed u voor deze! En van alle deugden zijn er twee, schijnbaar de geringste en toch de grootste: waarheid en deemoed. Deze zult gij ter harte nemen. Van alle vertroostingen zijn deze twee de beste: Het bewustzijn dat men het goede wil, hoe vaak men ook uit menschelijke zwakheid moge dwalen en struikelen, en het gebed."

Nog eens omarmde hij den scheidende, en ging toen over den zandigen oever naar den berg, zonder zich om te keeren.

Hermas zag hem lang met groote bezorgdheid na, want zijn sterke vriend waggelde als een beschonkene, en drukte vaak de hand tegen zijn voorhoofd, dat zeker niet minder heet was dan zijne lippen.

De jonge krijgsman heeft den berg en Paulus nooit wedergezien, maar wel, nadat hijzelf in het leger roem had verworven en tot aanzien was gestegen, Petrus' zoon, Polycarpus, dien de keizer met groote onderscheiding naar Byzantium had geroepen, en wiens huis bestuurd werd door de Gallische Sirona, als eene trouwe gade en moeder.

Paulus was, nadat hij van Hermas afscheid genomen had, verdwenen. Lang werd hij vruchteloos gezocht door de andere Anachoreten en den bisschop Agapitus, die van Petrus vernomen had, dat de Alexandrijn onschuldig was bestraft en uitgebannen, en hem nu met zijn eigen mond vergeving en troost wilde brengen. Eindelijk, na tien dagen, vond hem de Saïet Orion in een ver afgelegen hol. De engel des doods had hem weinige uren geleden onder het gebed opgeroepen, want hij was ter nauwernood koud. Knielend leunde hij nog met het voorhoofd tegen den rotswand, en zijne uitgeteerde handen waren saamgevouwen om den ring van Magdalena. Toen zijne metgezellen hem op de baar gelegd hadden, lag er een edel en vriendelijk lachje op zijn rein en verheerlijkt gelaat.

Verwonderlijk snel werd het gerucht van zijn dood verspreid in de oase, in het visschersvlek, in alle Anachoretenholen wijd en zijd in den omtrek, en zelfs in de hutten der Amalekieten. Onafzienbaar was de rij dergenen, die hem naar zijn laatste rustplaats volgde. De bisschop Agapitus ging met de oudsten en diakenen vooruit, en achter hen volgden Petrus met zijne vrouw en de zijnen, waartoe ook Sirona behoorde.

De in beterschap toenemende Polycarpus legde als een zoenoffer een palmtak op zijn graf, dat door zoovelen, wier ellende hij in stilte verzacht had, en weldra ook door alle boetelingen van heinde en verre als eene bedevaartplaats bezocht werd.

Petrus richtte een gedenksteen bij zijn graf op, waarin Polycarpus deze woorden beitelde, die Paulus' bevende vinger vóor zijn dood met een kool aan den wand van zijn hol had geschreven:

"Bidt voor mij arme; ik was een mensch!"

AANTEEKENINGEN

[1] G. Ebers, Durch Gosen zum Sinaï. Aus dem Wanderbuche und der Bibliothek. Leipzig, 1872. Van het eigenlijk reisverhaal is eene vertaling in het licht gegeven door A. M. Cramer.

[2] Opvoeder der kinderen.

[3] De godinnen der jaargetijden, de bevallige dochters van Jupiter en Themis.

[4] Bergnymf.

[5] Eene Romeinsche zilvermunt.