Part 22
De Blemmyers waren veel meer in aantal dan wij en omgaven ons weldra van voren en van achteren, aan de linker- en aan de rechterzijde. Want als steenbokken springen en klauteren zij van rots op rots, en schieten dan uit de hoogte met hunne rieten pijlen. Drie of vier waren op mij gericht, en éen vloog door mijn haar en bleef met de veeren aan het eind van den steel daarin hangen. Hoe het beloop van den strijd verder is geweest, weet ik niet te vertellen, want het bloed steeg mij naar het hoofd. Ik herinner mij alleen nog dat ik als een razende hijgde en schreeuwde, en nu hier dan daar met een der heidenen worstelde, en meer dan eens mijn bijl ophief om een schedel te kloven. Daartusschen zag ik een deel der onzen vluchten, die ik met grimmige woorden terugriep. Zij keerden zich om en volgden mij weder.
"Op eens, midden in het gevecht, zag ik ook Mirjam, die doodsbleek en bevend zich aan eene rots hield vastgeklemd en den strijd aanzag. Ik riep haar toe dat zij die plaats verlaten en tot mijn vader terugkeeren zou; maar zij bleef staan, schudde het hoofd met een gebaar, ja met een gebaar zoo vol medelijden en zoo smartelijk, dat ik het nooit vergeten zal. Zij beduidde mij met handen en oogen, dat mijn vader dood was. En ik begreep haar; ik wist nu ten minste, dat er een verschrikkelijk ongeluk was gebeurd. Doch ik had geen tijd om na te denken, want eer ik door haar mond tot zekerheid kon komen, greep een aanvoerder der heidenen mij aan, en het kwam onder Mirjam's oogen tot eene vreeselijke worsteling.
"Mijne tegenpartij was sterk, maar ik toonde het meisje, dat mij dikwijls, omdat ik mijn vader in alles gehoorzaamde, voor een bloodaard had gescholden, dat ik voor niemand uit den weg behoefde te gaan. Ik had het niet kunnen verdragen onder haar oog te moeten zwichten. Daarom deed ik ook den heiden in het stof bijten en velde hem met mijn bijl. Ik vermoedde slechts dat zij in mijne onmiddellijke nabijheid was, doch in de hitte van den strijd zag ik niemand anders dan mijne tegenpartij. Plotseling hoorde ik echter voor mij een luiden gil, en vlak in mijne nabijheid zeeg Mirjam bloedend in elkaar. Een Blemmyer was, terwijl ik de knie had gezet op zijn krijgsbroeder, naar mij toe geslopen, en had op weinige passen van mij af, zijne lans naar mij geslingerd. Maar Mirjam.... Mirjam...."
"Zij heeft u gered, met haar eigen leven ten offer te brengen," vulde Petrus het verhaal van den jongeling aan, wien, bij de herinnering aan het gebeurde, de stem begaf en de oogen vol tranen schoten.
Hermas knikte toestemmend met het hoofd en zeide toen zacht: "Zij hield hare armen hoog uitgestrekt en riep mij bij den naam, toen de lans haar trof. De oudste zoon van Obedianus nam wraak op den heiden, die dit gedaan had; maar ik ondersteunde haar, terwijl zij stervend ineen zeeg, en nam haar lokkig hoofd in mijn schoot en sprak haar naam uit. Toen sloeg zij nog eens de oogen op en noemde mijn naam zacht en op een onuitsprekelijk vriendelijken toon. Eene vreeselijke smart greep mij aan, en ik moest hare oogen kussen en haar mond. Daarna heeft zij mij nog eens met groote oogen lang en gelukkig aangezien, en toen is zij gestorven."
"Zij was eene heidin," zeide Dorothea, terwijl zij hare oogen afdroogde, maar nu zij zóó gestorven is, zal haar door den Heer veel vergeven worden."
"Ik heb haar lief," zeide Marthana, "en wil mijne schoonste bloemen op haar graf leggen. Mag ik ook van uwe bloeiende mirten een takje snijden voor den krans?"
"Morgen, morgen, mijn kind," antwoordde Dorothea. "Ga thans slapen, want het is zeer laat."
"Laat mij nog blijven," smeekte het meisje, "tot Antonius en Jethro terug zijn."
"Ik zou u gaarne helpen uw zoon te zoeken," zeide Hermas, "en wanneer gij wilt, ga ik naar Raïthoe en Klysma, om daar navraag te doen bij de visschers.--Maar heeft," en de jonge krijgsman keek bij deze vraag verlegen voor zich, "heeft de centurio zijne ontvluchte vrouw, die hij met den Amalekiet Talib vervolgde, vóor zijn dood wedergevonden?"
"Sirona is nog altijd verdwenen," antwoordde Petrus. "En misschien..., maar gij hebt zoo straks den naam van Paulus genoemd, die zoozeer met uw vader en u bevriend was. Weet gij dat hij het geweest is, die zoo schaamteloos den huiselijken vrede van den centurio verbrak?"
"Paulus?" riep Hermas. "Hoe kunt gij dat gelooven?"
"Phoebicius heeft zijn schaapsvel bij zijne vrouw gevonden," antwoordde Petrus ernstig. "De onbeschaamde Alexandrijn erkende onder onze oogen, dat het van hem was, en liet zich door den Galliër bestraffen. Hij heeft dien schandelijken daad gepleegd in denzelfden nacht, waarin gij op kondschap werdt uitgezonden."
"En Phoebicius geeselde hem!" riep Hermas buiten zichzelven. "En die arme man heeft deze smaad en deze berisping en alles geduldig verdragen, verdragen om mijnentwil! Nu begrijp ik wat hij bedoeld heeft. Ik heb hem na den slag ontmoet en hij vertelde mij, dat mijn vader gestorven was. Toen hij zich van mij scheidde, zeide hij, dat hij de grootste was van alle zondaren, en dat ik alles in de oase zou hooren. Maar ik weet het beter; hij is grootmoedig en goed, en ik duld niet dat men hem om mijnentwil smaadt en lastert."
Hermas was bij deze woorden opgesprongen, en toen hij de verbaasde blik van zijnen gastheer zag, beproefde hij zich te beheerschen en zeide: "Paulus heeft Sirona nooit gezien, en ik herhaal het: wanneer iemand zich beroemen mag goed rein en geheel zonder schuld te zijn, dan is hij het. Om mijnentwil, om mij voor straf, en mijn vader voor verdriet te bewaren, heeft hij een schuld bekend, die hij nooit begaan heeft. Daaraan herken ik hem, den trouwen, braven vriend. Maar geen oogenblik langer mag deze schandelijke verdenking, deze smet op zijn naam rusten."--
"Gij spreekt tot een bejaard man," zeide Petrus, opeens de heftige woorden van den jongeling afbrekende. "Uw vriend bekende met zijn eigen mond...."
"Dan heeft hij uit waarachtige goedheid gelogen," haastte Hermas zich den senator te antwoorden. "Het schaapsvel dat de Galliër vond is het mijne. Ik was, terwijl haar man aan Mithras offerde, naar Sirona gegaan, om wijn voor mijn vader te halen, en zij vergunde mij bij die gelegenheid de wapenrusting van den centurio aan te passen. Toen hij nu onverwacht te huis kwam, sprong ik op straat en vergat die ongelukkige vacht. Op mijn vlucht kwam ik Paulus tegen, die zeide dat hij alles in orde zou brengen, en mij wegzond, om zich daarna in mijne plaats te stellen en mijn vader groot leed te besparen. Zie mij maar bestraffend aan, vrouw Dorothea, want in dwaze lichtzinnigheid ben ik dien nacht hij de Gallische binnengeslopen. Maar bij de gedachtenis mijns vaders, die de hemel mij heden ontnam, zweer ik, dat Sirona met mij als met een kinderachtigen jongen gespeeld heeft, en dat zij mij zelfs verboden heeft hare mooie goudgele haren met de lippen te naderen. Zoo waar ik hoop een krijgsman te worden, en zoo zeker de ziel mijns vaders verneemt wat ik zeg: de schuld die Paulus op zich nam, werd in het geheel nooit begaan, en wanneer gij Sirona veroordeeld hebt, zoo hebt ge haar onrecht aangedaan, want noch voor mij en nog veel minder voor Paulus heeft zij ooit de trouw jegens haar echtgenoot verbroken!"
Dorothea en Petrus wisselden veelbeteekenende blikken. "Waarom," zeide de eerste, "moesten wij dit uit den mond van een vreemde vernemen? Het klinkt zoo zonderling en is toch zoo eenvoudig! Ja, man, het zou beter voor ons geweest zijn, indien wij zoo iets hadden vermoed, dan aan Sirona te twijfelen. In het eerst kwam het mij zelven onmogelijk voor, dat die schoone vrouw, op wie gansch andere lieden het oog sloegen, voor zulk een zonderlingen lediglooper...."
"Welk een groot onrecht hebben wij dien armen man aangedaan!" zeide Petrus. "Als hij zich beroemd had op eene edele daad, waarlijk, wij zouden minder spoedig bereid zijn geweest hem te gelooven."
"Daarvoor boeten wij zwaar," zuchtte Dorothea, "en mij bloedt het hart. Waarom hebt gij u niet tot ons gewend, Hermas, toen gij wijn noodig hadt? Hoeveel leed zou daardoor voorkomen zijn!"
De jongeling zag voor zich en zweeg. Weldra herstelde hij zich echter en zeide levendig: "Laat mij gaan om den armen Paulus op te zoeken. Ik ben u dankbaar voor uwe goedheid, maar ik kan het hier niet langer uithouden; ik moet den berg op!"
De senator en zijne vrouw hielden hem niet terug, en toen de deur van den hof zich achter hem gesloten had, werd het zeer stil in Petrus' woonvertrek. Dorothea zette zich achterover in haren stoel en keek voor zich, terwijl menige traan haar langs de wangen rolde. Marthana hield hare hand vast en streelde haar zacht. De senator was aan het venster gaan staan en keek, diep adem halende, in den donkeren hof. Als een loodzware last drukte de kommer op zijn hart. Alles zweeg in het ruime vertrek; alleen drong nu en dan uit den kring der klaagvrouwen, die de gevallene Pharanieten omringden, een luide, langgerekte jammerkreet door de stille nachtlucht tot het geopende venster door. Het was eene bange ure, rijk aan sombere en ijdele zelfbeschuldigingen, zorgen en stille gebeden, en arm aan hoop en troost.
Thans zuchtte Petrus smartelijk en Dorothea stond op, om naar haar echtgenoot te gaan, en hem met een hartelijk opwekkend woord toe te spreken.
Daar sloegen opeens de honden in den hof aan, en de beangstigde vader zeide zacht, met een beklemd hart en op het ergste voorbereid: "Misschien zijn zij het?"
De diakones drukte hem de hand, maar liep weg toen zich een zacht geklop aan de deur van den hof liet hooren.
"Jethro en Antonius zijn het niet," zeide Petrus. "Zij hebben den sleutel."
Marthana was naar hem toegegaan, sloot zich dicht bij hem aan, terwijl hij zich ver uit het venster boog en den kloppende toeriep: "Wie klopt daar?"
De honden blaften zoo luide, dat noch de senator, noch de vrouwen het antwoord, dat scheen gevolgd te zijn, konden verstaan.
"Hoor Argus eens," zeide Dorothea. "Zoo huilt de hond alleen, wanneer gij te huis komt of een onzer, of wanneer hij blijde is."
Petrus legde den vinger op de lippen. Er weerklonk een luid en schril gefluit: en toen de honden, dit bevel gehoorzamende, zwegen, riep hij wederom: "Wie gij ook zijn moogt, roep luide uw naam, opdat ik u open doe!"
Het antwoord liet zich eenige oogenblikken wachten, en reeds wilde de senator zijne vraag herhalen, toen eene teedere stem voor de poort aarzelend naar boven riep: "Ik ben het, Petrus, ik, de ontvluchte Sirona."
Nauwelijks hadden deze woorden de stilte van den nacht afgebroken, of Marthana rukte zich los van haar vader, die zijne hand op haar schouder had gelegd, vloog de deur uit, de trappen af naar de poort.
"Sirona, arme lieve Sirona," riep het meisje, terwijl zij den grendel wegschoof. Zoodra zij de deur geopend had en de Gallische binnen den hof gekomen was, vloog zij haar om den hals, kuste en streelde haar, als ware zij eene verlorene en wedergevondene zuster. Daarna greep zij hare hand, zonder haar aan het woord te laten komen, en trok Sirona, hoewel deze zacht weerstand bood, terwijl zij haar met allerlei vleiende woorden toesprak, met zich mede de trappen op naar het woonvertrek.
Petrus en Dorothea traden haar aan den drempel te gemoet. De laatste drukte haar aan het hart, kuste haar op het voorhoofd en zeide: "Gij arme vrouw; wij weten dat wij u onrecht hebben gedaan en willen trachten het goed te maken."
Ook de senator was naar haar toe gegaan, had haar hand gegrepen, en voegde warm doch ernstig zijn groet bij dien zijner gade. Want hij wist niet of zij reeds kennis droeg van den dood harer echtgenoot.
Sirona kon geen woorden vinden om te antwoorden. Toen zij den berg afsteeg en in het donker dwaalde, had zij verwacht als eene verworpene uitgestooten te zullen worden. Hare sandalen waren door de scherpe rotsen geheel in stukken gesneden, en hingen in flarden aan hare bloedende voeten. De nachtwind had hare schoone haren verward, en haar wit bovengewaad geleek een gescheurd bedelaarskleed, want zij had er stukken afgetrokken om Polycarpus' wond te verbinden.
Reeds eenige uren geleden had zij den jonkman, dien zij verpleegde, verlaten, met angst voor hem en bezorgdheid voor de harde ontvangst zijner ouders in het hart. Hoe beefde haar hand uit vrees voor Petrus en Dorothea, toen zij den ijzeren klopper op de deur van den senator vallen liet. En thans, thans openden zich voor haar de armen van een vader en van eene moeder, en eene zuster riep haar weder een vriendelijk welkom toe. Eene grenzelooze aandoening, eene oneindige dankbaarheid vervulden haar gemoed, en luid weenende drukte zij de gevouwen handen op hare borst. Doch maar weinige oogenblikken gaf zij zich over aan het genot van dit zalig gevoel, want zij kon zich geen geluk denken zonder Polycarpus, en om zijnentwil had zij den gevaarvollen tocht bij nacht ondernomen.
Marthana was haar weder met teederheid genaderd, doch zij wees haar vriendelijk af en zeide: "Nu niet, meisjelief! Ik heb reeds een uur verloren, toen ik in de kloven verdwaalde. Maak u gereed, Petrus, mij dadelijk weder op den berg te volgen, want--schrik toch niet Dorothea. Paulus heeft gezegd, dat het grootste gevaar voorbij is, en wanneer Polycarpus...."
"Om Gods wil, weet gij waar hij is?" riep Dorothea, terwijl het bloed haar naar het aangezicht steeg. Doch Petrus verbleekte en zijne vrouw in de rede vallende, vroeg hij in ademlooze spanning: "Waar is Polycarpus, en wat is er met hem gebeurd?"
"Bereidt er u op voor, iets treurigs te vernemen," antwoordde Sirona, en zag daarbij de echtgenooten angstig en droevig aan als bad zij om eene verontschuldiging voor de slechte tijding, die zij gedwongen was hun over te brengen. "Polycarpus is op een harden steen gevallen, en heeft zich daarbij het hoofd verwond. Paulus bracht hem heden morgen, alvorens hij tegen de Blemmyers uittrok, bij mij, om hem te verplegen. Ik heb zijne wond zorgvuldig koel gehouden, en tegen den middag sloeg hij de oogen op, herkende mij weder en zeide ook, dat gij over hem bezorgd zoudt zijn. Na zonsondergang sliep hij in, doch hij is niet geheel vrij van koorts, en zoodra Paulus terugkeerde, maakte ik mij gereed om u gerust te gaan stellen en u te verzoeken mij een verkoelende drank te geven. Want ik ga terstond weder naar hem terug."
In den weeken toon van Sirona's stem klonk bij dit verhaal diep medelijden. Terwijl zij de ouders mededeelde, wat hun zoon wedervaren was, welden er tranen in hare oogen. Petrus en Dorothea luisterden naar haar als naar een zanger, die in treurgewaad op eene omfloerste harp een lied zingt van hoop en wederzien.
"Spoedig, spoedig, Marthana!" riep Dorothea levendig en met vonkelende oogen, eer Sirona haar verhaal nog geëindigd had. "Geef dadelijk de mand hier met de zwachtels. Ik zal den koortsdrank zelf mengen."
Petrus was den Gallische genaderd en vroeg haar zacht: "Is het werkelijk niet erger dan gij het daar voorstelt? Hij leeft en Paulus...."
"Paulus zegt," vulde Sirona aan, "dat de zieke bij eene goede verpleging in weinige weken genezen zal zijn."
"En kunt gij mij tot hem brengen?"
"O, ik," riep de Gallische, en sloeg zich met de hand voor het voorhoofd. "Het zal mij zeker niet gelukken den weg terug te vinden, want ik heb geen enkel merkteeken gezien. Doch wacht, vóor ons heeft een kluizenaar uit Memphis, die voor weinige weken gestorven is...."
"De oude Serapion?" vroeg de senator.
"Zoo heet hij!" riep Sirona. "Weet gij zijn hol?"
"Hoe zou ik het weten?" antwoordde Petrus. "Maar misschien kan Agapitus...."
"De bron, waaruit ik het water schepte om Polycarpus' wond af te koelen, noemde Paulus de patrijzenbron."
"De patrijzenbron," herhaalde de senator, "die ken ik!" Na eene diepe ademhaling nam hij zijn staf en riep Dorothea toe: "Maak gij den drank, het verband, fakkels en eene goede draagstoel gereed; intusschen zal ik bij buurman Magadon aankloppen en hem om slaven verzoeken."
"Laat mij u geleiden," verzocht Marthana.
"Neen, neen, gij moet bij moeder blijven."
"Denkt gij dan dat ik hier zal zitten wachten?" vroeg Dorothea. "Ik ga met u."
"Daar blijft hier genoeg voor u te doen," antwoordde Petrus met een afwerend gebaar, "en wij zullen snel moeten stijgen."
"Het is zoo, ik zou u kunnen ophouden," zuchtte de bezorgde moeder, "maar neem het meisje met u; zij heeft eene zachte, gelukkige hand."
"Het zij zoo, als gij dit goed oordeelt," antwoordde de senator en verliet het vertrek.
Terwijl moeder en dochter kwamen en gingen, ten einde alles voor den nachtelijken tocht gereed te maken, hadden zij toch tijd om menige vraag en menig vriendelijk woord tot Sirona te richten. Marthana plaatste, zonder haar arbeid te staken, spijs en drank voor de vermoeide op de tafel, waaraan zij zich had neergevlijd, doch zij bevochtigde ter nauwernood de lippen.
Toen Marthana den korf met artsenijen en linnen zwachtels, met wijn en zuiver water had gevuld, en dien aan de Gallische liet zien, zeide de laatste: "Leen mij een paar van uwe sandalen, want de mijne zijn geheel gescheurd, en zonder schoeisel kan ik de mannen niet volgen, want de steenen zijn scherp en snijden in het vleesch."
Marthana zag nu voor het eerst, dat de voeten van hare vriendin bebloed waren, nam haastig de lamp van de tafel, plaatste haar op den grond en zeide, terwijl zij naast Sirona nederknielde, en hare sierlijke blanke teenen met de hand omvatte, ten einde de kwetsuren van hare voetzolen te onderzoeken: "Mijn God, daar zijn waarlijk drie groote diepe wonden!"
Dadelijk nam Marthana een bekken ter hand, wiesch de sneden in Sirona's voetzolen zorgvuldig uit, en terwijl zij den gewonden voet met linnen banden omwikkelde, ging Dorothea naar beiden toe en zeide: "Ware Polycarpus nu maar hier; deze rol is voldoende om u beiden te verbinden."
Een zacht blosje kleurde Sirona's wangen. Dorothea verschrikte over hare eigene woorden en Marthana drukte in het geheim de Gallische de rechterhand.
Toen het verband goed bevestigd was, beproefde Sirona of zij gaan kon, maar dit gelukte haar zóo slecht, dat Petrus, die met zijn vriend Magadon, diens zonen en een aantal slaven was teruggekeerd, haar ernstig verbieden moest hem te begeleiden. Hij hield zich overtuigd, dat hij ook zonder haar zijn zoon wel vinden zou, want een der lieden van zijn buurman had den ouden Serapion vaak brood en olie gebracht, en kende zijn hol.
Alvorens de senator met zijne dochter het vertrek verliet, fluisterde hij zijne vrouw eenige woorden toe, naderde met haar de Gallische en vroeg: "Weet gij wat uw echtgenoot wedervaren is?"
Sirona knikte toestemmend en antwoordde: "Ik heb het van Paulus gehoord. Nu ben ik geheel verlaten."
"Dat zijt gij niet," zeide Petrus. "Gij zult onder ons dak bescherming en liefde vinden, als in het huis van uw eigen vader, zoolang het u bij ons bevalt. Geen dank, want wij staan diep bij u in schuld. Tot wederziens, vrouw! Ik wenschte wel dat wij Polycarpus reeds hier beneden hadden, en dat gij zijn wond hadt gezien. Kom, Marthana, de oogenblikken zijn kostbaar!"
Toen Sirona en Dorothea alleen waren, zeide de laatste: "Ik ga thans eene slaapplaats voor u gereed maken, want gij zult zeer vermoeid zijn."
"Neen neen," smeekte de andere. "Ik wil met u waken en wachten, want ik zou stellig niet kunnen slapen, vóor ik weet hoe het hem gaat."
Deze woorden werden met zooveel warmte en ijver uitgesproken, dat de diakones de jonge vrouw dankbaar de hand reikte. Daarop zeide zij: "Ik laat u eenigen tijd alleen, want mijn hart is vol zorg. Ik wil om hulp voor hem en om moed en kracht voor mijzelve bidden."
"Neem mij met u," smeekte Sirona zacht. "Toen ik in nood was, heb ik mijn hart voor uw goeden, liefderijken God uitgestort, en ik wil nooit meer tot een anderen bidden. De gedachte alleen aan hem versterkt en vertroost mij, en zoo ooit, dan heb ik in deze ure zijn vriendelijken bijstand noodig."
"Mijn kind, mijn dochter," riep de diakones diep bewogen, boog zich over haar heen, kuste haar op voorhoofd en mond, en leidde haar aan de hand naar haar stille slaapvertrek. "Hier bid ik het liefst," zeide zij, "ofschoon hier geen beeld en geen altaar staat. Mijn God is overal, en hij weet mij aan elke plaats te vinden."
De beide vrouwen knielden naast elkander, en beiden smeekten van denzelfden God dezelfde genade, niet voor zich, maar voor een ander; beide dankten in hun leed: Sirona, wijl zij in Dorothea eene moeder, de diakones, wijl zij in Sirona eene dochter, eene lieve dochter had gevonden.
TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Paulus zat voor het hol, dat Sirona en Polycarpus geherbergd had, en keek de fakkels na, wier licht al kleiner en kleiner scheen te worden, terwijl de dragers afdaalden naar het dal. Zij verlichtten den weg voor den gewonden beeldhouwer, die gezeten in den draagstoel zijner moeder, door zijn vader en zijne zuster Marthana begeleid, naar de oase werd gedragen.
"Nog een uur," dacht de Anachoreet, "en de moeder heeft haar zoon weder; nog eene week en Polycarpus staat van zijn bed op; nog een jaar, en dan herinnert alleen nog een litteeken en misschien een kus, die hij op de roode lippen van de Gallische drukt, hem aan den dag van gisteren. Ik zal dien echter niet zoo gemakkelijk vergeten. De ladder, waaraan ik jaren lang getimmerd heb, langs welke ik tot den hemel dacht te stijgen, en die mij zoo hoog en zeker toescheen, ligt daar in stukken gebroken, en de hand die haar versplinterde, was die mijner eigene zwakheid. Het komt mij voor als oefende deze mijne zwakheid grooter invloed uit, dan wat wij inwendige kracht noemen, want wat de laatste in jaren opbouwt, verstoort de eerste in ééne minuut. In zwakheid alleen ben ik een reus."
Paulus trok bij de laatste woorden huiverend zijne leden samen, want de koude beving hem. In dien vroegen morgen, toen hij de schuld van Hermas op zich nam, had hij de gelofte gedaan het schaapsvel te zullen afleggen, en zijn lichaam, dat aan de warme vacht gewoon was, en waarin, sedert de buitengewone inspanningen, het nachtwaken en de aandoeningen der laatste dagen, het heete bloed zich koortsachtig snel bewoog, leed hevig pijn. Rillende van kou trok hij zijn kleed steviger om de leden, en prevelde in zichzelven: "Ik ben te moede als een schaap, dat men midden in den winter de wol van het lijf geschoren heeft. Nu gloeit mij weder het hoofd, als ware ik een bakker en moest ik het brood uit den oven halen. Een kind zou mij omver kunnen werpen, en de oogen vallen mij toe. Ik mis zelfs de kracht, om door het gebed weder tot mijzelven te komen, dat ik zoo noodig heb. Ik heb zeker wel het goede doel voor oogen, maar zoodra ik dit nader schijn te komen, wordt het mij weder ontrukt door mijne zwakheid, evenals de wind den tak met de vruchten wegrukt, waarnaar de dorstende Tantalus grijpt. Uit de wereld heb ik mijn toevlucht genomen op dezen berg, en de wereld is mij achterna gevlogen, en heeft mij hare strikken om de voeten geworpen. Ik moet een nog eenzamer woestijn opzoeken, waarin ik alleen ben, geheel alleen met mijn God en mijzelven. Daar vind ik misschien den weg dien ik zoek, wanneer niet zeker iemand, namelijk mijn eigen Ik, waarin de geheele wereld in het klein zich vertoont met al hare verleidingen, mij vergezelt en ook ditmaal weder al mijn arbeid vruchteloos maakt. Wie zichzelven in de woestijn medeneemt, is toch niet alleen."
Paulus slaakte een diepe zucht en dacht verder: "Wat was ik toch trotsch, toen ik in Hermas' plaats een proefje had gehad van den geesel des Galliërs! Vervolgens ging het mij als een beschonkene, die trede voor trede van de trappen valt. Ook de arme Stephanus struikelde, en was toch reeds zijn doel zoo nabij. Hem ontbrak de kracht om te vergeven, en de senator die mij zoo even verliet, en wiens onschuldigen zoon ik toch zoo deerlijk gewond heb, gaf mij bij het scheiden de hand der verzoening. Ik kon het hem aanzien dat hij mij van ganscher harte vergeven had. En deze Petrus staat midden in het leven, en geeft zich van 's morgens vroeg tot 's avonds laat met wereldsche dingen af."