Part 21
Reeds maakten eenige Anachoreten zich gereed, om de vermaning van den Alexandrijn te volgen, toen een ontzettend gehuil zich dicht bij den voet van hun toevluchtsoord hooren liet. Dit was het geschreeuw van de Blemmyers, die de Pharanieten vervolgden. Vol angst drongen zij weder op éen hoop te zamen. Toen de Syriër Salatiël, die zich aan den rand van de helling gewaagd en over den schouder van den ouden Stephanus in de vlakte gezien had, met de bange kreet: "De onzen vluchten!" naar zijne metgezellen terugvloog, schreeuwde Gelasius zoo luid hij kon, terwijl hij zich op de borst sloeg en zijn zwart krullend hoofdhaar uittrok: "Heere God, wat wilt gij toch van ons? Is dan het streven naar gerechtigheid en deugd zoo ijdel en vruchteloos, dat gij ons aan den dood prijs geeft, en niet voor ons tusschenbeide moogt komen? Wanneer wij tegenover de heidenen het onderspit delven, dan zal de goddeloosheid en het ruw geweld zich trotsch verheffen als hadden zij den zege behaald over godsvrucht en waarheid."
Paulus had zich, buiten zichzelven en radeloos, van de klagenden afgewend, en ging met Stephanus den loop van den strijd na. De Blemmyers waren in groote menigte komen opdagen, en hun aanval, dien de Pharanieten eerst slechts in schijn moesten ontwijken, was zoo geweldig, dat én deze én de strijdgenooten, die zich met hen in de vlakte vereenigden, niet in staat waren weerstand te bieden, en teruggedrongen werden tot dáar waar de kloof van den ijlweg smaller werd.
"Het gaat niet, zooals wij gewenscht hadden," zeide Stephanus. "En die laffe hoop, dat vee," riep Paulus woedend, "laat de muur onverdedigd en lastert God, in plaats van te waken of te strijden."
De Anachoreten zagen zijne gebaren, gelijk aan die van een vertwijfelende. "Verlaat ons dan alles?" riep Sergius uit. "Waarom ontsteekt het doornbosch zijn vuur niet, om de misdadigers in zijne vlammen te verteeren? Waarom zwijgt de donder? Waar zijn de bliksemschichten, die den top van den Sinaï omgaven? Waarom daalt er geen duisternis neer, om de heidenen te verschrikken? Waarom splijt de aarde niet, om hen te verslinden als de bende van Kora?"
"De kracht Gods," riep Doelas "legt de handen in den schoot. In welk een twijfelachtig licht stelt de Heer niet onze vroomheid, daar hij zich gedraagt als waren wij alle zorg onwaardig!"
"Dat zijt gij ook," schreeuwde Paulus, die de laatste woorden vernomen had, en den kranken Stephanus naar den onbewaakten oostelijken muur meer droeg dan geleidde. "Dat zijt gij ook, want in plaats van zijne vijanden te weerstaan, lastert gij God en onteert gij u zelven door uwe ellendige lafheid. Ziet dezen kranken grijsaard, die zich gereed maakt om u te verdedigen! Volgt thans zonder te morren mijne bevelen, of bij het bloed der heilige martelaars, ik sleur u bij de haren en ooren naar uwe posten, en wil u...."
Maar hij sprak niet verder, want zijne bedreiging werd door eene krachtige stem afgebroken, die bij den voet van den muur zijn naam riep.
"Dat is Agapitus!" zeide Stephanus. "Breng mij naar den wal en zet mij daar neder."
Eer hij den wensch van zijn vriend nog vervuld had, stond de bisschop in zijne hooge gestalte aan zijne zijde. Agapitus, de Cappadociër, was in zijne jeugd soldaat geweest. Hij had de grenzen van den ouderdom ter nauwernood overschreden, en was een waakzaam herder zijner gemeente. Toen de geheele jongelingschap van Pharan de Blemmyers tegentrok, had hij geen rust in de oase, en nadat hij de presbyters en diakenen bevolen had met de vrouwen en achtergeblevene mannen in de kerk voor de strijders te bidden, was hijzelf, geleid door een gids en vergezeld van twee acolythen, den berg opgestegen, om bij den kamp tegenwoordig te zijn. Den anderen priesters en aan zijne vrouw, die trachtten hem terug te houden, had hij geantwoord: "Waar de kudde is, daar moet ook de herder zijn!"
Zonder dat iemand het had gezien of gehoord, was hij tot aan den muur van het kasteel genaderd en getuige geweest van Paulus' hevige woorden. Thans stond hij met rollende oogen tegenover den Alexandrijn en verhief dreigend zijne krachtige hand, terwijl hij hem toeriep: "Waagt het een uitgebannene zóo tot zijne broeders te spreken? Wil een handlanger van den Satan den strijders des Heeren bevelen geven? Dat zou u eene vreugde zijn, wanneer gij met uwe athletische armen den roem terug kondet winnen, die uwe door zonde en schuld ontzenuwde ziel heeft verspeeld. Hierheen, mijne vrienden, de Heer is met ons en zal ons behoeden!"
Paulus had zwijgend den bisschop laten uitspreken en hief even als de andere Anachoreten zijne handen op, toen Agapitus in hun midden trad en een kort haastig gebed uitsprak. Na het 'amen' wees de bisschop als een veldoverste aan ieder, ook aan de oudsten en zwaksten, zijn plaats aan bij den muur en achter de werpsteenen, en riep toen met eene luide stem, die boven alles uit werd gehoord: "Toont heden, dat gij strijders zijt van den Allerhoogste!"
Niemand verzette zich tegen hem, en toen zij man voor man op hunne posten stonden, liep hij naar de helling en volgde opmerkzaam den slag die onder hem woedde.
De Pharanieten weerstonden thans met goed gevolg den aanval der Blemmyers, want Phoebicius had, nadat hij met zijne soldaten uit de hinderlaag te voorschijn was gekomen, de dichte drommen der zonen van de woestijn, die kwamen aanstormen, in de flank aangetast en hen, dood en verderf verspreidende, in twee deelen gescheiden. De goed uitgeruste en gewapende Romeinen schenen gemakkelijk spel te hebben met hunne naakte tegenstanders, die zich, nu men handgemeen was geworden, noch van hunne pijlen, noch van hunne lansen bedienen konden. Maar de Blemmyers hadden in hunne herhaalde worstelingen met de keizerlijke troepen geleerd hunne kracht te gebruiken, en zoodra zij zagen dat zij tegen den aandrang hunner vijanden niet opgewassen waren, hieven hunne aanvoerders een wonderlijk schril geschreeuw aan. Hunne gelederen werden verbroken, en als een hoop vederen door een rukwind aangegrepen, stoven zij in alle richtingen uit elkander.
Agapitus hield dit wegsnellen der woestijnbewoners voor eene wilde vlucht, haalde dankbaar weder adem en maakte zich gereed om naar het slagveld af te dalen en zijne verwondde geloofsgenooten een woord van troost toe te spreken. Doch hij zou in het kasteel zelf gelegenheid vinden om zijn vromen plicht uit te oefenen; want de herderin, die hij reeds bij zijne aankomst had opgemerkt, stond vóor hem en zeide zeer verlegen, maar toch snel en duidelijk: "De kranke Stephanus dáar, heer bisschop, die de vader is van Hermas, en voor wien ik water draag, laat u smeeken bij hem te komen, want zijne wond is opengegaan en hij meent dat hij sterven zal."
De bisschop volgde terstond deze roepstem met haastige schreden, en begroette den kranke, wiens wond door Paulus en de Saïet Orion reeds verbonden was, met eene vertrouwelijkheid, die hij gewoonlijk niet aan de overige boetelingen bewees. Hij kende den vroegeren naam en de lotgevallen van Stephanus reeds lang, en op zijn verlangen had Hermas zich bij de naar Alexandrië gezondene afgevaardigden moeten aansluiten. Agapitus toch was van oordeel, dat niemand zich uit den levensstrijd mocht terugtrekken, alvorens hijzelf daaraan had deelgenomen. Stephanus reikte hem de hand, de bisschop zette zich aan zijne zijde neder, gaf den omstanders een wenk, dat zij hen alleen moesten laten, en luisterde opmerkzaam naar de zacht gesprokene woorden van den kranke.
Toen de laatste zweeg, zeide Agapitus: "Ik loof met u den Heer, dat hij uwe vrouw, die gij verloren waandet, den weg liet vinden die tot hem voert, en uw zoon zal een flink krijgsman worden, gelijk gijzelf geweest zijt. Uw aardsche huis is bezorgd, maar hoe zijt gij voor het andere, het eeuwige voorbereid?"
"Ik heb achttien jaren geboet en gebeden en groote smarten geleden," antwoordde de kranke. "De wereld ligt verre achter mij, en ik hoop het pad te bewandelen, dat ten hemel leidt."
"Zoo hoop ik ook voor u en uwe ziel," zeide de bisschop. "In de wereld is uw deel geweest een zwaar kruis te dragen. Hebt gij getracht hun te vergeven, die u het pijnlijkst lijden hebben aangedaan en kunt gij bidden: 'Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren?' Herinnert gij u het woord: 'Want zoo gij den menschen hunne misslagen vergeeft, zoo zal ook uw hemelsche Vader u vergeven?'"
"Ik heb Glycera niet enkel vergeven," antwoordde de kranke, "maar haar ook weder opgenomen in het heiligdom van mijn hart. Den man echter, die haar schandelijk verleidde, den ellendeling, die, ofschoon ik hem duizend weldaden bewezen had, mij bedrogen, mijne vrouw gestolen en onteerd heeft, ook hem wil ik wenschen...."
"Vergeef hem," hernam Agapitus, "opdat ook u vergeven worde!"
"Ik beproef reeds sedert achttien jaar den vijand te zegenen," antwoordde Stephanus, "en wil het verder beproeven...."
Tot hiertoe had de bisschop zich geheel aan den kranke gewijd. Thans werd hij echter van verschillende zijden geroepen, en Gelasius, die met andere Anachoreten aan de helling stond, schreeuwde hem toe: "Red ons vader, de heidenen klauteren daarboven tegen de rots op."
Agapitus gaf Stephanus met een gebaar den zegen, en zich omkeerende, riep hij hem nog eens met hartelijkheid toe: "Vergeef, en de hemel zal uw deel zijn!"
In de vlakte lagen vele gewonden en dooden, en de Pharanieten trokken zich weder in de bergkloof terug. Want de Blemmyers waren niet gevlucht; zij hadden zich slechts verstrooid en de rotsen beklommen, die de vlakte omringden. Thans schoten zij van daar met pijlen op hunne vijanden.
"Waar zijn de Romeinen?" vroeg Agapitus driftig den Saïet Orion.
"Zij trekken de kloof in, waardoor de weg hier naar boven leidt," antwoordde de gevraagde. "Maar zie nu, zie die heidenen! De Heer zij ons genadig! Zij klimmen daar tegen de helling op, als de specht tegen een boomstam."
"De steenen aangegrepen!" riep Agapitus, terwijl zijne oogen vonkelden, den naast hem staande boetelingen toe. "Hoe staat het daarachter bij den muur?--Hoort gij dat? Ja! Dat was de Romeinsche tuba. Moed, broeders, de keizerlijke soldaten beschermen de zwakke zijde van het kasteel.--Maar hier! Ziet gij daar in de spleet die naakte gestalten? Hier met dit steenblok. Duw de schouders er krachtig tegen aan, Orion! Salatiël, nog een ruk! Daar laat hij reeds los, daar rolt hij naar beneden! Als hij nu daar bij de spleet maar niet blijft hangen!--Neen! God lof, nu begint hij te vallen.--Dat was een slag! En nu! Zes vijanden van den Heer zijn in eens verpletterd."
"Daar boven zie ik drie andere," schreeuwde Orion. "Hierheen, Damianus, en help mij."
De geroepene en met hem nog een aantal anderen vlogen toe en de eerste goede uitslag wekte zoo spoedig en wonderbaar den moed der Anachoreten weder op, dat het den bisschop zelfs moeielijk viel hun ijver te beteugelen, en hun aan het verstand te brengen, dat zij de kostbare steenen wat moesten besparen.
Terwijl onder leiding van Agapitus de eene steen voor de andere na werd nedergeworpen op de Blemmyers, die tegen de steile helling opklauterden, zat Paulus naast den kranke met neergeslagen oogen.
"Helpt gij hen niet?" vroeg Stephanus.
"Agapitus heeft gelijk," antwoordde de Alexandrijn. "Ik heb voor veel te boeten, en de kamp wekt de hartstochten op. Hoezeer dit het geval is, dat bemerk ik aan de kwelling, die ik gevoel terwijl ik stilzit. De bisschop gaf u zijn zegen."
"Ik nader het einddoel," zuchtte Stephanus, "en hij belooft mij den hemel, wanneer ik hem ook van harte vergeef, die mij mijne vrouw ontstal. Het zij hem vergeven, alles zij hem vergeven. Alles wat hij aanvangt moge hem ten goede gedijen, ja zeker niet ten kwade! Voel maar hoe mijn hart klopt; het zet zich uit, alvorens het geheel en al ophoudt te slaan. Blaas ik den adem uit, breng dan alles aan Hermas over wat ik u zeide, en zegen hem duizend- en duizendmaal in mijn naam en in dien zijner moeder. Zeg hem nooit, neen nooit, dat zij in een oogenblik van zwakheid den schurk, den man, dien ongelukkige meen ik, dien ik alles vergeef, gevolgd is. Geef Hermas dezen ring, daarmede en met den brief, dien gij onder de kruiden van mijne legerstede in het hol zult vinden, zal hij zich begeven naar zijn oom, die hem zal opnemen en hem eene plaats bij het leger bezorgen, zooals hem toekomt, want mijn broeder staat in aanzien bij den keizer.--Hoor eens hoe Agapitus de onzen aanmoedigt! Zij strijden daar dapper. Dat was de Romeinsche tuba. Let op, thans zal de bende het kasteel bezetten en van hier uit de heidenen beschieten. Breng mij in den toren als zij komen. Ik ben zwak; ik wil nou eens al mijne innerlijke krachten verzamelen en bidden, opdat ik kracht vinde den man niet alleen met de lippen te vergeven."
"Daar beneden, zie, daar komen de Romeinen," viel Paulus den kranke in de rede. Vervolgens schreeuwde hij naar beneden: "Hier op, hier! Verder links zijn de trappen!"
"Daar zijn wij," antwoordde een barsche stem. "Mannen, blijft hier op den voorsprong staan en houdt het kasteel in het oog. Dreigt u gevaar, waarschuwt mij dan met de trompet. Ik klim naar boven; dáar van de torenspits zal men kunnen zien hoever die honden gekomen zijn."
Onder het spreken dezer woorden had Stephanus opmerkzaam zitten luisteren. Toen de Galliër weinige oogenblikken later den muur beklom, en naar binnen in het kasteel riep: "Is hier niemand die mij de hand reikt?" riep de kranke Paulus en zeide tot hem: "Til mij op en ondersteun mij, spoedig!"
Met eene vlugheid, die den Alexandrijn in verbazing bracht, richtte Stephanus zich op, boog zich over den muur naar den centurio, die juist aan de andere zijde was aangekomen, zag hem met de grootste spanning in het aangezicht, huiverde en reikte hem, terwijl hij alle krachten inspande om zich te bedwingen, de magere hand om hem te steunen.
"Servianus!" riep de centurio, wien deze ontmoeting op deze plaats hevig verschrikte, en die, niet wetende hoe zich te houden, nu eens den grijsaard, dan weder Paulus aanstaarde.
Geen hunner kon woorden vinden om zijn gevoel uit te spreken. Doch Stephanus' oogen hingen aan het gelaat van den Galliër, en hoe langer hij hem aanzag, des te holler werden zijne eigene wangen, des te bleeker zijne lippen. Daarbij strekte hij nog altijd zijne hand naar den ander uit, misschien als teeken dat hij hem vergaf. Zoo verliepen eenige pijnlijke oogenblikken.
Eindelijk begon Phoebicius te begrijpen, dat hij in dienst des keizers den muur had beklommen, en in ontevredenheid over zichzelven stampvoetende, greep hij haastig de hand van den grijsaard. Nauwelijks echter gevoelde deze, dat de vingers van den Galliër de zijne aanraakten, of als door den bliksem getroffen kromp hij ineen, en met een heeschen kreet wierp hij zich op zijn doodvijand, die aan den rand van den muur stond.
Paulus zag vol ontzetting dit ijselijk schouwspel aan, en riep dringend met luider stem: "Laat hem los, vergeef hem, opdat de hemel ook u vergeve!"
"Wat hemel, wat vergeving!" schreeuwde de oude man. "Hij zij verdoemd!"
Eer de Alexandrijn het verhinderen kon, begonnen de waggelende rotsblokken, waarop de beide vijanden steunend met elkander worstelden, los te raken, en beiden stortten met de vallende steenen in den afgrond.
Paulus zuchtte uit de diepste diepte van zijn borst, en prevelde, terwijl heete tranen langs zijne wangen rolden: "Ook hij heeft gestreden, en ook hij heeft te vergeefs geworsteld."
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
De kamp was geëindigd en de zon, die achter den heiligen berg onderging, had de lijken van vele Blemmyers beschenen. Thans vonkelden de sterren aan den reinen hemel over de oase. Uit de kerk weerklonken lofgezangen, en in hare nabijheid, onder aan den heuvel waartegen zij was aangebouwd, brandden fakkels, die met haar roodachtig licht eene rij van lijkbaren beschenen, waarop onder groene palmtakken de in den strijd tegen de heidenen gevallen dapperen lagen.
Thans zweeg het lofgezang, de deuren van het godshuis werden geopend, en Agapitus ging de zijnen vóor naar de gestorvenen. Zonder een woord te spreken schaarde de gemeente zich in een halven cirkel rondom hare zwijgende broeders, luisterend naar den zegen, die haar herder over de edele offers uitsprak, die hun bloed hadden vergoten in den strijd tegen de heidenen.
Na het 'amen' voegden zij, die zijne naaste bloedverwanten waren geweest, zich bij elken doode, en menige traan uit het oog eener moeder of eener echtgenoote viel in het zand, menige zucht uit de borst eens vaders hief zich ten hemel.
Naast de baar waarop de oude Stephanus lag stond eene andere kleinere. Hermas knielde tusschen deze twee en weende. Thans hief hij het hoofd op, want eene diepe doch vriendelijke stem had hem bij zijn naam geroepen.
"Petrus," zeide de jongeling, en vatte de hand die de senator hem bood. "Hoe gevoelde ik mij gedrongen de wijde wereld in te gaan en mijn vader te verlaten! En nu hij voor altijd van mij gescheiden is, hoe gaarne zou ik mij door hem terug laten houden!"
"Hij is in den strijd voor de zijnen een schoonen dood gestorven," zeide de senator terstond.
"Paulus was bij hem toen hij viel," antwoordde Hermas. "Bij de verdediging van het kasteel is mijn vader van den muur gestort. Maar zie hier, dit meisje, dit arme kind, dat uwe geiten heeft gehoed, zij is als eene heldin gestorven. Arme, wilde Mirjam, hoe goed zou ik voor u zijn, als gij nog leefdet!"
Hermas streelde bij deze woorden den arm der herderin, drukte een zachte kus op haar kleine koude hand, en vouwde die voorzichtig met de andere op haar borst te zamen.
"Hoe kwam het meisje bij den strijd der mannen?" vroeg Petrus.--"Maar dat kunt ge mij in mijn huis vertellen. Wees daar onze gast, zoolang het u lust, en totdat gij de wereld ingaat. Wij allen zijn u dank schuldig."
Hermas bloosde, en wees met bescheidenheid den lof af, die hem, den redder der oase, overvloedig van alle zijden ten deel viel. Toen de klaagvrouwen verschenen, knielde hij nog eens bij het hoofd zijns vaders neder, zag voor het laatst met innige liefde naar Mirjam's strak gelaat, en volgde toen zijn gastheer.
De man en de jongeling betraden te zamen den hof. Hermas zag onwillekeurig naar het venster op, waaraan hij Sirona meer dan eens had zien zitten, en zeide, op het huis van den centurio wijzende: "Ook hij is gebleven."
Petrus gaf een teeken van toestemming en opende de deur van zijn huis.
In de verlichte voorzaal trad vrouw Dorothea hun te gemoet en vroeg dadelijk: "Nog niets van Polycarpus?"
Haar echtgenoot schudde ontkennend het hoofd. Zij zeide echter: "Hoe zou het ook mogelijk zijn! Hij zal op zijn vroegst uit Klysma of wel eerst uit Alexandrië schrijven."
"Dat geloof ik ook," antwoordde Petrus en zag daarbij naar den grond. Vervolgens wendde hij zich tot Hermas en leidde hem naar zijne echtgenoote. Dorothea ontving den jongeling met warme deelneming. Zij had gehoord dat zijn vader gevallen was, en hoe dapper hijzelf zich gedragen had.
De avondmaaltijd stond gereed en Hermas werd uitgenoodigd daaraan deel te nemen. De vrouw des huizes gaf hare dochter een wenk om voor den gast te zorgen. Petrus hield Marthana echter terug en zeide: "Hermas kan de plaats van Antonius innemen. Hij heeft nog met eenigen van de arbeiders te doen. Waar blijft Jethro met de huisslaven?"
"Zij hebben reeds gegeten," zeide Dorothea.
Beide echtgenooten zagen elkander aan, en Petrus zeide met een weemoedig lachje: "Ik denk dat zij op den berg zijn."
Dorothea pinkte een traan uit het oog en antwoordde: "Zij zullen daar Antonius zeker ontmoeten. Als zij Polycarpus eens vonden! En toch, zeker, ik zeg het niet alleen om u te troosten, het waarschijnlijkste is, dat hij niet in de bergkloven verongelukt maar naar Alexandrië gegaan is, om de herinneringen te ontvluchten, die hem hier overal op de hielen zaten.--Ging de deur daar niet open?"
Zij stond haastig op, keek met Petrus, die haar gevolgd was, in den hof en zeide, zich tot Marthana wendende, die, terwijl zij Hermas vleesch en brood aanbood, hare ouders had nagezien, met een diepen zucht: "Het was de slaaf Anubis maar."
Een tijd lang heerschte er eene pijnlijke stilte aan de groote tafel die heden zoo slecht bezet was. Eindelijk richtte Petrus zich tot zijn gast en zeide: "Gij wildet vertellen hoe de herderin Mirjam in den strijd, om het leven is gekomen. Zij was ons huis ontvloden...."
"Naar den berg," vulde Hermas aan, "is zij gegaan. Daar heeft zij mijn armen vader als eene dochter verpleegd en van water voorzien."
"Ziet gij wel, moeder," haastte Marthana zich te zeggen, "zij is niet slecht geweest; dat heb ik altijd wel gezegd."
"Heden morgen," ging Hermas voort, terwijl hij de dochter treurig een teeken van toestemming gaf, "heden morgen volgde zij mijn vader naar het kasteel. Zoodra deze van de muur was gevallen, dus vertelde mij Paulus, is zij weggevlogen, doch alleen om mij te zoeken en de droevige tijding aan mij over te brengen. Wij kennen elkander reeds lang, want sedert jaren drenkte zij uwe geiten bij onze bron. Toen ik nog een knaap en zij een klein meisje was, luisterde zij uren lang naar mij, wanneer ik op mijne herdersfluit de liederen blies, die Paulus mij geleerd had. Zoolang ik speelde was zij dood stil; wanneer ik echter ophield, verlangde zij meer en altijd meer te hooren, tot het mij verveelde en ik wilde heengaan. Dan kon zij zeer boos worden, en wanneer ik haar zin niet deed mij met leelijke woorden schelden. Maar zij kwam altijd terug, en daar zij de eenige was, die naar mij luisteren kon, zoo was het mij niet onverschillig, dat zij aan onze bron boven de andere de voorkeur gaf. Toen zij grooter werd begon ik bang voor haar te worden, want zij kon zulke goddelooze dingen zeggen, en zij is ook als heidin gestorven. Paulus, die ons eens beluisterde, waarschuwde mij voor haar, en daar ik sedert lang de fluit had weggeworpen en met mijn boog het wild naliep, zoo dikwijls vader mij dit vergunde, bleef ik altijd korter bij haar, als ik naar de bron ging om water te scheppen. Wij vervreemdden meer en meer van elkander, en ik kon recht hard jegens haar zijn. Eens slechts, nadat ik uit de hoofdstad teruggekomen was, heb ik eene ontmoeting met haar gehad,--maar dat vertel ik u niet. Het arme kind was tegen wil en dank slavin, en zeker heeft zij in het huis van een vrije het levenslicht aanschouwd.
"Zij is goed jegens mij geweest, meer nog dan eene zuster voor een broeder, en toen mijn vader dood was, heeft zij zeker gemeend, dat ik dit uit geen andere mond dan de hare mocht vernemen. Zij had gezien waar ik met de Pharanieten heen getrokken was, volgde en vond mij ook weldra, want zij had oogen als eene gazelle en ooren als een beangstigde vogel. Ditmaal was het niet moeielijk mij te vinden, want toen zij mij zocht, streden wij in de groene kloof, die van den berg naar de zee voert met de Blemmyers, die van woede brulden als roofdieren; want voordat wij de zeekust konden bereiken, hadden de visschers beneden in het vlek hunne booten, die zij onder zand en steenen verborgen hadden, ontdekt, opgegraven en binnen hunne haven gehaald. De knaap uit Raïthoe, die mij geleidde, had ze op mijn bevel in het oog gehouden, en de visschers gebracht op de plaats waar ze verstopt waren. De wachters, die zij bij de booten hadden achtergelaten, waren gevlucht en hadden hunne broeders die bij het kasteel vochten bereikt, van welke toen minstens twee honderd naar zee gezonden werden, om de vaartuigen weder te heroveren en de visschers te straffen. Deze bende overviel ons in de groene kloof en zoo kwam het tot een gevecht.