Part 18
Opeens schenen het licht en de slag tegelijk van den hemel neder te dalen. De rots, waarin hare spelonk was, beefde. In gebogen houding en bevende trok zij zich in het binnenste hoekje van haar hol terug, en telkens, wanneer de enge ruimte plotseling verhelderd werd, verschrikte zij.
Eindelijk volgden de bliksemstralen elkander na langere tusschenpoozen op; de stem van den donder verloor hare vrees aanjagende kracht, en toen de stormwind het onweder verder en verder naar het zuiden joeg, stierf die stem geheel weg.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Het was stikdonker in Sirona's hol, akelig donker, en hoe zwarter de nacht, die haar omgaf, zich vertoonde, des te hooger steeg haar angst. Van tijd tot tijd sloot zij de oogen zoo stijf dicht als zij kon, want dan was het haar als zag zij een purperkleurig schijnsel, en gelijk een drenkeling naar den oever, zoo smachtte zij in dit uur naar licht. Daarbij kwelden schrikbeelden van allerlei aard hare ziel. Als Paulus haar nu eens verlaten en aan haar lot prijs gegeven had? Als Polycarpus bij het onweder den berg eens doorzocht had om haar te vinden, en door de duisternis misleid in een afgrond was gestort of door een bliksemstraal gedood? Als eens de rotsmassa, die over den ingang van het hol hing, door den storm losraakte, en nederstortte, en haar den ingang naar buiten versperde? Dan was zij levend begraven; dan moest zij eenzaam versmachten zonder hem die zij liefhad, wedergezien en hem gezegd te hebben, dat zijn vertrouwen hem niet bedroog.
Door zulke gedachten vreeselijk gekweld, verzamelde zij al hare krachten, en ging zij al tastend naar buiten in de vrije lucht, terwijl de wind haar tegenwoei. In die sombere eenzaamheid, in dat akelig donker, kon zij het niet langer uithouden. Reeds had zij den uitgang der spelonk bereikt, toen zij voetstappen hoorde, die haar schuilplaats schenen te naderen.
Zij verschrikte opnieuw. Wie waagde het in dezen pikdonkeren nacht van de eene rots op de andere te klimmen? Kwam Paulus misschien terug? Was hij het, ofwel Polycarpus, die haar zocht?
Als verbijsterd drukte zij beide handen tegen haar hart. Zij gevoelde zich gedrongen om te roepen, maar waagde het toch niet. Hare tong weigerde haar den dienst. Met angstige spanning luisterde zij naar het geluid der stappen, die recht vóor haar uit meer en meer naderden.
De nachtelijke wandelaar merkte de schemering op van haar wit gewaad en riep haar bij den naam.
Het was Paulus. Zij gevoelde zich verlicht en haalde weder adem, toen zij zijne stem herkende en zijne groet beantwoordde.
"Bij zulk noodweer," zeide de Anachoreet, "is het, geloof ik, beter hier binnen dan buiten; want dat het in de open lucht niet bijzonder aangenaam is, heb ik ondervonden."
"Maar ook hier in het hol," antwoordde Sirona, "is het verschrikkelijk geweest. Ik heb mij vreeselijk bang gemaakt, want ik was zoo alleen in het akelig donker. Had ik mijn hondje nog maar bij mij gehad, dat was ten minste een levend wezen."
"Ik heb mij gehaast zooveel ik kon," hernam Paulus. "De paden zijn hier minder effen dan de wandelwegen te Alexandrië in de Canobische straat, en daar ik niet evenals de Cerberus, die aan de voeten van Serapis zit, drie halzen heb, zoo zou het wijzer van mij geweest zijn, indien ik wat minder haastig tot u ware terug gekeerd. De stormvogel heeft alle sterren opgeslokt, alsof het muggen waren, en de oude berg is daarover zoo boos, dat hem overal de tranen bij beken over de steenen wangen loopen. Ook hier is het nat. Ga thans in het hol terug en laat mij wat ik hier voor u op den arm draag in den drogen gang leggen. Ik breng goede tijding. Morgen avond breken wij op, tegen dat de duisternis valt. Ik heb voor een vaartuig gezorgd, dat ons naar Klysma zal brengen, en vandaar geleid ikzelf u naar Alexandrië. In het schaapsvel dat ik hier heb zult gij de kleederen en den sluier van eene Amalekietische vrouw vinden. Als uw spoor voor Phoebicius verborgen zal blijven, dan moet gij u deze vermomming laten welgevallen, want zoodra de lieden daarbeneden u zien, zooals ik u heden zag, zouden zij meenen dat Aphrodite zelve weder uit het schuim der zee was opgerezen, en de tijding dat eene blonde schoone hun verschenen was, haastig verder verspreiden tot in de oase."
"Maar ik meen dat ik hier goed verborgen ben," antwoordde Sirona. "Ik ben bang voor dien zeetocht. En al gelukte het ons ook zonder tegenspoed Alexandrië te bereiken, dan weet ik toch niet...."
"Het is mijne zaak dan voor u te zorgen," viel Paulus haar in de rede, met eene zekerheid, die bijna overmoedig scheen en Sirona verontrustte. "Gij kent den fabel van den ezel in de leeuwenhuid; daar zijn echter ook leeuwen, die het vel van een ezel of een schaap--dat komt zoowat op hetzelfde neer--over de schouders dragen. Gisteren verteldet ge mij van de heerlijke paleizen der burgers, die gij in de hoofdstad hebt gezien, en hebt gij hen die ze bezitten gelukkig geprezen. Welnu, gij zult in een dier marmeren huizen wonen en daarin als meesteres gebieden, en mijn eerste zorg zal zijn u slaven en een draagstoel, dragers, en een wagen met witte muildieren te verschaffen. Twijfel er niet aan, want ik beloof niets, wat ik niet zou kunnen houden.--De regen houdt op en ik wil nu beproeven vuur te ontsteken.--Zijt ge reeds verzadigd? Nu, dan wensch ik u goeden nacht. Het overige zullen wij morgen wel vinden."
Sirona had de beloften van den Anachoreet met verbazing aangehoord. Hoe dikwijls had zij hen benijd, die dat alles bezaten, wat haar zonderlinge beschermer haar toezegde! Thans echter hadden al deze dingen voor haar niet de minste aantrekkelijkheid, en met het vaste voornemen Paulus, dien zij begon te mistrouwen, in geen geval te volgen, antwoordde zij, terwijl zij zijn groet koel beantwoordde: "Vóor morgen avond verloopen nog vele uren, waarin wij dit alles overleggen kunnen."
Terwijl de Alexandrijn met veel moeite vuur ontstak, bleef zij weder alleen, en opnieuw begon zij zich in die donkere ruimte angstig te maken. Zij riep den Alexandrijn en zeide: "Het donker maakt mij zoo benauwd. Heden morgen had gij nog olie in de kruik; mogelijk gelukt het u voor mij een lampje gereed te maken. Het is zoo akelig in donker te blijven."
Paulus nam terstond eene scherf, trok een draad uit zijn gescheurd wollen kleed, draaide dien in elkander, legde hem als een pit in de vette vloeistof, stak hem aan zijn langzaam opflikkerend vuurtje aan, en gaf Sirona dit meer dan eenvoudige lichtje in de hand met de woorden: "Hiermede zult gij geholpen zijn. In Alexandrië zal ik echter voor lampen zorgen, die beter gezien mogen worden en door knapper kunstenaars gemaakt zijn."
Sirona plaatste het lampje in eene holte van den rotswand boven hare legerstede, en vlijde zich vervolgens neder.
Het licht verjaagt niet enkel de roofdieren maar ook de vrees van de rustplaatsen der menschen, en het verwijderde thans van de Gallische elke sombere gedachte. Klaar en duidelijk overzag zij haren toestand, en zij besloot het hol niet eerder te verlaten en zich aan den Anachoreet toe te vertrouwen, voor zij Polycarpus wedergezien en hem gesproken had. Hij wist toch nu waar hij haar zoeken moest, en hij zou zeker, dacht zij, reeds tot haar teruggekeerd zijn, wanneer het onweder en de bewolkte hemel het bestijgen van den berg uit de oase niet onmogelijk hadden gemaakt.
"Morgen zie ik hem weder, en dan open ik voor hem mijn hart," zeide zij tot zichzelve. "Dan laat ik hem in mijne ziel lezen als in een boek, en op elke bladzijde, in elken regel zal hij zijn naam vinden. Ik wil hem ook zeggen, dat ik tot zijn 'goeden herder' heb gebeden, en hoe goed mij dat gedaan heeft, en dat ik eene christin wil zijn, gelijk zijne zuster Marthana en zijne moeder. Vrouw Dorothea zal zich zeker zeer verheugen wanneer zij dat hoort, en zij ten minste heeft stellig niet kunnen gelooven dat ik slecht ben. Want zij heeft mij toch altijd lief gehad, en de kinderen, de kinderen...."
De vroolijke gestalten van de kleine schare kwamen haar lachend voor de verbeelding, en onopgemerkt gingen hare voorstellingen over in droomen, en de vriendelijke slaap raakte haar hart aan met eene zachte hand, en blies elken schaduw van zorg uit hare ziel weg. Glimlachend en onbekommerd sluimerde zij in als een kind, op welks zacht geslotene oogen beschermengelen hunne kussen drukken.
Intusschen was haar zonderlinge beschermer bezig met nu eens het rookende hout op den vochtigen haard om te keeren, en met een vuurrood gezicht in de smeulende kolen te blazen, dan weder onrustig op en neder te wandelen, en telkens wanneer hij den ingang van het hol voorbijging, zijne schreden te vertragen, om een verlangenden blik te slaan naar de lichtschemering, die uit Sirona's rotsvertrek te voorschijn kwam. Sedert hij Polycarpus op den grond had geslingerd, was Paulus niet tot nadenken gekomen. Geen oogenblik had hij berouw gevoeld over zijne daad, want hij had in de verte niet bedacht, dat een val op den ijzerharden steen van den heiligen berg meer pijn deed, dan het neerstorten in het zand van het worstelperk. Die onbeschaamde, meende hij, had in alle opzichten verdiend aldus weggezonden te worden. Wie toch gaf hem meer recht op Sirona dan hij, Paulus, bezat, die haar leven gered en op zich genomen had haar te beschermen?
Hare buitengewone schoonheid had hem sedert de eerste ontmoeting goed gedaan, doch geene enkele onreine gedachte was er in zijn hart opgeweld, als hij haar met welgevallen aanzag, en met aandoening luisterde naar hare kinderlijke taal. De gloeiende ontboezeming van Polycarpus had het eerst ook in zijne ziel vonken geworpen, die de jaloezie en de bezorgdheid, dat hij Sirona aan een ander zou moeten overlaten, spoedig tot een verterend vuur aanbliezen. Hij wilde deze vrouw niet prijsgeven; hij wilde ook verder voor haar zorgen. Zij zou alles aan hem en aan hem alleen te danken hebben.
Derhalve wijdde hij zich, zonder verzuim, met hart en ziel aan de voorbereiding tot hare vlucht. De drukkende onweerslucht, donder en bliksem, de bij stroomen neervallende regen en de duisternis van den nacht hielden hem niet tegen, en terwijl hij doornat en dood moede, onder allerlei gevaren al tastend van rots tot rots opsteeg, dacht hij aan niets dan aan haar, en hoe hij haar het zekerst naar Alexandrië kon overbrengen en dáar met alles omgeven, wat maar ooit eene vrouw aangenaam kan zijn. Niets, volstrekt niets begeerde hij voor zichzelven, en wat hij overlegde en de plannen die hij maakte, hadden enkel en alleen betrekking op hetgeen hij voor haar zou kunnen doen.
Toen hij voor haar de lamp gereed gemaakt en aangestoken had, zag hij haar weder, en hijzelf was verbaasd over de schoonheid van dat door de flikkerende vlam verlicht gelaat. Hij had haar maar enkele oogenblikken kunnen zien, toen was zij verdwenen, en hij moest alleen in nacht en regen achterblijven. Rusteloos wandelde hij op en neer, en een pijnigend verlangen om dat door het lamplicht beschenen gelaat en dien blanken arm, die zich naar het licht had uitgestrekt, nog eens te zien, begon zich steeds krachtiger te doen gevoelen, en deed zijn hart al sneller en sneller kloppen.
Zoo vaak hij het hol voorbijging en de schemering van licht uit haar slaapvertrek waarnam, werd hij als door eene onweerstaanbare kracht gedreven om naar haar toe te sluipen en haar nog eens te zien. Aan gebed en geeseling, zijne oude middelen tegen zondige denkbeelden, dacht hij niet; maar wel overlegde hij of hij niet om eene of andere reden naar binnen kon gaan, zonder daarom schuldig te zijn in zijne eigene oogen. Daar viel hem in dat het koel was, en dat er een schaapsvel in het hol lag. Dat wilde hij gaan halen, niettegenstaande hij de gelofte had afgelegd het niet meer te gebruiken. En wanneer hij haar dan tevens zien kon, wat zou dat?
Zoodra hij den drempel van den ingang overschreden had, vermaande eene stem in zijn binnenste hem om terug te keeren, en zeide hem dat hij op een verkeerden weg was, want hij sloop als een dief op de teenen voort. Doch haastig liet hij er het verontschuldigend antwoord op volgen: "Dit is opdat zij niet wakker zal worden, zoo zij slaapt." En hiermede had hij elke verdere bedenking tot zwijgen gebracht, want reeds was hij doorgedrongen tot de plaats waar, aan het einde van de rotsgang, haar slaapvertrek begon.
Daar lag zij, betooverend schoon, op hare harde legerstede te sluimeren. Rondom was alles stikdonker, en het zwakke schijnsel van het lampje verlichtte slechts een klein gedeelte van de naakte akelige ruimte. Maar het bestraalde het hoofd, den hals en de armen, die met een eigen licht schenen te schitteren, en het lichtend vermogen van de zwakke vlam te verhoogen en te wijden.
Paulus bleef met ingehouden adem op zijne knieën liggen, en zijne blikken vestigden zich met klimmende aandoening op het lieflijk beeld der slapende. Sirona droomde. Haar met blonde lokken omgeven hoofd rustte op een hoog kussen van kruiden, en haar zacht blozend gelaat was naar het gewelf van het hol toegekeerd. Hare even gesloten lippen bewogen zich zacht. Nu verroerde zij ook den gebogen arm en de blanke hand, die geheel door de lamp verlicht, half op hare glanzige haren en half op haar voorhoofd lag.
"Zeide zij iets?" vroeg Paulus zich, en hij drukte zijne slapen zoo stevig tegen een vooruitstekend stuk rots, als wilde hij zijn bloed, dat al sneller en sneller begon te vloeien, verhinderen zich in zijne bedwelmde hersenen uit te storten.
Daar bewoog zij opnieuw hare lippen. Had zij toch gesproken? Had zij hem misschien geroepen? Maar dat kon niet zijn, want zij sliep immers. Hij wilde het echter gelooven en geloofde het ook, en sloop al dichter naar haar toe, en boog zich over haar heen, en beluisterde de zachte regelmatige ademhaling die hare borst bewoog, terwijl hemzelven de kracht ontbrak om lucht te scheppen. Geen meester meer over zichzelven, raakte hij met zijne gebaarde lippen eerst haar blanke arm aan, dien zij al slapend terugtrok. Vervolgens vestigden zich zijne oogen op hare lippen en de twee, maar half door deze bedekte rijen witte tanden, en het verlangen om haar mond te kussen greep hem aan met onweerstaanbare macht. Bevend boog hij zich over haar heen, en reeds was hij op het punt zijn verlangen vervuld te zien, toen hij, als door eene plotselinge verschijning verschrikt, achteruit ging, en zijne blikken, in plaats van op den rooden mond, op de hand vestigde, die op het voorhoofd van de slapende rustte. Het licht van het lampje weerspiegelde zich in een gouden ring aan Sirona's vinger en bestraalde helder een onyx, waarin het beeld van de godin der stad Antiochië, Tyche, die een bol op het hoofd en de hoorn van Amalthea in de hand draagt, gesneden was.
Eene zonderlinge gewaarwording overmeesterde den Anachoreet hij het zien van dezen steen. Met bevende vingers greep hij in de borstopening van zijn gescheurd kleed, tastte rond en bracht eindelijk een klein ijzeren kruis en den ring te voorschijn, dien hij van de koude hand van Hermas' moeder had getrokken. Deze gouden ring droeg een onyx, waarop juist hetzelfde beeld te zien was als op dien aan de hand van de Gallische. Het snoertje met zijn dierbaarst kleinood ontzonk den Anachoreet; met beide handen greep hij in zijne wilde haren, steunde smartelijk en herhaalde gedurig, alsof hij om vergeving moest bidden, den naam Magdalena.
Eindelijk riep hij Sirona met luider stem, en toen zij hevig verschrikt ontwaakte, vroeg hij dringend: "Wie gaf u dien ring daar?"
"Phoebicius heeft mij dien ring geschonken," antwoordde de Gallische. "Hij zeide dat hij dien, vele jaren geleden, in Antiochië ten geschenke had gekregen, en dat hij door een groot kunstenaar gesneden was. Maar ik ben er niet meer op gesteld, en wanneer hij u bevalt, moogt gij hem hebben."
"Werp hem weg," riep Paulus, "want hij brengt u geen geluk!"
Daarop herstelde hij zich, ging met gebogen hoofd naar buiten, wierp zich daar op den natten steenbodem vóor den haard neder en riep: "Magdalena, gij reinste! Uit eene Glycera zijt gij eene heilige martelares geworden en hebt gij den weg ten hemel gevonden. Ook ik had mijne reis naar Damascus, en vermeette mij den naam van Paulus aan te nemen, en nu.... nu....?"
Door vertwijfeling aangegrepen sloeg hij zich vóor het voorhoofd en zuchtte: "Alles, alles te vergeefs!"
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Gewone naturen worden maar in het voorbijgaan aangegrepen door de onuitsprekelijk diepe smart, die eene vertwijfelende ziel ondervindt; maar hoe zwaarder zulk een lijden hen treft, des te zekerder werkt het met reinigende kracht op hem, die het te doorworstelen heeft.
Paulus dacht niet meer aan de schoone sluimerende vrouw. Door gruwzaam zielewee gepijnigd, lag hij op den harden steen, en hij gevoelde dat hij vruchteloos gestreden had. Toen hij Hermas' zonde en straf en schande op zich nam, beeldde hij zich in dat hij midden op den weg des Heilands wandelde. En thans? Hij was te moede als een wedlooper, die dicht bij zijn doel over een steen struikelt en in het zand valt.
"God ziet op den wil, niet op de daad," prevelde hij. "Wat ik ten opzichte van Sirona al of niet heb misdaan, dat is om 't even. Toen ik mij over haar heen boog, was ik gansch en al den booze vervallen, en een bondgenoot van den doodvijand desgenen, dien ik mij met lijf en ziel heb toegewijd. Wat baat het mij, dat ik de wereld ben ontvlucht, om werkeloos in deze woestenij voort te leven? Wie steeds den strijd ontwijkt, kan zich wel beroemen, dat hij tot het laatste onverwonnen is gebleven; maar is hij daarom een held? Wie te midden van den strijd en de verzoekingen dezer wereld op het pad blijft dat ten hemel leidt, en zich niet van den goeden weg laat afdringen, hem komt den zegepalm toe. Maar ik, ik wandel eenzaam daarheen, en een knaap en eene vrouw, die mij tegenkomen, dreigen en wenken mij, en ik vergeet mijn levensdoel en begeef mij in den modderpoel van den booze. Neen, zóo niet, niet hier kan ik vinden wat ik najoeg! Maar hoe dan, waar dan?--Verlicht mij, Heer, en zeg mij wat ik doen moet!"
Onder deze gedachten richtte hij zich op, knielde neder en bad uit den diepsten grond van zijn hart. Toen hij eindelijk 'amen' zeide, gloeide zijn hoofd en was zijne tong als verdroogd.
De wolkenmassa had zich verdeeld, alleen in het westen hingen er nog donkere, zware luchten. Van tijd tot tijd flikkerden bliksemstralen aan den verren horizont, en verlichtten den gespleten bergtop met vurigen gloed. De maan was opgegaan, maar de afnemende schijf werd gedurig door zwarte, snel voortschietende wolken bedekt. Verblindend helder weerlicht, een zacht schijnsel en totale duisternis wisselden elkander onregelmatig met groote snelheid af, toen Paulus eindelijk opstond en naar de bron afdaalde, om te drinken en zijn voorhoofd met frisch water af te koelen.
Van steen tot steen gaande, zeide hij tot zichzelven, dat hij, alvorens een nieuw leven te beginnen, zich boete, zware boete moest opleggen. Maar welke?
Thans stond hij voor de door klippen omzoomde bron en boog hij zich tot haar neder, doch eer hij zijne lippen bevochtigd had, richtte hij zich weder op, want juist omdat hij dorst had wilde hij zich dezen dronk ontzeggen. Haastig, bijna heftig keerde hij zich van de bron af, en na deze kleine overwinning op zichzelven, werd het een weinig stiller in zijn stormachtig bewogen gemoed.
Het was of hij gedwongen werd om deze plaats te verlaten, te vluchten uit deze woestijn en van den heiligen berg, en het liefst ware hij terstond de wijde wereld ingegaan. Waarheen zou hij vluchten? Dat was hem onverschillig, want hij zocht slechts het lijden, en het leed wies als onkruid op alle wegen.
Voor wien zou hij vluchten? Deze vraag werd in zijn binnenste herhaald, als had hij haar uitgeroepen ter plaatse waar de echo haar telkens weergaf. En het antwoord liet niet op zich wachten. "Hij," zoo luidde het, "voor wien gij vluchten wilt, zijt gijzelf. Uw eigen ik is uw vijand, en in welke woestenij gij u ook begraaft, het zal u volgen. Eer zal het u gelukken u te scheiden van uw schaduw, dan van dat ik."
Hij werd zich volkomen bewust van zijne onmacht, en na de groote inspanning der laatste uren verviel hij in eene diepe moedeloosheid. Ontzenuwd, mat, vervuld met afkeer van zichzelven en van het leven, liet hij zich op een steen neder, en geheel nuchter overdacht hij de gebeurtenissen der laatste dagen en uren. "Van alle dwazen die ik ontmoet heb," dacht hij, "heb ik het in dwaasheid wel het verst gebracht, en daarbij eene verwarring aangericht, die ikzelf, al ware ik een wijs man, dat ik zoo min ooit worden zal als een schildpad of een phoenix, nooit weder in orde zal kunnen brengen. Ik hoorde eens van een kluizenaar vertellen, die, daar er geschreven stond dat men zijne dooden moest begraven, omdat hij geen lijk had, een reiziger doodsloeg, ten einde het gebod te kunnen vervullen. Ik heb juist als deze gehandeld, want om een ander leed te besparen en zijn schuld op mij te nemen, bracht ik eene onschuldige vrouw in ellende, en maakte ik mijzelven tot een zondaar. Zoodra de dag aanlicht ga ik naar beneden in de oase, om aan Petrus en Agapitus alles te belijden wat ik gedaan heb. Zij zullen mij straffen, en ik zal hen helpen, zooals billijk is, opdat mij niets worde geschonken van de boete, die zij mij opleggen. Hoe minder ik mijzelven verschoon, des te eer zal de eeuwige rechter mij vrijspreken."
Hij stond op, zag naar den stand der sterren, en daar hij bemerkte dat de morgen niet verre meer zijn kon, maakte hij zich gereed om tot Sirona terug te keeren, die thans niets meer voor hem was dan eene ongelukkige vrouw, aan wie hij veel kwaad had goed te maken, toen een luide klaagtoon in zijne onmiddellijke nabijheid zijn oor trof.
Onwillekeurig bukte hij, om een steen als wapen in zijne hand te nemen, en luisterde. Hij kende elke rots in de nabijheid der bron, en toen het zonderling gesteun zich andermaal liet hooren, wist hij dat het van eene plaats kwam, waar hij vaak had gerust. Want eene groote vlakke rots, door een stevigen pijler van graniet gesteund, stak dáar ver boven het andere gesteente uit, en verleende zelfs op den middag, wanneer nergens een voet breed schaduw was te vinden, beschutting tegen de zonnestralen. Misschien had een gewond dier onder dat dak, hetwelk ook de regen afweerde, een schuilplaats gezocht.
Paulus ging behoedzaam vooruit. Daar klonk het steunen luider en smartelijker dan te voren, en--er viel niet aan te twijfelen, het was de klaagtoon van een mensch. De Anachoreet slingerde opeens den steen weg, wierp zich op de knieën en vond weldra op den drogen bodem onder het steenen afdak, in den uitersten hoek van deze schuilplaats, een roerloos menschelijk lichaam.
"Misschien een herder, die door den bliksem is getroffen," dacht hij, terwijl hij het met lange haarlokken bedekte hoofd en de slap nederhangende, stevige armen van den lijder met de handen betastte. Toen hij vervolgens het lichaam van den zacht klagenden kranke opgericht en zijn hoofd tegen zijne breede borst geleund had, kwam hem uit het haar de aangename geur van fijne zalfolie tegemoet, en ontwaakte een vreeselijk vermoeden in zijne ziel.
"Polycarpus!" riep hij, terwijl hij de handen vaster klemde rondom het lichaam van den kranke. Deze bewoog zich en prevelde eenige woorden zacht en onverstaanbaar, maar toch voor Paulus hard en duidelijk genoeg, want hij wist nu dat hij zich niet vergist had. Hij slaakte een luiden kreet, omvatte het lichaam van den jongeling, hief hem in zijne armen op, en droeg hem als een kind tot aan den rand van de bron, waar hij zijn kostelijken last nedervlijde in het vochtige gras.