Homo sum: Roman

Part 17

Chapter 174,074 wordsPublic domain

Polycarpus zag Paulus met eene angstige, dringende bede aan, en wees met zijne hand op het hazenwindje, als wilde hij zeggen: "Gij moet het wel weten, want hier ligt het bewijs."

De Alexandrijn draalde met het antwoord, wierp als bij toeval een snellen blik op den ingang van het hol, en toen hij daar achter de palmtakken het wit gewaad van zijne beschermeling zag schemeren, zeide hij tot zichzelven, dat Polycarpus, als hij hier nog verwijlde, de Gallische ontdekken zou, en dat moest vermeden worden. Er bestonden vele gronden, die hem konden doen besluiten eene samenkomst van den jongeling met deze vrouw te verhinderen. Doch hij dacht aan geen van die allen, en al vermoedde hij ook zelfs niet dat een zeker gevoel van ijverzucht in hem begon te ontwaken, dan was het toch ongetwijfeld zijn levendige afkeer om beiden onder zijne oogen in elkanders armen te zien snellen, die hem nu aanleiding gaf zich in een oogwenk om te keeren, het lijkje van den hond weder in zijne armen te nemen, en Polycarpus te antwoorden: "Zeker weet ik waar zij zich ophoudt, en wanneer de tijd daartoe gekomen is zult gij het vernemen. Thans moet ik het beestje begraven, en wanneer gij wilt, moogt ge mij helpen."

Zonder het antwoord van Polycarpus af te wachten, vloog hij van steen op steen tot aan de hoogvlakte, bij welker steile afhelling hij Sirona voor het eerst gezien had. De jonkman volgde hem buiten adem en bereikte hem eerst, toen hij reeds begonnen was de aarde aan den voet eener klip met de handen op te krabbelen.

Polycarpus stond thans dicht bij den Alexandrijn en herhaalde zijne vraag met hartstochtelijke drift; doch de laatste zag van zijn arbeid niet op en zeide, al sneller en sneller gravende: "Kom morgen op dezen tijd weder hier, dan kan ik het u mogelijk zeggen."

"Denkt ge mij zoo af te schepen," zeide de jonkman. "Maar gij vergist u in mij, en wanneer ge mij met uwe zoo goedhartig klinkende woorden bedriegt, dan zal ik...."

Doch hij voleindigde zijne bedreiging niet. Zij werd afgebroken door eene heldere en hartstochtelijke roepstem, die maar al te duidelijk in de eenzaamheid van dit woestijngebergte werd gehoord. "Polycarpus!--Polycarpus!" zoo klonk het al nader en nader, en dit stemgeluid werkte met betooverende macht op hem dien het gold.

Zich in al zijne lengte oprichtende en bevende over al zijne leden, luisterde de jongeling scherp. Vervolgens riep hij: "Ik kom, Sirona, ik kom!" en zonder zich aan den Anachoreet te storen, zette hij zich in beweging om haar tegemoet te snellen.

Maar Paulus trad hem in den weg en zeide met vaste stem: "Gij zult blijven!"

"Uit den weg!" schreeuwde Polycarpus buiten zichzelven. "Zij roept mij toe uit de schuilplaats, waar gij haar vasthoudt, gij eerroover en vuige leugenaar. Uit den weg, zeg ik u!--Gij wilt niet? Zoo verweer u dan, gij hatelijke schildpad, of ik vertreed u, zoo mijn voet althans niet weigert zich met uw gif te bezoedelen."

Paulus had tot hiertoe met uitgebreide armen roerloos maar onwrikbaar als een eikenboom tegenover den jongeling gestaan. Thans werd hij door Polycarpus' vuist getroffen.

Na dezen slag was het geduld van den Anachoreet uitgeput. Zichzelven niet meer meester, riep hij: "Dat zult gij mij betalen!" En eer de roepstem van Sirona's lippen ten derde en ten vierde male werd gehoord, had hij het slanke lichaam van den kunstenaar aangegrepen, en met een geweldigen zwaai over zijne eigene breede athleten-schouders geslingerd tegen den steenachtigen grond.

Na deze woeste daad bleef hij wijdbeens, met de armen over elkander gekruist en rollende oogen, als aan den grond genageld tegenover zijn slachtoffer staan. Hij wachtte tot Polycarpus zijne krachten weder verzameld had, en zonder om te zien, als een beschonkene, waggelend was heengegaan, terwijl hij de handen tegen zijn achterhoofd drukte.

Paulus zag hem na, tot de klippen aan den rand der hoogvlakte hem aan zijne blikken onttrokken. Hij kon dus niet meer zien hoe Polycarpus nabij de bron, waaruit zijn vijand Sirona's verdroogde lippen hadden verfrischt, onder het slaken van pijnlijke kreten, machteloos in elkander zonk.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

"Zij zal nog de aandacht wekken van Damianus of Salatiël, of een ander van die daar boven wonen," dacht Paulus, toen de roepstem van Sirona zich opnieuw deed hooren. Het geluid van haar stem volgende, steeg hij haastig en in spanning den berg op.

"Heden," prevelde hij verder in zichzelven, "en misschien ook morgen hebben wij van dien onbeschaamden jongen ten minste niets te vreezen; zijne blauwe plekken zullen hem aan mij doen denken. Men vergeet toch niet gemakkelijk wat men eens heeft geleerd! De greep, waarmede ik hem in de hoogte tilde, heb ik--hoe lang is dat al geleden?--van den gymnasiarch Delphis geleerd. Nog is het merg in mijne gebeenten niet verdroogd; dat zal ik den knaap met deze vuisten bewijzen, al keerde hij met drie of vier van zijn slag terug."

Maar Paulus had niet lang tijd om zijne verwarde denkbeelden na te gaan, want midden op den weg naar zijn hol vond hij Sirona.

"Waar is Polycarpus?" riep zij hem toe.

"Ik heb hem weggezonden," gaf hij ten antwoord.

"En heeft hij uw bevel opgevolgd?" vroeg zij verder.

"Ik liet het niet ontbreken aan afdoende gronden," antwoordde hij levendig.

"Doch zal hij niet terugkomen?"

"Voor heden heeft hij hier boven genoeg vernomen. Wij zullen thans aan uw reis naar Alexandrië moeten denken."

"Ik geloof toch," antwoordde Sirona blozend, "dat ik in uw hol veilig geborgen ben, en te voren hebt gijzelf gezegd...."

"Ik waarschuwde u voor de gevaren der hoofdstad," viel Paulus haar in de rede. "Sedert heb ik mij echter bedacht, dat ik toch een onderkomen en een beschermer voor u weet, op wien ge u verlaten kunt. Daar zouden wij weder te huis zijn. Ga thans in de spelonk, want men heeft misschien uw geroep gehoord, en wanneer andere Anachoreten u hier ontdekten, zouden ze mij dwingen u naar uw echtgenoot terug te brengen."

"Ik ga al," zeide de Gallische met een zucht. "Maar verklaar mij eerst--want ik heb alles gehoord, wat gij met elkander gesproken hebt"--en wederom kreeg zij eene kleur, "hoe het toch gekomen is, dat Phoebicius het schaapsvel van Hermas voor het uwe hield, en waarom ge u, zonder u te verantwoorden, door hem hebt laten mishandelen?"

"Omdat mijn rug nog breeder is dan die van den grooten knaap," haastte de Alexandrijn zich te antwoorden. "In rustiger oogenblikken zal ik u dit alles vertellen; misschien reeds op onzen overtocht naar Klysma. Ga thans in het hol, anders kunt gij alles nog bederven. Ik weet ook wat gij, sedert die fraaie woorden van den zoon des senators, het meest noodig hebt."

"En dat is?" vroeg Sirona.

"Een spiegel," riep Paulus lachend.

"Hoezeer vergist ge u!" antwoordde de Gallische, en dacht, terwijl zij zich in het hol terug trok: "Wien Polycarpus zoo aanziet als mij, die heeft nooit meer een spiegel noodig!"

In het visschersdorp aan de westelijke helling van den berg woonde een oude joodsche koopman, die de kolen, welke men in de dalen van het schiereiland uit de sayal-akasia brandde, naar Egypte verscheepte, en die reeds voor de papyrus-fabrieken van Paulus' vader de brandstoffen geleverd had, die men in de droogzalen gebruikte. Thans deed hij zaken met zijn broeder, en de Alexandrijn had zelf met hem omgegaan. Hij was verstandig en niet onbemiddeld. Zoo dikwijls hij den Anachoreet ontmoette, had hij dezen verweten dat hij der wereld ontvlucht was, en hem verzocht ten allen tijde op zijne gastvrijheid te rekenen, en over zijn goed te beschikken alsof het zijn eigendom was. Deze man moest Paulus nu een boot verschaffen, en hem de middelen aan de hand doen tot Sirona's vlucht.

Hoe langer de Alexandrijn hierover nadacht, des te onvermijdelijker scheen het hem, dat hij de Gallische zelf begeleidde, om haar te Alexandrië in eigen persoon een goed onderkomen te bezorgen. Hij wist dat hij vrije beschikking had over het kolossaal vermogen van zijn broeder, dat voor de helft ook het zijne was, en sedert vele jaren begon hij zich voor het eerst weder te verheugen in zijn rijkdom. Weldra hield hij zich in den geest bezig met te zorgen voor het in orde brengen van het huis, dat hij der schoone vrouw tot verblijf wilde aanwijzen. Eerst dacht hij aan eene eenvoudige en burgerlijke woning, maar langzamerhand begon hij in zijne verbeelding het voor haar bestemde huis met schitterend goud, met wit en veelkleurig marmer, met bonte Syrische tapijten, ja zelfs met het schandelijkste heidenwerk, met beelden en een weelderig bad te versieren.

Zoo besteeg hij, steeds onrustiger, de eene rots voor, de andere na, en bleef bij dat op en neer loopen telkens staan voor het hol, waarin Sirona vertoefde. Eens zag hij haar wit gewaad, en de helderheid daarvan bracht hem tot de overtuiging, dat het onvoorzichtig zou zijn haar in zulk eene kleeding in het armzalig visschersvlek te brengen. Wanneer hij haar spoor voor de navorschingen van Phoebicius en Polycarpus geheel verborgen wilde houden, dan moest hij haar eerst een eenvoudig kleed bezorgen, en sluiers die het glanzend haar en het blanke gelaat konden bedekken, dat zelfs in de hoofdstad zijns gelijken nauwelijks vond. De Amalekiet, van wien hij reeds tweemalen geitenmelk voor haar gekocht had, woonde in eene hut, die Paulus spoedig bereiken kon. Hij bezat nog eenige drachmen, en daarvoor kon hij gemakkelijk van de vrouw en de dochters van den herder aanschaffen, wat hij noodig had.

Niettegenstaande de hemel met nevelen bedekt werd, en een drukkend heete zuidewind was opgestoken, ging hij terstond op weg. Men zag de zon niet meer, maar gevoelde haar verzengenden gloed. Doch Paulus lette niet op dit voorteeken van een naderenden storm. Haastig, en zóo verstrooid, dat hij in den kleinen voorraadkelder het eene voorwerp met het andere verwisselde, legde hij brood, de melkkruik en eenige dadels voor den ingang van het hol neer, riep zijne gast toe dat hij spoedig zou terugkeeren, en snelde met gejaagde schreden den berg op.

Sirona antwoordde hem met een nauw verstaanbaren groet, en zag niet eens naar hem op, want zij verheugde zich in hare eenzaamheid, en gaf zich, zoodra zijne voetstappen niet meer hoorbaar waren, weder over aan den geweldigen stroom van nieuwe en verhevener gewaarwordingen, die na Polycarpus' gloeiende liefdeshymne zich in hare ziel had uitgestort. Paulus was in de laatste uren Menander geworden; de verlatene vrouw dáar in het hol, de oorzaak van deze omkeering, de vrouw van Phoebicius, had eene nog grootere verandering ondergaan. Zij was nog Sirona, en toch Sirona niet meer.

Toen de Anachoreet haar bevolen had zich in de spelonk terug te trekken, zou zij hem gaarne gevolgd zijn; ja, zij zou ook zonder zijn gebod zich verwijderd en de eenzaamheid opgezocht hebben, want zij ondervond dat er iets groots, iets buitengewoons, iets dat zijzelve niet begreep, in hare ziel omging, en dat iets machtigs, waaraan zij geen naam kon geven, zich in haar hart gevormd, losgewrongen en leven en beweging gekregen had. En dat onbekende was haar vreemd en toch welkom, vervulde haar met angst en scheen haar toch zoo zoet, deed haar pijnlijk aan en bracht haar toch in zulk eene onuitsprekelijke verrukking!

Eene ongekende aandoening had zich van haar meester gemaakt, en het was haar sedert Polycarpus' woorden, als vloeide er nieuw en reiner bloed in sneller loop door hare aderen. Elk harer zenuwen trilde als de bladen der populieren in haar vaderland, wanneer zij bewogen werden door den wind, die tegen den stroom der Rhône opwoei, en het viel haar moeielijk de rede van Paulus te volgen en nog moeielijker het rechte antwoord op zijne vragen te vinden. Zoodra zij alleen was, zette zij zich op haar nachtleger neder, liet den elleboog op hare knie rusten, legde haar hoofd in de hand, en nu barstte de steeds geweldiger aanwassende en zwellende vloed der hartstocht, die haar had aangegrepen, in eene, in een overvloedigen en warmen tranenstroom uit.

Zóo had zij nog nooit geweend! Dit reine, verkwikkende tranenvocht was met geen smart of bitterheid vermengd. Het was of in de ziel der weenende, wonderbloemen van ongekende pracht en heerlijkheid hare kelken openden. En toen hare tranen eindelijk verdroogden, werd het al stiller en stiller, maar ook helderder en helderder in haar en rondom haar heen. Zij was te moede als een mensch, die is opgegroeid in een onderaardsch verblijf, waarin geen straal van het daglicht vermocht door te dringen, en die eindelijk aan de hand van zijn bevrijder den blauwen hemel aanschouwt, het glanzende licht der zon, en de duizende bladen en bloemen in het groene woud en op de weide. Zij gevoelde zich diep ongelukkig, en toch was zij eene gelukkige vrouw.

"Dat is liefde," klonk het als gezang in haar hart, en als zij dan in het verleden terugzag, en aan de bewonderaars dacht, die haar in Arelate, toen zij nog half een kind was, en vervolgens in Rome, met vriendelijke oogen en zoete woordjes genaderd waren, dan schenen deze allen haar schaduwbeelden toe, die dunne kaarsen droegen, welker armzalig licht geheel verbleekte, nu Polycarpus optrad met de zon zelve in de handen.

"Gene en hij!" prevelde zij in zichzelve, en zij zag eene weegschaal voor zich. Op de eene zijde lagen de bewijzen van hulde, waarnaar zij in hare ijdelheid zoo begeerig was geweest. Een voor een waren zij aan stroohalmen gelijk, en te zamen aan eene lichte garve, die hoog in de lucht vloog, toen Polycarpus zijne liefde, als een centenaars-gewicht van rein goud, op de andere legde.

"En al brachten alle volken en koningen hunne schatten samen," dacht zij, "en legden ze voor mijne voeten, dan zouden ze mij toch zoo rijk niet kunnen maken als hij mij gemaakt heeft. Al vielen alle sterren samen, dan zou de kolossale lichtbal, die hieruit ontstond, toch niet helderder schitteren, dan de vreugde die thans mijne ziel vervult. Laat nu komen wat wil, na deze ure zal ik niet klagen!"

Vervolgens dacht zij aan elke harer vroegere ontmoetingen met Polycarpus, en dat hij haar nooit van zijne liefde gesproken had. Wat moet het hem gekost hebben zich zoo te beheerschen! De gedachte dat ook zij rein was en zijner niet onwaardig, vervulde hare ziel met vreugde, en een gevoel van dankbaarheid zonder wederga welde in hare ziel op.

De liefde, die zich op dien éenen man had gericht, schoot nu vleugelen aan, breidde zich uit over al wat leefde in het heelal, en ging over in een gebed. Na eene diepe ademhaling hief zij de oogen en de handen op. Zij verlangde ieder schepsel, al het geschapene liefde te bewijzen, en met zeker heimwee zocht zij naar die goede en hoogere macht, waaraan zij zulk een geluk te danken had. Haar vader had haar als meisje zeer streng gehouden, maar haar toch veroorloofd bij den optocht der maagden op het feest van Venus te Arelate,--aan welke godin alle vrouwen in hare geboorteplaats, wanneer hun hart van liefde vervuld was, gebeden en offers brachten,--met de meisjes van haar leeftijd, keurig uitgedost en met een krans getooid, door de straten der stad te trekken naar den tempel der godin. Zij beproefde thans tot Venus te bidden. Maar daarbij kwamen haar af en toe de uitgelaten aardigheden van de mannen, die de meisjes begeleidden, voor den geest, en herinnerde zij zich hoe zijzelve gretig naar de al te veelvuldige uitroepen van bewondering geluisterd, de zwijgers door een blik uitgedaagd, en de luidruchtigste door een lachje gedankt had.

Doch naar zulk een spel stond haar heden waarlijk het hoofd niet, en zij gedacht de strenge taal, die zij uit Dorothea's mond over den Venus-dienst had gehoord, toen zij haar eens verteld had, hoe de inwoners van Arelate de kunst verstonden om feest te vieren. En Polycarpus, wiens hart zoo vol liefde was, dacht gewis als zijne moeder, en zij zag hem daar vóor haar zooals hij, achter zijne ouders en naast zijne zuster Marthana, en vaak met deze hand in hand, naar de kerk ging. De zoon van den senator had altijd een vriendelijken blik voor haar, doch niet bij deze wandeling naar den tempel van den god, van wien zij zeiden, dat hij de liefde zelve was. Zijne vereerders waren dan ook waarlijk niet arm in liefde, want zoo ergens, dan verbond in het gezin van Petrus een teedere neiging aller harten.

Bij deze gedachte viel haar in, dat Paulus haar kort geleden geraden had, zich tot den gekruisigden god der christenen te wenden, die met gelijke liefde jegens allen vervuld was. Voor dezen boog ook Polycarpus de knieën, misschien juist in deze ure, en wanneer zij hetzelfde deed, zou haar gebed met het zijne samensmelten, en dan was zij toch met den geliefden jonkman, van wien alles haar scheidde, aan dezelfde plaats vereenigd.

Zij knielde neder en vouwde de handen, zooals zij het dikwijls van de christenen had gezien, en dacht aan de smarten, die de arme man, toen hij met zijne doorboorde handen aan een kruis hing, zoo geduldig, ofschoon hij onschuldig gemarteld werd, had gedragen. Zij gevoelde innig medelijden met hem en zeide zacht, terwijl zij de oogen tot het lage gewelf van de spelonk opsloeg: "Gij arme, goede zoon van God, gij weet hoe smartelijk het is, wanneer alle menschen iemand ten onrechte veroordeelen, en gij kunt mij zeker verstaan, wanneer ik u zeg hoe het hart mij pijn doet.

"Maar zij zeggen ook dat uw hart van alle harten het meeste liefheeft, en daarom zult gij weten hoe het komt, dat het bij al mijn leed toch voorkomt, als ware ik eene gelukkige vrouw. Het moet zalig zijn den adem eener godheid te gevoelen, en dat hebt gij zeker ondervonden, toen zij u mishandelden en scholden. Want gij hebt uit liefde geleden.

"Zij zeggen dat gij volmaakt rein en geheel onschuldig zijt geweest. Ik heb wel velerlei dwaasheden gedaan, maar eene zonde, eene werkelijke zonde heb ik niet begaan, neen zeker niet! Dat zult gij wel weten, want gij zijt een god, en kent het verledene en leest in de harten. Maar ik zou ook gaarne zonder schuld blijven, en hoe kan dat, wanneer ik mij aan Polycarpus moet overgeven, terwijl ik toch de vrouw ben van een ander man?

"Maar was ik dan werkelijk de echte en rechte vrouw van dien afzichtelijken booswicht, die mij aan een ander heeft verkocht? Hij is zóo vreemd aan mijn hart, zóo vreemd, als had ik hem nooit met de oogen gezien. En toch, geloof mij, ik wensch hem geen kwaad toe, en wil tevreden zijn, wanneer ik slechts niet weder tot hem terug moet keeren. Als kind was ik bang voor kikvorschen. Mijne broertjes en zusjes wisten dat, en eens legde mijn broeder Licinius mij zulk een groot beest, dat hij gevangen had, op den hals. Ik kreeg eene rilling en schreeuwde zoo hard ik kon, want het was zoo afschuwelijk nat en koud, dat ik het niet beschrijven kan. En zóo, juist zoo is het mij sedert dien dag in Rome altijd geweest, als Phoebicius mij aanraakte, en toch durfde ik niet schreeuwen als hij het deed.

"Doch Polycarpus! Ja was hij maar hier en kon hij slechts mijne handen grijpen!--Hij zeide dat ik de zijne was, en toch heb ik hem nooit aangemoedigd. Maar thans! Als een gevaar hem dreigde of eenig leed, en ik kon het daardoor van hem afwenden, zeker, o zeker liet ik mij, hoewel ik niet gaarne pijn lijd en bang ben voor den dood, zonder klagen voor hem aan het kruis nagelen, gelijk gij hebt gedaan voor alle menschen. Maar hij zou moeten weten dat ik voor hem stierf. En wanneer hij mij dan met zijn diepen betooverenden blik in de brekende oogen zag, dan zou ik hem zeggen, dat ik hem innig dank voor zijne groote liefde, die zoo geheel anders is en veel verhevener dan alle liefde, die ik vroeger leerde kennen. Wat zich zoozeer verheft boven alles, wat de menschen gewoonlijk gevoelen, dat moet wel goddelijk zijn, zou ik meenen. Kan zulk eene liefde een onrecht zijn? Ik weet het niet maar gij moet het weten. Gij, dien zij den goeden herder noemen, brengt gij ons te zamen, of voer ons van elkander, zooals gij dit het best oordeelt voor hem! Maar als het zijn kan, vereenig ons toch, al ware het ook slechts voor eene enkele ure. Als hij maar weet dat ik niet slecht ben, en dat de arme Sirona hem en hem alleen zou willen toebehooren en geen ander, dan zou ik gaarne sterven. Gij goede, goede herder, neem mij op onder uwe kudde en leid mij!"

Alzoo bad Sirona, en voor het oog harer ziel zweefde daarbij het beeld van eene vriendelijke, schoone jongelingsgestalte.

Zij had het model van Polycarpus' in verheven arbeid uitgevoerden "goeden herder" gezien en de aanminnige trekken van dat gelaat niet vergeten. Dat beeld was haar zóo wel bekend, zij was er zóo mede vertrouwd, als wist zij, wat zij toch niet vermoedde, dat zijzelve voor een deel dat werk had doen slagen.

De liefde die twee harten verbindt is den oceaan van Homerus gelijk, die de twee aardhelften in een cirkel besluit. Hij woelt en golft. Waar is de plaats van zijn oorsprong te zoeken: of hier of daar? Wie zal het zeggen?

Vrouw Dorothea had de Gallische met moederlijke trots in de werkplaats van haar zoon gebracht. Thans dacht Sirona ook aan haar en haren echtgenoot en zijn huis, boven welks deur een spreuk in steen gebeiteld stond, die zij dagelijksch uit haar slaapkamer had gezien. Zij kon geen Grieksch lezen, doch Polycarpus' zuster, Marthana, had haar meer dan eens gezegd wat zij beduidde. "Beveel den Heer uw wegen en hoop op hem," luidde het opschrift. Deze woorden zeide zij zichzelve nu een- en andermaal voor, en daarbij teekende zij allerlei schoone droombeelden voor de toekomst, die steeds scherper omtrekken en helderder kleuren aannamen.

Zij zag zich met Polycarpus vereenigd als de dochter van Petrus en Dorothea in het huis van den senator. Nu had zij een recht op de kinderen, die haar liefhadden en die haar zoo dierbaar waren. Zij stond de diakones ter zijde bij al hare bezigheden, en ontving lof en tevreden blikken tot dank. In het huis haars vaders had zij geleerd de handen te roeren, en hier kon zij weder toonen wat zij vermocht. Polycarpus zag met verbazing en bewondering toe en zeide haar, dat zij even handig als schoon was, en beloofde eene tweede Dorothea te worden. Vervolgens ging zij met hem in zijne werkplaats, en bracht daar orde in alles wat zoo wild door elkander lag, en stofte het af, terwijl hij elk harer bewegingen met zijne blikken volgde, en dan voor haar bleef staan en zijne armen opende, wijd--wijd....

Zij verschrikte, drukte de handen voor hare oogen en wierp zich aan zijne geliefde borst, die zoo vol liefde vóor haar was. Zij wilde onder het storten van heete tranen hare armen slaan om den hals van den dierbaren jonkman. Doch daar verdween reeds het vriendelijk droombeeld, want een vluchtig schijnsel van licht verlichtte de donkere ruimte der spelonk, en spoedig daarop hoorde zij het door de rotswanden van haar verblijf getemperde, doffe rollen van een donderslag.

Geheel tot de werkelijkheid teruggekeerd, luisterde zij naar buiten, terwijl zij zich aan den ingang van het hol plaatste. Het begon reeds donker te worden, en uit de duistere wolken, die rondom de toppen van den berg als een ontzaglijke sluier van zwart floers schenen te hangen, vielen zware regendruppels neder. Paulus was nergens te zien, maar daar stond de maaltijd nog, die hij voor haar had gereed gemaakt. Zij had sedert het ontbijt niets gegeten; zij wilde nu de melk opdrinken, maar deze was zuur geworden en niet te gebruiken, doch zij had aan een stukje brood en eenige dadels volkomen genoeg.

Toen de bliksemstralen en donderslagen steeds korter op elkander begonnen te volgen, en de duisternis hand over hand toenam, overviel haar een groote angst, zij schoof het eten ter zijde en zag tegen den berg op, welks toppen nu eens geheel in nacht gehuld werden, dan weder, als badende in een zee van licht, duidelijker dan bij dag te zien waren. Dikwijls scheidde een bliksemschicht, met eene scherp geteekende vurige snede, het wolkgordijn met ongelooflijke snelheid vaneen; vaak klonk de donder door de stille woestenij als bazuingeschal, dat zich dreunend, ratelend en langzaam wegstervend van rots tot rots voortplantte.