Homo sum: Roman

Part 15

Chapter 154,062 wordsPublic domain

Dat was verdrietig, maar de stille droefheid van zijn zoon Polycarpus maakte den senator meer bezorgd. Het beviel hem niets, dat de anders zoo levendige jongeling het verbod van Agapitus om zijne leeuwen te voltooien, zonder tegenspraak, ja bijna onverschillig had aangehoord. De sombere blik en de matte, gebrokene houding van zijn zoon kon Petrus maar niet vergeten, toen hij zich eindelijk ter rust begaf. Het was al laat, maar hij kon zoo min als Dorothea den slaap vatten. Terwijl de moeder dacht aan den zondige liefde van haren zoon, en de wonde die zijn jong, bitter bedrogen hart zou doen bloeden, beklaagde de vader Polycarpus, omdat deze teleurgesteld was in zijne hoop van zijne kunst in een groot werk te mogen toonen. En hij herinnerde zich daarbij de zware smartvolle dagen van zijne eigene jeugd; want ook hij was bij een beeldhouwer te Alexandrië in de leer geweest; ook hij had de werken der heidenen als verhevene voorbeelden bewonderd en getracht na te volgen. Zijn meester had hem zelfs toegestaan zijne eigene ontwerpen uit te voeren. Uit het groot aantal onderwerpen had hij als symbolische voorstelling van de ziel die naar verlossing smacht, een Ariadne gekozen, die vol verlangen naar den terugkeer van Theseus uitziet. Hoe had dit werk zijne ziel vervuld, hoe genotvol waren voor hem de uren geweest, waarin hij aan het verwezenlijken van deze schepping zijner verbeelding had gearbeid!

Daar verscheen zijn strenge vader in de hoofdstad, en zag zijn arbeid vóor die geheel voltooid was. In plaats van het werk te prijzen, spotte hij er mede, noemde hij het minachtend een heidensch afgodsbeeld, en beval Petrus terstond met hem terug te keeren en bij hem te blijven; want zijn zoon en erfgenaam moest een vroom christen zijn en bovendien een degelijk steenhouwer, geen halve heiden en vervaardiger van afgodsbeelden. Petrus had zijne kunst zeer liefgehad, maar er viel tegen het bevel zijns vaders niets in te brengen, wien hij naar de oase volgde, om daar toe te zien op de werkzaamheden der slaven, die steenen moesten houwen, en om de voor sarcophagen en zuilen bestemde granietblokken af te meten en hunne bewerking te leiden.

Zijn vader was van staal en hij een jongeling van ijzer. Toen hij zich gedwongen zag den vaderlijken wil op te volgen, en de werkplaats van zijn meester en zijn onvoltooiden lievelingsarbeid vaarwel te zeggen, om een handwerker, een man van zaken te worden, toen zwoer hij nooit weder een stuk klei in de hand te zullen nemen, noch den bijtel te voeren. En hij hield woord, ook na den doods zijns vaders; maar zijne lust om ontwerpen te maken en zijne liefde voor de kunst leefde in hem voort, en ging op zijne beide zonen over.

Antonius was een kunstenaar van grooten aanleg, en als de meester van Polycarpus zich niet vergiste en zijne vaderlijke liefde hem niet bedroog, dan was zijn tweede zoon op weg om den hoogsten, slechts voor de uitverkoren bereikbaren trap der kunst te bestijgen. Petrus kende de modellen van zijn goeden herder en van de leeuwen, en moest erkennen, dat zij in waarheid, kracht en majesteit niet te overtreffen waren. Was het wonder dat de jonge kunstenaar vurig begeerde ze in harden steen uit te voeren, en ze te zien prijken op eene waardige, zij het ook onheilige plaats, die hem was toegestaan? En nu verbood den bisschop hem den arbeid, en de arme jongen kon niet anders te moede zijn dan hijzelf, ongeveer dertig jaren geleden, toen hem bevolen was zijn eerste werk onvoltooid te laten.

Was de bisschop werkelijk in zijn recht?--Deze en vele dergelijke vragen verdrongen zich in de ziel van den vader, terwijl hij niet slapen kon, en zoodra hij hoorde dat zijne vrouw opstond, om haar zoon op te zoeken, wiens voetstappen ook hij boven zijn hoofd hoorde, volgde hij Dorothea.

Hij vond de deur van de werkplaats open en werd, zonder gezien of gehoord te worden, getuige van de hevige woorden zijner vrouw en de rechtvaardiging van den jongeling, wiens werk, door het licht der lampen beschenen, daar vóor hem stond. Zijn oog was onafgebroken op dat kleibeeld gericht. Hij zag en zag altijd, en werd niet moede het te beschouwen. Zijne ziel werd vervuld met denzelfden eerbied, dezelfde aandachtige bewondering, die hij had gevoeld, toen hij als jongeling in het Caesareum voor de eerste maal de werken van de groote meesters van het oude Athene met zijne oogen had gezien.

En deze kop was het werk van zijn zoon!

Innerlijk geroerd stond hij daar, drukte de handen samen, hield zijn adem in en slikte een en andermaal met zijn drogen mond, om zijne tranen te bedwingen. Daarbij luisterde hij in groote spanning, om toch geen woord uit Polycarpus' mond te verliezen.

"Zoo, ja zóo alleen ontstaan de groote werken der kunst," zeide hij tot zichzelven. "Had de Heer mij met zulke gaven begenadigd als deze bezit, waarlijk, geen vader, geen godheid had mij kunnen dwingen mijne Ariadne onvoltooid te laten. De houding van het lichaam was toch zoo slecht niet, zou ik meenen, maar de kop, het hoofd..... Ja, wie zulk een beeld als dat daar vormen kan, diens blikken en handen worden door heilige geniën der kunst geleid. Hij die dit hoofd heeft gemaakt, hij zal nog in later dagen geroemd worden naast de groote meesters van Athene. Hij, ja hij, barmhartige hemel, hij die daar staat is mijn lijfelijke zoon!

Een zalig gevoel, zooals hij sedert zijne jeugd niet had ondervonden, vervulde zijn hart, en de ijver van Dorothea scheen hem deels beklagenswaardig, deels belachelijk toe.

Eerst toen zijn zoon naar den hamer greep, plaatste hij zich tusschen het beeld en zijne vrouw, en zeide vriendelijk: "Wij kunnen met de vernietiging van dit kunstwerk toch nog wel wachten tot morgen. Vergeet het model, mijn jongen, nadat gij er zoo gelukkig gebruik van hebt gemaakt. Ik weet eene betere geliefde voor u, de kunst, wie alles toebehoort, wat de Allerhoogste schoons heeft geschapen; de kunst, waarop een Agapitus niet smalen kan, háar geheel en onverdeeld!"

Polycarpus vloog zijn vader in de armen, en de anders zoo ernstige man, zichzelven nauwelijks meester, kuste het voorhoofd, de oogen en de beide wangen van den jongeling.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Omstreeks den middag van den volgenden dag trad de senator het vrouwenvertrek binnen en richtte reeds op den drempel de vraag tot zijne vrouw, die aan het weefgestoelte zat: "Waar is Polycarpus? Ik vond hem niet bij Antonius, die bezig is het altaar op te stellen. Ik dacht hem bij u te vinden."

"Na de kerk bezocht te hebben," antwoordde Dorothea, "heeft hij den berg bestegen. Loop eens in de werkplaats, Marthana, en zie of uw broeder al terug is."

Hare dochter gehoorzaamde volgaarne en spoedig aan dit bevel, want zij had haren broeder innig lief, in wien zij den schoonste en beste van alle mannen meende te zien.

Zoodra de echtgenooten alleen waren, zeide Petrus, terwijl hij zijne vrouw vrijmoedig en hartelijk de hand toestak: "Nu, moeder, sla toe!"

Dorothea aarzelde een oogenblik en zag hem aan, als wilde zij vragen: "Zal eindelijk uw trots u vergunnen, mij niet langer onrecht aan te doen?"

Dat was een verwijt, maar waarlijk geen streng, anders toch zou men dien vriendelijken trek om hare lippen niet hebben kunnen opmerken, waarmede zij als het ware zeggen wilde: "Gij kunt toch niet lang boos op mij zijn; het is daarom goed dat alles weder wordt gelijk het wezen moet."

Er had inderdaad eene verkoeling plaats gehad, want sedert dat beide echtgenooten elkander in de werkplaats huns zoons hadden ontmoet, gingen zij als twee vreemden naast elkander. In hun slaapvertrek, op weg naar de kerk en bij het ontbijt hadden zij niets meer met elkander gesproken, dan wat de welvoegelijkheid vorderde en noodzakelijk scheen, om hunne tweespalt voor de bedienden en kinderen te verbergen. Tusschen hem en haar had tot hiertoe,--als iets dat vanzelf sprak en nimmer onder woorden behoefde gebracht te worden,--eene afspraak bestaan, waarop nauwelijks eene enkele maal inbreuk was gemaakt, namelijk dat de eene niets in hare kinderen prees, wat de ander afkeurenswaardig achtte, en omgekeerd.

En wat was er gebeurd in dezen nacht! Op haar streng doemvonnis was gevolgd, dat haar man den misdadiger had omhelsd. Zóo hard was zij nog bij geene gelegenheid, zóo weekhartig en teeder daarentegen was Petrus, zoo ver zij zich herinneren kon, nog nooit jegens een harer zonen geweest. Toch had zij over zich kunnen verkrijgen, haar man in het bijzijn van Polycarpus niet te weerspreken en zwijgend met hem de werkplaats te verlaten. "Als wij aanstonds in het slaapvertrek alleen zijn," dacht zij, "zal ik hem doen gevoelen, zooals het behoort, hoezeer hij onrecht had, en zal hij zich moeten verantwoorden."

Maar zij had dat voornemen niet uitgevoerd, want zij gevoelde, dat er in haar echtgenoot iets moest omgaan, dat zij niet begreep. Waarom anders hadden na het gebeurde, toen hij met de lamp in de hand de smalle trap afdaalde, zijne meestal zoo ernstige oogen thans zoo zacht en vriendelijk gekeken, zijne strenge lippen zoo recht gelukkig zich tot lachen kunnen plooien?

Dikwijls had hij tot haar gezegd, dat zij in zijne ziel kon lezen als in een open boek, maar zij kon zich niet verhelen, dat er in dat werk toch enkele bladzijden waren, waarvan zij den zin niet vermocht te vatten. Zonderling! Altijd en altijd weder stuitte zij op die onverstaanbare aandoeningen zijner ziel, wanneer er sprake was van afgodsbeelden en onheilige tempels der heidenen, en de ontwerpen en werken van hare zonen. Petrus was toch ook de zoon van een vroom christen. Zijn grootvader was echter een Grieksche heiden geweest, en misschien stroomde er iets van diens bloed in zijne aderen, dat haar beangstigde, daar zij het niet kon overeenbrengen met de leer van Agapitus, hoewel zij het niet waagde er tegen op te komen. Want haar man, die zoo spaarzaam was in woorden, zag er nooit zoo vroolijk en onbezorgd uit, dan wanneer hij met zijne zonen en hunne vrienden, die hen dikwijls in de oase vergezeld hadden, over deze dingen spreken kon.

Het kon toch niet iets zondigs zijn, wat het gelaat van haar echtgenoot thans weder, en juist in dit oogenblik, verjongde en verheerlijkte. "Ze zijn toch ook mannen," zeide zij tot zichzelve, "en hebben zeker wel een en ander op ons vrouwen voor. Ziet vader er niet uit als op onzen bruiloftsdag? Polycarpus is zijn evenbeeld, dat zegt ieder. Doch wanneer ik thans den ouden man aanzie, en mij voor den geest breng hoe de jongen er straks uitzag, toen hij mij verklaarde waarom hij niet laten kon Sirona's beeld te maken, dan moet ik toch zeggen, dat mij zulk eene gelijkenis nog in mijn leven niet is voorgekomen."

Hij had haar vriendelijk een "goeden nacht" toegeroepen en de lamp uitgedoofd. Zij had hem gaarne een hartelijk woord gezegd, want het trof en verheugde haar, dat hij er zoo blijmoedig uitzag. Maar dat was dan toch te veel geweest, na hetgeen hij haar in de werkplaats had toegevoegd, onder het oog van haar zoon. In vroeger jaren was het niet zelden gebeurd dat zij, wanneer de een den ander had ontstemd en er twist tusschen hen geweest was, onverzoend naar bed waren gegaan. Maar hoe ouder zij werden, des te minder kwam dit voor, en sedert langen tijd had geen schaduw de volkomene eenigheid van hun huwelijksleven verstoord.

Toen zij vóor drie jaren, na het huwelijk van hun oudsten zoon, te zamen aan het venster stonden, onder het opzien naar den sterrenhemel, was Petrus dicht aan hare zijde gaan staan en had gezegd: "Zie hoe die wandelaars daarboven zoo stil en vreedzaam hunne banen beschrijven, zonder elkander ooit aan te raken of af te stooten! Zoo vaak ik eenzaam in de stilte van den nacht bij hun vriendelijk licht uit de steengroeve naar huis ging, heb ik over allerlei dingen gedacht. Misschien is er eens een tijd geweest, waarin de sterren zich wild door elkander bewogen. De eene kruist den weg van den ander, en bij die botsingen zijn er misschien velen in stukken gevlogen. Toen schiep de Heer de menschen, en de liefde kwam in de wereld en vervulde hemel en aarde. De Allerhoogste gebood de sterren onze nachten te verhelderen. Thans begon iedere ster de baan van de andere te ontzien, en het gebeurde al zeldzamer dat de eene ster tegen de andere stootte, tot eindelijk ook de kleinste en snelste zich hield aan haar weg en haar uur, en het schitterende heir daarboven zoo eendrachtig was als ontelbaar. De liefde en het gemeenschappelijk doel hadden dit wonder uitgewerkt, want wie een ander liefheeft wil hem geen nadeel doen, en wie geroepen is met hulp van een ander een werk te voltooien, die hindert hem niet en houdt hem niet op. Wij beiden hebben reeds sedert lang de rechte banen gevonden, en gebeurt het soms dat de een den weg van den ander wil kruisen, dan houdt de liefde, en stellig ook onze gemeenschappelijke plicht om het levenspad der kinderen met rein licht te beschijnen, den voet terug."

Dorothea had deze woorden niet vergeten. Zij kwamen haar voor den geest, toen Petrus haar heden zoo hartelijk de hand toestak, en terwijl zij nu hare rechterhand in die van haren echtgenoot legde, zeide zij: "Om des lieven vredes wil moge het dan goed zijn. Eén ding kan ik toch niet verzwijgen: weekhartige zwakheid is anders uw gebrek niet, maar Polycarpus zult gij toch geheel en al bederven."

"Laat hem begaan, laten wij hem doen blijven die hij is!" hernam Petrus en kuste zijne vrouw op het voorhoofd. "Is het niet zonderling, hoe wij onze rollen verwisselen? Gisteren hebt gij mij tot zachtheid jegens den jongen aangemaand, en heden...."

"Heden ben ik strenger dan gij," viel Dorothea hem in de rede. "Wie kón ook vermoeden dat een oude grauwbaard, even als Ezau zijn erfdeel voor een schotel met linzenbrei, voor een lachend vrouwengezicht van klei de plichten van zijn vaderlijk rechtersambt zou vergeten?"

"En wien zal het in den zin komen," antwoordde Petrus, om in denzelfden geest van zijne vrouw te spreken, "dat eene zoo teedere moeder als gij zijt, haar lijfelijken zoon kan veroordeelen, omdat hij bezig is door eene daad, eene daad die zijn meester hem zou kunnen benijden, den vrede zijner ziel terug te vinden?"

"Ik heb het wel opgemerkt," hernam Dorothea, "Sirona's beeld heeft u getroffen, en gij meent dat onze jongen daar wonder wat groots heeft tot stand gebracht. Ik heb niet veel verstand van het kneden van klei en van het beeldhouwerswerk, en wil u dus niet tegenspreken. Maar indien het gezicht van het blondkopje wat minder aanvallig was, en Polycarpus eens niets bijzonders had vervaardigd, zou dat zelfs in 't minste iets veranderen in hetgeen hij berispelijks gedaan en gevoeld heeft? Zeker niet! Maar zoo zijn de mannen, zij vragen alleen naar het gevolg."

"En dat met alle recht," antwoordde Petrus, "wanneer dat gevolg niet al spelende, maar door groote inspanning werd nagestreefd. Wie geeft, dien zal gegeven worden, en wien God eene ziel heeft gegeven, rijker aan kostelijke gaven dan die van anderen, wien goeden geesten helpen om het grootste tot stand te brengen, dien zal veel vergeven worden van hetgeen ook een zachter rechter ongaarne zal voorbijzien in den minder begaafde, die zich kwelt en inspant en toch niets goeds weet te voltooien. Wees nu maar weder vriendelijk tegen den jongen. Weet gij wel wat u van hem te wachten staat? Gij hebt in uw leven veel goeds gedaan en vaak wijzen raad gegeven, en ik en de kinderen en niemand in deze plaats zullen dit ooit vergeten. Maar dat gij aan Polycarpus het aanzijn hebt gegeven, daarvoor, verzeker ik u, zullen de besten u danken, die thans en in volgende eeuwen zullen geboren worden!"

"En dan wil men beweren," sprak Dorothea, "dat elke moeder vier oogen heeft voor de bijzondere gaven harer kinderen. Is dit waar, dan hebben de vaders er zeker tien, en gij wel zooveel als die Argus, van wien de heidensche sage vertelt.... Maar daar komt Polycarpus."

Petrus ging zijn zoon te gemoet en gaf hem de hand, doch zeker op eene andere wijze dan gewoonlijk. Ten minste het scheen Dorothea toe, als ontving haar echtgenoot den jongeling niet gelijk te voren als vader en heer, maar als een vriend, die een met hem gelijkstaand vriend en ambtgenoot begroet.

Zoodra Polycarpus ook haar groette, kleurde zij tot over de ooren, want in haar gemoed ontwaakte de vrees, dat haar zoon haar voor onbillijk en dwaas zou houden, wanneer hij aan den avond van gisteren dacht. Weldra kwam zij weder tot die kalmte en zekerheid, die haar eigen waren, toen Polycarpus bleek geheel de oude te zijn, en zij las in zijne oogen, dat hij voor haar hetzelfde gevoelde als gisteren en altijd. "De liefde," dacht zij, "wordt door het onrecht niet uitgebluscht, gelijk vuur door water. Ze vlamt nu eens meer, dan weer minder helder op, al naar den stand van den wind, maar niets kan haar geheel verstikken, ja zelfs de dood niet."

Polycarpus was op den berg geweest, en Dorothea was geheel gerustgesteld, toen hij vertelde wat hem derwaarts had gevoerd. Reeds lang had hij plan gehad een Mozes te ontwerpen. Toen hij gisteren zijn vader had verlaten, bleef hem het beeld van den verheven, waardigen man onafgebroken voor den geest staan. Hij meende het rechte model voor zijn werk ontdekt te hebben. Hij wilde en moest vergeten, en gevoelde dat hij het eerst zou kunnen, wanneer hij een doel vond, dat in staat zou zijn om zijne verarmde ziel opnieuw te vervullen. De gestalte van den grooten godsman, dien hij in beeld wilde brengen, stond nog slechts in zeer onbestemde omtrekken voor zijn geest. Eene onweerstaanbare kracht had hem naar buiten gedreven, naar de plaats der samenspreking, waar volgens de overlevering de Heer met Mozes had gesproken, werwaarts vele pelgrims ter bedevaart gingen. Polycarpus was daar lang gebleven, want zoo ergens, dan zou hij daar, waar de wetgever zelf gestaan had, de ware bezieling ontvangen.

"En hebt gij uw doel bereikt?" vroeg Petrus.

Polycarpus schudde ontkennend het hoofd.

"Ga dan meermalen naar die heilige plaats, dan zult gij er langzamerhand komen," zeide vrouw Dorothea. "Het begin is altijd het moeilijkste. Vang maar dadelijk aan met te beproeven het hoofd uws vaders te vormen!"

"Daarmede heb ik vroeger reeds een begin gemaakt," antwoordde Polycarpus. "Doch ik ben nog te vermoeid van den afgeloopen nacht."

"Gij ziet er ook bleek uit en er liggen schaduwen onder uwe oogen," sprak Dorothea bezorgd. "Ga naar boven en leg u wat ter ruste. Ik volg u op den voet, om u een beker ouden wijn te brengen."

"Dat zal hem geen kwaad doen," zeide Petrus, en dacht bij zichzelven: "Een dronk uit den Lethe-stroom zou hem nog beter bekomen."

Toen de senator zijn zoon een uur later in zijne werkplaats opzocht, vond hij hem slapende, en op de tafel stond de wijn onaangeroerd. Petrus legde zacht de hand op het voorhoofd van zijn kind, bevond dat het koel was en hij dus geen koorts had. Vervolgens liep hij voorzichtig naar Sirona's beeld, lichtte de doek op, waarmede het bedekt was, en bleef in beschouwing verdiept lang daarvoor staan. Eindelijk ging hij terug, na het beeld weder gedekt te hebben, en nam de kleimodellen, die op eene aan den wand hangende plank stonden. Eene kleine vrouwelijke figuur trok in het bijzonder zijn aandacht, en toen hij van bewondering in de handen klapte, werd Polycarpus wakker.

"Dat is het beeld van de godin van het noodlot, dat is eene Tyche," zeide Petrus.

"Word niet boos, vader," smeekte Polycarpus. "Gij weet immers dat in de hand van het standbeeld des keizers, dat voor het nieuwe Constantinopel bestemd is, de figuur van eene Tyche zal worden geplaatst, en daarom heb ik ook getracht de godin te vormen. Het gewaad en de houding der armen, dacht ik, zijn mij gelukt, maar de kop is slecht uitgevallen."

Petrus, die hem opmerkzaam had aangehoord, richtte onwillekeurig zijn oog op het hoofd van Sirona, en Polycarpus volgde verrast en bijna met schrik zijne blikken. Vader en zoon verstonden elkander, en de laatste zeide: "Daaraan heb ik ook reeds gedacht." Daarop zuchtte hij diep en smartelijk, en zeide tot zichzelven: "Waarlijk, zij is voor mij de godin van het noodlot." Maar hij waagde het toch niet dit uit te spreken.

De zucht van den jonkman was Petrus niet ontgaan, daarom zeide hij: "Laten wij dit rusten. Dit hoofd glimlacht met vroolijke lieftalligheid, en het aangezicht der godin, die zelfs de daden der hemelsche goden beheerscht, moet gestreng en ernstig zijn."

Toen kon Polycarpus zich niet langer inhouden, en riep: "Ja, vader, vreeselijk is het noodlot, en toch beeld ik de godin af met een glimlach op de lippen, want dat is juist het ontzettendste in haar wezen, dat zij niet handelt naar ernstige wetten, maar lachend haar spel met ons speelt."

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Het was een heerlijke morgen. Geen wolkje was er aan den hemel, die zich als een gewelfd koepeldak van donkerblauwe zijde over den berg, de woestijn en de oase uitbreidde. Het is genotvol op de hoogte van dit gebergte de reine, dunne, aromatische woestijnlucht in te ademen, vóor de zonnestralen te krachtig hunne werking doen gevoelen, en de schaduwen van de gloeiende porfierwanden en steenblokken al korter en korter worden, om eindelijk geheel te verdwijnen.

Met welk een welgevallen en hoe gretig ademde Sirona deze lucht in, toen zij na een langen nacht, den vierden dien zij in het bedompte hol van den Anachoreet had doorgebracht, naar buiten trad. Paulus zat naast den haard, en was zoo ijverig bezig met snijwerk, dat hij haar niet eens hoorde komen.

"Die goede man," dacht Sirona, toen zij een dampenden pot op het vuur zag en de palmtakken bemerkte, die de Alexandrijn aan de zijde van den ingang der spelonk had geplant, om haar tegen de stralen der zon te beschutten. Zij wist de bron, waaruit Paulus haar bij de eerste ontmoeting gedrenkt had, reeds zonder geleide te vinden, en sloop met een kruikje van gebakken klei in de hand daarheen.

Paulus merkte haar wel op, maar hij nam den schijn aan alsof hij haar niet zag en hoorde, want hij wist dat zij zich daar beneden wilde wasschen en--zij was immers eene vrouw?--zoo goed het ging haar toilet maken.

Toen de Gallische terugkwam, zag zij er niet minder frisch en aanvallig uit als op den morgen, toen Hermas haar beluisterd had. Wel deed haar hart pijn, wel was zij angstig en gevoelde zij zich ongelukkig, maar slaap en rust hadden sedert lang alle sporen van dien dag der ontvluchting op haar gezond, haar jeugdig en veerkrachtig lichaam uitgewischt, en het lot, dat ons dikwijls bijzonder welgezind is, juist wanneer het ons een vijandig gelaat toont, had haar eene kleine zorg berokkend, om haar voor grootere te bewaren.

Haar hondje was zwaar ziek geworden, en het scheen wel dat het bij de ondergane mishandeling niet enkel een pootje gebroken had, maar ook innerlijk gekwetst was. Het vlugge, vroolijke diertje zeeg krachteloos in elkaar, zoo vaak het poogde te staan, en als zij het aanpakte, om het in haren schoot in eene gemakkelijke houding neder te leggen en te koesteren, dan liet het een pijnlijk geluid hooren, en zag haar klagend en lijdend aan. Het wilde spijs noch drank tot zich nemen. Het anders zoo koele neusje was brandend heet geworden, en toen zij het hol had verlaten, was Jambe, zonder haar zelfs na te zien, reutelend blijven liggen op de schoone wollen deken, die Paulus over haar leger had gespreid. Eer zij het beest water bracht in de sierlijke kruik, een tweede geschenk van haar gastvriend, richtte zij zich tot dezen en begroette hem vriendelijk.

Paulus zag van zijn arbeid op, dankte en vroeg haar, toen zij na weinige oogenblikken weder naar buiten kwam: "Hoe gaat het met den kleinen kranke?"

Sirona haalde de schouders op en antwoordde bedroefd: "Hij heeft niets gedronken en mij niet eens herkend. De reutelende ademhaling gaat nog even snel als gisteren avond. Ach, als dit diertje sterven moet....!"

Zij was zoo aangedaan van smart, dat zij den zin niet kon voltooien. Paulus schudde afkeurend het hoofd en zeide: "Het is zonde zich zoo te kwellen over een redeloos dier."