Homo sum: Roman

Part 13

Chapter 134,054 wordsPublic domain

Trotsch en gelukkig zag hij er uit, terwijl hij zoo dacht, en zich de vreugde van het paradijs, waarop hij zich heden een zeker recht meende verworven te hebben, verder voorspiegelde. Nooit deed hij zulke haastige en lange stappen, dan wanneer hij zich zoo als nu, aan dergelijke overpeinzingen overgaf, en toen hij bij de spelonk van Stephanus was aangekomen, dacht hij dat de weg van de oase naar de hoogte heden veel korter was geweest dan anders. Hij vond den kranke in groote bezorgdheid, want hij had tot hiertoe zijn zoon te vergeefs gewacht en gevreesd dat hij zou verongelukt zijn, of hem zou verlaten hebben om de wereld in te vluchten.

Paulus bracht hem met vriendelijke woorden tot rust, terwijl hij hem vertelde, met welk een last hij Hermas naar den anderen oever van de zee had gezonden.

Wij zijn nooit meer geneigd, om ons eene slechte boodschap te laten welgevallen, dan wanneer wij eene nog ergere verwacht hadden, daarom luisterde Stephanus rustig en met instemming naar zijn vriend. Hij kon het zich niet meer verheelen, dat Hermas niet rijp was voor het leven van een Anachoreet, en sedert hij wist dat zijne ongelukkige vrouw, die hij lang verloren had geacht, als eene christin gestorven was, kon hij zich gemakkelijk vertrouwd maken met de gedachte, zijn zoon de wereld te laten ingaan. Het was zijn streven geweest door het boetvaardig leven van zich en zijn zoon Glycera's ziel van de verdoemenis te redden, thans wist hij echter dat zij zichzelve het recht op den hemel had verworven.

"Wanneer zal hij terugkeeren?" vroeg hij aan Paulus.

"Binnen vijf of zes dagen," antwoordde deze. "De visscher Ali, dien ik eens een doorn uit den voet heb getrokken, verhaalde mij in het geheim, toen ik gisteren naar de kerk ging, dat de Blemmyers zich achter de zwavelbergen verzamelden. Als zij zich teruggetrokken hebben, zal het hoog tijd worden Hermas vrijheid te geven naar Alexandrië te gaan. Mijn broeder leeft nog, en zal hem om mijnentwil als een bloedverwant ontvangen; want ook deze is gedoopt."

"Hij kan dan de catechetenschool in de hoofdstad bezoeken, en wanneer hij.... wanneer hij...."

"Dat zal wel terecht komen," hernam Paulus, hem in de rede vallende. "Allereerst komt het er op aan hem van hier te laten gaan, om hem zijn weg te doen zoeken. Gij denkt dat er in den hemel een eerezaal is voor den zoodanigen, die nooit struikelden, en onder deze zoudt gij Hermas gaarne opgenomen zien. Dat doet mij denken aan een arts in Corinthe, die zich beroemde dat hij geschikter was dan alle zijne ambtgenooten, want hij had nog geen enkelen zieke verloren. En de man had gelijk, want geen mensch of beest had zich ooit aan zijne handen durven toevertrouwen. Laat Hermas zijne jeugdige krachten beproeven, en wanneer hij geen priester wordt, maar een dapper krijgsman als zijne voorvaderen, dan kan hij toch ook als zoodanig zijn God eerlijk dienen. Maar we hebben nog den tijd eer het zoover is.--Zoolang hij afwezig is, zal ik in uwe verpleging voorzien. Gij hebt, gelijk ik zie, nog water in de kruik."

"Deze werd reeds tweemaal voor mij gevuld," antwoordde de oude man. "De bruine herderin, die zoo vaak de geiten drenkt aan onze bron, kwam eerst in de vroegte en daarna nauwelijks een uur geleden bij mij. Zij vroeg naar Hermas en bood zich daarop zelve aan om water voor mij te scheppen, zoolang hij afwezig zou zijn. Zij is zoo schuw als een vogel en vloog naar boven, nadat zij de kruik hier neder had gezet."

"Zij behoort aan Petrus, en zal hare geiten niet lang alleen durven laten," zeide Paulus. "Nu ga ik heen om wat wortelen voor u te zoeken als toespijs. Met den wijn zal het vooreerst wel uit zijn.--Zie mij eens goed aan! Voor welk groot zondaar houdt gij mij wel? Denk u maar het ergste van mij, en toch zult gij wellicht nog erger dingen hooren.--Doch daar komen twee mannen. Wacht! De eene is Hilarion, een der acolythen van den bisschop, en de ander Pachomius uit Memphis, die zich eerst onlangs op den berg heeft neergezet. Zij komen hierheen en de Egyptenaar draagt een kruikje. Ik zou wel willen dat het weder wijn bevatte tot uwe versterking."

De beide vrienden zouden niet lang in het onzekere blijven omtrent het doel der naderenden. Beiden keerden, nadat zij het hol van Stephanus bereikt hadden, Paulus met merkbare bedoeling den rug toe. Ja, de acolyth sloeg voor hem een kruis over het voorhoofd, als hield hij het voor noodig zich tegen booze invloeden te vrijwaren.

De Alexandrijn begreep hem, trad terug en zweeg, toen Hilarion den kranken Stephanus in naam van den bisschop mededeelde, dat Paulus schuldig was aan zeer zware zonden, en dat hij als een schurft schaap van het verkeer met de kudde van den bisschop, en alzoo van de verpleging van een vroom christen moest uitgesloten blijven, tot hij volledig boete zou hebben gedaan. "Wij weten, door Petrus," zoo eindigde hij zijne rede, "dat uw zoon, mijn vader, over zee is gezonden; daar gij echter verpleging noodig hebt, zoo zendt Agapitus u door mij zijn zegen en wijn ter versterking. Deze jongeling zal bij u blijven en u van het noodige voorzien tot Hermas terugkeert."

Daarop overhandigde hij de kruik met wijn aan den ouden man, die verstomd en bewogen nu eens hem, dan weder Paulus aanzag.

Het hart van den laatsten brak, toen zich de dienaar van den bisschop andermaal tot hem richtte, en hem een teeken gaf zich te verwijderen, terwijl hij uitriep: "weg van hier!"

Hoevele vriendschappelijke banden, hoevele volgaarne bewezene en dankbaar aangenomene diensten vernietigde dat bevel! Maar Paulus gehoorzaamde onverwijld en ging den kranke voorbij. Hunne blikken ontmoetten elkander, en beiden merkten zij op, dat er tranen welden in het oog van den vriend.

"Paulus!" riep de kranke, terwijl hij den heengaande, wien hij zoo gaarne elke schuld vergaf, beide handen toestak. Doch de Alexandrijn sloeg zijne hand niet in de zijne, maar hij wendde zich af en steeg, in eene richting waar geen gebaande weg was, zonder om te zien haastig den berg op. Daarna daalde hij weder af naar het dal, altijd voortgaande tot hem de steile helling van den hollen weg, die aan de zuidzijde van den berg naar de oase leidt, gebood stil te staan.

De zon stond nog hoog en het was gloeiend heet. Druipnat van zweet en geheel buiten adem, leunde hij met den rug tegen den gloeienden porfierwand, bedekte zijn gelaat met de handen, en trachtte tot zichzelven te komen, te denken en te bidden. Maar lang te vergeefs, want in plaats van vreugde te gevoelen over het leed, dat hij vrijwillig op zich genomen had, pijnigde de ellende der eenzaamheid zijne ziel, en in zijn binnenste weerklonk de klagende roepstem van den oude als eene vermaning, en deed hem twijfelend vragen of zijn daad wel goed was, waardoor hij toch de besten en reinsten bedrogen en gedrongen had onrechtvaardig jegens hem te handelen. Zijn hart kromp ineen van angst en pijn, doch toen hij zich eindelijk weder bewust werd, hoezeer hij leed naar lichaam en ziel, begon hij opnieuw moed te scheppen; en er speelde zelfs een glimlach om zijne lippen, toen hij in zichzelven prevelde: "Goed zoo, goed zoo; hoe meer het wee doet, des te zekerder vind ik genade.--En dan! als de oude man van Hermas had moeten beleven, wat hij van mij moest hooren, gerechte hemel, ik geloof dat het zeker zijn dood geweest zou zijn! Toch zou ik wel willen dat het zonder dat.... dat--het is nu eenmaal zoo--zonder dat bedrog had kunnen geschieden. Ik ben reeds als heiden een voorstander van waarheid geweest, en heb den leugen in mijzelven en anderen zoo diep verfoeid, als vader Abraham een moord; hoewel ook deze zijn Izaäk ter slachting voerde, wijl de Heer het hem gebood. En Mozes, toen hij den opzichter versloeg, en Elias, en Debora, en Judith?! Ik heb niet veel minder op mij genomen dan zij, en mijn leugen zal mij wel vergeven worden, gelijk het hun niet is toegerekend dat zij bloed vergoten."

Zulke overpeinzingen gaven aan Paulus' ziel het verloren evenwicht terug, en deden hem berusten in zijne daad. Hij begon te overwegen, of hij in zijn voormalig hol en in de nabijheid van Stephanus terugkeeren, of naar eene andere woning omzien zou. Hij besloot tot het laatste; doch vóor alle dingen moest hij frisch water en eenig voedsel opzoeken, want zijn mond en zijne tong waren geheel verdroogd. Dieper in het dal ontsprong eene bron, die hij wel kende, en in hare nabijheid groeiden velerlei kruiden en wortels, waarmede hij meermalen zijn honger gestild had. Een tijdlang volgde hij de helling aan zijn voet; vervolgens wendde hij zich links en kwam op een tafelvormige hoogvlakte, die uit de kloof gemakkelijk te bereiken was, en naar de zijde van de oase in eene vele vademen diepe loodrechte steilte uitliep. Tusschen die vlakte en den hoogsten bergtop verhieven zich talrijke op zichzelf staande klippen, als een legerkamp met tenten van graniet, als eene zee, die terwijl de golven zich op het hoogst verhieven, tot hard porfier was versteend. Achter die blokken nu vloeide de bron, die hij na eenige oogenblikken zoekens vond.

Na zich verkwikt te hebben begaf hij zich naar de hoogvlakte terug, opnieuw versterkt in zijn voornemen, om ook het zwaarste geduldig te dragen. Van den rand der steilte zag hij naar beneden in het wijd uitgestrekt woestijndal aan zijne voeten, op welks laagsten bodem de oase met hare palmboschjes en tamariskenstruiken, als eene krans op een grafsteen, zich in scherpe groene omtrekken afteekende. De wit gepleisterde daken der huizen van het vlek Pharan kwamen helder uit de takken en het loof te voorschijn. Boven alle stak de nieuwe kerk uit, waarvan de toegang thans voor hem gesloten was. Een oogenblik sneed de gedachte hem pijnlijk door de ziel, dat hij uitgesloten was van de godsdienstoefening der gemeente, van het avondmaal en het gemeenschappelijk gebed; maar dan vroeg hij zich weer af, of dan niet ieder rotsblok hier op de bergen een altaar moest heeten; of de blauwe hemel boven zijn hoofd niet duizendmaal grooter en heerlijker was, als het stoutste koepeldak door menschenhanden gebouwd, het kolossaal gewelf van het Serapeum te Alexandrië niet uitgenomen; en hij dacht aan het 'Amen' van de steenen, dat vernomen was na de prediking van den blinde.

Toen hij met het hoofd fier opgericht naar de rotswand toeging aan de zijde der helling, om een hol op te zoeken, dat ledig was, sedert de grijsaard die het bewoonde eenige weken geleden gestorven was, dacht hij; "Waarlijk, het komt mij nu voor als werd ik niet nedergedrukt maar opgeheven door den last mijner schande. Hier tenminste behoef ik de oogen niet neer te slaan. Want hier ben ik met mijn God alleen, en voor hem behoef ik mij, naar ik meen toch niet te schamen."

Met zulke gedachten vervuld wrong hij zich door de ruimte tusschen twee reusachtige porfierblokken, doch weldra bleef hij staan, want in zijne onmiddellijke nabijheid liet zich het geblaf van een hond hooren, en eenige oogenblikken later vloog een hazenwindje op hem toe, dat zijn met een gekleurde lap omwikkeld pootje voorzichtig omhoog hield, en hem nu eens grimmig aanblafte dan weder schuchter terugweek. Paulus herinnerde zich de vraag, die Phoebicius betreffende zulk een hondje tot den Amalekiet Talib had gericht, en vermoedde terstond, dat de gevluchte Gallische niet ver verwijderd kon zijn. Zijn hart begon sneller te kloppen, en ofschoon hij zoo dadelijk niet wist, hoe hij de vrouw, die haren plicht zoozeer had vergeten, ontvangen zou, gevoelde hij zich toch innerlijk gedrongen haar op te zoeken.

Onverwijld volgde hij de richting, uit welke het hondje tot hem was gekomen, weldra zag hij een licht gewaad achter de eerste en vervolgens achter de tweede en derde rots verdwijnen. Eindelijk bereikte hij de vluchtende. Zij stond vlak aan den rand van den afgrond, tegen een rots die zich steil en hoog uit de diepte verhief. Dat gezicht vervulde hem met verbazing en ontzetting. Hare lange goudgele haren waren verward en hingen half los, half gevlochten over borst en schouders neer. Zij stond slechts met éen voet op de rotsvlakte; de andere, die bedekt was met eene dunne en door de scherpe kanten van de rots gescheurde sandaal, zweefde in de lucht boven den afgrond.

Ieder oogenblik kon zij in de diepte neerstorten. Zij hield zich wel met de rechterhand vast aan de uitstekende punt van eene rots aan hare zijde, maar Paulus zag dat deze zich bewoog en met het blok daaronder volstrekt niet samenhing. Zoo zweefde zij boven den afgrond als eene maanzieke, als eene door demonen bezetene waanzinnige, en daarbij was er zulk eene wilde gloed in hare oogen en ging haar adem zoo koortsachtig snel, dat Paulus, die haar reeds dicht genaderd was, onwillekeurig achteruit trad. Hij zag dat hare lippen zich bewogen, maar hoewel hij niet verstond wat zij zeide, begreep hij toch dat hare toonlooze woorden hem terugwezen.

Wat zou hij doen? Wanneer hij vooruitging, om door een snellen greep haar te redden, zou zij, indien deze poging mislukte, reddeloos naar beneden storten. Liet hij haar begaan, dan zou de steen, waaraan zij zich vasthield, meer en meer losraken, en zoodra deze viel, was het ook zeker met haar gedaan. Hij had wel eens gehoord, dat nachtwandelaars naar beneden vallen, wanneer zij hunne namen hooren noemen. Dat kwam hem thans voor den geest en hij vermeed daarom zorgvuldig haar te roepen.

Thans wees de ongelukkige hem andermaal af. Zijn hart hield op te kloppen, want hare bewegingen waren wild en onstuimig, en hij zag hoe de steen, haar eenige steun, van zijn plaats schoof. Hij verstond slechts weinig van al de woorden, die zij hem daarbij toeriep met eene stem, die gisteren nog zoo welluidend was en heden zoo heesch, bijna geheel zonder klank; toch hoorde hij den naam van Phoebicius noemen, en het was wel aan geen twijfel onderhevig, dat zij zich aan dezen steen boven den afgrond had vastgeklemd, om zich als de steenbok, wanneer hij ziet dat de jager hem elken uitweg heeft afgesneden, liever in de diepte te werpen, dan zich aan hare vervolgers gevangen te geven.

Paulus zag in haar noch de onschuldige noch de schoone vrouw, maar slechts een menschenkind, dat in het uiterste gevaar verkeerde, dat hij tot elken prijs van den dood moest redden, en de gedachte dat hij toch niets minder was dan een handlanger, die door haar man was uitgezonden, legde hem de eerste woorden op de lippen, die hij den moed had de vertwijfelde toe te spreken. Zij waren eenvoudig genoeg, maar in den vollen vriendelijken klank lag de kinderlijke liefde van zijn goed hart, en onwillekeurig gaf de Alexandrijn, die in de stad der redenaars en wel in de voortreffelijkste school was gevormd, aan zijne rede eene eigenaardige kleur, door de welluidende diepe en weeke, uit de borst voortkomende toonen, die hem ten dienste stonden.

"Verheug u, gij arme lieve vrouw," zeide hij. "Ik heb u ter rechtertijd gevonden. Ik ben Paulus, de beste vriend van Hermas, en hoe gaarne zou ik u helpen in uwe ellende! U dreigt geen gevaar, want Phoebicius zoekt u op een verkeerden weg. Gij kunt mij vertrouwen! Niet waar, ik zie er niet uit als kon ik eene arme verdwaalde vrouw bedriegen? Maar gij staat daar op eene plaats, waar ik liever mijn vijand zou zien dan u. Leg uw hand maar gerust in de mijne; zij is wel niet aanvallig meer, doch sterk en eerlijk.--Zoo is het goed, en gij zult het u nooit berouwen. Zet uw voet hier neder, en wees voorzichtig, wanneer gij de rots loslaat. Gij weet niet hoe bedenkelijk deze het harde hoofd heeft geschud over uwe wonderlijke gerustheid.--Pas op, daar stort uw steunpunt naar beneden. Hoor hoe de steen neerploft en kraakt: hij is beneden stellig in duizend stukken gebersten, en ik ben maar blijde, dat gij ten laatste hebt besloten liever mij dan hem te volgen."

Paulus was onder het spreken dezer woorden naar Sirona toe gegaan, als een meisje, wier vogeltje uit de kooi is gevlogen, en het diertje met schroomvallige behoedzaamheid nadert, om het weder te vangen. Hij had haar zijne rechterhand toegestoken, haar, zoodra hij hare hand in de zijne voelde, voorzichtig gered uit den vreeselijken toestand, en naar den veiligen bodem van de hoogvlakte geleid. Zoolang zij hem gedwee volgde, geleidde hij haar naar den berg, zonder plan of doel. Hij wilde haar alleen van dien afgrond verwijderen. Bij een vierkant dioriet-blok vertraagde zij hare schreden, en Paulus, wien het niet ontgaan was, hoe moeielijk haar het loopen viel, noodigde haar uit om te gaan zitten. Hij haalde een vlak stuk rots, dat hij met kleine steenen vastzette, om Sirona een steun te geven voor haar vermoeiden rug.

Zoodra de Alexandrijn dit werk had volbracht, leunde Sirona tegen den steen, en er lag aanvankelijk reeds eenig gevoel van welbehagen in de lichte zucht, die als eerste geluid zich deed hooren van hare lippen, die sedert hare redding vast gesloten waren.

Paulus lachte haar bemoedigend toe en zeide: "Rust nu wat uit. Ik zie wel wat u schort. Men kan zich niet ongestraft een geheelen dag aan de stralen der zon blootstellen."

Sirona knikte toestemmend, wees met den vinger naar haar mond, en smeekte met moeite en zacht: "Water, wat water!"

Paulus sloeg zich met de hand voor het voorhoofd, en riep driftig: "Ik breng u dadelijk een frisschen dronk. In weinige oogenblikken ben ik weder bij u."

Sirona zag hem na, terwijl hij wegvloog. Hare oogen kregen meer en meer eene starende, glazige uitdrukking, en het was haar, alsof de steen waarop zij zat zich veranderde in het schip, dat haar van Massilia naar Ostia had overgebracht. Zij gevoelde thans andermaal elke slingering van het vaartuig, die haar op de onstuimige golven had doen duizelen. Eindelijk scheen het haar toe dat het schip in een maalstroom was geraakt, en al sneller en sneller in een cirkel ronddraaide. Zij sloot de oogen en greep te vergeefs in de lucht naar een steun. Haar hoofd viel machteloos op zijde, en eer haar wang met haar schouder in aanraking kwam, liet zij een zachten klaagtoon hooren; want het was haar als geraakten alle leden van haar lichaam los, gelijk de bladeren in den herfst van de takken vallen. Zij zonk bewusteloos achterover tegen den steen, die Paulus voor haar had opgericht.

Het was voor het eerst dat Sirona, overigens volmaakt gezond naar lichaam en geest, in onmacht viel. Maar zelfs de sterkste onder hare zusters zou bezweken zijn onder de aandoeningen, de inspanning, de ontberingen en het lijden, die deze dag over de schoone ongelukkige had gebracht. Eerst was zij zonder een bepaald doel in den nacht den berg opgevlogen. De maan bescheen haren weg, en wel een uur lang klom zij zonder te rusten. Toen hoorde zij de stem van wandelaars, die haar te gemoet kwamen. Zij verliet den straatweg en trachtte zich daarvan zoover mogelijk te verwijderen, want zij vreesde dat haar hazenwindje, dat zij telkens weder op den arm nam, wanneer zij het hoorde kermen en zag hinken, haar door zijn geblaf verraden zou.

Ten laatste had zij zich op een steen neergezet en zich voor den geest gebracht, wat er in de laatste uren met haar gebeurd was, en wat haar verder te doen zou staan. Zij verstond voortreffelijk de kunst om over het verledene te droomen en schitterende luchtkasteelen te bouwen. Daarentegen kostte het haar moeite verstandig te overleggen en ernstig na te denken. Een ding was haar volmaakt duidelijk. Zij wilde liever verhongeren en versmachten, liever schande en ellende dragen, ja zelfs den dood ondergaan, dan tot haren echtgenoot terugkeeren. Zij wist dat zij van Phoebicius niets anders dan mishandeling, hoon en opsluiting in een afzichtelijk donker vertrek te verwachten had; maar dat alles scheen haar gemakkelijker te dragen dan de teederheid, waarmede hij haar nu en dan naderde. Wanneer zij daaraan dacht, voer haar eene koude rilling door de leden, klemde zij de witte tanden op elkander, balde zij de kleine handen zoo stevig, dat de nagels harer vingers in het vleesch drongen.

Maar wat zou zij doen? Wanneer Hermas haar eens tegenkwam?--Doch welke hulp kon zij van hem verwachten! Wat was hij anders dan een baardelooze knaap, en de gedachte haar leven ook slechts voor enkele dagen aan het zijne te verbinden, scheen haar onzinnig en belachelijk. Zij was wel is waar in genen deele geneigd berouw te gevoelen en zichzelve te beschuldigen; doch het was toch een dwaasheid van haar geweest, dat zij hem in huis had geroepen om met hem te spelen. Daarbij dacht zij aan de harde straf die zij ontvangen had, toen zij als kind, zonder te weten dat zij kwaad deed, het wateruurwerk van haar vader uit elkander had genomen en bedorven. Zij gevoelde dat zij veel verstandiger was dan Hermas, en haar toestand was te ernstig geworden, dan dat zij lust kon gevoelen nog eens te spelen. Zij dacht wel aan Petrus en Dorothea, maar bij deze kon zij alleen komen wanneer zij naar de oase terugkeerde, en zij had alle grond om te vreezen, dat Phoebicius haar ontdekken zou.

Als Polycarpus haar thans eens mocht tegenkomen op zijn terugkeer van Raïthoe! Maar de weg dien zij verlaten had leidde toch zeker niet daarheen, maar naar de poort, die meer in het Zuiden was gelegen. Zij wist dat de zoon van den senator haar welgezind was, want niemand had haar ooit met zoo innig welgevallen en met zulk een hartelijke vriendelijkheid in de oogen gezien. Hij was ook geen onervaren knaap, maar een recht ernstig man, wiens degelijkheid haar nu in een gansch ander licht verscheen dan voorheen. Hoe gaarne had zij zich thans aan Polycarpus' steun en leiding overgegeven! Doch hoe zou zij hem bereiken? Neen, ook van hem had zij niets te wachten. Zij moest zich op eigene kracht verlaten en besloot, terwijl het morgenrood reeds was geweken voor het opgaan der zon aan een wolkenloozen hemel, zich gedurende den dag op den berg schuil te houden, en tegen het aanbreken van den nacht af te dalen naar de zee, ten einde te beproeven met een bootje van den een of anderen schipper naar Klysma en van daar naar Alexandrië te ontkomen.

Zij droeg een ring aan den vinger met een sierlijk gesneden onyx, keurige oorhangers en een gouden armband aan den linker arm. Dit sieraad was van gedegen goud, en bovendien bezat zij, behalve eenig zilvergeld, een groot gouden muntstuk, dat haar vader haar, vóor zij naar Rome vertrok, als teerpenning van zijne armoede had geschonken, en dat zij tot hiertoe uiterst zorgvuldig had bewaard, alsof het een talisman was. Zij bracht thans dit in een stukje linnen genaaid aandenken aan hare lippen, en dacht aan haar ouderlijk huis en hare broertjes en zusjes.

De zon steeg intusschen al hooger en hooger. Zij dwaalde van rots tot rots, om een schaduwrijk plekje en eene bron te zoeken. Doch zij vond geen water, en toch kwelde haar een hevige dorst en een onuitstaanbare honger. Tegen den middag verdween ook de schaduwstreep, waarin zij beschutting had gezocht voor de stralen der zon, die nu onmeedoogend op haren onbedekten schedel brandde. Haar voorhoofd en haar nek begonnen hevig pijn te doen, en zij ontvlood de verzengende lichtstralen als een soldaat de pijlen van zijn vervolger. Achter de rotsen, die de hoogvlakten omzoomden, waar Paulus haar aantrof, vond zij eindelijk geheel uitgeput eene half beschaduwde rustplaats.

Het hazenwindje ademde reutelend in haar schoot en stak het gebroken pootje naar haar uit. Reeds in den morgen, op de eerste plaats waar zij ruste, had zij dat pootje zorgvuldig verbonden met een stuk doek, dat zij met behulp van hare tanden van haar onderkleed had afgescheurd. Thans legde zij een nieuw verband, wiegde het diertje in hare armen en liefkoosde het als een klein kind. De hond was even ellendig en lijdend als zij, en tegelijk het eenige wezen waarvoor zij, ondanks hare hulpeloosheid, iets zijn en waaraan zij iets doen kon. Maar weldra ontzonk haar ook de kracht om liefkozende woordjes te spreken en het diertje met de hand te streelen.