Part 12
Dikwijls, wanneer toornige mannen als onheilspellende onweerswolken met elkander in botsing dreigen te komen, houdt het woord uit den mond eener verstandige vrouw hen tegen en dringt hen terug, als het opsteken van een zachte luchtstroom de dampen. Phoebicius was niet genegen de moeder van Polycarpus te woord te staan, maar hare vraag gaf hem nu het eerst aanleiding met een vluchtigen blik het gebeurde te overzien, en hij kon zich niet ontveinzen, dat zijne verdenking op zeer zwakke gronden rustte. Tegelijkertijd moest hij zichzelven bekennen dat, als Sirona, in plaats van in het huis van den senator, de wijde wereld in gevlucht was, hij hier zijn tijd verbeuzelde en hij de uren, die zij hem reeds had afgewonnen om hem vóor te komen, op eene bedenkelijke wijze liet aangroeien. Weinige oogenblikken waren voor deze overweging voldoende, en gewoon zichzelven te beheerschen als het noodig was, zeide hij ontwijkend: "Wij zullen zien; het zal wel terechtkomen," en langzaam richtte hij zijne schreden naar zijne woning, zonder zijn huisheer te groeten.
Doch hij had de deur van zijn huis nog niet bereikt, toen zich paardengetrappel op den weg liet hooren en Petrus hem achterna riep: "Blijf nog enkele oogenblikken, want daar komt Polycarpus, die zich in eigen persoon voor u rechtvaardigen kan."
De centurio stond stil; de senator wenkte den ouden Jethro en deze opende de poort. Men hoorde een ruiter uit den zadel springen, doch niet Polycarpus maar een Amalekiet trad den hof binnen.
"Wat nieuws brengt gij?" vroeg de senator, terwijl hij zich half tot den centurio, half tot den bode keerde.
"Heer Polycarpus uw zoon," antwoordde de aangesprokene, een donkerbruine man van middelbaren leeftijd, stevig van leden en rad van tong, "laat u en uw huisvrouw groeten en u zeggen, dat hij vóor den middag met acht man, die hij in Raïthoe heeft aangeworven, hier zal komen. Vrouw Dorothea zou wel zoo goed zijn allen een goed onderkomen en een maaltijd te bezorgen."
"Wanneer hebt gij mijn zoon verlaten?" vroeg Petrus.
"Twee uren vóor zonsondergang."
Petrus haalde weder ruim adem, want eerst nu was hij ten volle overtuigd van de onschuld zijns zoons. Doch in plaats van thans een hoogen toon aan te slaan, en Phoebicius te laten gevoelen, dat hij hem onrecht had aangedaan, zeide hij vriendelijk, omdat hij deelneming begon te gevoelen met het ongeluk van den Galliër: "Ik zou wel wenschen dat de bode ons ook eenig licht kon geven omtrent het verblijf van uwe vrouw. Zij kon zoo moeielijk aan het stille leven hier in de oase gewennen. Misschien is zij alleen gevlucht om eene stad op te zoeken, die zulk een jeugdig en schoon schepseltje meer afwisseling biedt, dan dit stille oord in de woestijn."
Phoebicius maakte een beweging met de hand, waardoor hij te kennen wilde geven, dat hij dit niet aannam, en wel beter wist, en zeide: "Ik zal u eens laten zien wat die reine nachtvogel in mijn nest heeft achtergelaten. Mogelijk kunt gij mij zeggen, wien het toebehoort."
Terwijl hij haastig zijn huis binnen ging, was Paulus door de thans geopende poort den hof binnengetreden. Hij begroette den senator en de zijnen, en overhandigde Petrus den kerksleutel. Inmiddels was de zon opgegaan en vrouw Dorothea's tegenwoordigheid gaf den Alexandrijn gelegenheid, terwijl hij schaamrood werd, een blik te slaan op zijn kort onderkleed vol gaten, dat den altijd nog athletischen bouw zijner leden zeer onvoldoende bedekte.
Petrus had van Paulus nooit iets anders dan goed gehoord, maar thans zag hij hem met minder vriendelijke oogen aan, want alles wat naar overdrijving zweemde was in strijd met zijn zin voor regel en orde.
Paulus gevoelde wat er bij den senator omging, toen hij den sleutel in ontvangst nam, zonder hem met een woord te verwaardigen. Het was hem niet onverschillig wat deze man van hem dacht, en daarom zeide hij, niet zonder verlegenheid: "Wij zijn anders niet gewoon ons onder menschen te vertoonen, zonder met het schaapsvel gekleed te zijn. Doch ik heb het mijne verloren."
Hij had nog niet uitgesproken, toen Phoebicius met de vacht van Hermas in de hand den hof binnentrad, en den senator toeriep: "Dat vond ik bij mijne thuiskomst in ons woonvertrek."
"En wanneer hebt gij gezien dat Polycarpus zich van zulk een mantel bediende?" vroeg vrouw Dorothea.
"Wanneer de goden voorheen de dochteren der menschen bezochten," antwoordde de centurio, "waren zij gewoon eene andere gedaante aan te nemen. Waarom zou zulk een gezalfd Alexandrijnsch heertje zich niet eens veranderen in een dier ruwe gekken van den berg? De goede Homerus vergiste zich ook wel eens, en ik moet bekennen, dat ik in betrekking tot uw zoon heb gedwaald. Neem mij niet kwalijk, senator! Gij woont hier langer dan ik, wie kan mij dit vel, dat waarlijk nog nieuw schijnt te zijn, met de hoornen er zelfs aan, ten geschenke hebben gegeven?"
Petrus bekeek en bevoelde den pels, en zeide toen: "Dat is een Anachoreten-mantel. Al de boetelingen op den berg plegen zulk een kleed te dragen."
"Derhalve heeft een van die leegloopers den weg naar mijn huis gevonden!" riep de centurio. "Ik ben een dienaar des keizers, en al dat gespuis, dat hier in de woestijn de bewoners der oase en de reizigers verontrust, moet ik onschadelijk maken! Aldus luidt het bevel, dat ik van Rome heb medegenomen. Ik zal die snoode gezellen allen samendrijven, gelijk het wild bij een drijfjacht; want het zijn schurken en indringers, allen, en ik zal het hen zoo benauwd weten te maken, tot ik onder hen den schuldige gevonden heb!"
"Dat zal de keizer u niet vriendelijk afnemen," antwoordde Petrus. "Het zijn vrome christenen, en gij weet dat Constantijn zelf..."
"Constantijn?" vroeg de centurio met minachting. "Misschien laat hij zich ook nog wel doopen, daar het water toch niet schaadt en hij de menigte, die den gekruisigden wonderdoener naloopt, niet uitroeien kan, evenals de groote Diocletianus, zonder zijn rijk te ontvolken. Maar zie deze munten! Hier staat des keizer beeld, en wat staat daar op de achterzijde? Is dat uw Nazarener, of is het de oude god, de nimmer ondergaande onoverwinnelijke zon? Is het een der uwen, die in het nieuwe Constantinopel Tyche eert en de tweelingbroeders Castor en Pollux? Het water, waarmede hij zich morgen laat bevochtigen, wischt hij overmorgen weer af, en het zijn de oude goden die hem helpen zullen, wanneer hij ze in rustiger tijden tegen uw bijgeloof in het veld voert!"
"Nu," antwoordde Petrus bedaard, "daarmede hebben wij vooreerst den tijd nog, en heden althans is Constantijn de beschermheer der christenen. Ik raad u: stel uwe zaak in handen van den bisschop Agapitus."
"Opdat deze mij uwe leer zal opdisschen, die zelfs nog te slecht is voor vrouwen," zeide de centurio lachend, "namelijk om mijne vijanden de voeten te kussen! Die schurken daarboven zijn inbrekers, herhaal ik nog eens, en als zoodanig zal ik die booze gekken behandelen, tot ik mijn man gevonden heb. Heden nog begin ik de drijfjacht."
"En heden ook kunt gij haar nalaten, want deze vacht is de mijne."
Het was Paulus, die deze woorden luide en stellig uitsprak. Geen wonder dat aller oogen zich op hem en den centurio richtten.
Petrus en de slaven hadden den Anachoreet dikwijls gezien, maar altijd met een schaapsvel, geheel ongelijk aan dat hetwelk Phoebicius in de hand hield. En hun die Paulus en Sirona kenden, moest deze zelfbeschuldiging van den eersten ongehoord en onbegrijpelijk voorkomen. Toch werd zij door niemand, zelfs niet door den senator betwijfeld. Vrouw Dorothea alleen schudde ongeloovig het hoofd, en al kon zij ook geene verklaring vinden van hetgeen hier gebeurde, zoo moest zij toch bekennen dat deze man er volstrekt niet uitzag als een verleider, en dat de Gallische om zijnentwil bezwaarlijk haar plicht zou hebben kunnen vergeten. Bovendien kon zij maar niet aan de schuld van Sirona gelooven, want zij was haar hartelijk genegen--en 't was zeker niet goed dat zij zoo dacht--hare moederlijke ijdelheid beval haar aan te nemen, dat, wanneer de schoone vrouw had willen zondigen, zij toch waarlijk haren edelen Polycarpus, wiens rozen en vurige blikken zij zoo oprecht mogelijk veroordeelde, verkozen zou hebben boven dezen ruigen, verwilderden grauwbaard.
De centurio dacht er echter anders over. Hij nam de bekentenis van den Anachoreet gaarne voor waarheid aan, want hoe onwaardiger de verleider was, om wiens wil Sirona haar plicht had vergeten, des te grooter was hare schuld, des te onvergeeflijker hare lichtzinnigheid. Ja, zijne mannelijke ijdelheid kon het tegenover getuigen als Petrus en Dorothea gemakkelijker verdragen, dat zijne vrouw wat afwisseling en vermaak had gezocht, al moest zij zich daartoe ook afgeven met een bedelaar in lompen, dan wanneer zij haar hart zou hebben geschonken aan een man die jonger, schooner en waardiger was dan hij. Veel had hij jegens haar misdreven, maar dat woog nu alles als vederen in zijne weegschaal, terwijl het kwaad dat zij had begaan, haar schaal als met een wicht van lood belastte. Daarbij begon hij het gevoel te krijgen van iemand die eene moeras heeft doorwaad en nu weder vasten grond onder de voeten heeft. Dit alles te zamen gaf hem de kracht den Anachoreet met eene zelfbeheersching tegemoet te treden, waarover hij anders alleen beschikken kon, wanneer hij aan de spits zijner soldaten den keizer diende.
Met gemaakte deftigheid en eene houding, die bewees, dat hij in de theaters van de groote steden des rijks ook de voorstellingen van treurspelen had bijgewoond, liep hij op den Alexandrijn toe, die van zijne zijde geen stap achteruitging, en hem aanzag met een lachje, dat Petrus en de andere toeschouwers deed schrikken.
Volgens de wet was de Anachoreet geheel in de handen van den beleedigden echtgenoot. Deze laatste scheen echter niet voornemens van zijn recht gebruik te maken, want uit zijne woorden sprak niets dan minachting en walging, toen hij eindelijk zeide: "Wie een schurftigen hond aanpakt om dien te straffen, die bezoedelt zijne eigene hand. De vrouw, die mij om uwentwil bedroog, en gij smerige bedelaar, zijt elkander waard! Ik kon u, als ik wilde, op deze plaats vermorzelen, als een insect, dat men met de hand doodslaat; maar mijn zwaard behoort den keizer, en mag met geen vuil bloed als het uwe bezoedeld worden. Evenwel zult gij, hond, uw vacht niet te vergeefs hebben afgelegd. Zij is nog al dik, en gij wildet mij zeker de moeite besparen haar van uwe schouders te scheuren, eer ik u geef wat u toekomt. Aan slagen zult gij geen gebrek hebben. Als ge mij bekent waarheen uw liefje gevlucht is, dan krijgt gij er weinig, maar het aantal zal vermeerderen, naarmate gij met het antwoord talmt. Jongen, geef mij dat ding!"
Bij deze woorden nam hij een kemeldrijver de uit nijlpaardehuid vervaardigde zweep uit de hand, ging dicht bij den Alexandrijn staan en vroeg: "Waar is Sirona?"
"Sla maar toe," bad Paulus, en wees met de hand op zijn rug: "Hoe pijnlijk uw zweep mij ook treft, zij zal mij toch niet zwaar genoeg bestraffen, voor alle mijne zonden. Doch waar uwe vrouw zich verborgen houdt, dat weet ik waarachtig niet te zeggen, al wildet ge ook, in plaats van mij met dit rampzalig ding te streelen, mijne leden met tangen verscheuren."
Er lag zulk eene oprechte trouwhartigheid in den toon van Paulus' stem, dat de centurio geneigd was hem te gelooven. Doch het lag geenszins in zijn aard eene bedreigde straf niet te voltrekken en dat zijne hand niet streelde, als zij pijnlijk wilde straffen, dat zou de wonderlijke bedelaar ondervinden. En Paulus voelde het, zonder dat er een klacht over zijne lippen kwam, zonder dat hij zich van zijne plaats bewoog. Toen Phoebicius eindelijk zijn vermoeiden arm liet rusten, en hijgend zijne vraag herhaalde, antwoordde de mishandelde: "Ik zeide het u reeds, ik weet het niet, en kan het u daarom niet verraden."
Tot hiertoe had Petrus, hoe hij zich ook gedrongen gevoelde, zijn mishandelden geloofsgenoot te hulp te komen, den beleedigden echtgenoot laten begaan, want de laatste scheen met bijzondere zachtheid te straffen, en de Alexandrijn zulk een kastijding te verdienen. Doch ook zonder dat Dorothea hem hiertoe aanspoorde, zou hij de gelegenheid hebben aangegrepen om tusschen beiden te komen. Hij naderde dus den centurio en zeide hem zacht: "Gij hebt den misdadiger gegeven wat hem toekomt. Wanneer gij verkiest, dat hij nog strenger straf zal ontvangen dan gij hem hebt doen ondergaan, laat dan, ik herhaal het, uw zaak aan den bisschop over. Gij zult hier niet verder komen. Geloof mij, ik ken dezen man en zijns gelijken. Hij weet inderdaad niet waar uwe vrouw zich ophoudt, en gij verspilt hier den tijd en de kracht, die gij waarlijk wel moogt gebruiken om Sirona weder te vinden. Ik denk dat zij eene poging zal hebben gewaagd om over zee naar Egypte, mogelijk wel naar Alexandrië te ontkomen; en daar--gij kent die Grieksche stad--daar gaat zij geheel te gronde."
"En bovendien vindt zij," zeide de Galliër lachend, "wat zij zoekt: afwisseling en genot. Er is voor zulk een jong schepsel dat de vreugde najaagt, geen dankbaarder bezigheid dan de ondeugd. Maar ik wil haar dat spel verleeren. Gij hebt gelijk, het is niet goed haar langer gelegenheid te geven mij voor te komen. Heeft zij den weg naar zee gevonden, dan kan zij misschien nu reeds.... Heidaar, Talib!" en hij wenkte den Amalekietischen bode van Polycarpus. "Gij komt van Raïthoe; zijt ge onderweg ook eene vluchtende vrouw tegengekomen, blank van gezicht en met blonde haren?"
De aangesprokene, een vrij man met verstandige oogen, die in het huis van den senator, ook door Phoebicius, als volkomen betrouwbaar en verstandig werd hooggeacht, had deze vraag verwacht, en antwoordde bereidwillig: "Twee stadiën zoowat vóor El Heswe ben ik de groote karavaan van Petra tegengekomen, die gisteren hier in de oase heeft overnacht. Er liep eene vrouw mede zooals gij haar beschrijft. Toen ik hoorde wat hier gebeurd was, wilde ik het reeds zeggen; maar wie hoort het krekeltje als het dondert?"
"Had zij een kreupel hazenwindje bij haar?" vroeg Phoebicius vol hoop.
"Zij droeg iets in de armen," antwoordde de Amalekiet. "In den maneschijn hield ik het voor een zuigeling. Mijn broeder, die de karavaan begeleidt, zeide mij, dat die vrouw zeker vluchtende was, want zij had het beschermgeld niet met klinkende munt, maar met een gouden zegelring betaald.
De Galliër herinnerde zich nu, dat hij jaren geleden een gouden ring met een keurig gesneden onyx Glycera, die er nog zoo een bezat, van de vingers had getrokken, en dat hij dienzelfden ring aan Sirona op den bruiloftsdag geschonken had. "'t Is toch vreemd," dacht hij; "wat wij de vrouwen geven om haar aan ons te verbinden, dat gebruiken zij als een wapen tegen ons, zij 't om andere mannen te bekoren, zij 't om zich een weg te banen, die haar van ons verwijdert. Met een armband van Glycera betaalde ik toen den scheepskapitein, die ons naar Alexandrië overbracht. Maar ik ben van een ander maaksel dan de weekhartige gek, wiens duifje mij navloog. Ik volg het weggevlogen vogeltje en vang het weder op."
Deze laatste woorden had hij overluid gesproken. Hij droeg aan een slaaf van Petrus op zijn muildier stevig te voederen en goed te drenken, want zijn eigen paardeknecht en ook de oudste decurio, die hem bij zijne afwezigheid moest vervangen, behoorden tot de Mithras-vereerders en waren nog niet van den berg teruggekeerd. Phoebicius twijfelde niet of de vrouw, die zich had aangesloten bij de karavaan, die hijzelf gisteren gezien had, was zijne ontvluchte gemalin, en hij ontveinsde zich niet dat elk verzuim de vervulling van zijn vurigen wensch om haar in te halen en te straffen al verder en verder zou verschuiven. Doch hij was een Romeinsch krijgsman, en hij zou eer de hand aan zichzelven geslagen dan zijn post verlaten hebben, zonder een plaatsvervanger te hebben aangesteld.
Toen zijn geloofsgenooten eindelijk terugkeerden van het offer en hunne begroeting van de opgaande zon, was hij met zijne voorbereidingen tot eene lange reis gereed. Phoebicius drukte zijn decurio zorgvuldig op het hart, wat hij gedurende zijne afwezigheid te doen en hoe hij zich te houden had. Vervolgens gaf hij aan Petrus den sleutel van zijn huis over, als mede de zwarte slavin, die over de vlucht van hare meesteres luide weende en klaagde. Hij verzocht den senator om den bisschop kennis te willen geven van hetgeen de Anachoreet had gedaan, en draafde toen, voorgegaan door den op een dromedaris gezeten Amalekiet Talib, zoo hard hij kon de karavaan achterna, om deze zoo mogelijk nog te bereiken vóor zij zich aan zee inscheepte.
Toen de hoefslag van het muildier zich al verder en verder verwijderde, verliet ook Paulus den hof van den senator. Doch vrouw Dorothea zeide tot haar echtgenoot, wijzende op den Anachoreet, die zijne schreden naar den berg richtte: "Waarlijk man, dat was een zonderlinge morgen. Alles wat hier gebeurt schijnt wel zonneklaar te zijn, en toch kan ik het niet begrijpen. Het is of mijn hart wordt toegenepen, wanneer ik denk aan hetgeen de arme Sirona overkomen zal, als haar woedende echtgenoot haar inhaalt. Het is toch alsof er tweeërlei huwelijken zijn. Het eene sluit de vriendelijkste engel, ja de Algoede zelf, maar het andere.... het laat zich niet indenken!--Hoe zullen die twee in het vervolg samenwonen? En dat onder ons dak! Hun gesloten huis staat daar als verwoest en verbrand, en wij hebben de brandnetels reeds zien opschieten, die overal woekeren onder de puinhoopen van de vernietigde woningen der menschen."
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De baan van elke ster is vast bepaald en scherp afgeteekend; iedere plant draagt bloesems en vruchten, in vorm en kleur geheel overeenkomstig haar geslacht; dieren van dezelfde soort blijven in de grondtrekken van hun aanleg en hunne neigingen, in hunne uiterlijke zoowel als innerlijke bewegingen geheel aan elkander gelijk, en de jager, die de herten in de bosschen van zijn vaderland kent, zal in alle wouden der aarde weten, hoe eene ree zich in ieder bijzonder geval houden zal. Naarmate eene soort er meer op is aangelegd, om de verschillende individuën zich in grooter verscheidenheid te doen ontwikkelen, naar die mate zal zij ook eene hoogere plaats innemen in de ontwikkelingsgeschiedenis der schepping. En daarom is het juist die oneindige verscheidenheid van het inwendig leven en zijne openbaringen, die het menschelijk geslacht de eerste plaats aanwijst onder alle bezielde wezens. Enkele onzer eigenschappen en werkzaamheden kunnen de dieren ons ook symbolisch doen aanschouwen. Zoo vindt de moed zijn symbool in het beeld van den leeuw, de zachtmoedigheid in dat van de duif. Maar het volmaakt menschenbeeld is voor duizenden geslachten voldoende geweest, en zal voor duizenden voldoende zijn, waar het geldt de godheid onze zinnelijke voorstelling nader te brengen. Waarlijk, evenals wij de zichtbare wereld met ons verstand kunnen omvatten, even zeker is het ons gegeven God in ons, dat is in ons gemoed te hebben.
Alle eigenschappen van alle eindige dingen vindt men bij den mensch weder, en geene eigenschap, die wij den Allerhoogste toekennen, is vreemd aan onze ziel, die ook oneindig en eeuwig is, daar zij bij elk onderzoek haar voelhoornen vermag uit te breiden tot de uiterste grenzen van ruimte en tijd. Daarom zijn ook de wegen, die voor de ziel openstaan, even talloos als voor de godheid. Dikwijls schijnen ze zonderbaar te zijn, maar het blijft voor den ingewijde niet verborgen, dat ook hunne baan aan vaste wetten onderworpen is, en dat ook elke, zelfs de meest ongewone uiting van het zieleleven tot oorzaken is terug te brengen, die deze en ook deze alleen konden uitwerken.
Slagen doen pijn, schande bezwaart en eene onrechtvaardige straf verbittert het gemoed; doch de ziel van Paulus had een uitweg gezocht en gevonden, waarbij deze eenvoudige stellingen niet van toepassing waren. Hij was mishandeld, beschimpt en vóor hij de oase verliet geheel onschuldig tot de zwaarste boete veroordeeld. De bisschop Agapitus had hem, zoodra hij van Petrus had vernomen wat in zijn huis was voorgevallen, tot zich geroepen, en hem, toen hij op zijne aanklacht niets antwoordde, uit zijne kudde, waartoe ook de Anachoreten behoorden, gestooten, hem verboden op de werkdagen de kerk te bezoeken, en verklaard, dat hij dit oordeel aan de verzamelde gemeente zou kenbaar maken.
En hoe werkte dit alles op Paulus, toen hij in de gloeiende middaghitte, eenzaam en geschandvlekt den berg besteeg?
Een visscher uit het zeedorp Pharan, die den Anachoreet halverwege tegenkwam, dacht bij zichzelven, terwijl hij een groet met hem wisselde en hem nastaarde: "Die lange grauwbaard ziet er zoo vroolijk uit, alsof hij een schat heeft gevonden." De man wandelde vervolgens met zijne geschubde waren verder het dal in, en hem kwam het gelaat van zijn zoon voor den geest toen diens vrouw hem het eerste zoontje had geschonken.
Bij den wachttoren aan den kant van den korteren heerweg waren eenige Anachoreten bezig steenen op te stapelen. Zij wisten reeds welk oordeel Agapitus over den zondaar Paulus had uitgesproken, en groetten hem niet. Hij merkte het wel op en zweeg; toen zij hem echter niet meer zien konden, glimlachte hij in zichzelven en prevelde, terwijl hij met de hand eene der striemen wreef, die de zweep van den centurio op zijn rug had achtergelaten: "Wanneer die daar denken, dat zulk een Gallisch pak slagen zeer goed smaakt, dan dwalen zij. Maar ik geef het toch niet weg voor een zak wijn van Anthylla. Wanneer zij eens wisten dat ieder hunner ten minste éen van al de striemen toekomt, die mij hier pijn doen, hoe zouden zij zich verwonderen! Doch geen hoogmoed! Hoe hebben zij u, mijn Jezus, gegeeseld, en wie ben ik, en hoe verschoonend zijn zij met mij te werk gegaan, nu ik ook eens voor anderen mijn rug ontblootte! Er is geen druppel bloed gevloeid. Ik wenschte wel dat die oude knorrepot wat steviger had geslagen!"
Vroolijk ging hij verder, en hem kwamen de woorden van den centurio voor den geest, namelijk dat hij hem, indien hij dat verkoos, als een worm vertreden zou. Wederom moest hij glimlachen, want hij was zich bewust dat hij tienmaal zoo sterk was als die krijgsman, en gedacht hoe hij eens den pocher Argesilaus van Cyrene, en zijn neef, den langen Xenophanes, behendig in het zand van de palaestra had geworpen. Vervolgens dacht hij aan Hermas, aan diens lieve gestorvene moeder, aan zijn vader en--dat was wel het beste--aan het groot verdriet, dat den ouden man door zijne tusschenkomst bespaard bleef.
Hij vond op zijn weg een plantje met roodachtige bloempjes. Sedert jaren had hij naar geene bloemen omgezien, of gewenscht ze te bezitten. Heden boog hij zich voorover, om dit vriendelijk sieraad van de rots te plukken. Maar hij voerde zijn voornemen niet uit, want eer zijne hand het bereikte dacht hij: "Aan wien zou ik dit bloempje geven? Die bloemen verblijden zich misschien op hunne worteltjes in het licht en in hun rustig leven. Hoe klemmen ze zich aan den rotssteen vast! Verder van den weg bloeien wellicht nog fraaiere, die geen oog ooit ziet. Als die zich tooien, dan doen zij het slechts voor hun schepper, en omdat zij zich over zichzelven verheugen. Ik trek mij thans ook terug van de paden, waarop de menschen zich bewegen. Laten ze mij lasteren! Als ik maar met mijzelven en mijn God in vrede leef, dan vraag ik naar niemand. Wie zich vernedert--ja, wie zich vernedert.... Gewis, ook mijne ure zal slaan! Daar boven vind ik ze allen weder: Petrus en Dorothea, Agapitus en de broeders, die mij thans niet welkom willen heeten. En als dan mijn Jezus mij wenkt, dan zullen zij zien wie ik ben, en naar mij toevliegen, en mij dubbel vriendelijk begroeten."