Homo sum: Roman

Part 11

Chapter 114,036 wordsPublic domain

De centurio was dicht bij de zestig, en zijn lichaam, dat eens krachtig mocht heeten, maar door uitspattingen van allerlei aard geheel ontzenuwd was, bleek niet langer in staat om aan de inspanning en de aandoeningen van dezen nacht weerstand te bieden. De magere, gespierde, zeer bewegelijke man gevoelde gewoonlijk zulk eene verslapping slechts overdag, terwijl er na zonsondergang bij den grijzen krijgsman, die alleen gedurende de uitoefening zijner dienstplichten het voorkomen had van een kloek soldaat, eene merkbare verandering plaats greep. Want dan verhieven zich zijne zware oogleden, die anders de oogappels bijna geheel bedekten; dan trok zich zijne slaphangende onderlip krachtig samen; de lange hals, waarop het smalle langwerpige hoofd rustte, rekte zich uit, en wanneer hij laat in den avond uitging naar eene drinkpartij of om Mithras te dienen, zou men hem nog een flink, jeugdig en onverzwakt man hebben kunnen noemen.

Doch ook in zijn roes was hij niet vroolijk, maar onstuimig, pochend en luidruchtig. Dikwijls overviel hem te midden zijner drinkebroers, eer hij het gelag verliet, diezelfde inzinking van krachten, waardoor hij Sirona vaak den schrik op het lijf had gejaagd, en waarvoor hij dan alleen niet te vreezen had, wanneer hij in dienst aan de spits zijner soldaten stond. De hartstochtelijke lange man zag er in zulke oogenblikken van onmacht afzichtelijk uit, want dan werd zijn traankleurig gelaat doodsbleek, dan scheen zijne rug gebroken en elk lid uit het gewricht te zijn. Zijne oogappels alleen bleven voortdurend in beweging, en nu en dan beefde zijn lichaam, als dat van iemand die door de koude bevangen is. Zijne lieden zeiden, wanneer de centurio in zulk een toestand geraakte, dat zijn bleeke demon in hem was gevaren en hijzelf geloofde aan zulk een boozen geest en vreesde dien. Ja, hij had beproefd door heidensche geestenbanners en zelfs door christelijke duivelbezweerders zich daarvan te bevrijden.

Hij zat nu in de donkere kamer op het schaapsvel, dat hij, om zijne vrouw nog meer smaad aan te doen, op een harde houten bank had uitgespreid. Zijne handen en voeten rilden, zijne oogen gloeiden, en hij voelde zelfs de kracht niet om een vinger te verroeren. Zijne lippen alleen vertrokken zich, terwijl hij in zijne verbeelding terugzag op een lang vervlogen verleden, dat zich in steeds scherper trekken aan hem voordeed.

"Had ik," zoo dacht hij, "na dat onzinnig loopen door de oase, dat geen jongere mij zoo spoedig zal nadoen, aan mijne woede den teugel gevierd, in plaats van mij met geweld in te houden, dan zou die demon zich niet zoo gemakkelijk van mij hebben meester gemaakt. Hoe vonkelden de oogen van die duivelin, die Mirjam, toen zij mij zeide, dat een man mij bedroog! Zij heeft hem die deze vacht droeg zeker gezien, doch vóor ik de oase bereikte verloor ik haar uit het oog. Ik geloof dat zij omkeerde en den berg weder is opgestegen. Wat mag Sirona haar toch wel gedaan hebben? Die vrouw weet anders met hare oogen harten te vangen, gelijk een vogelaar de vogels met zijne fluit. Wat hebben die heertjes in Rome haar nageloopen! Zou zij mij daar ook al bedrogen hebben? Den legaat Quintillus, die mij gaarne een gunst zou hebben bewezen, en wiens vijandschap ik aan deze gekkin te danken heb, heeft zij afgewezen. Doch hij was nog ouder dan ik, en zij houd zeker meer van jongere. Zij is als de rest; dat had ik, domkop, moeten weten! Zoo gaat het in de wereld: heden deelt men klappen uit, en morgen wordt men zelf geslagen."

De centurio vertrok de lippen tot een weemoedig lachje. Vervolgens kwam er sombere ernst in zijne gelaatstrekken, want duidelijk verschenen er allerlei beelden voor zijne ziel, die hem minder welkom waren, en die hij toch niet geheel van zich kon zetten. Het geweten van den Galliër stond in omgekeerde verhouding tot zijne lichaamskracht. Als het hem goedging, dan had hij met zijn verleden, dat zoo rijk was aan donkere vlekken, weinig te stellen, maar wanneer de zwakheid hem overmande, wist hij den boozen demon niet te keeren, die hem dwong zich juist zulke feiten met pijnlijke duidelijkheid voor den geest te brengen, die hij liefst vergeten wilde. Zoo moest hij in deze ure aan zijn vriendelijken weldoener en krijgsoverste, den tribuun Servianus en zijne schoone vrouw denken, die hij door duizende kunsten had verleid om echtgenoot en kind te verlaten, en met hem de wijde wereld in te vluchten. Op dit oogenblik beeldde hij zich in, dat hijzelf de tribuun Servianus was en toch tegelijk Phoebicius. Al de smart, het naamloos lijden, dat zijn bedrogen weldoener aan hem te danken had gehad, nadat hij hem Glycera, zijne vrouw, had ontroofd, moest hij thans doorworstelen, en de vijand die hem, Servianus, bedroog, was bovendien, dit gevoelde hij, geen ander dan Phoebicius zelf. Hij zocht zich te verweren en zon op wraak tegen den verleider, en toch verloor hij daarbij niet geheel en al het bewustzijn van zijn eigen persoon.

De verwarring van al die schijnbeelden, waarin hij te vergeefs eenige klaarheid zocht te brengen, dreigde hem krankzinnig te maken, en hij slaakte een luide zucht. Het geluid zijner eigene stem bracht hem in de werkelijkheid terug. Hij was Phoebicius en geen ander, dat wist hij nu, en toch gelukte het hem nog niet geheel en al zich in de werkelijkheid te huis te gevoelen. Het beeld van de schoone Glycera, die hem naar Alexandrië gevolgd was, en die hij daar had verlaten, nadat hij zijn laatste stuk geld en hare kostbare sieraden in de Grieksche stad verbrast had, verscheen niet alleen telkens weder voor zijne oogen, maar altijd en altijd weder naast dat van zijne vrouw Sirona. Glycera was een droefgeestig liefje geweest, dat veel had geweend en weinig gelachen, sedert zij haren echtgenoot had verlaten. Hij meende thans ook zachte verwijten van hare lippen te hooren, terwijl Sirona hem met luide bedreigingen tegemoet was gekomen, en het gewaagd had den zoon van den senator, Polycarpus, door beloften tot zich te lokken. De afgematte droomer, verzamelde in woede al zijne krachten, balde de vuisten en stond dreigend op.

Deze beweging was het eerste teeken, dat de veerkracht van zijn lichaam begon terug te keeren, en nadat hij, evenals iemand die uit den slaap wakker wordt, zijne leden had uitgerekt en zijne oogen uitgewreven, drukte hij de handen tegen zijne slapen. Langzamerhand kwam hij weder tot zijn volle bewustzijn, en begon hij zich te herinneren, wat hij in de laatste uren had doorleefd. Hij verliet nu dadelijk het donkere vertrek, versterkte zich in de keuken met een teug wijn, en plaatste zich voor het open venster om naar de sterren te zien.

Het uur van middernacht was lang voorbij. Hij dacht aan zijn gezellen, die thans op den berg offerden, en richtte een lang gebed "tot de kroon," "den onoverwinnelijken zonnegod," "het groote licht," "den god uit de rots," of hoe hij Mithras ook noemde. Want sedert hij behoorde tot de ingewijden van deze godheid, was hij bijzonder ijverig geworden in het gebed, en kon hij het vasten buitengewoon lang uithouden. Hij had reeds vele van de tachtig proeven doorgestaan, waaraan ieder zich onderwerpen moest, die in een hoogeren graad wilde opgenomen worden, en de zwakte, die hem ook heden overmeesterde, had hij voor het eerst ondervonden, toen hij, om den leeuwengraad te ontvangen, zich dagelijks gedurende eene gansche week uren lang in de sneeuw had neergelegd, om daarop ten strengste te vasten. Sirona's gezond verstand had een afkeer van al deze oefeningen, en daar zij beslist weigerde daaraan deel te nemen, was de kloof nog grooter geworden, die haar van haar gemaal scheidde. Het was Phoebicius op zijn manier echter volkomen ernst met al deze dingen, want daardoor alleen kon hij zich losmaken van sombere herinneringen, en van de vrees voor eene vergelding van zijne daden, als zijne laatste ure zou slaan, terwijl Sirona juist uit de herinnering aan vroeger dagen haar besten troost en de kracht putte, om het droevig heden blijmoedig te dragen en de hoop op beter tijden vast te houden.

Phoebicius voleindigde heden zijn gebed om kracht, opdat hij de trots van zijne vrouw mocht breken en het hem gelukken mocht zich op haren verleider te wreken, zonder overhaasting en met inachtneming van alle voorgeschreven vormen. Vervolgens nam hij twee stevige touwen van den wand, richtte zich in al zijne lengte zoo fier op, als moest hij zijne soldaten vóor den slag moed inspreken, kuchte als een redenaar op het forum, alvorens zijne voordracht te beginnen, en overschreed met waardigheid den drempel van de slaapkamer.

Hij waande zich zoo zeker van zijne zaak, dat zelfs de geringste gedachte aan de mogelijkheid van eene ontvluchting niet bij hem opkwam, toen hij, aangezien Sirona niet in het slaapvertrek was, de woonkamer inging, ten einde de straf, die hij haar had toegedacht, aan haar te voltrekken. Doch ook hier vond hij niemand. Hij bleef verbaasd stilstaan; maar het denkbeeld dat zij ontvlucht kon zijn kwam hem zoo dwaas voor, dat hij het terstond weder uit zijn hoofd zette.

Voorzeker, zij vreesde zijn toorn en hield zich onder het bed verborgen of achter het gordijn dat zijne kleederen bedekte. "Het hazenwindje," dacht hij, "kruipt thans dicht bij haar," en daarom begon hij half te fluiten, half te sissen, op eene manier die Jambe altijd hinderde en het beest aanleiding gaf hem nijdig aan te blaffen. Doch te vergeefs. Alles bleef stil in het verlaten vertrek, doodstil.

Hij werd nu ernstig bezorgd. Hij lichtte eerst voorzichtig, daarna met steeds sneller en zenuwachtiger beweging onder elk meubel, in iederen hoek, achter elk gordijn, en zocht haar zelfs op zulke plaatsen, die voor geen kind, ja ter nauwernood voor een vervolgden vogel voldoende zouden geweest zijn om zich te verbergen. Eindelijk ontgleden de touwen aan zijne rechterhand, en de linker die het lampje vasthield begon te beven.

Hij vond de luiken van het venster der slaapkamer geopend, en daarvóor een stoel, waarop Sirona, alvorens Hermas was gekomen, in het maanlicht had zitten kijken. "Hier dus," prevelde hij, schoof de lamp op het nachttafeltje, waarvan hij het glas van Polycarpus had afgeworpen, rukte de deur open en vloog den hof in. Dat zij op straat zou zijn gesprongen, en in den nacht den weg op en de woestijn in gevlucht zou zijn, kon hij zich nog maar altijd niet voorstellen.

Hij trok aan de deur, die de hoeve afsloot, maar vond deze gesloten. De wachthonden ontwaakten en sloegen aan, toen Phoebicius zijne schreden richtte naar het huis van Petrus, en met den koperen klopper aan de poort eerst zacht, en vervolgens in boosheid steeds harder begon te slaan. Hij hield zich overtuigd, dat zijne vrouw bij den senator bescherming gezocht en gevonden had.

Hij had het van woede en smart wel kunnen uitschreeuwen, en toch dacht hij nauwelijks aan zijne vrouw en het gevaar van haar te verliezen, maar aan Polycarpus en den smaad hem door dezen aangedaan, aan de wraak die hij wilde nemen op dezen en zijne ouders, die het gewaagd hadden de rechten van zijn huis, van een keizerlijken centurio te schenden. Wat kon hem Sirona schelen? In de opwelling van het oogenblik had hij overmoedig zijn lot aan het hare geketend. Twee jaren geleden was een zijner kameraden te Arelate bij hem gekomen, en had verteld, terwijl hij in den kring zijner vrienden zat te drinken, dat hij getuige was geweest van een merkwaardig tooneel. Een aantal jongens hadden een knaap omsingeld en dezen gruwelijk geslagen; waarom, dat wist hij niet. De kleine had zich dapper geweerd, maar moest voor de overmacht zwichten. Plotseling, zoo vertelde de soldaat, ging de deur open van een huis in de nabijheid van den circus. Een meisje met lange blonde haren stormde naar buiten, joeg al die jongens op de vlucht en bevrijdde den mishandelde, haar broeder, van zijne kwelgeesten. "Het meisje zag er uit als eene leeuwin," had hij die het verhaalde uitgeroepen. "Zij heet Sirona, en onder de mooie meisjes van Arelate is zij zonder twijfel de schoonste."

Die woorden werden door velen der aanwezigen bevestigd. Doch Phoebicius, die toen juist onder de Mithras-vereerders den graad van leeuw had verkregen, en zich gaarne "leeuw" hoorde noemen, zeide: "Ik zoek reeds naar eene leeuwin, thans heb ik haar, meen ik, gevonden. Phoebicius en Sirona dat zijn twee namen, die heerlijk samen passen!" Den volgenden dag vroeg hij haar aan haren vader tot vrouw, en daar hij binnen weinige dagen naar Rome moest vertrekken, werd de bruiloft in haast gevierd. Zij had Arelate nooit verlaten, en wist dus niet wat zij prijs gaf, toen zij het ouderlijk huis misschien voor altijd vaarwel zeide. Phoebicius vond zijne jonge vrouw in Rome terug. Mochten daar velen zijne schoone gade bewonderen en zich in haar gunst trachten te dringen, voor hem was zij toch maar een schat, die hij zich gemakkelijk verworven had, en waaraan hij dus weinig waarde hechtte; ja, die hij weldra beschouwde als een lastig sieraad, dat moeielijk te bewaken was.

Toen de schoone vrouw ook de aandacht had getrokken van zijn legaat, beproefde hij haar dienstbaar te maken aan zijn eigenbelang, en door haar bevordering te erlangen; doch Sirona had Quintillus zoo beleedigend en zonder genade afgewezen, dat de legaat den centurio vijandig werd, en zijne verplaatsing naar de afgelegene oase, die met eene verbanning gelijk stond, wist te bewerken. Sedert dien tijd beschouwde hij haar als zijne vijandin, en meende hij, dat zij met voordacht zich het vriendelijkst toonde jegens hen, die hem een afkeer inboezemden. Onder hen waaraan hij het meest hekel had, rekende hij ook Polycarpus.

Wederom viel de klopper op Petrus' deur. Thans ging zij open en de senator stond met eene lamp in de hand tegenover den woedenden centurio.

ELFDE HOOFDSTUK.

De arme Paulus zat voor de deur van den senator op een steenen bank en beefde van de koude, want hoe meer de morgen naderde, des te killer werd de nachtlucht, en hij was zoo gewend aan zijn warm schaapsvel, dat hij aan Hermas geschonken had. Hij hield den sleutel van de kerk, dien hij volgens zijne belofte aan den deurwaarder bij Petrus zou afgeven, in de hand, en durfde de slapenden niet wekken.

"Wat is dit een zonderlinge nacht!" prevelde hij in zichzelven, terwijl hij zijn gescheurd onderkleed dichter om zijne leden trok. "Doch al was het warmer en zat ik, in plaats van in dezen doorschijnenden lap, in een zak vol vederen, dan zou mij toch eene koude rilling door de leden varen, wanneer de helsche geesten, die hier ronddwalen, mij nog eens tegenkwamen. Nu heb ik het met eigene oogen gezien. Uit de oase vliegen de demonen in vrouwelijke gestalte den berg op, om ons in den slaap te kwellen en te verleiden. Wat toch dat vliegend spook in dat witte kleed met die loshangende haren wel in de armen hield? Misschien den steen, die het, als wij het nachtmerrie hebben, ons op de borst wentelt. Die andere scheen wel te vliegen, maar vleugels heb ik toch niet gezien.--In dit zijgebouw woont zeker de Galliër met zijne eerbare vrouw, die den armen Hermas in hare strikken heeft gevangen. Zou zij werkelijk zoo schoon zijn? Doch wat weet die jongen, die te midden van rotsen is opgegroeid, van de aanvalligheid der vrouwen! De eerste de beste, die hem vriendelijk aanzag, heeft hij zeker voor de schoonste gehouden. Zij is bovendien blond en dus een zeldzame vogel onder al die bruin geblakerde tweebeenige woestijnproducten. De centurio heeft stellig het schaapsvel nog niet gevonden, anders zou het hier zoo stil niet zijn. Terwijl ik hier zit te wachten heeft eens een ezel gebalkt, eens een kameel gebruld, en daar kraait reeds de eerste haan. Maar ik heb nog geen geluid uit een menschelijken mond vernomen, niet eens het snorken van den grooten senator en zijne lieve vrouw Dorothea, en het zou toch wel wonder zijn als beiden niet snorkten."

Hij stond op en ging aan het venster van Phoebicius' woning staan, om te luisteren door de half geopende luiken; doch bij de Galliërs was alles stil.

Een uur geleden had Mirjam geluisterd naar hetgeen er in Sirona's woning voorviel. Zij was, nadat zij het verraad gepleegd had, Phoebicius van verre gevolgd, en door den stal in den hof van den senator geslopen. Zij moest weten wat daar binnen voorviel en welk lot de woedende Galliër Hermas en Sirona zou doen ondergaan. Zij was op alles voorbereid, en de gedachte dat de centurio misschien tegen beiden het zwaard zou hebben getrokken, vervulde haar met een gevoel van bitterzoet welgevallen.

Thans zag zij licht door de opening van de luiken, die maar even tegen elkander waren geslagen. Zij verwijderde de houten blinden voorzichtig van elkaar, en trok zich daaraan met alle kracht op, terwijl zij haar naakten voet tegen den muur zette. Daar zag zij Sirona op haar bed overeind zitten, en tegenover haar den Galliër met vertrokken gelaatstrekken. Vóor zijne voeten lag het schaapsvel. De doodsbleeke man hield de brandende lamp in zijne rechterhand. Het licht viel op het plaveisel vóor het bed van Sirona, en weerspiegelde juist een groote donkerroode vlek. "Dat is bloed," dacht zij huiverend, en sloot de oogen.

Toen zij ze weder opsloeg zag zij, hoe de Gallische met gloeiende wangen het aangezicht naar haren echtgenoot keerde. Zij was ongedeerd; maar Hermas?--"Dat is zijn bloed," klonk het in hare gemartelde ziel, "en ik moordenares, heb dat vergoten!"

Hare handen lieten de luiken los; hare voeten betraden weder het plaveisel van den hof en in vreeselijken zielsangst liep zij langs den weg dien zij gekomen was, naar buiten den berg op. Zij gevoelde dat zij eerder aan verscheurende panters, aan de nachtvorst, aan honger en dorst weerstand zou kunnen bieden, dan dat zij, met zulk een schuld op het geweten, vrouw Dorothea, den senator en Marthana onder de oogen zou hebben durven komen. De vluchtende Mirjam was een der spookgestalten, die Paulus zulk een schrik hadden aangejaagd.

De geduldige Anachoreet zat weder op de steenen bank en dacht: "De vorst doet mij toch pijn. Zulk een wollig schaapsvel is inderdaad eene heerlijke bezitting! Maar de Heiland heeft gansch andere smarten dan deze gedragen, en waarom anders heb ik de wereld vaarwel gezegd, dan om hem na te volgen en door hier alle lijden geduldig te ondergaan, mij voor te bereiden tot de zaligheid hier namaals? Waar de engelen zweven heeft men geene armzalige bokkenhuid meer noodig, en ditmaal heb ik mij niet van zelfzucht te beschuldigen, want ik lijd waarachtig voor anderen, ik bevries ter wille van Hermas en om den ouden man smarten te besparen. Ik wilde wel dat het nog kouder was; ja ik zal.... ik zal zeker nooit.... neen nooit weer een pels over mijne schouders hangen!"

Paulus bewoog het hoofd, als wilde hij zichzelven een teeken van bijval geven; doch weldra vertoonde zijn gelaat hooger ernst, want hij meende weder op een doolweg te zijn. "Daar brengt men nu een handvol goeds tot stand," dacht hij, "en tegelijk wordt ons hart vervuld met eene kemelslading trots. Wat klapperen mij de tanden; ik ben toch maar een ellendig wezen! Hoe gevoelde ik mij te midden van al mijne overdenkingen en aarzelingen toch gestreeld, toen die van Raïthoe kwamen, om mij de waardigheid van presbyter aan te bieden! Toen ik voor het eerst met een vierspan overwon, ja, toen heb ik luide gejubeld; maar ik was zeker niet opgeblazener dan bij deze jongste opdracht. Hoe velen denken den Heiland na te volgen, terwijl zij toch alleen naar hunne eigene verheerlijking streven! De vernedering besparen zij zich liever. Gij, Allerhoogste, wees gij mijn getuige! Ik zoek u ernstig, maar zoodra de doornen mij verwonden, worden alle mijne bloeddruppels tot rozen; en droog ik ze af, dan komen anderen en werpen kransen voor mij op den weg.--Ik geloof dat het even moeielijk is op aarde lijden te vinden zonder vreugde, als blijdschap zonder smart.

Zoo dacht hij, terwijl hij klappertandde van de koude; doch hij werd in zijne overpeinzingen gestoord, want de honden begonnen luide te blaffen. Phoebicius klopte juist aan de poort van den senator.

Paulus stond op en liep naar de poort van Petrus' hof. Geen woord van hetgeen daar gesproken werd ontging hem. De zware stem was die van den senator, die scherpe hooge stem moest wel van den centurio zijn. De laatste verlangde van den eerste zijne vrouw terug, die hij in zijn huis verborgen hield, terwijl Petrus ten stelligste verzekerde, dat Sirona sedert gisteren morgen zijn drempel niet betreden had. Niettegenstaande zijn huurder op heftigen en verbolgen toon tot hem sprak, bleef de senator toch volkomen bedaard en verwijderde zich weldra, om zijne vrouw te vragen, of zij misschien ook, terwijl hij sliep, voor de ontvluchte het huis geopend had. Paulus hoorde hoe de krijgsman in den hof onrustig op en neder liep, doch haastig stilstond, toen vrouw Dorothea met haren echtgenoot voor de deur kwam, en ook van hare zijde bepaald verklaarde, dat zij niets van Sirona wist.

"Des te beter," viel Phoebicius haar in de rede, "zal uw zoon Polycarpus op de hoogte zijn van hare schuilplaats."

"Mijn zoon bevindt zich sedert gisteren voor zaken te Raïthoe," antwoordde Petrus op een toon, die geen twijfel overliet, en deze verdenking onbepaald afwees. "Wij verwachten hem eerst heden terug."

"Dan schijnt hij zich toch gehaast te hebben en vroeger teruggekeerd te zijn," zeide Phoebicius. "Het was geen geheim, dat wij ons gereedmaakten om het offerfeest op den berg te vieren, en de afwezigheid van den heer des huizes lokt de dieven uit tot inbraak, vooral de verliefde, die rozen werpen in de vensters hunner schoonen. Gij, christenen, beroemt u het huwelijk heilig te achten, maar het schijnt mij toe, dat gij dit alleen toepast op uwe geloofsgenooten. Bij de vrouw van een heiden mogen uwe zonen hun geluk beproeven; het is maar de vraag, of de heidensche echtgenoot met zich laat spelen of niet. Wat mij betreft, ik ben alles behalve genegen zulk een grap te verdragen, en verklaar u, dat ik het kleed des keizers niet draag, om het te laten beschimpen, dat ik voornemens ben uw huis te onderzoeken, en wanneer ik de vrouw, die zoo schandelijk haar plicht vergat, en uw zoon ten uwent vind, dat ik hem en u voor den rechter zal dagen, om met den verleider te handelen overeenkomstig hetgeen ik recht heb te vorderen."

"Gij zoudt vruchteloos zoeken," antwoordde Petrus, terwijl hij zich met moeite beheerschte. "Mijn woord is 'ja' of 'neen', en ik herhaal hier nog eens: Neen, wij herbergen én haar én hem niet. Noch Dorothea noch ik zijn geneigd ons in uwe aangelegenheden te mengen, maar wij dulden ook niet, dat een ander, wie hij ook zij, zich met onze aangelegenheden bemoeit. Deze drempel wordt alleen overschreden door hem aan wien ik dit wil toestaan, of door den rechter des keizers, voor wien ik wijken moet. U verbied ik het, en ik zeg nog eens: Sirona is niet bij ons, en gij zoudt beter doen haar elders te zoeken, dan hier uw tijd te verspillen."

"Ik heb uw raad niet noodig," riep de centurio driftig.

"En ik," hernam Petrus, "voel mij allerminst geroepen, om uwe huiselijke oneenigheden te beslechten. Ook zonder onze hulp zult gij Sirona wel terugkrijgen, maar het is altijd moeielijker zijne vrouw aan huis te binden, dan haar te vangen wanneer zij weggeloopen is."

"Gij zult ondervinden wie ik ben," dreigde de centurio, en sloeg een blik op de slaven, die zich in den hof verzameld hadden, en waarheen zich ook Antonius, de oudste zoon van den senator, begeven had. "Ik roep onverwijld mijne lieden samen, en wanneer gij den verleider verbergt, zal ik hem beletten te ontvluchten."

"Wacht nog een uur," sprak Dorothea nu, terwijl zij de hand greep van haar echtgenoot, die zichzelven niet meer meester was, "en dan zult gij Polycarpus op den hengst zijns vaders zien terugkeeren. Hebben u die rozen, die mijn zoon in het venster wierp van uwe vrouw, omdat zij zoo aardig kon spelen met zijne broertjes en zusjes, op de gedachte gebracht, dat hij haar verleider is, of zijn er nog andere gronden, die u bewegen hem en ons met zulk eene zware beschuldiging te treffen?"