Part 10
Het lamplicht deed nu ook Sirona's edele gestalte uit het duister te voorschijn komen. Toen zij daar zoo in al hare schoonheid, met blozende wangen, voor hem stond, begon het hart van den jonkman sneller te kloppen. Opnieuw ontwaakte zijne stoutheid en breidde hij zijne armen uit om haar te omvatten. Doch de Gallische ging voor hem uit den weg, trad achter de tafel, legde hare handen op het gepolijste blad, en verweet hem, door dit meubel als door een schild beschut, op schier moederlijken toon, zijne meer dan vrije, aanmatigende, ja onpassende handelwijze. Iemand die het vrouwelijk hart kent, zou over deze woorden, uit dezen mond en in dit uur, geglimlacht hebben, doch Hermas sloeg schaamrood de oogen neder, en was niet in staat een enkel woord tegen te spreken.
Bij de Gallische had eene groote verandering plaats gegrepen. Zij gevoelde zich trotsch op hare deugd, op de overwinning die zij over zichzelve had behaald, en wenschte, terwijl zij zich vermeide in den glans harer eigene voortreffelijkheid, dat ook Hermas deze mocht opmerken en erkennen. Zij begon hem onder het oog te brengen, hoeveel zij in de oase te ontbeeren en te lijden had, en sprak over de eerbaarheid en de plichten van de vrouw, en de slechtheid en vermetelheid der mannen. Hermas, zeide zij, was niet beter dan de rest, en omdat zij goed voor hem was geweest, daarom meende hij reeds een recht op haar hart te hebben. Daarin bedroog hij zich echter zeer, en als de hof maar vrij was, zou ze hem reeds lang de deur hebben gewezen.
De jonge kluizenaar luisterde maar half naar hare woorden, want zijne aandacht werd geboeid door de voor hem liggende wapenrusting van Phoebicius, die aan zijne hartstochtelijke aandoeningen eene nieuwe richting gaf. Onwillekeurig strekte hij zijne hand uit naar den blinkenden helm, en viel de schoone spreekster in de rede met de vraag: "Mag ik hem opzetten?"
Toen lachte Sirona. Zij riep vroolijk en in eene geheel andere stemming: "Neem hem maar! Gij zoudt wel een soldaat willen zijn?--Wat staat hij u goed!--Doe nu die leelijke schaapsvacht eens af en laat zien hoe een Anachoreet er als centurio uitziet."
Hermas liet zich dit geen tweemaal zeggen. Hij kleedde zich met de wapenrusting van den Galliër, en Sirona hielp hem daarbij.
Het moet toch wel treurig met ons menschen gesteld zijn! Hoe komt het anders, dat wij reeds van onze jeugd zulk een groote lust plegen te hebben in verkleedingen, dat is in het prijsgeven van onzen eigen persoon ten gunste van een ander, wiens gestalte wij borgen? Dit moeielijk te verklaren genot deelt het kind met den wijze, en de ernstige man, die het zou willen veroordeelen, zou daarom juist geen wijze zijn. Want wie zich geheel en al van elke dwaasheid wil onthouden, is des te zekerder een dwaas, naarmate hij het minder meent te zijn. Met name voor de vrouwen heeft het verkleeden van anderen iets buitengemeen bekoorlijks. Men mag dikwijls vragen wie meer geniet, de kamerjuffer die hare meesteres tooit, of de met zooveel kostbaarheden opgesierde gebiedster.
Sirona hield van elke vermomming. Indien men naar een grond had moeten zoeken, waarom de kinderen en kleinkinderen van den senator haar zoo liefhadden, dat had men zeker niet in de laatste plaats mogen noemen dat zij zich door dezen gewillig en in opgeruimde stemming met bontkleurige doeken, linten en bloemen liet opsieren, en dat zij van hare zijde ook de kunst verstond, om de allergrappigste verkleedingen uit te denken.
Zoodra zij Hermas met den helm voor zich zag staan, bekroop haar de lust om de vermomming, die hijzelf begonnen was, te voltooien. Geheel onbezorgd was zij ijverig in de weer om de wapenrok recht te trekken. Zij hielp hem het pantser dichtgespen en het zwaard vastmaken. Onder dezen arbeid, waarbij de Anachoreet zich tamelijk onbeholpen aanstelde, klonk telkens haar buitengemeen gulle en vroolijke lach. Zoodra hij, hetgeen trouwens nog al eens gebeurde, hare hand zocht te grijpen, tikte zij hem gevoelig op de vingers en zette hem met een krachtig woord op zijn plaats.
Hermas' verlegenheid verdween al meer en meer bij dit genoeglijk spel, en weldra begon hij haar mede te deelen, hoe hij dat eenzame leven op den berg verafschuwde. Hij vertelde haar, dat Petrus zelf hem geraden had zijne kracht in de wereld te beproeven, en deelde haar in vertrouwen mede, dat hij, als zijn vader genezen zou zijn, soldaat wilde worden en roemrijke daden verrichten. Zij betuigde hare ingenomenheid met dit besluit, prees hem en wekte hem er nog meer toe op. Dan weder berispte zij zijne linksche houding, toonde hem met komischen ernst hoe een krijgsman moet staan en gaan, noemde zich zijn drilmeester, en verlustigde zich in den ijver, waarmede hij zich bereid toonde haar in alles na te volgen.
Met dit spel vloog de tijd om. Hermas gevoelde zich trotsch in zijn soldaten-uniform, en gelukkig door hare tegenwoordigheid en in het uitzicht op zijne toekomstige daden. Sirona was echter zoo opgeruimd als anders bij het spelen met de kinderen, en zelfs de rauwe kreet van Mirjam, dien de jonkman voor het gekras van een nachtuil had gehouden, kon haar slechts voor een oogenblik herinneren aan het dreigend gevaar, waaraan zij zich blootstelde.
De slaven van Petrus waren reeds lang ter ruste gegaan, toen het spel met Hermas haar begon te vermoeien, en zij hem beval de wapenrusting van haar man af te leggen en haar te verlaten.
Hermas gehoorzaamde, terwijl zij het vensterluik, dat op de straat uitkwam, voorzichtig opende, en zich tot hem omkeerende zeide: "Gij moogt niet door den hof, door dit venster moet gij naar buiten. Doch daar komt iemand de straat op. Laat hem eerst voorbijgaan. Het zal wel niet lang duren, want hij schijnt haast te hebben."
Zeer voorzichtig trok zij het luik naar zich toe en lachte weder, toen zij zag hoe onbeholpen Hermas te werk ging bij het losgespen der scheenplaten. Maar op hare vroolijke lippen bestierf weldra het lachen, toen de tuindeur openvloog, en zij de stem van haar echtgenoot herkende, die de honden het stilzwijgen oplegde.
"Voort, voort, om aller goden wil!" riep zij met bevende stem, doofde de lamp uit, met eene snelle tegenwoordigheid van geest, die de natuur aan zwakke vrouwen als wapen heeft verleend, wanneer zich plotseling een gevaar opdoet, drong Hermas naar het venster en stiet de luiken open. De jonkman sprong, zonder haar vaarwel te zeggen, met een vaart op den weg, en vloog, achtervolgd door het geblaf der honden, die hij in alle huizen deed ontwaken, de straat op in de richting van het kerkje.
Hij was nog niet halverwege gekomen, toen eene mannelijke gedaante hem tegemoet kwam. Angstig sprong hij in de schaduw van een huis, maar de nachtwandelaar verhaastte nu zijne schreden en kwam recht op hem af. Toen begon hij opnieuw te loopen. De andere vervolgde hem echter en bleef hem op de hielen, tot hij buiten het bereik der huizen was gekomen, en het bergpad betreden had. Hermas gevoelde, dat hij vlugger was dan zijn vervolger, en maakte reeds aanstalte om over een rotsblok te springen, dat hem in den weg lag, toen hij hoorde dat hij bij zijn naam werd geroepen. Hij bleef staan, want hij had in de stem van den man voor wien hij vluchtte, die van den goeden Paulus herkend.
"Gij zijt het dus," zeide de Alexandrijn, en snakte kuchend naar adem. "Ja, gij zijt vlugger dan ik. De jaren hangen lood aan de voeten. Doch weet gij wat u zulke snelle vleugels verleent? Gij hebt het zooeven ondervonden. Ik bedoel een slecht geweten. Van het uwe is bijzonder veel fraais te vertellen! De honden blaften het luid genoeg uit in den nacht!"
"Laat ze blaffen," antwoordde Hermas trotsch, en zocht zich te vergeefs los te wringen uit de sterke hand van den Anachoreet, die hem vasthield. "Ik heb niets kwaads gedaan!"
"Gij zult niet begeeren uws naasten vrouw," hernam Paulus met hoogen ernst op zijn zwaren toon. "Gij zijt bij de schoone vrouw van den centurio geweest, en uwe samenkomst is gestoord. Waar is uw schaapsvel?"
Hermas verschrikte, greep naar zijn schouder en riep, terwijl hij zich met de hand voor het voorhoofd sloeg: "Barmhartige hemel, ik liet het bij haar liggen. Nu zal die wreedaard het vinden?"
"Heeft hij u zelven dan niet gezien?" vroeg Paulus met ijverige belangstelling.
"Neen, stellig niet," zeide Hermas zuchtend, "maar dat vel..."
"Zoo, zoo," prevelde Paulus. "Uwe zonde wordt daardoor niet kleiner. Maar er dient toch iets gedaan te worden. Denk eens, als dit uw vader ter oore kwam, het zou hem het leven kunnen kosten."
"En de arme Sirona!" zuchtte Hermas.
"Laat dat maar aan mij over," vervolgde Paulus. "Met haar zal ik den arm wel in 't lid brengen. Daar, neem mijn schaapsvel.--Gij wilt niet? Waarlijk, wie zich niet ontziet den echt te breken, die maakt er ook geen gewetenszaak van den moordenaar zijns vaders te worden.--Zóo is het goed! Hier aan den schouder wordt het saamgebonden. En gij zult het noodig hebben, want gij moet van hier weg. Niet voor slechts heden en morgen. Gij verlangdet zoo om de wereld in te gaan; nu zult gij er een proef van kunnen geven, of gij waarlijk in staat zijt op eigen beenen te staan. Gij gaat eerst naar Raïthoe en brengt daar mijn groet aan den vromen Nikon. Deel hem mede, dat ik op den berg moet blijven; want in mijn langdurig gebed in de kerk ben ik te weten gekomen, dat ik niet waardig ben het ambt van presbyter, dat zij mij hebben opgedragen, te aanvaarden. Vervolgens laat gij u door een schipper over de Roode zee zetten, en zwerft rond langs den Egyptischen oever. Daar aan de overzijde hebben zich troepen Blemmyers vertoond, die gij in het oog moet houden. Zoodra die wilde gezellen beproeven over te steken, om ons opnieuw te overvallen, moet gij de wacht op den bergtop waarschuwen. Hoe gij de zee weder over en hen vóor komt, dat is uw zaak. Acht gij u zelven dapper en omzichtig genoeg om deze taak te volbrengen?--Ja?--Dat had ik verwacht! Nu, zoo moge de Heer met u zijn. Voor uw vader zal ik zorgen; zijn zegen en die uwer moeder zullen u geleiden, wanneer gij oprecht berouw toont en thans uw plicht doet."
"Gij zult ondervinden dat ik een man ben," riep Hermas, en zijne oogen vonkelden. "Mijn boog en mijne pijlen liggen in uw hol; ik ga ze halen, en dan.... Nu, gij zult het wel zien, of gij den rechten bode hebt uitgezonden. Groet mijn vader en geef hem nog eenmaal de hand."
Paulus vatte den jongeling bij de rechterhand, trok hem naar zich toe en kuste zijn voorhoofd met vaderlijke teederheid. Daarop zeide hij: "In mijn hol, onder den groenen steen naast den haard, vindt gij zes goudstukken. Neem daarvan drie op de reis mede. Misschien zult gij ze noodig hebben, al ware het alleen voor de schippers. Nu, maak dat gij in tijds te Raïthoe zijt!"
Hermas vloog den berg op, geheel vervuld van de moeielijke taak, die hem was opgedragen. Het heerlijk vooruitzicht van de belangrijke daden die door hem verricht zouden worden, verduisterde de herinnering aan de schoone Gallische. Ook was hij zoo gewoon op het verstandig inzicht en de goedheid van Paulus te vertrouwen, dat hij niet meer voor Sirona vreesde, sedert zijn vriend hare zaak tot de zijne had gemaakt.
De Alexandrijn zag hem na en deed een kort gebed. Toen ging hij naar het dal. Het middernachtelijk uur was lang voorbij. Bij het dalen der maan werd het al koeler en koeler, en sedert hij Hermas zijn vacht had gegeven, droeg hij niets dan zijn doorzichtig onderkleed. Toch liep hij langzaam en bleef dikwijls staan de armen bewegende en daarbij onsamenhangende woorden in zichzelven sprekende. Hij dacht aan Hermas en Sirona, aan zijne eigene jeugd, en hoe hij te Alexandrië bij de donkere Aso en de blonde Simaïtha aan de luiken had geklopt.
"Dat kind, die jongen," prevelde hij: "wie had dat wel gedacht? Die Gallische moet wel zeer mooi zijn, en hij--waarachtig, toen hij met de schijf wierp, was ik zelf verbaasd over zijn heerlijken lichaamsbouw. En zijne oogen! Ja, zijne oogen zijn die van Magdalena. Had de Galliër hem bij zijne vrouw gevonden en hem zijn zwaard door het hart gejaagd, dan zou hij straffeloos zijn geweest voor aardsche rechters. Doch zijn vader bleef dit leed bespaard. In de afzondering, zoo meende de oude man, kon de wereld en hare verleiding zijn lieveling niet bereiken. Maar thans? Deze braambezie, dacht ik eens, verdroogt op den bodem en schiet nooit op tot de kroon van den palm, waar de dadel rijpt. Daar kwam een vogel aangevlogen, plukte de bezie, en droeg haar in zijn nest boven op den top van den boom.
"Wie kan de wegen van een ander richten en heden zeggen: Zoo en niet anders zal ik hem morgen zien?--Wij dwazen trekken ons in de eenzaamheid terug om de wereld te vergeten, en de wereld volgt ons achterna en blijft aan onze hielen hangen. Waar is de schaar, die de schaduw van onze voeten afsnijdt? Hoe heet het gebed, dat in staat zal zijn ons, zinnelijke menschen, van het vleesch geheel te verlossen? Mijn Heiland, gij Eenige, die dit hebt kunnen doen, leer het ook mij, den armste van alle armen!"
TIENDE HOOFDSTUK.
Weinige oogenblikken nadat Hermas uit het venster van den centurio op straat was gesprongen, trad Phoebicius zijn slaapvertrek binnen.
Sirona had nog even tijd gevonden, om zich te bed te begeven. Zij was zeer angstig en lag zich neder met haar gezicht naar den wand. Zou hij wel weten dat iemand bij haar geweest was? En wie kon haar verraden en hem gewaarschuwd hebben? Kwam hij misschien maar bij toeval vroeger dan anders van het feest terug?
Het was donker in haar vertrek en hij kon haar niet onderkennen. Toch sloot zij de oogen alsof zij sliep, want zelfs het kleinste onderdeel van een oogenblik, waarin zij hem niet in zijne woede behoefde te zien, scheen haar een geschenk toe. Daarbij klopte haar hart zoo onstuimig, dat zij niet anders denken kon of hij moest het hooren, toen hij met den hem eigenen zachten tred hare legerstede naderde. Zij hoorde hoe hij nu hier- dan daarheen liep, en eindelijk in de aan het slaapvertrek grenzende keuken ging. Spoedig daarop nam zij met hare half geslotene oogen een schijnsel van licht waar.
Hij had aan den haard een lampje opgestoken, en zocht nu in beide vertrekken rond. Hij had haar nog niet geroepen, noch een enkel woord gezegd. Thans was hij in het woonvertrek en opeens--onwillekeurig trok zij hare leden samen en haalde het dek over haar hoofd--opeens barstte hij in lachen uit, zoo luid en honend, dat zij gevoelde hoe hare handen en voeten al kouder werden, terwijl het haar was alsof een purperrood doorschijnend gordijn voor hare oogen op en neder werd getrokken.
Wederom werd het helder in het slaapvertrek, en het licht kwam al nader en nader. Zij gevoelde op haar hoofd de aanraking van zijne hand, en met een kreet trok zij het dek weg en richtte zich op.
Hij sprak nog altijd geen woord, maar wat zij zag was wel geschikt, om de laatste vonk van moed en hoop in haar uit te dooven. Want alleen het wit zijner oogen was merkbaar; zijn geelachtig gelaat was doodsbleek en op zijn voorhoofd kwam het ingedrukte Mithras' teeken duidelijker uit dan anders. In zijne rechterhand hield hij de lamp en in de linker het schaapsvel van Hermas.
Toen zijn starre blik haar trof, hield hij haar het wollig Anachoreten-kleed zoo dicht voor het gelaat, dat zij het voelde. Vervolgens wierp hij het met kracht op den grond, en vroeg op doffen heeschen toon: "Wat is dat?"
Zij zweeg; doch hij liep op het beddetafeltje toe, waarop haar nachtdrank stond in een schoon gekleurd glas, dat Polycarpus haar als een aandenken van zijne reis naar Alexandrië had medegebracht, en streek het met de achterzijde van zijne hand daar af, zoodat het rinkelend in scherven op den grond viel. Zij gaf een gil; het hondje sprong op haar bed en begon tegen den Galliër te blaffen.
Daar greep hij het diertje hij den halsband en slingerde het met zooveel geweld in de kamer, dat het jammerlijk begon te huilen.
Reeds als meisje had Sirona het hondje bezeten. Het was haar naar Rome en in de oase gevolgd. Het was met teederheid aan haar gehecht en zij aan dit diertje; want Jambe liet zich door niemand zoo gaarne liefkozen en streelen als door haar. Zij was zoo vaak alleen, maar het hazenwindje was steeds bij haar. Het hield haar bezig, niet alleen door kunstjes, die men gewoon is aan honden te leeren, neen, het was voor haar een lieve, stomme maar volstrekt niet doove metgezel uit haar vaderland, die de ooren spitste, wanneer zij de namen noemde van hare lieve kleine broertjes en zusjes in het verre Arelate, van welke zij sedert een jaar niets had vernomen; die haar ook droevig aanzag en hare blanke handen lekte, wanneer het heimwee de tranen in hare oogen deed wellen. In haar eenzaam, ledig, kinderloos leven was Jambe veel, zeer veel, en toen zij zag hoe deze trouwe metgezel en vriend werd mishandeld en huilend naar hare legerstede kroop; hoe het diertje vergeefs alle krachten inspande, om in haar schoot bescherming te zoeken; hoe het bevend zijn gekwetste, misschien gebroken pootje al kermend naar haar uitstak; toen week alle vrees uit het hart der beangstigde jonge vrouw. Zij sprong van haar bed op, nam het hondje in hare armen, en zeide met een blik, waarin Phoebicius alles behalve vrees of berouw kon lezen: "Raak het diertje niet weder aan; dit raad ik u!"
"Ik zal het morgen verzuipen," antwoordde Phoebicius zeer gelaten, maar met een boosaardig lachje om den ingevallen mond. "Er komen zooveel tweebeenige vrijers in mijn huis, dat ik niet inzie waarom ik uwe liefde nog met een vierbeenigen deelen zal. Hoe komt dit schaapsvel hier?"
Sirona verwaardigde zich niet hem op de laatste vraag een antwoord te geven, maar riep op verbolgen toon: "Bij uw god en de Mithras-rots en alle goden! Als gij dit dier eenig leed aandoet, ben ik den langsten tijd bij u geweest!"
"Kijk nu eens aan!" antwoordde de centurio. "Waar gaat de reis naar toe? De woestijn is groot en daar is ruimte genoeg om te versmachten en voor verbleekende beenderen. Wat zouden uwe vrijers van verdriet wegkwijnen! Om hunnentwil zal ik, alvorens den hond te verzuipen, de meesteres moeten opsluiten."
"Waag het mij aan te roeren!" riep Sirona buiten zichzelve, en liep naar het venster. "Als gij slechts een vinger naar mij uitsteekt roep ik om hulp, en vrouw Dorothea en haar echtgenoot zullen mij tegen u beschermen."
"Juist," hernam Phoebicius droogjes. "Dat zou u bevallen, wanneer gij daarover onder éen dak kondet huizen met dien knaap, die u gekleurde drinkglazen medebrengt, die u rozen in het venster werpt, en daarmede misschien den weg heeft bestrooid, waarlangs hij heden tot u wist te komen. Maar er zijn nog wetten, die een Romeinsch burger voor inbrekers en onbeschaamde verleiders beschermen. Ge waart me reeds veel te veel in het huis daarover en dat spelen met die kleine schreeuwleelijken heeft toch alleen gediend, om dien opgeschoten jongen, dien rozenstrooier, dien pronkhaan te ontmoeten, die om uwentwil en om niet herkend te worden, over zijn purperen kleed een schaapsvel heeft gehangen. Ja, ge moet mij verliefde nachtwandelaars en vrouwen leeren kennen! Ik doorzie u allen. Gij zult voortaan geen voet meer over den drempel van Petrus zetten. Daar is het open venster! Schreeuw nu maar zooveel ge wilt en brengt zelve uwe schande onder de menschen. Het was mijn voornemen eerst morgen dit schaapsvel naar den rechter te brengen. Thans ga ik heen om het kamertje achter de keuken voor u in orde te maken. Dat heeft geen venster waardoor men mij schapenvachten in mijn huis kan dragen. Daar zult gij wonen, totdat gij gedwee wordt en mij de voeten kust, en gebiecht zult hebben wat heden nacht hier gebeurd is. Door de slaven van den senator, dat weet ik, zal ik niets te weten komen, want gij hebt hun het hoofd op hol gebracht. Zij schreeuwen van pleizier, als zij u zien. U zijn alle vrienden even welkom, al dragen zij ook maar een schaapsvel. Laten ze doen wat ze willen, ik heb de rechte wachters voor u gevonden. Nu ga ik heen. Schreeuw maar gerust; maar het zou mij toch wel zoo aangenaam zijn, wanneer ge u rustig hieldt. Over dien hond hebben wij het laatste woord nog niet gesproken. Ik wil het beest hier houden. Zijt gij rustig en komt gij tot rede, dan mag hij wat mij betreft leven. Maar blijft gij weerspannig, dan is er ras een strik en een steen te vinden, en de beek vloeit daar omlaag. Ik spot nooit en heden allerminst."
Sirona verkeerde in de grootste spanning. Zij hijgde naar adem, beefde over al haar leden, maar was niet in staat een woord uit te brengen.
Phoebicius zag wat er bij haar omging en sprak: "Maak u nu maar boos, doch er komt eene ure, waarin gij, evenals uw lamme hond, naar mij toe kruipen en mij om genade bedelen zult. Maar wacht, daar rijst een ander denkbeeld bij mij op. Gij hebt eene legerstede noodig in het donker kamertje, en die moet zacht zijn, anders schelden uwe vrijers mij uit. Ik zal daar het schaapsvel voor u spreiden. Gij ziet dus hoe ik de geschenken van uwe aanbidders weet te eeren!"
De Galliër barstte in lachen uit, raapte het kluizenaarskleed op en begaf zich daarmede en met de lamp in het donker vertrek achter de keuken, waarin thans huisraad en provisiën van allerlei aard bewaard werden, die hij opruimde, om het tot eene slaapkamer in te richten voor zijne vrouw, van wier schuld hij zich overtuigd hield. Hij wist niet wie de man was, ter wille van wien zij hem bedrogen had, want Mirjam had hem alleen deze woorden gezegd: "Ga naar huis; daar lacht uwe vrouw met haar lief."
Onder de laatste bedreigingen van haar echtgenoot had Sirona reeds tot zichzelve gezegd, dat zij liever wilde sterven dan langer met zulk een man samenleven. Het kwam niet bij haar op, dat zijzelve niet geheel vrij van schuld was. Wie strenger bestraft wordt dan hij verdient, vergeet licht zijn eigen misdrijf door de fout van den rechter.
Phoebicius had gelijk. Noch Petrus, noch Dorothea bezaten de macht, haar tegen hem, den Romeinschen burger in bescherming te nemen. Als zij zichzelve niet hielp, was zij eene gevangene, en zonder lucht, licht en vrijheid kon zij niet leven. Door de laatste dreigende woorden van haar echtgenoot was haar besluit tot rijpheid gekomen, en nauwelijks had hij den drempel overschreden en haar den rug toegekeerd, of zij vloog naar hare legerstede, wond het bevend hondje in het laken, nam het als een kind op den arm, en liep met haren lichten last naar het woonvertrek. Daar stonden de luiken van het venster nog open, waardoor Hermas een goed heenkomen had gezocht. Door middel van een stoel nam zij denzelfden weg, en liet zich van de borstwering op straat neerglijden. Zonder een bepaald doel, of te weten waarheen, maar alleen vervuld van den wensch om eene opsluiting in dat duister vertrek te ontgaan, en elken band te verscheuren, die haar verbond aan dien gehaten man, liep zij in de richting van den kerkheuvel naar den weg, die over den berg naar zee leidde.
Phoebicius gaf haar ruimschoots gelegenheid hem vooruit te komen, want nadat hij het donkere vertrek achter de keuken tot eene gevangenis had ingericht, bleef hij daar nog zeer lang vertoeven, niet om haar tijd te geven tot nadenken, noch om te overpeinzen welk eene houding hij verder tegenover haar zou aannemen, maar omdat hij gevoelde dat zijne krachten waren uitgeput.