Holland en de oorlog

Part 4

Chapter 43,798 wordsPublic domain

Stel een koopman voor dat hij niet voor zijn winst werkt, maar uit menschlievendheid. Hij zal dan dadelijk antwoorden dat hij zou ophouden koopman te zijn, en dus maar liever filantroop wil worden. Evenzoo kan men een staatsman niet vragen humanitair te zijn.

Ieder vredes-apostel, die tevens staatsman is, zal, zoodra de uiterste verantwoordlijkheid jegens zijn land van hem gevergd wordt, genoodzaakt zijn aftetreden, niet zoozeer onder drang van de omstandigheden, als wegens de onmogelijkheid te ontkomen aan het dilemma in zijn geweten. Hij kan niet twee heeren dienen: de staat en de menschheid.

Dit uitzicht schijnt waarlijk troosteloos, en dat is het ook, zooals iedere zuiver-idëeele verwachting, gezien de onmogelijkheid haar te verwerklijken, tot troosteloosheid stemt.

De humanitaire verwachting kan niet verwerkelijkt worden door of in de staten: zij kan het alleen, en is het, zoodra zij haar eigen vorm schept: de gemeenschap waarin de staten zijn opgenomen.

De vraag is niet of staatslieden een vrede kunnen bewerken die aan sommige menschheids-bedoelingen beantwoordt. Zij zullen dat doen voor zoover hun staat oppermachtig blijft, en met de bijgedachte dat te gelegener tijd nood wet zal breken. Maar de vraag is, of zich een menschheid vormen zal die aan de staten haar gezag oplegt. Of staatslieden daartoe zullen medewerken, betwijfel ik.

VII

KLEINE STATEN EN HET NIEUWE GELOOF

Niet van de staten, maar van de bevolkingen uit, groeit een nieuwe menschheid. Zooals vroeger de godsdiensten groeiden, van hart tot hart, over alle grenzen, door de staatsmacht bestreden, totdat ze die macht veroverden, en dienstbaar maakten aan hun doeleinden. Niet het best dus in de groote rijken, waar de staat zeer sterk is, maar eer in de kleine, waar iedere vrijheid speling heeft, kan het geloof aan die menschheid zich ontwikkelen, en, van daar uit, de wereld wijzigen.

_10–17 Juni 1915._

EUROPEESCHE GEDACHTEN

I

België is nu al tweemaal een gevaarlijke steen geweest. In 1830, toen de vloed van een staatkundige vrijheid in Europa opzette, is Nederland, zich stootend tegen België, en gebonden aan de staatkunde van Willem I, genoodzaakt geweest behoudziek te zijn en te blijven. In 1914 is Duitschland, midden in het tij van de sociale vrijheid, door zich te vergrijpen aan België, plotseling de tegenstander geworden van de geheele wereld, uitgesloten uit haar gemeenschap, en de vertegenwoordiger van een enkel-vaderlandsche gezindheid.

II

Indien Frankrijk, gedurende de oorlog, haar staatkundige republiek in een sociale veranderde, zou ze aan het hoofd staan van de sociale beweging in de heele wereld.

Zou het zoo onmogelijk zijn? Een fransch schrijver, Marcel Barrière, schreef in 1911: „D'un sincère examen de notre état politique il résulte, à mes yeux, que jamais, même dans l'avenir le plus lointain, n'éclatera entre la France et l'Allemagne une guerre ayant pour objet, pour motif déclaré, de notre part, la révision du traité de Francfort.” Nochtans—„toute idée de revanche écartée, le risque d'une guerre franco-allemande, d'ailleurs forcée de s'étendre à l'Europe entière, grandit d'année en année.” De reden daarvoor zag deze schrijver in de natuurlijke vijandschap tusschen de duitsche en oostenrijksche regeeringen èn Frankrijk, erfgenaam van de Revolutie.

De reden waarom de oorlog uitbrak was een andere. Maar het zou niet bevreemden als dergelijke uitingen in Frankrijk toenamen. De vraag is dan enkel of de geest van de Revolutie zoozeer herleven zal dat hij de leiding neemt.

III

Als Engeland algemeene dienstplicht invoert, is die dan dezelfde als de duitsche? Of is het persoonlijk vrijheidsgevoel er zoo sterk, is de invloed van het volk op de regeering er zoo gevorderd, dat de maatregel er eer een sociale zal zijn dan een staatkundige? Het zou niet de eerste maal zijn dat daar te lande de konservatieven een wet maakten die in haar werking demokratisch was.

IV

Het is niet mogelijk aan deze oorlog een ideëele zin te geven, tenzij hij een strijd wordt tusschen de sociale idee en de imperialistische. Zelfs de duitsche Rijkskanselier gevoelt dit, als hij zegt te strijden voor de vrije zee en de vrije ontwikkeling van de volken. Wat is dat beweren anders dan een poging de rol, die Duitschland door aanleg en omstandigheden is toegevallen, af te wentelen op zijn tegenpartij,—dan een verklaring dat in het denkbeeld van wereldgemeenschap een grooter kracht schuilt dan in dat van wereldheerschappij.

V

Voortgezette oorlog kan niets anders teweegbrengen dan opstand van de volken. Wij leven nog altijd in het tijdperk dat begonnen is met 1780. Achter al onze overleggingen slaapt of waakt voortdurend die droom van een vrije menschelijke gemeenschap. Staten en klassen en instellingen zijn er overheen gebouwd. Maar wat hem verhulde, wat hem in alle landen vergeten liet, was wel voornamelijk de overweging van eigen vaderlandsch welvaren. Raakt dat ten einde, wordt de onhoudbaarheid van het stelsel dat ons gebonden heeft, voor allen duidelijk, dan zal één sein volstaan om hem te doen oprijzen, om ons al het andere te doen geringachten voor dit Eene......

VI

Poëzie is waarlijk geen kind van weelde. Juist in nood en ellende weten de droomen van de dichters de menschen weg te trekken en te bewegen tot daden. Alleen omdat de toestand in Rome zoo onduldbaar was, kon door Cola Rienzi de poëzie een tijdlang daad worden, werkelijke de wereld regeerende daad. Een korte tijd maar, omdat altijd het verband van belangen dat de wereld is, zich weer aaneensluit en zijn eigen wegen gaat.

VII

Hadden we vóór de oorlog ooit de mogelijkheid verondersteld van een arm Europa? Toch is de voorstelling nu niet langer denkbeeldig. Al de opgespaarde schatten worden gebruikt om middelen te maken tot verwoesting van nog meer schatten. Zij die schatten voortbrachten worden gedood of dooden anderen die schatten voortbrachten. Millioenen mannen zijn werkloos, grondstoffen worden niet gekweekt of niet aangevoerd, handen komen te kort om te voorzien in het verbruik van volken en legers. Schaarste is in elk land merkbaar, zuinigheid het wachtwoord van de rijkeren. En de armeren—zij wassen in aantal en armoede. We voelen nu hun last nog niet. Zij moeten geholpen worden, zoover het gaat dan, bij wijze van noodhulp, tijdens de oorlog. Maar straks, wie weet na hoelang, als de oorlog geëindigd is, zal de hulp eerst recht noodig zijn. Dan zal het gebrek, dat we ons nu nog verheimelijken, ons aangrijnzen. Zelfs de oorlogswinsten blijken dan schijnbaar. De personen die ze maakten, zullen toch niet verwachten dat een noodlijdend Europa ze hun laten zal?

VIII

Wanneer een staat een zoodanig lot heeft getroffen als België, dan krijgt hij in de verbeelding van de volken een gestalte die onverwoestbaar is. Het België dat koning Albert aan de IJzer handhaaft is inderdaad een van de onuitroeibaarste kleine scheppingen, die het ooit de Geschiedenis behaagd heeft voort te brengen. Het geeft niet of wij, tijdgenooten, lettend op de werkelijkheid, in de Belgen enkel een nietig en dan nog verdeeld volkje zien, weinig vaderlandlievend, achterlijk in zijn onderwijs, van allesbehalve oorspronkelijke ontwikkeling, en dat, hoewel even moedig als anderen, nooit door de deugd van krijgshaftigheid heeft uitgemunt. Het vertrapte, onder de voet geloopen België, plotseling aan de IJzer zijn laatste vaandel opheffend, en met gelukkige uitslag weerstand biedend aan het sterkste leger dat de machtige veroveraar ertegen kon afzenden, blijft een beeld dat de menschheid zich nooit ontrooven laat. Koning Albert, in wie dat België zich vertegenwoordigd ziet, trekt alle profijt daarvan. Koningin Elizabeth, achter de linie tot de gewonden gaand en ze met eigen handen verzorgend, voegt aan de voorstelling elementen toe die nú al de vorm aannamen van europeesche legenden. Men zou wenschen dat alle Belgen, ook zij die, opgesloten in het veroverde land als in een kerker, in de herinnering terugziend, hun vroegere regeering haten, hun oogen met deze vizioenen niet alleen eens troostten maar er de beteekenis van inzagen. De oorlogvoerende volken ondergaan er de kracht van en zij zal zich, bij hun regeeringen, nog omzetten in eene, niet enkel dichterlijk, maar die in daden een bevrijd België en zijn koningshuis ten goede komt. Dit zou dan een zeldzaam teeken zijn van hoe zich de poëzie ook thans nog op de lichtbewogen en voor verbeelding toegankelijke menschheid haar invloed weet te verzekeren.

IX

Inwoners van oorlogvoerende landen, zij zelf die wenschten dat België zijn onzijdigheid had kunnen handhaven, beklagen zich soms dat wij Hollanders het de onze doen. In een strijd betrokken die hun heilig is, kunnen zij het maar noode gedoogen dat wij niet wagen, vinden zij het minderwaardig dat wij de rust genieten en haar voordeelen, en zouden zij verlangen dat ook wij aan de oorlog deelnamen.

Maar wat is er tusschen hen en ons voor onderscheid? Zij strijden, omdat het niet anders kon. Wij wapenden ons, om, als het niet anders kan, te strijden. Streden zij, voordat het noodig was? Tenzij misschien.. maar zelfs van Italië zijn wij huiverig te gelooven dat het deed wat het laten kon. In elk geval moeten zijn regeerders zelf de noodzaak hebben ingezien. De onze doen dat niet. Niemand doet het hier. En toch is het gevoel waarmee de oorlog hier wordt aangezien geen onverschilligheid, geen nuchtere berekening, en ook niet onvoorwaardelijke vredelievendheid of lafhartige vrees. Het vaderlandsche gevoel is hier oneindig sterker dan in België. Bij het overschrijden van onze grenzen zou er met volle toestemming van al onze landgenooten oorlog zijn.

Ook dan evenwel, zouden wij niet een vermeerdering van geestdrift voelen, maar eer een vermindering. Onze vaderlandsche zelfstandigheid zouden wij dan, gedwongen, verdedigen; maar onze geestdrift geldt niet deze, maar de volkeren-gemeenschap waarin wij geleefd hebben, die wij langzamerhand zich zagen verwerklijken, waarvan wij hoopten dat zij zich zou bevestigen.

Zooals gij allen nu, strijdende volken, zouden wij oorlogend hopen dat er vrede kwam en dat de grondslagen van die gemeenschap werden versterkt.

_Augustus 1915._

OP DE GRENS VAN DE WERELDSTORM

I

Weinig of geen talent hebben en luid schreeuwen is waarlijk niet iets bizonders: hoeveel vaderlanders, hoeveel partijgangers zijn er niet zoo in bewogen tijden. Aan het feit dat zij namens een menigte spreken ontleenen zij, in hun eigen oogen en vaak ook in die van anderen, een gezag dat niemand hun op grond van hun persoonlijke verdienste zou willen toekennen.

II

De moedigste man in Duitschland is nu Liebknecht. Het zou mij niet verbazen als zijn medeleden van de Rijksdag hem voor waanzinnig hielden. Zij bespotten en hoonen hem. Zij leggen er nadruk op dat hij onder hen allen de eenige is die een eigen meening heeft. Zij maken hem het spreken onmogelijk en weigeren zijn vragen te beantwoorden. Zonder twijfel zijn er onder hen sommigen die vroeger zijn vrienden waren, anderen die hij wegens hun talent of karakter hoogschatte. Het oordeel van zulken kan hem niet onverschillig zijn. Nochtans, zoodra een spreker uitroept: wij zijn het allen er over eens dat wij ons op Engeland wreken moeten, zegt hij rustig: Neen, niet allen. Er is waarlijk moed noodig om te midden van de woedende tierende bende die toen de Rijksdag was, dit woord te spreken. En niet de moed van een waanzinnige. Het maakt immers op ieder onbevangen buitenstaander de indruk het eenige wijze, en misschien wel edele woord te zijn, dat daar op dat oogenblik te spreken viel. Want van tweeën een: de beschuldiging tegen Engeland die bij deze gelegenheid zoo'n bizondere woede opwekte, was waar of niet waar. Daar ze geenszins bewezen werd, is ook het laatste mogelijk. Deze overweging alleen al rechtvaardigt Liebknechts onthouding en stempelt zijn woord tot het eenig wijze. Maar nemen we aan dat ze waar is, ja zelfs dat ze reeds voldingend bewezen is waar te zijn. De Engelschen hebben dan iets gedaan dat rechtmatige woede opwekt. Het gevolg is dat de Duitschers wraakroepen. Wat zou Jezus gezegd hebben? „Wie uwer zonder zonde is....” Liebknecht onthoudt zich en ik ben zeker dat hij er wijs aan deed. Of gelooft hij, met zijn medeleden, dat de Duitschers menschelijk, maar de Engelschen onmenschelijk oorlogvoeren? In dat geval was zijn tegenstand meer dan wijs, was ze edel, want dan stelde hij zijn persoonlijk belang, de voldoening van zedelijke of vaderlandsche gekrenktheid, achter bij het algemeenere van een gewenschte vrede.

III

Wij gaan naar de vrede, niet als er in de bevolkingen een drang naar vrede ontstaat, maar als de regeerders begrijpen dat het geweld niet langer helpt.

Het eerste teeken van dit inzicht in Duitschland was het gedwongen aftreden van Von Tirpitz. Toen deze bestuurder van de duitsche zeemacht de vraag naar een meer of minder van oorlogsgeweld ter sprake bracht, stemde zijn regeering voor minder, en dit was de eerste duidelijke daad waarvan de gang naar de vrede dagteekent. Het gevolg ervan zal onvermijdelijk zijn dat de oorlogzuchtige elementen in het rijk zich tegen haar keeren en dat zij zal moeten steunen op de vreedzame.

Een tweede teeken was de rede die Bethmann Hollweg 5 April in de Rijksdag gehouden heeft. Hij noemde vredesvoorwaarden en hij deed dit nadrukkelijk in antwoord op de voorwaarden die onlangs de engelsche minister Asquith gesteld had. Het treffende was nu dat zijn eischen, naar duitsche begrippen, het minste waren wat hij vragen kon. Polen en de oostzee-provinciën niet weer russisch, België niet onder fransche of engelsche invloed. Van de vrije zee werd niet gerept. Met verscherping van de eischen, in geval de vrede niet spoedig tot stand kwam, werd dit keer niet, zooals een vorige keer, gedreigd. Men moet erkennen dat Duitschland werkelijk niet veel minder vragen kon zonder toe te geven dat het overwonnen was. Het spreekt niettemin vanzelf dat het zijn eisch niet zal zien ingewilligd.

Dat een belangrijk deel van de sociaal-demokratische volksvertegenwoordigers gemeend heeft zich te moeten afscheiden, bewijst—zooals zij ook verklaarden—dat de oorlog hun, en met hen een groot deel van het duitsche volk, als door Duitschland niet gewonnen en niet winbaar voorkomt. Zij handelen niet, gelijk Liebknecht, als vredesvrienden en rechtsverdedigers, maar als nuchtere verstandige kenners van het dagelijksch leven. Het spel is niet langer winbaar, zeggen ze;—laat ons het opgeven.

Hun overige partijgenooten in de Rijksdag verschillen op dit stuk misschien niet veel van hen in meening, maar zij zien dat de regeering naar de vrede gaat en zij willen aan haar zij blijven. Als de oorlogzuchtiger groepen de eischen door hun uitlegging trachten te verscherpen, dan kunnen zij ze tot hun oorspronkelijke bedoeling terugbrengen en als de regeering genoopt zal zijn ze te verzachten, haar daarbij dienen. Zij denken als Rijksdagleden en willen het voordeel regeeringspartij te heeten, niet lichtvaardig opgeven. In hun hart kunnen zij nu dankbaar zijn dat de afgescheiden genooten, en het volk achter deze, hun een aanleiding verschaffen om de noodzakelijkheid te betoogen van gematigdheid,—al doen ze dat dan binnenkamers.

IV

Het zou niet vreemd zijn als de Tubantia en de Palembang getorpedeerd waren door duitsche duikbooten en de duitsche regeering dit toch niet erkennen wou. Er zou alleen uit blijken dat Bethmann Hollweg—daargelaten of hij die daden goedkeurde—de verantwoordelijkheid ervoor niet dragen wil, en ook geen kans ziet ze aftewentelen op iemand anders.

V

Er wordt ons dezer dagen voortdurend gezegd dat wij vertrouwen moeten stellen in onze regeering. Het feit is dat dit menigeen moeilijk valt. Van ons legerbestuur is teveel slechts bekend en van onze burgerlijke bestuurders is niet gebleken dat zij goede regeerders zijn. Wij kunnen alleen bidden om een Man die ons dat vertrouwen geven zal en voorts tegenover iedere verklaring van buitenlandsche regeeringen volslagen argwanend zijn. Wij leven namelijk in een draaikolk, niet alleen van geruchten, maar ook van opzettelijke en noodzakelijke leugens. Als ten slotte, zooals denkbaar is, ook ten opzichte van ons de Macht beslissen moet, dan zou het dwaasheid zijn te gelooven dat deze zich zal aankondigen door woorden. Zij zal zich van woorden alleen bedienen om haar bedoelingen zoo lang mogelijk te maskeeren. Daartegenover kan men niets doen dan eigen macht saamtetrekken en te vergrooten. Dat die macht in verhouding tot de tegenpartij klein is, kan die noodzakelijkheid niet verminderen. Ze maakt haar integendeel grooter en dringender. Iedere macht trouwens, ook de kleinste, is gevaarlijk, als zij op het juiste oogenblik en op de juiste plaats wordt ingezet.

VI

Het is een verontrustende gedachte dat op een zeker oogenblik—als namelijk de oorlog uitbreekt—de groepeering van de volkskrachten plotseling een verschuiving ondergaat. Het leger komt vooraan, nijverheid, levensmiddelenvoorziening, handel, verkeer en bankwezen treden in dienst ervan. De beschaafde volken zijn niet daarop ingericht. Allerminst wij Hollanders. Duitschland alleen maakt een uitzondering. Daarom onderscheiden wij het als militaristisch.

VII

Een troost is dat volken die in oorlog een verkeerde toestand zien, niet minder weerbaar gebleken zijn dan het volk dat hem vereerde en geleerd had onder alle omstandigheden met hem te rekenen. Er volgt uit dat oorlogvereering zelfs tot het voeren van een oorlog overbodig is.

VIII

Een jonge vriend schreef mij: ik zou het een schande achten als wij aan de zijde van Duitschland vochten. Hij ging daarbij uit van de gedachte dat Engeland ons zou aanvallen en Duitschland ons bij zou staan. Dit laatste zou zeker graag zoo doen: het zou ons zelfs graag willen bijstaan tegen een niet gebeurende maar door Duitschland als mogelijk voorgestelde engelsche aanval. Het was de oud-minister Colijn die dit onlangs opmerkte. Bijstand evenwel kan aangeboden, maar moet ook aanvaard worden. Dan eerst wordt hij werkelijkheid. En nu spreekt het immers vanzelf—alleen kan het geen kwaad eraan te herinneren—dat de nederlandsche regeering, in geval wij door de eene partij worden aangevallen, niet klakkeloos de hulp zal aanvaarden van de andere. België _moest_ zulk een hulp aannemen, omdat zijn onzijdigheid gewaarborgd was. Wij hebben die verplichting niet en kunnen ons dus afvragen of gewapende steun van de eene of van de andere partij ons dienen zou.

Overigens—wel verre van een duitsch leger tot ons te trekken, besparen wij de Duitschers door onze houding een leger, dat nu in Frankrijk blijft.

IX

Engelsche accountants op onze kantoren—wat zou Potgieter getoornd hebben! Want dat engelsche schepen onze brievenmalen van boord halen, dat de duitsche regeering haar fabrikanten dwingt tot kontraktbreuk die in ons nadeel is, dat duitsche duikbooten onze schepen torpedeeren,—dit zijn schaden die wij niet zouden kunnen afwenden. Maar in het engelsche toezicht op onze handel en voortbrenging is veel dat we niet hoefden te dulden als het niet was uit winzucht,—en waarvan de regeering niet dulden moest _dat_ we het dulden.

X

Van Willem III, onze laatste koning, wordt verteld dat hij met zijn tuinman zijn tuin op Soestdijk bezichtigde, toen daar een vreemdeling binnenkwam. Wat moet die kerel daar? vroeg hij. Want hij hield er niet van dat vreemden zonder verlof op zijn grond liepen. St, Sire! zei de tuinman, dat is een klant. Majesteit zweeg, want hij hield er ook niet van dat hij met zijn overscharige vruchten zitten bleef. Ons gaat het nu evenzoo. Wij zouden de oorlogvoerenden graag van ons erf houden, maar wij kunnen niet verhinderen dat wij met hen als klanten van doen hebben.

XI

Wat is beter, het vertrouwen dat de Duitschers in hun regeering en leger stelden, of ons wantrouwen in de onze? Hun leger was inderdaad voortreffelijk, hun regeering krachtdadig. Zij dachten daarom dat de oorlog in enkele maanden zou eindigen en dat de kosten betaald zouden worden door de vijand. Wij hebben niet zulke groote verwachtingen. Wij vreezen de gevolgen te zien van erge domheden. Misschien zal het meevallen.

XII

Het eenvoudigste voorschrift is dat van de dienstweigeraars. Laat al uw grenzen open. De vijand trekke ze over, beschikke over uw voorraden, hongere u uit of voere u weg naar zijn gevangenkampen, make uw akkers tot slagveld en uw havens tot steunpunten voor zijn vloten, regele bij de vrede uw toestand in binnen- en buitenland. Zelf hebt ge dan de verdienste aan het oorlogsgeweld niet te hebben meegedaan.

Het voorschrift is eenvoudig: wij hebben slechts afstand te doen van ons recht op zelfbepaling en ons beschikbaar te stellen voor uitheemsche geweldenaars. Waarom evenwel maken zij die zoo volstrekt in dienst willen treden van vreemden, bezwaar tegen het dienen van hun volksgemeenschap?

XIII

Menschengemeenschap en volksgemeenschap zijn twee; maar wij moeten ons niet verbeelden dat wij de eene dienen kunnen door de andere te verlaten. Wie zijn volk wil dienen als bestond er geen menschheid, bewijst zijn bekrompenheid. Wie de menschheid wil dienen als behoorde hij niet tot een volk, verraadt zijn ijlhoofdigheid.

XIV

Er zijn oogenblikken waarin men niet loochenen kan tot een volk te behooren. Het zijn zulke waarin het duidelijk is dat men de menschheid niet beter kan baten dan door een trouw deel van zijn volk te zijn. Wie zich dan afsluit, dient niet de menschheid, maar zijn eigen ontwortelde persoonlijkheid.

XV

Toen de oorlog uitbrak deden duitsche bewindhebbers al wat zij konden om te bewijzen dat hij hun was opgedrongen, dat hij onvermijdelijk was, dat zij hem voerden ter verdediging. Dat er waren, dat er hoe langer hoe meer kwamen, die dit niet konden toegeven, die hem zagen als wat hij was, een ongerechtvaardigde aanval, daarop berust het recht van lieden als Liebknecht, die meenen dat zij de menschheid niet kunnen dienen door eensgezind met hun volk te zijn. Hier in Nederland bestaat de besliste wil dat, indien eenigszins vermijdbaar, de oorlog niet door ons gevoerd zal worden. Onze gansche aandacht is gespannen erop, wij wenschen, wij eischen van onze regeering, dat zij zich, zoolang eenigszins doenlijk, onthouden zal, dat zij aanleiding geve noch ergernis, dat zij voor haar eigen geweten en het onze zich vrijhoude van iedere neiging tot aanval. Maar ook het kleinste schepsel verdedigt zich. Ook het nietigste volk moet weten te offeren voor zijn onafhankelijkheid. Als wij allen zeker zijn dat onze onafhankelijkheid wordt aangevallen, dan,—maar dan alleen ook—is oorlog plicht.

XVI

Laten we erkennen dat dienstweigering uit onvermogen om te dooden menschelijk en natuurlijk is. Niets bewijst zoozeer dat de oorlog niet meer bij ons past, als juist de veelvuldigheid van dit onvermogen. Wij deelen het eigenlijk allen. Wij weten dat wij een bajonetgevecht niet zouden kunnen medemaken zonder onszelf voor beesten te houden of voor slachtoffers. Wij vragen ons af hoeveel fijner-besnaarden zich maar liever hebben laten doorsteken dan dat zij het een ander deden.

Het is toch niet aan te nemen dat in de soldaat de mensch geheel door de wrekende vaderlander vervangen wordt.

XVII

Het is overigens waar dat het vergieten van menschebloed tot de gruwelijke daden hoort, die nauwelijks te zoenen zijn. Ieder blijft voor het bloed dat hij gestort heeft persoonlijk aansprakelijk. Het verwijt van zijn nachtdroomen kan niemand hem afnemen. De toespraak van zijn geweten wordt ook door een beroep op het bevel van meerderen niet tot rust gebracht. Werkelijke oorlog wil zeggen dat wij voor ons later leven de last aanvaard hebben van het moordenaarschap.

XVIII

In de opwinding van de oorlog wordt een moord niet geteld—zegt men. Laat ons dan in de kalmte vóór het gevecht de dienstweigering van sommigen niet te gestreng veroordeelen.

XIX