Holland en de oorlog

Part 3

Chapter 33,777 wordsPublic domain

Ik durf dit zeggen zonder de vrees verward te worden met hen die een uitsluitend vasthouden aan het vaderlandsche voorstaan. De toekomst ligt niet in het afgezonderd bestaan van verschillende landen, maar integendeel in hun vrije en onverstoorbare gemeenschap. Honderd maal heb ik dit uitgesproken. Even zeker is het nochtans dat landen zonder krachtige volks-persoonlijkheid zich niet in die gemeenschap zullen kunnen handhaven. Als wij niet overtuigd zijn, en dit tot in het merg van ons gebeente, dat de Nederlanders vóór de zestiende eeuw zich gevormd hebben tot een natie, met eigen taal, eigen karakter, eigen zeden en gebruiken, dat zij in en na die eeuw, gewend aan zelfregeering, onder de eersten gingen behooren in koopmanschap en kunst, in wijsbegeerte en poëzie, in wetenschap en uitvinding, dat zij in de achttiende eeuw een eigenaardig volksbestaan geleid hebben en na hun tijdelijke ondergang langzaam maar zeker zich hersteld tot een volk dat zijn groote gronders niet geheel onwaardig is;—als wij niet vast besloten zijn die overtuiging van onze afkomst en onze kracht te laten gelden tegenover de heele wereld, dan zullen wij in de wereldgemeenschap niet de plaats krijgen waarop wij voelen dat we recht hebben.

Buitenlanders hebben de gewoonte overal waar ze zijn de beteekenis van hun vaderland te laten gelden. Wij alleen doen het niet. Wij zijn bedeesd tegen vreemden, nurks tegen landgenooten. Wij noemen dat bescheidenheid, goede smaak, rustige bezonnenheid die niet in staat is haar weloverwogen oordeel optegeven terwille van vaderlandsche vooroordeelen. Inderdaad is het een gebrek aan moed, aan gulheid en aan welwillend zelfvertrouwen, misschien ons van nature eigen, maar stellig verergerd door het eeuwlange besef van onze kleine verhoudingen en de nietigheid van onze stoffelijke weermacht. Hadden wij die deugden bezeten, dan zou dat besef van onze betrekkelijke machteloosheid ons niet zoozeer hebben neergedrukt, tegen onze groote buurvolken hadden wij minder opgezien en wij zouden, al sedert lang, het gezag van onze beschaving veel hooger in het buitenland hebben doen achten. Wij hadden niet zooveel eerbied betoond voor uitheemsche onbeduidendheid, en niet onze zuurheid bewaard voor inheemsche talenten.

Ik zeg dit niet omdat ik de misprezen handelingen ieder op zichzelf van zooveel beteekenis vind. Zij zijn integendeel de inkt niet waard. Maar zij worden het als symptomen van een laksheid, van een gemis aan veerkracht, die over ons heele eigenlandsch leven haar werking uitstrekt, ons schaadt in ons aanzien en de vrije uitoefening van onze vermogens in het buitenland, en ten slotte zelfs onze volksgemeenschap in haar optreden als staat aantast.

Sedert lang is het een fictie van ons regeeringsbeleid dat de gang van zaken in de wereldhuishouding ons niet aangaat, dat wij alleen maar hebben te zorgen goede vrienden met elk te zijn. Alles goed en wel zoolang wij ook werkelijk geenerlei verplichting hebben tot optreden buiten onze grenzen. Maar hoe nu, als—om maar één voorbeeld te noemen—tientallen van jaren Nederlanders van Noord en Zuid al het mogelijke gedaan hebben om in taal en literatuur en gemeenschap van geestelijk leven elkander te naderen, en de staatkunde zou oorzaak zijn dat dit verband verbroken werd. Zou ook dan nog onze taktiek van van-niets-te-weten kunnen worden voortgezet?

VIII

In de reine helderheid van een vroege en wolkenlooze Paschen komen vele aandoeningen in me samen. Indrukken van een bezoek, de dag tevoren, van oude vrienden. Gedachten aan vriendschap en schoonheid, die ik in deze eigen liefelijke natuur genoten heb. Herinneringen aan juist zulk een Paasch-zondag, vele jaren geleden, toen na weken van haat en ellende onze gang door dit landschap mij de hemel op aarde leek. En langzamerhand was het me of nu ook de last van de oorlog die sedert acht maanden op ons drukt begon licht te worden. Ik kon me voorstellen dat hij geëindigd was, of liever het deed er niet toe of hij gevoerd werd. Er is een sfeer van beschouwing waarin ook de vreeselijkste gebeurtenissen weinig schijnen, alleen beseft worden als tijdelijk. Ook volgende jaren zal het Paschen zijn. Wijzelf of anderen zullen dan weer wandelen door dit schoone landschap. Vriendschap en schoonheid, haat en ellende zullen telkens opnieuw herdacht worden. Menschen zullen in de aarde hun hemel zien.—De oorlog kan personen dooden, tallooze personen, en eindeloos velen nameloos ongelukkig maken. Maar hij kan niet beletten dat altijd weer levenden aan dit eenvoudige geluk deel hebben.

IX

Zooals de menschen, ondergaan ook de volken tijden, waarin de innerlijke onevenredigheden hunkeren naar een uitbarsting. De vaderlander in elk is geprikkeld, aanstonds overprikkeld en wenscht zich te wenden tegen hen die hem inperken. Hij wil vrijheid om zich uit te vieren en zoodra maar de eerste slag gevallen is verkeeren allen in eenzelfde land in een gelijke toestand van bevredigdheid en opwinding. De volksdrift heeft zich ontladen, maar niet om daarmee te eindigen. Als iedere drift verwekt hij daden die zelf weer de drift beïnvloeden.

X

Het was een van onze grootste genietingen te lezen hoe Achilles Hector dóódde niet alleen, maar zijn lijk om Troje sleepte. Waarover beklagen wij ons dan nu?

XI

Wat de magneet voor ijzer is, dat is de oorlog voor onze gedachten. Al versterken wij ons in onszelf en al weten wij dat er iets in ons is, waarop hij geen vat heeft, geheel kunnen wij ons toch niet van hem losmaken. Ook onze onafhankelijkste gedachten voelen zijn aantrekking.

XII

Telkens tegenwoordig als ik lees dat iemand gestorven is, voel ik een verwondering. Hoe is het mogelijk nu te sterven! Ik troost mij dan met de gedachte dat hij er misschien geen spijt van had.

XIII

Toch, terwijl mijn geest zoo in de gebeurtenissen verslonden is, neemt mijn gemoed er minder deel aan dan aan de Boerenoorlog. Is dat omdat ik nu ouder ben? Ik geloof het niet. Het moet wel zoo zijn dat mijn hart daar inniger in betrokken was.

XIV

Een schouwspel, als het ons diep zal ontroeren, moet niet enkel vreeselijk zijn, maar ook sympathisch.

XV

Iedere oorlog laat een neerslag na in de volksverbeelding. Het zijn dan vooral de beslissende voorvallen die onthouden worden. Nu, in heel West-Europa, uit een strijd van acht maanden, misschien alleen de slag aan de Marne.

XVI

Het is de schaarste aan blijvende beslissingen die onze ergernis veroorzaakt. Op een afstand merken wij niets dan een broddelen met menschenlevens.

XVII

Losgelaten menschen beesten te noemen, is een beleediging aan de dierenwereld. Schennen en branden doen enkel menschen.

XVIII

Personen kunnen uitmunten, gezelschappen zijn doorgaans middelmatig, menigten zijn beneden peil. Breng nu menigten, grooter dan ze ooit in het eigen land bijeen waren, over op vijandelijk grondgebied, stel ze daar bloot aan beurtelings woede en vrees, opgewondenheid en neerslachtigheid, honger en tijdelijke verzadiging, uitputting en verveling. Neem in aanmerking dat volkstrots, en minachting voor het vreemde volk, haar van kind af ingegoten, nu op het kookpunt zijn, dat geen van haar leden het verband meer heeft, hetzij van de dagelijksche arbeid die rustig maakt, hetzij van gezin, verwanten en vrienden, stedelijke of landelijke gebruiken en zeden, van al die bindende machten in één woord die een rem zijn op de genotzuchtige aandriften, de zwakkeren nopen in het gareel te blijven, de sterkeren prikkelen tot het geven van een voorbeeld, de bedorvenen noodzaken zich voor te doen als beter dan ze van nature zijn, terwijl dit heele verband vervangen is door alleen de krijgstucht. Stel u voor dat die tucht eens niet gehandhaafd wordt: dat hoogeren niet altijd voortreffelijker zijn dan lageren, dat het soms in het voordeel kan schijnen van de oorlogvoering diegenen van wie men bijwijlen alles vergen moet een poos vrij te laten. Is er wel meer noodig tot het verwekken van toomelooze moedwil en uitgelaten losbandigheid?

XIX

Op het schip van Cooper's Red Rover wordt nu en dan „all hands to mischief” gefloten. De ontspanning loopt zelden goed af.

XX

In de uitdrukking „à la guerre comme à la guerre” hoorden we vroeger een beroep op onze vindingrijkheid en soberheid. Het is waar dat ze ook als een vrijbrief voor baldadigheid verstaan kan worden.

XXI

Er is misschien rust te vinden in de gedachte dat de oorlog onafwendbaar was. Als Engeland vooraf gezegd had dat het Frankrijk helpen zou, was Duitschland mogelijk liever teruggedeinsd. Maar dat zou het niet gekund hebben zonder zich te schaden in Oostenrijk. Geen engelsche regeering evenwel kon zoo iets zeggen zonder het vertrouwen te verliezen van haar eigen landgenooten. Gesteld nochtans dat Engeland zich had uitgesproken en Duitschland zich teruggetrokken. In dat geval zou Duitschland de leiding hebben gelaten aan Engeland en daarmee de vraag _waarom het ging_, alvast, voorloopig tenminste, in voor zichzelf ongunstige zin hebben beantwoord. Die vraag was namelijk juist deze: of voortaan de leiding van de wereldgebeurtenissen aan Engeland of aan Duitschland zijn zou. Dat die vraag in vreedzame onderhandelingen, op voorgang van Engeland aangevangen, ten gunste van Duitschland beslist zou worden, was ondenkbaar. Oorlog bleef dus de eenige oplossing, en dan van de zijde van Duitschland liever dadelijk dan na een vernederende terugtred.

XXII

Wij hopen natuurlijk allen dat de uitkomst van de oorlog een wijze regeling van het wereldverkeer tusschen de volken zijn zal. Aan wie laten wij die regeling liever over: aan Engeland of aan Duitschland?

XXIII

Als de aanhangers van de internationaliteits-idee in deze maanden geleerd hebben het nationale niet te minachten, laat ons dan hopen dat de belijders van het nationalisme tot de erkenning kwamen hoe de oorzaak van deze ontzettende beroeringen in de afwezigheid van een gezonde en duurzame internationaliteit gelegen was en haar doel geen ander dan de schepping daarvan wezen kan.

XXIV

Een eerste invloed die de tijd op ons uitoefent is een verschuiving van de belangstelling. Natuurlijk ook naar de gebeurtenissen: die voelt ieder; maar voor schrijvers is er nog een andere. Sedert twaalf jaar heeft niets me zoo geboeid als het innerlijk van belangwekkende personen. Wat men zou kunnen noemen het portretteeren van hun binnenborst hield me aldoor hartstochtelijk bezig. Het meeleven met hun gevoel, het doorgronden van hun gedachten, het bepalen van hun waarde als vertegenwoordigers van korter of langer durende maatschappelijke en geestelijke stroomingen, en het daarna ontwerpen van een beeld, zoo gelijkend dat zij er zich zelf in herkennen zouden, was al die jaren mijn liefste werkzaamheid. En ook nu nog zijn er die mij geweldig aanlokken. Vincent van Gogh bijvoorbeeld. De ingeschapen kronkel van zijn wezen tempteert me soms om hem te grijpen en bloot te leggen. Maar ik kan het niet. Waardoor? In den beginne misschien omdat de omstandigheden mij verhinderden mijn aandacht te verzamelen en te richten. Evenwel, wat eerst verhindering scheen, werd ten slotte in zichzelf onderwerp. En welk een onderwerp. Een wereld in beweging heeft onze aandacht, onze belangstelling gevangen genomen. Er heeft een verschuiving plaats gehad. Wij zien niet langer de personen, maar de volksgroepen, de volksmenigten. Hoe de mensch wordt, ook de grootste, wanneer hij zich enkel als deel voelt, is het eerste wat ons getroffen heeft. De epidemieën van geestdrift, van haat, van vrees en van woede werden ons begrijpelijk. De lichtgeloovigheid, de zelfverblinding, de onmogelijkheid van helder doorzicht, niet bij enkelingen, maar bij allen gelijkelijk. Doch tegelijkertijd de onloochenbare verheffing die voor velen geboren werd uit dit bad van meegevoel, uit die onderdompeling in stroomen van hulpvaardigheid en vertrouwen. Hoe menigeen, dachten we, die tot nu toe in zijn kleine belang opging, zonder een rest na te laten van schoone menschelijkheid, in zijn eigen ikkigheid tot niets verschrompelend, kan nu gered worden. Hoe velen beklaagden we, die stierven omdat ze geen doel vonden, voor wie dit groote doel een uitkomst geweest zou zijn als het hun krachten in zich verzwolgen had. Want groot is het aantal van hen die uit een waan leven: wat had het uitgemaakt of dezen de waan van een vaderlandsche zending gedeeld hadden? Zij zouden zalig gestorven zijn. Wat ons dan weer bevreemdde was de onevenredigheid tusschen wezen en woorden. Terwijl wij aan de verheffing van het leven niet konden twijfelen, waren de vormen waarmee de menschen aan hun gevoel uitdrukking gaven, geesteloos. Zij zongen de oude zinlooze of sentimenteele liederen, zij schreven in onnoemelijke aantallen onbenoembare gedichten.

XXV

Kan het ook zijn dat wij ons hadden zat gezien aan onze eenzelvige wereld? Velen meenden het. Ieder leeft voor zichzelf, zeiden zij, nu is het tijd dat allen voor elkaar leven. Ik voor mij voel het anders. Terwijl acht maanden geleden alle grenzen voor me openstonden en ik leefde in alle landen, ben ik sindsdien genoodzaakt mij terugtetrekken in mijn gedachten. Zij die in wijdste geestelijke gemeenschap leefden, werden nu asceten. Omdat volksgenooten kameraden werden, en tevens haters van andere volken, hebben deze enkelingen de liefde van alle volken voor elkander opgesloten in hun eenzelvigheid.

_29 Maart–9 April 1915._

NEDERLANDSCHE GEDACHTEN

I

HET ONDERSCHEIDINGSVERMOGEN

Après l'esprit de discernement, ce qu'il y a au monde de plus rare, c'est les diamants et les perles.

LA BRUYÈRE.

Ware bedervers van het geweten zijn sommige dagbladschrijvers die er hun werk van maken tusschen de daden van de eenen en die van de anderen het onderscheid te verdoezelen. Zij deelen mee dat oorlogvoerenden zich van giftige gassen bedienen, maar om er dan dadelijk op te laten volgen: het is waar dat de andere partij land onder water zette en dat men ook door verdrinken sterven kan. Dat vergiftigen altijd voor iets gemeens en het opofferen van eigen land voor een daad van vaderlandsliefde gegolden heeft, schijnen zij niet te weten, en de lezer die gewend is de meeningen van zijn dagblad met een zeker vertrouwen inteslurpen, neemt de notie dat deze tweeërlei maatregelen gelijkelijk afkeurenswaardig zijn, in zich op, zonder misschien tijd te vinden om over hun onderscheid na te denken. Maakt men die schrijvers op hun misdrijf opmerkzaam, dan spelen zij de verongelijkte. „Welk een bekrompenheid!” roepen zij uit, „van ons te verlangen dat wij de meerdere of mindere slechtheid van verschillende oorlogsdaden afwegen. De oorlog in zijn geheel is slecht en niet tegen een enkele van zijn uitingen wenden wij ons, maar tegen hemzelf.” Ondertusschen gaan zij voort, _zoolang de oorlog duurt_, geen verschillen te zien, ook niet de klaarblijkelijkste. Het gevolg is, dat ten opzichte van een toestand die tot de gewichtigste hoort waarin de menschheid verkeeren kan, en waarin ze gedurende een groot deel van haar bestaan werkelijk verkeert, aan haar onderscheidingsvermogen het zwijgen wordt opgelegd. De eisch dat menschen, juist wanneer zij vijanden zijn, ridderlijk met elkaar omgaan, mag niet worden uitgesproken. Het vonnis van laaghartigheid, dat juist wanneer de hartstochten zijn opgewekt, het vaakst en het strengst dient te worden gehandhaafd, moet verzwegen worden. Het geweten dat in gewone tijden, uit natuurlijke gemakzucht of omdat het minder geprikkeld wordt, vanzelf wel zwijgt, mag zich óók niet laten hooren nu het ontwaakt en door vreeselijke gebeurtenissen van zijn verantwoordelijkheid doordrongen is. In de tegenwoordige omstandigheden dekken de dagbladschrijvers die deze aanslag op de gewetens begaan, zich bovendien nog door een beroep op onze „onzijdigheid.” Ten onrechte, want onzijdigheid wil wel zeggen dat men, als staatsburger, aan een strijd tusschen oorlogvoerende staten niet deelneemt, maar geenszins dat men afstand doet van het recht op oordeelen.

II

ONZE STELLING ALS NEDERLANDERS

Er worden nu, zoowel door Franschen als door Engelschen, pogingen aangewend om ons hun gezindheid geheel te doen deelen. Dat wij tegen de aanvallende kracht die in de heele duitsche ontwikkeling school, in verzet kwamen als Nederlanders, is evenwel geen reden waarom we ons zouden vereenzelvigen met eenig aan Duitschland vijandig volk.

Ik weet wel dat wij, niets anders willende zijn als Nederlanders, van weerskanten in de verdrukking komen. Maar dit is juist het eigenaardig en onafwendbaar gevolg van onze ligging, onze aard en onze geschiedenis. Als zulk een, aan alle zijden aan druk blootgestelde natie, moeten wij bestaan of ondergaan.

De mogelijkheid is onloochenbaar dat wij, op het oogenblik dat de vrede gesloten wordt, op niemand kunnen rekenen, integendeel de vijandigheid zullen hebben te verduren van al onze buren, die van Duitschland zoo goed als van Engeland, Frankrijk en België. Maar toch zou het dwaas zijn—meer dan dwaas: onverantwoordelijk—ons uit vrees voor dat lot aan de zijde te stellen van de eenen of de anderen.

Wij zijn, niet minder door onze belangen dan door onze volksaard, een kleine en onafhankelijke, maar naar alle zijden open mogendheid. Wij wenschen geen uitbreiding van grondgebied, maar wel het vrije verkeer met alle omliggende landen. Wij meenen dat wij voor de stoffelijke en geestelijke werkzaamheid van Europa, van de wereld, wel zooveel beteekenen, dat men ons het beheer kan laten over onze bezittingen en het recht onszelf te zijn. Welteverstaan, mits wij ook anderen het hunne laten, ons niet mengen in hun strijd om voorrang of oppermacht, ons niet laten indeelen in hun groepeeringen. Als bondgenoot zouden wij een van de geringsten zijn, als onafhankelijk vertegenwoordiger van het recht van kleine volken hooren wij tot de aanzienlijksten.

Wij zijn tegelijk belangeloos tegenover de anderen, en in ons recht onaantastbaar. Beter stelling kunnen we niet innemen.

III

HOLLANDERS EN VLAMINGEN

Nu zooveel Zuid-Nederlanders in het Noorden wonen, is er een goede kans de dwaasheid te overwinnen, als zouden Vlamingen zich meer door gemoed, Hollanders door verstand onderscheiden. Gemoed vindt men zeker niet het meest in het Zuiden en het is de vraag of men het meeste verstand in het Noorden vindt. Niet in de aangeboren vermogens van verstand en gemoed, maar in de door allerlei omstandigheden aangekweekte karakters ligt, mijns inziens, het verschil tusschen Hollanders en Vlamingen. De eersten zijn dieper en vasthoudender, de laatsten ontvankelijker en bewogener, de eersten stugger, de laatsten lichtzinniger, de eersten meer geneigd tot handelen naar een overtuiging, de tweeden geschikter tot het winnen van wereldwijsheid. Wij moeten evenwel niet vergeten dat de Vlamingen lang in hun ontwikkeling zijn teruggehouden en dat de wisselvalligheid van hun omstandigheden op zichzelf een element is dat zich in hun wezen weerspiegelt, evenals in het onze de lange duur van vaste samenleving.

IV

SILHOUETTEN

In oorlogstijd schijnen de volken licht in hun overgeleverde vorm terug te vallen: de Duitschers die gedrild worden door hun officieren, geplukt door hun landjonkers, en bij de neus geleid door hun regeering; de Engelschen die, al mopperend, vrijwillig doen wat er van hen gevraagd wordt, mits hun bekwame bestuurders maar nauwkeurig weten met welke leidsels er moet gemend worden; de Franschen, die plotseling, na een reeks van vreedzame en vredelievende jaren, weer dezelfde vroolijke soldaten zijn—het eenige volk dat de zin van de roem verstaat.

V

VOLKSKRACHT EN ONZIJDIGHEID

De zuiging van de gebeurtenissen wordt zoo sterk dat ze ons die terzijde staan zou kunnen meesleuren. Al de grootste volken van de wereld doen nu in hoofdzaak niets dan middelen en wapenen maken opdat de oorlog gevoerd kan worden, èn de oorlog voeren. Toch is hij niet een oorlog uit woede van volk tegen volk, uit haat van regeering tegen regeering. Hij draagt het karakter van uitgestelde bespreking. Hij beproeft de omstandigheden te wijzigen waarin de besprekingen moeten hervat worden. Hij is ontstaan uit tijdelijk onvermogen van de diplomaten. Als die straks weer aan 't woord komen, zullen zij rekening houden met de gemeten krachten. Ook met de onze. Beseffen wij genoeg dat het voor ons erop aankomt, tegen dat de vrede gesloten wordt, de indruk van onze kracht en vastberadenheid als natie zoo sterk mogelijk te doen spreken? Niet door oorlog, hopen we. Maar door onze gewapende onzijdigheid. Die is een zware last. Maar het is onze eenige. En de oorlog zelf zou zwaarder zijn. Alleen in de gewapende onzijdigheid kunnen wij onze kracht en eenheid toonen als natie. Niet door van ons oordeelen over de strijdenden de hoofdzaak te maken, heftig anti-engelsch of anti-duitsch te zijn. Niet door enkel te vonnissen of te meesteren over anderen toonen wij onze eigen beteekenis. Wij kunnen dat alleen door de wijze waarop wij onze eigen bizondere gezamenheid van dit oogenblik, onze toestand van gewapende onzijdigheid, handhaven, versterken, tot uitdrukking brengen. De regeering doet het: diplomatiek, militair, ekonomisch. De politieke partijen doen het, in zooverre zij hun onderlinge geschillen hebben opgeschort en met elkander samenwerken. Maar doen wij, de bevolking, in en buiten het leger, het ook zelf? Eénerzijds een pers die schommelend tusschen de oorlogvoerende partijen, met een onnoozele meerderheids-glimlach aantoont hoe de eene al even verdorven is als de andere, en die niets liever doen zou dan het stilzwijgen opleggen aan iedere openhartige uiting van gevoel en oordeel. Anderzijds eene die de geprikkelde stemming van een menigte tot haar instrument om te bespelen neemt, inplaats van tot haar braakland dat gewied en gezuiverd moet. De schrijvers van de eerste zijn zij die de menigte niet kennen, en die meenen dat men haar over 't hoofd moet zien of muilbanden. Die van de andere kennen haar, maar verstaan niet de kunst haar te leiden, zoo ze ook al weten welk doel gewenscht zou zijn.

Dat doel zou moeten zijn het vaste weten dat handhaving en versterking van onze gewapende onzijdigheid het eenige middel is waardoor onze volkskracht zich nu toonen kan. En dat aan dit toonen, in afwachting van de onderhandelingen over de vrede, alles gelegen is.

Ik bedoel niet dat de eerste vraag die moet zijn naar meer soldaten. Ik bedoel dat de eerste vraag is, het in ieder ontwaakt besef dat samenwerking tot gewapende onzijdigheid onze eerste behoefte is.

Ieder Nederlander moet doen blijken hoezeer hij zich daarvan doordrongen voelt. De officieren, door zich zelf te ontwikkelen en zich plichten op te leggen tegenover hun minderen,—de minderen, door te gevoelen dat ook het saaiste werk wijding ontleent aan de noodzaak van het landsbelang. Maar niet alleen in het leger, ook erbuiten moet ieder bedenken dat de lasten van de gewapende onzijdigheid te dragen, voorloopig onze beste deugd blijft. Kerk en school hebben geen dringender plicht dan de beteekenis van die onzijdigheid uiteen te zetten.

Laat dan ieder vrijuit spreken over de oorlogvoerenden, hun heldendaden en hun misdrijven,—mits ieder ook wete dat de kracht van zijn eigen land zich in de onzijdigheid toonen moet,—de kracht, en niet de lamlendigheid.

Het is een verandering van geest die ik zou willen voorstellen. Wat zegt de Pers? Wat zegt de Kerk?

VI

DE STAAT EN DE MENSCHHEID

Het is een illusie van de vredesvrienden dat zij na de oorlog de invloed kunnen oefenen die hun bij het begin ervan onthouden werd. De regeeringen die oorlog verklaarden met of zonder hun toestemming, zullen ook in staat zijn de vrede te sluiten zonder hen te raadplegen over de voorwaarden.

De zaak is dat beslissingen als die over oorlog en vrede afhankelijk zijn van de staatsmacht, en dus van de menschen door wie die macht wordt uitgeoefend. Die personen voelen zich verantwoordelijk voor de belangen die zij vertegenwoordigen. Voor die van de staat, en niet voor die van de menschheid.