Holland en de oorlog

Part 2

Chapter 23,747 wordsPublic domain

Er is nog een reden, waarom het getuigen voor waarheid en menschelijkheid in oorlogstijd zoo bizonder het deel moet zijn van de onzijdigen. Het recht van menschelijkheid dat door oorlogvoerenden niet alleen weersproken, maar licht gebroken wordt, is, voor zoover het geformuleerd werd, gebonden aan de naam van volkenrecht. Wat nu is volkenrecht voor machtige staten in tijd van oorlog? De duitsche kanselier heeft het naïefweg uitgesproken: „een vodje papier”, dat verscheurd wordt als men er genoeg van heeft. Maar wat is het voor de kleinere en minder machtige? De grondslag van hun bestaan temidden van de grootere. Het vodje papier waarbij Duitschland met de andere mogendheden de onzijdigheid van België waarborgde, was de grondslag van een veilig en arbeidzaam België. Wel mag het dus aan de kleinere staten zijn toevertrouwd het volkenrecht hoog te houden. Allereerst alweer in hun eigen belang; maar daarna ten behoeve van alle anderen. Want men mag nog zooveel zeggen dat macht recht _maakt_, dat macht recht _verscheurt_ zagen we vaker, en niet ondienstig is het dus dat de _onmacht_ het recht tenminste met haar stem verdedigt. Indien immers, wat de leiders van staten soms zeggen te meenen, het recht een zaak van beteekenis is.

_Is_ het recht een zaak van beteekenis?

Indien de Macht ja zegt, dan zal zij het goedkeuren dat haar vergrijpen tegen het recht worden aangewezen. Zegt zij neen, dan is het duidelijk dat de taak het recht te verdedigen vanzelf aan de Onmacht behoort toe te vallen.

XI

Engeland heeft de kunst verstaan zich als verdediger van België de fraaiste houding te geven. Nog eenmaal beroemt het er zich op, de kampioen te zijn voor de vrijheid en het publieke recht van Europa. In de rede die Asquith op 27 Augustus in het Lagerhuis gehouden heeft, klinkt de toon die herinnert aan de beste overleveringen van Groot-Brittanje.

Naar alle zijden ziende moeten wij nochtans bedenken dat onmiddellijk na de Boeren-oorlog de engelsche staatslieden aan het werk zijn gegaan om te keeren wat zij het duitsche gevaar achtten. De uitbreiding van de vloot en de verstandhouding met Frankrijk en Rusland waren maatregelen, zoo niet van bedreiging, dan toch van voorzorg tegen Duitschland. Het bondgenootschap met Japan mogelijk eveneens.

Zoo is het dus in de hoogste mate waarschijnlijk dat, toen de oorlog uitbrak, hij evenzeer een voortzetting was van engelsche maatregelen tegen Duitschland, als van duitsche die tegen Engeland gericht waren. Duitschland dreef de noodzakelijkheid van zijn groei, Engeland die van zijn voortbestaan.

Toch moet men niet daaruit afleiden dat Engelands leus: voor de vrijheid en het publieke recht van Europa, een fraze is. Iedere strijdende partij zegt door haar leus niet wat ze is, maar waarvoor ze wil worden aangezien. Ieder volk geeft in zijn leuzen uitdrukking aan wat het voelt dat zijn rol als volk moet zijn, wat het in zijn beste oogenblikken heeft verwerkelijkt en wat het bewonderenswaardig vindt. Als de Pruisen zeggen dat zij het europeesche bolwerk vormen tegen de russische barbaren, dan drukken zij daarmee uit wat zij moesten zijn, wat zij vroeger waren en wat door een deel van hun bevolking nog als noodig en werkelijk wordt gevoeld. Te goeder trouw kunnen dus velen onder hen de leus: tegen de Barbaren! aanheffen, al heeft hun regeering het die barbaren sinds lang niet benauwd gemaakt. Het is ook niet vreemd als hun regeering die leus, als een nationale, overneemt, al voert zij zelf eigenlijk meer dan tegen de Russen tegen Belgen en Franschen oorlog. Haar legers kunnen dan in Leuven en elders zelf de Barbaren zijn, en het eigenlijke doel van hun aanval niet het barbaarsche Rusland, maar het hoog-beschaafde Groot-Brittanje, zonder dat men hun daarom het recht mag ontzeggen van eigen leuzen gebruik te maken, en voor bestrijders van de Barbaren door te gaan.—Zoo is het ook met Engeland, dat inderdaad, als verdediger van België zijn traditioneele taak als handhaver van de vrijheid en het publieke recht op zich genomen heeft, maar nochtans als in bondgenootschap met Rusland strijdende, de vrijheid van Finland en het publieke recht van oostelijk Europa schadelijk is.—

Er volgt uit deze tegenstrijdigheden niet dat leuzen leugens zijn: zij drukken integendeel de ware roeping van de volken uit. Door ze aan te heffen zeggen die volken dat zij heel goed weten wat zij doen moesten. Zij kunnen het slechts niet. Engeland weet heel wel dat het Finland moest helpen en Rusland tegenstaan. Het heeft dit echter niet gekund. Zoo weet ook Duitschland voortreffelijk dat Pruisen zijn ware opgaaf vervullen zou, indien het Europa's bolwerk tegen Rusland was. Maar Duitschland heeft zich sinds lang met Rusland op goede voet bevonden, en kweekte een andere eerzucht. Niet naar het Oosten, maar inderdaad naar het Westen gingen alle duitsche begeerten en bedoelingen. Een drang die zijn oorsprong had, juist in Pruisen, dat daardoor allereerst zijn historische taak miskende, en die van Pruisen uit het heele al te welvarende, al te zeer op grooter stoffelijke winst beluste Duitschland doordrong.

Ons die de Boerenoorlog beleefd hebben, moet het als een hoogtepunt van lugubere belachelijkheid voorkomen, dat Engeland zich als verdediger opwerpt van de onafhankelijkheid van kleine staten. Ons die weten hoe Duitschland gedurende ons heele leven geweest is: de ootmoedige dienares van een Pruisen, dat het spoor van zijn eigen geschiedenis bijster is, terwijl wij voor onze oogen zien hoe voor de maatregelen van zijn legerbestuur geen Leuven heilig was, ons moet het wel als deerniswaarde verblinding aandoen dat dit volk zich beschouwt als strijd te voeren tegen het Barbarisme. Maar toch zullen wij, als, over en weer, de bekende leuzen worden aangeheven, niet antwoorden met hoongelach. Wij zullen ze integendeel voor heiliger ernst houden dan als welke de strijders van nu ze aanhieven; wij zullen zeggen tot de eenen: goed, beschouw gij u als de verdediger van de kleine staten en zorg dat ge na de oorlog ook Finland vrijmaakt, en gij, ga terug, strijd tegen het Barbaren-dom en boet de misdaden die ge in westelijk Europa bedreven hebt.

XII

Dit is iets anders dan de droom van Stefan George: een heilige jongelingschap die het godsrijk zou vestigen op de aan eigen zonden ondergegane wereld. Of is dit de ondergang? Of is dit de hernieuwde heerschappij, voor wie weet hoeveel jaren, van de machten die George bestreden heeft?

XIII

Met Jezus' zeggen: gaat en verkondigt het Evangelie aan alle kreaturen, is de onderscheiding van de Staten opgehouden. De staten hadden vroeger hun eigen god. Voortaan was er één god die in alle landen aanbeden werd. Als daarna de volken van hun god spraken—zoo wij in de vorige eeuw van Neêrlands God, zoo de Duitschers nog nu van de God der Duitschers en de oude Frans Jozef van zijn bizondere huis-god—dan waren en zijn dit stoffige retorische figuren die, alleen tijdelijk, uit de vaderlandsche musea gehaald worden in de gerechtvaardigde hoop dat ze indruk zullen maken op de menigte. Zij die ze tevoorschijnbrengen weten wel dat er geen bizondere goden meer zijn, dat er maar één god is die alle staten gemeen hebben, waaruit ze leven en waarin landslieden van alle talen met elkander verkeeren. In ieders hart staat het geschreven dat, wanneer zij oorlogen, zij tegen hun eigen geloof handelen. Zij gelooven aan de God van de Menschheid, niet aan de goden van hun bizondere staten. Van tweeën een dus, zij moeten toegeven dat zij, door te oorlogen, tegen hun god, die de god van alle menschen is, handelen, òf zij moeten zich, tijdelijk, wijsmaken dat hun god de god is van hun bizondere staat. Het is duidelijk dat dit wijsmaken alleen mogelijk is in een kortstondige roes van opwinding en zelfbedrog. Met andere woorden: oorlog een gewijd werk achten, kan alleen de verblinde of de bedrogene. Wie waarlijk de oogen van zijn geest wijd open houdt, moet inzien dat oorlog in onze dagen een onheilig bedrijf is, waaraan hij niet ontkomen kan, maar dat hij in zijn hart vervloekt.

Uit alle volken staan op dit oogenblik belijders van een zelfde goddelijkheid tegenover elkander. Zij kunnen dat niet doen in de wijding van hun geloof: zij kunnen het enkel omdat zij onder de ban geraakten van een geloof dat niet meer het hunne is. Hun aanvoerders zijn de wijding-loozen, die zij levenslang bestreden en veroordeelden. Of de achterlijken die nog altijd in het geloof leven aan lokale godheden. Deze, de machtigen van het gepeupel, hebben macht gekregen, ook over de edelen. In een roes en een waanzin bevangen offeren zich ook die besten aan de afgod Staat.

XIV

Wat in Duitschland dichters en fijnere geesten verbindt met de militaire kaste is het machts-instinkt. Omdat die kaste de stoffelijke wereld wil doen heerschen over de geestelijke, haatten en bestreden zij haar, maar zonder zich te kunnen losmaken van het besef dat ze de tastbare belichaming is van de Macht, die ook van hun geestelijke wereld de inhoud uitmaakt. Hun ideaal is Nietzsche's Machtwil en nu zij die in werking zien, nabij en vaderlandsch en gericht tegen vreemden, valt hun denk-gemeenschap met hun volksverwantschap samen, en voelen zij zich met hun wederpartijders in de uitbarstingen van de machtsdrift opgenomen. Maar omdat niet door hen, doch alleen door de strijdbare kaste de macht inderdaad wordt verwerkelijkt, en deze alle onbewuste krachten van het volk aan zich onderwerpt en met zich sleurt, zijn zij niet zelf de—geestelijke—kracht die zij wilden wezen, maar ondergeschikt geworden aan de stoffelijke die zij bestreden. Zonder het vooralsnog te begrijpen hebben zij de ervaring opgedaan dat de Macht—ondanks Nietzsche—geen geestelijk doel kan zijn. Zij hebben een nederlaag geleden en zullen moeten terugkeeren en zich duidelijk maken dat de Machtwil onvermijdelijk voert tot heerschappij van het stoffelijke over het geestelijke. De Macht als het uiteraard onbevredigde kan niet het doel zijn van een geest die zich boven de tijdelijke betrekkingen verheffen wil,—tenzij hij onder Macht Eeuwigheid verstaat. Zoo begrepen, maar ook zóo alleen, is ze werkelijk het doel van groote dichters en denkers, en de kans is gering dat deze hun godheid zouden zien in het wapengeweld.

XV

Een gedachte die eenmaal klaar is, vorm is, kan nooit worden verzwegen. Zij is een levend wezen dat aan het licht dringt, dat gekend wil worden, dat van hem die haar kent en verzwijgt, de aandacht onverbiddelijk bezig houdt, hem belet te denken aan iets anders, hem noodzaakt—zoo hij haar dan niet mag uitspreken—van en over haar te spreken, zooals men het van beminde, bewonderde, door anderen niet gekende vrienden doet. Van en over haar wordt gesproken, zoodat er om haar faam als om die van een onbekende godheid een sfeer ontstaat van geheimzinnigheid en begeerte. Het is alsof de menschen haar zien, maar door een sluier, en nu verlangen dat die sluier ijler wordt en scheuren zal. Tot eindelijk, en dan juist op het oogenblik dat ieder haar kennen wil, zij tóch gezegd wordt, en nu met meer kracht en meer innigheid naarmate ze langer verzwegen werd.

XVI

Ik herinner mij de dag van de mobilisatie: het gevoel dat er maar één noodzaak was: naar de grens te gaan; het innerlijk besef afgesloten te hebben met het leven, nu niets meer te zijn dan alle anderen, niets bizonders meer, maar alleen de dienst te doen waartoe men met het heele volk geroepen was. Het was een toestand van groote rust en van ontheven zijn aan het leven, die een daglang duurde. De volgende dag merkte ik dat hij verdwenen was: ik kon hem niet terugroepen. Als ik eraan dacht, deden zich allerlei onmogelijkheden op. Ik zou niet bestand zijn tegen sommige inspanningen en ontberingen, maar bovenal, ik ben een onverbeterlijke droomer: er zou heel veel kans zijn dat ik om het zoeken naar een versregel vergat dat de veiligheid van mijn kameraden afhing van mijn nauwlettendheid. Ik begon toen te meenen dat ik als vaderlander het goed bedoel maar heel weinig bruikbaar ben.

XVII

Ben ik niet bruikbaar? Ik kan niets anders als denken en dichten. Ik moet erbij zeggen dat ik ook niet denken kan over een opgegeven onderwerp. Mijn denken is grillig, onberekenbaar. Het kan tot niets bepaalds dienen: het is enkel een goed soort denken en heeft dus waarde, alleen in zoover het denken op zichzelf waarde heeft. Ook mijn dichten is niet van de soort die menschen van de daad nuttig achten. Het heeft geen ander doel dan gedicht te zijn. Geen middel om de menschen aantedrijven, te bezielen, van hen gedaan te krijgen dat zij dit of dat uitvoeren. Geen middel tot iets anders, maar alleen zijn eigen doel. Het goede gedicht werkt niet naar één, maar naar alle richtingen. Het is een knooppunt van leven, waaraan men niet een éénzijdige werking kan voorschrijven, maar dat men overlaat tot iedere werking waartoe goden en menschen het willen in staat stellen. Het is ook zoozeer ons maaksel niet. Denken en dichten,—ze maken zich ondanks ons, en ik geloof dat het ons kwalijk vergaan zou, als wij met onze voorbedachtelijke werkzaamheid hun in de weg kwamen.

_16 Aug.–9 Sept. '14._

IN EEN TIJD ALS DEZE

I

Geweldige beroeringen: omwenteling, oorlog, zijn alleen dan heilzaam, als er een groot man aanwezig is die van de gewijzigde omstandigheden het ware gebruik weet te maken, 'tzij zooals Bismarck om een staat te gronden of als Napoleon om de wetgeving te veranderen.

II

Zij die zich nooit aan iets groots hebben gegeven, kunnen zich in een tijd van oorlog verheven voelen door de eenheid met hun volk, en door de mogelijkheid zich te offeren voor het vaderland. Wie, in een niet minder aanzienlijke gemeenschap opgenomen, zich sinds lang aan andere idealen offerden, blijven dan schijnbaar onaangetast.

III

In een tijd als deze—zoo heet het—verliezen poëzie en kunst hun beteekenis. Het omgekeerde is waar. Eerst onder de nood van de omstandigheden beseffen de meesten iets van de ernst waarmee dichters en kunstenaars hun leven voeren en uitspreken. Zij vonden vroeger alles moeielijk: nu de tijd hen gespannen heeft zijn zij in staat de spanningen van het kunstwerk meeteleven en ervaren zij het gedicht als ook voor hen geschreven.

IV

Zoolang groote gebeurtenissen ons van ons werk afleiden, voelen we ze enkel als schadelijk; maar zoodra we eraan deelnemen of door tegenwerking tot nieuwe krachtsontwikkeling worden aangezet, begrijpen we waar ze goed voor zijn.

V

Ik heb een paar boeken gelezen van de zweedsche schrijver Verner von Heidenstam, eerst zijn Heliga Birgittas Pilgrimsfärd, daarna zijn Karolinerna. Hij is een hoogst belangwekkend kunstenaar. Zijn stijl is gedrongen en kleurig, zijn verbeelding rijk en afwisselend, bijna bont, maar toch voldoende getemperd en daardoor geadeld, zijn gedachte.... Zijn gedachte schijnt mij in beide boeken dezelfde. Zij betreft het karakter van de Held. De heilige Brigitta zoowel als Karel XII ziet hij als helden, d. w. z. als wezens geboren met een noodlottige aandrift, waaraan zij zichzelf en hun omgeving ten offer brengen. Hun macht over de menschen schrijft hij daaraan toe dat zij met elementair geweld handelen, dus als natuurkrachten, persoonlijk belangeloos. Vandaar dat zelfs zij die door hen gedood worden hun dankbaar zijn: zij brachten in het leven van die anderen datgene waaraan ze behoefte hadden en wat ze in zichzelf niet vonden: het volstrekte, het onvoorwaardelijke, en daarmee het ondanks en boven alles liefde en aanbidding waardige, dat moet gehoorzaamd worden. Een tweede gedachte is dan dat zelfs dit volstrekte een betrekkelijke zijde heeft. De held moet namelijk verschijnen in een vorm die zijn tijdgenooten kunnen bewonderen. Brigitta, de heilige, kon niet bemind zijn in de achttiende eeuw, Karel XII, de avonturier, niet in de veertiende. Daaruit volgt dat de Held, die Natuur schijnt uittedrukken, tevens de uitdrukking van zijn Tijd moet zijn en dat het Volk, in hem bewonderende en ondergaande wat het zelf niet is, dit juist blijkt te doen omdat het in hem de verschijning en tenslotte de verheerlijking van eigen diepste wezen ziet.

VI

Een zeldzaam voorbeeld van vóór alles schrijver te zijn, levert gedurende de oorlogsmaanden Stijn Streuvels. Zijn Dagboek ademt de milde rust van een man die aan opmerking en overpeinzing in een breed en harmonisch landschap gewend is. In het begin wil hij zooveel mogelijk alles zien en bijwonen, met de uitgesproken bedoeling ondervinding optedoen en voorraad voor toekomstige onderwerpen. Hij tracht zelfs aan het front te komen en kan niet weerstaan aan de verzoeking het leder aan de broek van een duitsch krijgsgevangene tusschen duim en vinger te nemen. Maar innerlijk behoudt hij tegenover zichzelf en tegenover de gebeurtenissen zijn kalmte van waarnemer en verhaler. Te Kortrijk zijnde merkt hij op dat daar voor het eerst het nationaal gevoel bij het volk wakker wordt. Hij wordt er niet door meegesleept, ook blijkt niet van vertrouwen in leger, overheden, bevolking. Wel het tegendeel. Over het algemeen is zijn houding sceptisch. Van heldenmoed, vrees en oorlogsmaatregelen om hem heen ziet hij al de belachelijke kanten. Met dat al is hij standvastig en rustig, houdt bij anderen de moed erin, beweegt zijn vrienden hun huis niet in den steek te laten, de omstandigheden kalm af te wachten. Als dan de Duitschers in zijn dorp komen, voelt hij voor het eerst verontwaardiging en wrok bij de gedachte dat de vaderlandsche bodem overweldigd is. Ook dan evenwel stijgt dat gevoel niet tot haat. Als hij die eigen avond, alleen loopend op de straatweg, de eenig overgeblevene van de 's morgens doorgetrokken Uhlanen tegenkomt: op een hinkend paard een tengere jongen van negentien jaar die stilhoudt en schreiend „Kameraden all todt,” zegt: dan zou hij persoonlijk geneigd zijn de jongen een bed aantebieden, en troost hem met de verzekering dat niemand hem kwaad zal doen. Even menschelijk verhoudt hij zich tegenover het verhaal dat een vriend hem anderdaags doen kwam van hoe die Uhlanen te Kortrijk door fransche dragonders verslagen waren; het wekte zijn uitbundige lachlust op. Stijn Streuvels' gevoelens waren bij het uitbreken van den oorlog in de hoogste mate tegenstrijdig. Hij hield eigenlijk van de Duitschers en niet van de Franschen, voelde zich een Vlaming en niets anders, was hartstochtelijk verknocht alleen aan zijn streek en zijn huis en wat bij zijn vast gegrond beschouwend en voortbrengend leven behoorde. Zijn land zag hij misschien het meest verwant met het onze, waarin hem ook het heden en de toekomst van zijn werk het zekerst gewaarborgd scheen. De oorlog maakte plotseling het bestand van heel dit innerlijk en uiterlijk leven, van heden en toekomst, wankelend. In het tumult van deze weerstrijdigheid trachtte Streuvels zijn waarnemen en denken rein te houden. Niet in staat zich geestdriftig te scharen bij eenige wijdere gemeenschap, hield hij vast aan zijn huis, zijn omgeving, zijn naastbijliggende plichten, en vond bij het onbevangen tegemoet treden van menschen en omstandigheden voortdurend gelegenheid de menschelijkheid te zien uitkomen bij zichzelf en anderen. Het zou moeilijk vallen onder een ander volk dan bij de zoo weinig tot natie vergroeide Belgen een dergelijke persoonlijkheid aan te treffen. Zeldzamer nog zulk iemand te vinden die bovendien schrijver is en onder alle omstandigheden niet aflaat zichzelf in tallooze kleine trekjes en grootere verhalen uittebeelden. Een bizonder levendig en zichtbaar tafreel van Streuvels' verkeer met duitsche officieren, die zich op hun doorreis van het Wester- naar het Oosterfront bij hem inkwartierden, las ik onlangs in een dagblad. Hij verzwijgt er geen enkele van zijn aandoeningen: zijn oorspronkelijk voornemen niets van hen te verdragen, hun de heele boel liever over te laten en er zelf van door te gaan, zijn verrassing over hun beschaafd optreden, zijn genoegen aan hun gezellige manieren, zijn ingenomenheid met de tafelbeleefdheid waarmee zij het genot, door hem gedeeld, van al zijn opgezamelde keuken- en keldervoorraden verguldden. Met een glimlach merkt hij het goede vertrouwen op waarmee zij, aftrekkende naar al zijn slaapkamers, hun wapens en helmen achter lieten op zijn kleerenstandaard. Het Casino-voorkomen van zijn verlichte kamers ontgaat hem niet. En als zij vertrokken zijn en de hartelijkheid van weerzijdsche omgang voldoende aanleiding geweest is om een Tot weerziens na de Vrede uittespreken, dan bekent hij volmondig dat hij met honderd van zijn dorpelingen zich niet zoo aangenaam zou hebben onderhouden als met deze vijanden. Het gevoel in dit stukje is zoo menschelijk en de uitbeelding zoo oprecht en voortreffelijk, dat men zich geweld zou moeten aandoen om te wenschen dat het anders was, en toch wekt het ons nadenken dat, bij de inwoner van een verwoest en onderworpen België, een dergelijke onbevangenheid mogelijk is.

VII

Als de oorlog over is, zullen wij opnieuw moeten leven met Engelschen en Franschen, maar vooral met Duitschers. Wij doen dat ook gaarne. Het duitsche volk is ons buurvolk en voor nauwelijks iets ter wereld zouden wij de menigvuldige genietingen en de geestelijke opwekking willen missen die het verkeer ermee ons gegeven heeft. Toen ik voor ongeveer twintig jaar voor het eerst het geluk had, duitsche vrienden ten mijnent te zien, was er evenwel één waarheid die ze erkenden, en die ze de jaren door bleven erkennen, dat namelijk Nederland een oudere en een meer volledig gevormde beschaving bezat dan Duitschland. Wat zij zochten als kultuur, vonden ze bij ons aanwezig. Natuurlijk niet wat zij zochten als duitsche kultuur. Langzamerhand ondergingen zij de eischen van hun omgeving, maten nederlandsche uitingen meer af naar hun waarde voor een algemeen germaansch geestesleven, begonnen de koortsachtigheid van hun vaderlandsche verwachtingen als grondtoon te verlangen in alle, ook in onze nederlandsche pogingen. Zij verloren misschien eenigszins hun vroegere reine blik op onze eigenaardigheid. Toch bleef het hun overtuiging dat er bij ons een begeerenswaardige eenheid bestond van verleden en heden, de bindende macht van een overlevering en die levend gehouden door een onafgebroken en gelukkig trachten naar ontwikkeling van nieuwe vormen en nieuwe gedachten en een uitbreiding en overdracht van die schat en die werkzaamheid in breede lagen van de bevolking. Ik heb altijd mijn best gedaan hun die eenheid duidelijker te doen inzien. Toen het geroep om een kultuur, een toekomst-kultuur, zich van over de grenzen hoe langer hoe heftiger hooren liet, en eindelijk in Nederland werd overgenomen, vaak met de onbewuste bijbedoeling dat die kultuur ook voor ons van duitsche geboorte zijn zou, heb ik me niet verzet, maar naar vermogen meegewerkt om de buitenlandsche elementen omtezetten in inheemsche, om de oorspronkelijk-hollandsche voortbrenging te bevorderen, en om het bewustzijn wakker te houden van de lijn die ons over Potgieter verbindt met Hooft en Vondel. Geen duitsche kultuur, maar een nederlandsche beschaving, moest ons einddoel zijn zooals ze onze oorsprong was. Dit nu lijkt mij van het hoogste belang: dat wij het tijdperk na de oorlog niet ingaan zonder een verhoogd vaderlandsch zelfbesef.