Holland en de oorlog

Part 1

Chapter 13,510 wordsPublic domain

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | | accent, met/zonder koppelteken, met/zonder extra spatie). | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | +----------------------------------------------------------------+

HOLLAND EN DE OORLOG

[decoratieve titelpagina]

STAATKUNDE LETTEREN

HANDBOEKJES ELCK 'T BESTE

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR AMSTERDAM

KUNST WETENSCHAP

[decoratieve titelpagina]

GESCHIEDENIS HYGIENE

ALBERT VERWEY

HOLLAND EN DE OORLOG

[decoratieve illustratie]

WIJSBEGEERTE PRACT. LEVEN

A. C. BERLAGE

INHOUD

Bladz. Voorrede VII

Begrippen van Nu 1

I Oorlog. II Om de Oppermacht. III De Pruisische Geest. IV Onzijdigheid. V Vaderland en Menschheid. VI De Toekomst. VII Ons Doel.

Onzijdige Overwegingen I–XVII 10

In een Tijd als Deze I–XXV 22

Nederlandsche Gedachten 37

I Het Onderscheidingsvermogen. II Onze Stelling als Nederlanders. III Hollanders en Vlamingen. IV Silhouetten. V Volkskracht en Onzijdigheid. VI De Staat en de Menschheid. VII Kleine Staten en het Nieuwe Geloof.

Europeesche Gedachten I–IX 45

Op de Grens van de Wereldstorm I–XX 51

Fragmenten I–X 63

VOORREDE

Acht dagen na het uitbreken van de oorlog, ben ik begonnen met het schrijven van die volzinnen en kleine opstellen, waardoor ik trachtte klaarheid te verschaffen aan mijzelf en anderen. Zij werden in de groepeering en de volgorde waarin ze ook nu verschijnen, in De Beweging uitgegeven.

De toegevoegde fragmenten zijn ontleend aan langere, eveneens in dat tijdschrift verschenen artikelen, die alle op de oorlog betrekking hebben.

Dat ik als algemeene titel Holland en de Oorlog koos, wil niet zeggen dat ik de verhouding tusschen ons land en het groote gebeuren naar alle zijden meen te hebben aangeduid, maar alleen dat tusschen die beide, als tusschen twee polen, mijn denken zich bewogen heeft. Reeds de vorm van mijn schrijven bewijst dat niets me minder mogelijk scheen dan volledigheid. Maar eenerzijds was aldoor Holland, het wegens zijn geschiedenis gewijde, het in onze harten onvergankelijke, waartoe wij behooren, en anderzijds aldoor deze oorlog, de niet loslatende worsteling van dagen en nachten, die de wereld uit haar voegen bracht, onze gemeenschap met vrienden en geestverwanten verstoorde, de grondslagen van ons bestaan met ondergang bedreigde en schudden deed. Aan deze beide indrukwekkende machten dachten wij voortdurend en gelijkelijk en naarmate de eene of de andere sterker op ons aandrong werden wij ons bewust van andere overwegingen, die nu elkaar steunden, dan elkaar bestreden.

Deze brokkelige, afwisselende vorm van schrijven heeft overigens ook een voordeel. Wat in de eene volzin, als waarheid, maar als eenzijdige waarheid wordt uitgesproken, vindt zijn aanvulling in de even eenzijdige waarheid van een andere. Niet iedere uitlating op zichzelve, maar hun geheel, in onderling verband gezien, doet de gedachten kennen die mij geleid hebben. Ik verzoek daarom ieder die van dit boekje kennis neemt zich niet te beroepen op één enkele van de beweringen die erin voorkomen, maar ze alle gezamenlijk te lezen en eerst daarna te oordeelen.

Noordwijk-aan-Zee, ALBERT VERWEY Juni 1916.

BEGRIPPEN VAN NU

I

OORLOG

De verbazing is dezer dagen algemeen, dat er in onze tijd, in ons Europa, tusschen beschaafde staten oorlog ontstaan kon. Er zijn er zelfs, die in het uitbreken van die oorlog de logenstraffing zien van de europeesche beschaving, en haar beschamend eind. Maar oorlogvoeren, d. w. z. trachten zichzelf recht te verschaffen door de wapenen, doet, op een gegeven oogenblik, iedere persoon en iedere groep, die geen wet, beschermend of bedreigend, boven zich voelt.

Iedere persoon, iedere groep dan ook, wapent zich sterker, naarmate hij onder zwakker gehandhaafde wetten leeft, en zelden zal het oogenblik lang uitblijven, waarop hij zijn wapens in werking stelt.

Staten evenwel zijn zulke groepen. Terwijl alle personen en gemeenschappen die in een staat neven elkander leven, zich door die staat zelf de wet gesteld en gehandhaafd zien die hun de eigenrichting verbiedt en even ondoenlijk als onnoodig maakt, leven de staten zelf neven elkander zonder eenige macht boven zich die hun haar wet kan opleggen, onbeschermd, onbedreigd, en overgelaten aan de ingevingen van vrees en begeerte.

Wapening en oorlog zijn dus de onvermijdelijke gevolgen van het bestaan van staten. Zij zouden alleen niet voorkomen in het geval dat alle staten van de aarde één staat waren, en die staat sterk genoeg om al zijn deelen te beheerschen.

II

OM DE OPPERMACHT

De oorlog waarvan wij nu getuige zijn, hoort tot de geschiedenis van de staat Duitschland. Evenals die staat in 1870 behoefte had zijn oppermacht te land te bewijzen tegen Frankrijk, zoo heeft hij nu behoefte tevens zijn macht ter zee door Engeland erkend te zien.

Uit de voorgeschiedenis van de oorlog was daarom het belangrijkste feit Bethmann Hollweg's voorstel aan Grey, dat Engeland onzijdig zou blijven tegen belofte dat Duitschlands vloot de fransche kusten niet ontrusten zou.

Had Engeland hierin toegestemd, dan zou die vloot daarmee een eerste en belangrijke overwinning behaald hebben, en verder, onder de oogen van Engeland, haar werkzaamheden hebben voortgezet.

Opmerkelijk is het hoe de omstandigheden deze ware toestand hebben kunnen bemaskeren. Niet Duitschland maar Oostenrijk begint een oorlog, en niet met een groote mogendheid, maar met het bijkomstige Servië. Rusland zou hebben opgehouden het rijk te zijn dat het wezen wil, indien het Oostenrijk's plannen had toegelaten. Maar tegen Ruslands wapeningen kwam nu Duitschland in het geweer, en tegelijk tegen die van Frankrijk, Ruslands bondgenoot. Oorlog met Engeland scheen Duitschland niet te wenschen. Ook Engeland wenschte hem niet: de inval in België was noodig om de engelsche regeering haar taak aan te wijzen.

Toch was het al jaren lang duidelijk dat Duitschland, strevende naar een wereldmacht, en naar de hegemonie over Europa, daartoe niet alleen een leger, maar ook een vloot gevormd had, en dat deze vloot, het groote nieuwe verschijnsel in onze europeesche huishouding, een op den duur onduldbare bedreiging tegen Engeland was.

Deze strijd, die millioenen Duitschers er een met Rusland schijnt, en die ons hier, op dit oogenblik, als tegen Frankrijk gericht kan voorkomen, is inderdaad een oorlog tegen Engeland en zijn bondgenooten.

III

DE PRUISISCHE GEEST

Het pruisische legerbestuur, dat de beschikking over geheel Duitschland heeft, zou het niet gewaagd hebben, een strijd te beginnen, nog wel tegen Engeland in, om de hegemonie in Europa, als het zich niet buitengewoon sterk achtte. Wanneer ik nu bedenk, dat tegenover alles wat in Duitschland kunst en smaak en levensvreugde voorstelt, de pruisische geest het rechtlijnige en schoolsche, de brute kracht, het ambtelijke en het vormelijke vertegenwoordigt, dan kan ik mij over de driestheid waarmee die geest zich ook buiten de duitsche grenzen zou willen breed maken, geenszins verheugen.

Kwam Pruisen werkelijk tot de oppermacht, dan zou het—ook indien het Nederland goedgunstiglijk niet inlijfde noch het dwong tot een nadere vereeniging met Duitschland—zich hier toch als meester doen gelden, en niet in vrije wedijver, maar door onmiddellijke drukking trachten zijn geest en instellingen hier te doen doordringen. Wij zouden tegenover Duitschland in de verhouding raken waarin Finland tot Rusland staat.

Want of Duitschland uit vrees voor Frankrijk of uit zuivere aanmatiging gehandeld heeft, toen het België binnenviel, die daad zelf komt volmaakt overeen met die van Rusland tegenover Finland. Ze is tirannie, voorafgegaan door woordbreuk.

Het lijkt mij daarom onweersprekelijk dat wij niet mogen wenschen dat Duitschland sterker blijkt dan zijn vijanden. Wij moeten hopen dat onze ligging tusschen drie gelijkelijk-machtige mogendheden gehandhaafd blijft.

IV

ONZIJDIGHEID

Een bekend partijleider schreef onlangs dat wanneer wij vallen bij de verdediging van onze onzijdigheid, wij voor „den vrede” sterven. Dit is natuurlijk een drogreden. Als wij onze onzijdigheid verdedigen tegen een indringer, dan strijden wij voor het recht heer in ons eigen huis te zijn. Wie temidden van oorlog-voerenden de onzijdigheid afkondigt, leeft dan ook niet in vrede, maar in de afwachting na een oorlogsverklaring. Hij heeft de oorlog verklaard aan ieder die bij hem wil binnendringen. Of hij uit de bereidheid tot de oorlog zal overgaan tot de werkelijke daad, hangt verder niet van hem af, maar van anderen. Wie komt zal hem gereed vinden.

Onder sommige omstandigheden evenwel is de onzijdigheid een onmiddellijke oorlogsdaad. Het onzijdige land beschermt door zijn grenzen een ander land, het belet vrienden elkaar te hulp te komen, en vijanden elkaar te bestoken, het kan door doorvoer en uitvoer van levens- en oorlogs-behoeften de eene strijder gerieven en de andere afbreuk doen.

Dit karakter van oorlogsdaad te zijn, kan te allen tijde een buur uitlokken de onzijdigheid te schenden, om van de voordeelen die het gesloten land aanbiedt, partij te trekken.

Het volk, wiens regeering besloten heeft, dat het onzijdig zal zijn, behoeft daarom niet minder, maar eer meer vastberadenheid dan een volk dat onmiddellijk oorlogvoert. Het moet geen oogenblik toegeven aan de gedachte, dat het door wie maar wil in een oorlog „gesleept” kan worden. Het moet integendeel leven in het besef, dat het, door zijn houding zelf, vrijwillig aan de oorlog deelneemt. Het moet vrijwillig vastbesloten zijn heer en meester te blijven in eigen land en op eigen grenzen. Het moet die grenzen, zoo noodig, kunnen verdedigen zonder de _overprikkelde_ vaderlandsliefde die in haat tegen één bizondere vijand wordt omgezet, maar met die onomkoopbare liefde voor het eigene, die al het vreemde, als het wil indringen, weert.

De pruisische geest is ons hier ondenkbaar, maar niet minder de fransche of de engelsche. Pruisen _heeft_ de onzijdigheid van België geschonden; maar Engeland heeft de Boeren-republieken verwoest, en Frankrijk heeft ons eertijds ingelijfd. Geen enkel van deze groote staten is voor ons betrouwbaar. Als vriend zijn zij, stuk voor stuk, ons misschien nog gevaarlijker dan als vijand. Maar als wij tusschen of tegenover hen onze houding bepaald hebben, dan vergt het handhaven van die houding, zoolang wij zelf haar gewenscht achten, in elk geval eerbied af.

V

VADERLAND EN MENSCHHEID

De gedachte waar alle socialistische denkers van uitgaan, is deze: dat de menschheid bezig is één te worden. Oorlog past daarom niet in hun beschouwingen. Hij is de heftigste uiting van de drang naar verbizondering, die het tegenovergestelde is van de eenheidsdrang. Zij die zich geheel vervuld voelen van die eenheidsdrang en het als vanzelfsprekend erkennen, dat de verschillende naties één menschheid vormen, zij zullen nooit kunnen goedkeuren dat hun eigen land zich in de allerergste mate, d. w. z. als vijandig en oorlogend, afscheidt van een naburig land. Als nochtans de drang naar verbizondering zich doorzet, en hun land, gedwongen door binnenlandsche of door buitenlandsche machten, tot de oorlog overgaat, dan staan zij een oogenblik radeloos, want hun heele vroegere overtuiging verbiedt hun eraan deel te nemen. Daarna evenwel wenden zij zich in gedachten om, en némen er aan deel. Zij kunnen namelijk niet ontkomen aan het feit dat zij leden van een natie zijn en de lotgevallen van die natie deelen moeten. Zij hebben altijd geleefd in een wereld zonder naties, in een menschheidwereld. Maar die was niet de werkelijke. De werkelijke was eene, die naar het menschheid-worden wel streeft, maar tevens, en met even groote kracht, naar het vasthouden en vormen van verscheidenheid. De wereld beweegt dus door tweeërlei werking, door een dubbeldrift; en niet zóó alsof de eene helft van de menschen het vaderland en de andere helft de menschheid zou liefhebben, neen, beiden hebben èn het vaderland èn de menschheid lief, alleen maar ieder in andere maat en evenredigheid. Zij die zeggen dat zij de menschheid liefhebben en niet het vaderland, komen toch, al is het dan eerst bij het uitbreken van een oorlog, tot het inzicht, dat zij ook in hun gevoel, zich van het vaderland niet kunnen scheiden, zoomin als zij hun lichaam en hun leven ervan gescheiden hebben. Zij oorlogen dus nu, niet alleen als gedwongen, maar uiting gevend aan een gevoel dat zij nu eerst in zich ontdekt hebben, een gevoel van gemeenschap met het naaste en het eigene, een wezenlijke volksgemeenschap. Zij die levenslang tegen de oorlog gepredikt hebben, trekken dan zingend mee op, roepen juichend de machthebbers toe die zij vroeger minachtten en hoonden, keuren alle maatregelen goed die genomen worden door een regeering waarvoor ze eerst enkel achterdocht of afkeer voelden en verheffen zelfs niet hun stem als de oorlogstoestand hun aanvoerders drijft tot misdaden tegen het volkenrecht. Toch is het volkenrecht de eerste zwakke schets van een menschheids-recht en moest dus allereerst beschermd worden door hen die de menschheid meer dan het vaderland zeggen lief te hebben. Zij voeren oorlog, en—ik herhaal het—niet als in den strijd gejaagd, maar gehoorzaam aan een stem in hun hart die ze vroeger niet gehoord hadden. Zij hebben altijd gemeend één te zijn, zooals zij droomden dat de menschheid één is. Nu zij zien dat de wereld haar gesplitstheid tot de dood toe doordrijft, ontdekken ze hun eigen dubbelheid. Ernstige oogenblikken leeren ernstige waarheden. En alleen in oogenblikken als de tegenwoordige konden de geloovers aan hun eigen eenheid—de veroordeelaars van het Andere—tot het inzicht komen dat zij zelf tweezijdig zijn en dat het Andere ook leeft in hen.

VI

DE TOEKOMST

Ik heb de hoop hooren uitspreken dat, wanneer deze oorlog geleden is, ieder een afschuw zal hebben van oorlog.

Zonder twijfel zal ieder dat.

Iets anders is het, wanneer men gelooft dat de herinnering aan het leed van nu lang duren, en zelfs de nu levende geslachten overleven zal. Niets toch slijt sneller als indrukken.

Maar wanneer men bovendien zich aan de verwachting overgeeft dat die herinnering toekomstige geslachten van het oorlogvoeren weerhouden zal, dan, meen ik, troost men zich met een waan.

Indien het waar is dat oorlogen het onvermijdelijk gevolg zijn van het groeien van staten, dan zal de tegenzin van de bevolkingen—geheel of in meerderheid—zeker de regeeringen bedachtzamer maken, maar hij zal niet kunnen verhinderen dat op een gegeven oogenblik regeeringen èn volken tot den oorlog overgaan.

Er wordt vaak gezegd dat het de regeeringen zijn die de oorlogen maken, of—door middel van de regeeringen—sommige groepen van de bevolking; en waar deze ten slotte het heele staatswezen het sterkst beinvloeden, spreekt het vanzelf dat zij ook meer dan anderen aansprakelijk zijn voor de oorlogvoering. Maar zij zijn dat als staats-organen en niet als personen of bevolkingsgroepen.

Wat zeggen wil, dat, wanneer andere groepen, zij die altijd de vrede hebben voorgestaan, aan het bewind komen, zij evenmin als hun voorgangers zullen ontsnappen aan de oorlogsnoodzakelijkheid, waartoe de staat zelf, alleen al door zijn bestaan, hen dwingen zal.

Die dwingende macht is zoo groot, dat zij zelfs de minst oorlogzuchtigen—wij hebben het zooeven beleefd—van de oorlogsnoodzakelijkheid te doordringen weet. Hoe sterk moet zij dan wel werken op hen voor wie de instandhouding van de staat boven alles gaat.

Het is daarom dwaasheid te zeggen: wij, vredesvrienden, waren nu nog niet sterk genoeg om de oorlog te verhinderen. Hoe sterker gij wordt, hoe meer ge u als staats-organen erkennen moet; en als staatsorganen zult gij de oorlog onvermijdelijk achten zoodra een andere staat het bestaan van de uwe belaagt.

VII

ONS DOEL

Ons doel moet zijn dat alle staten van de aarde in één bond worden opgelost, en die bond krachtig genoeg om alle volken zijn vrede op te leggen. Een droombeeld? Maar tenminste een beeld. En een dat niet de innerlijke tegenspraak in zich draagt van met elkaar vredehoudende staten. Het eigenste beeld bovendien, waarvan alle socialisten, droomers en denkers, zijn uitgegaan. Ook Marx, bij de ontwikkeling van zijn ekonomische denkbeelden, heeft als achtergrond de geheele aarde door één menschelijke maatschappij bebouwd gezien, en naar háár maatschappelijk-nuttige arbeid de waarde bepaald van alle gebruiksdingen. Maar dit socialisme, het is duidelijk, is heel iets anders dan het streven naar vrede tusschen Staten. Het is een streven naar oplossing van Staten, naar een ontplooiïng van alle verscheidenheid in de eenheid van een krachtige Maatschappij.

_12–16 Augustus 1914._

ONZIJDIGE OVERWEGINGEN

I

De menschen begeeren meer _iets te beleven_ dan _in vrede te leven_.

II

Als een wereld-_oorlog_ mogelijk is, waarom dan niet een wereld-_bond_?

III

Er is iets ademloos in de afwachting tijdens groote slagen. Europa luistert. En terwijl men—dwaselijk—zich betrapt op de lust het oor te spannen of het niet hier misschien het gedreun kan opvangen van het kanongebulder dat op de grenzen van Frankrijk gaande is, en de oogen uitzet om van de hollandsche duinen een vloot op de belgische kust te zien, voelt men zich in de algemeene sprakeloosheid opgenomen en weet dat men langer noch denken noch zich uiten kan.

IV

Wat een dwaze opvatting van onzijdigheid, deze: dat men alle strijders gelijkelijk het beste wenscht. Juist alsof men zelf niet bestaat, zelf niets te vreezen heeft, en of de overwinning van de een niet schadelijker voor ons zijn zou dan die van de ander.

V

Als het recht een godin is, dan zijn de volken zeer bij haar in achterstand.

VI

De joodsche profeten hebben gelijk gehad. Het stoffelijk welvaren is niets in vergelijking met het geestelijk. Wat zou, tegenover de werking van de Bijbel, het eeuwenlang bestaan van een welvarend Palestina beduid hebben!

VII

Het is een opmerkelijk verschijnsel dat de Duitschers, het sterkste volk met de wapenen, zoo weinig gerust in hun geweten zijn. Herhaaldelijk blijkt het dat de vraag hen bezighoudt wat de kleine onzijdige volken van hen denken. Herhaaldelijk geven zij te kennen dat zij een verdedigingsoorlog voeren, dat de Belgen hun ondergang zelf gewild hebben, dat zelfs de verwoesting van Leuven hún niet als schuld mag worden aangerekend. Zoo is het in manifesten en ambtelijke berichten, zoo in telegrammen en artikelen van dagbladen. Ook wie vrienden in Duitschland hebben, weten het. Iedere brief die zij ontvangen, is een verdediging. Een ruimdenkende duitsche vrouw schreef mij in volle onschuld: waarom heeft België dan ook niet, zooals Luxemburg, ons rustig doorgelaten?

De duitsche rijks-kanselier wist het beter. Onze inval in België—zei hij—is een schending van het volkenrecht.

Is het misschien toch een teeken dat het rechtsgevoel in Europa is vooruitgegaan: het besef dat schending van het volkenrecht door een groote sterke natie een zonde is tegen de heilige geest van de menschelijke gemeenschap, en een misdrijf dat niet vergeven wordt?

VIII

Versteld heb ik gestaan over de macht die in tijd van oorlog een regeering uitoefent over de gemoederen. Menschen die levenslang de gemeenschap van kunst en geest boven iedere andere gesteld hebben, en in hun eigen land bizonder het Pruisdom haatten en minachtten, zijn in de oorlogsopwinding onmiddellijk dupen geworden van de ambtelijke voorstelling. Zij gelooven alle goeds dat hun regeering van zichzelf meedeelt, en alle kwaads dat zij toeschrijft aan haar vijanden. Hun brieven lezen als artikelen uit de Kreuzzeitung.

IX

De duitsche legers treden tegen belgische vrijschutters op als waren deze moordenaars. Zij vergeten dat zijzelf, als door hun inval schenders van het volkenrecht, niet langer geregelde troepen zijn.

X

Het is in deze dagen de plicht van de onzijdigen dat zij het geweten zijn van de wereld. In het bizonder de inwoners van de kleinere onzijdige staten, past het, onbelemmerd door voorkeur of afkeer, te zeggen wat hun het rechte schijnt. Zonder twijfel zijn ook zij partij, in zooverre als de eene overheerscher hun schadelijker kan zijn dan de andere, maar die overweging, hoewel stemming gevend aan hun lijdelijkheid, zal de helderheid niet vertroebelen van een inzicht, dat door de dadelijkheid van een oorlog licht onzuiver wordt. Zij kunnen aannemen, en moeten er zorg voor dragen, dat de oorlogsroes die hun naburen aansteekt, hún geest met vrede laat. Die rust van hun geest te bewaren, is hun niet alleen geboden in hun persoonlijk belang, opdat zij de verstoring van hun onzijdigheid niet mogelijk te wijten hebben aan eigen onverstand, maar ook in het belang van de strijdenden. Dat deze hun door hartstocht mismaakt gelaat bij tijd en wijle kunnen zien in de heldere spiegel van hun buren, is voor hen en voor allen een voordeel. Bovendien is het voor de heele menschheid van onschatbare waarde, dat in verwarrende en tot ontaarding neigende tijden, ergens ter wereld zulk een klare rustige spiegel bestaat. Niet de strijd toch, maar de aan allen gemeene menschelijkheid is het bezit waarop we, na slechting van alle veeten, de hoogste prijs stellen. Die menschelijkheid vlucht in tijd van oorlog naar de onzijdigen. Als het belang van personen en groepen haar rondom vervangen heeft, ligt zij rustig en wacht tot ieder weer naar haar zal luisteren. Maar elk oogenblik ook, als zij meent dat zwijgen schande zijn zou, heft ze haar stem op en zegt wat ze de waarheid acht. Wee hun, die dan niet naar haar luisteren, die in de koorts van hun eigenbelang eigen ijlwoorden voor waarheid, eigen droombeelden voor werkelijkheid aanzien, en ze zelfs anderen willen opdringen. Erger dan kinderen die in hun koortsvizioenen het geneesmiddel weigeren, zijn zij als aangestokenen door een besmettelijke ziekte, die gevaar opleveren voor hun omgeving.