Hoe men schilder wordt

Chapter 2

Chapter 23,937 wordsPublic domain

De Moeder.--Ja, hij zegt, dat het nog al moeilijk is, iemand op de Academie te krijgen; maar hij heeft beloofd, dat hij alles zal doen wat hij kan, en de baas is nog al goede vriend van den knecht van M. Wabbes.

De Grootmoeder.--De Academie gaat te zes uren open; wij moeten maken, dat wij niet te laat komen. Spoed u wat.

De Moeder.--Maar weet gij waar wij zijn moeten? Zij zeggen, dat die Academie zoo groot is, dat men gemakkelijk eenen geheelen dag er kan in verloren loopen.

De Grootmoeder.--Gij zijt toch een sukkel, gij! Met vragen komt men immers te Rome?

De Moeder.--Ja, dat is waar. Maar wat zullen wij nu aan die heeren zeggen? Want gij weet wel, dat gij die heeren niet moogt aanspreken gelijk u of mij, en dat die groote mannen nog al gauw op hunnen teen getrapt zijn. Gij moest u zoo eens misspreken.

De Grootmoeder.--Daar is geen nood voor; laat mij maar doen. Als ik binnenkom, dan zeg ik: Goeden dag, M. Van Bree! Goeden dag, M. Wabbes! Dienaar, Mijnheeren!..... Kunnen zij dat nu kwalijk nemen? Het is immers beleefd genoeg?

De Moeder.--Ja, ja. En dan? Hoe zult gij de zaak van onzen Frans aan hun verstand brengen? Zie, daar ligt de knoop.

De Grootmoeder, _met ongeduld_.--Wees maar gerust: ik neem de teekeningen van onzen Frans mede, en als ik die zal laten zien, zullen zij misschien van zelf willen hebben, dat hij op de Academie blijve. Kom, het is al bij den zessen; laat ons gaan.--Fransken, geef mij al de papieren eens hier, dat ik ze in mijnen zak steke. Zijt gij gereed, Annemie? Vergeet gij niets? Doe dan de deur maar toe.....

* * * * *

Wat vreugd was er niet in het hart van Fransken, terwijl hij tusschen zijne moeder en grootmoeder naar de Academie ging! Hoe licht en hoe vinnig waren zijne huppelende stapkens! Met wat liefde bezag hij elken jongen, die, met eene rol papier in de hand, hem voorbij ging..... Reeds waren al deze leerlingen der Academie zijne vrienden. Hadde hij ze mogen omhelzen!

Aan de poort der Academie gekomen, vóórdat de klassen geopend waren, vielen de twee verbaasde vrouwen tusschen een hoop wachtende jongens, die op hunne vragen niet dan met spotternij antwoordden. Beschaamd en verlegen, wilden zij zich verwijderen tot het openen der poort: doch de spottende jongens liepen rondom hen en sloten ze in eenen onverbreekbaren kring. Dan volgde er een _concerto_ van honderden fluiten, die als messen door de ooren gingen; een afgrijselijk gebrom in de rollen papier; honderden roepen van Meken! Meken! Wouw! Wouw!--en een bonzend geschreeuw van hoera! hoera! zoodat de ongelukkige vrouwen niet meer hoorden of zagen, en bereid waren om te weenen; maar gelukkiglijk, of liever ongelukkiglijk, ging de poort der Academie op dit oogenblik open.

Gelijk de razende vloed, die eenen dijk doorbreekt, stroomden de jongens onder de poort door. De vrouwen konden dit woest geweld niet wederstaan, en werden mede door de poort en door den hof gesleurd en gestooten, totdat zij zich weldra in eenen langen gang bevonden, zonder te weten, hoe zij daar geraakt waren en nog duizelig van deze bestorming. De trekmuts van grootmoeder stond scheef, zonder dat het mogelijk was, ze weder op hare plooi te brengen; het haar van Fransken was in de war, en de kleederen der beide vrouwen leelijk verkrookt.

Met stille, bevende stem sprak de grootmoeder:

«Wel, heilige deugd, Annemie! Wat is dat hier voor een leven? 't Is gelijk een hoop duivels!»

De Moeder.--Och God, Meken, ik dacht, dat zij ons nog wel een half uur verre zouden gestooten hebben. Maar waar zijn wij hier? Het is gelijk een klooster.--Zie, daar komt een klein jongsken; dat ziet er geen deugniet uit. Vraag hem eens, waar de kamer van M. Van Bree is..... Manneken, weet gij niet waar wij gaan moeten om M. Van Bree te spreken? Waar is M. Van Bree?

De Jongen; _hij steekt zijne tong uit en zet een *beeldeken*, gelijk men dit te Antwerpen noemt:_

Mijnheer Van Bree is in zijn vel. En als hij er uit komt, is hij niet wel! (_Hij loopt weg._)

De Grootmoeder, _met wanhoop_.--Wel, wel! wat Uilespiegels altemaal! Annemie, hier geraken wij nimmer te recht. (_Er komt een jongen, die hare muts bij den vleugel vat en ze bijna van het hoofd rukt._) Wel, wat schurken! Zij zullen ons nog de kleederen van het lijf scheuren..... Willen wij maar naar huis gaan?

De Moeder.--Toe, toe, zet uwe trekmuts maar recht! Het is gelijk eene kat, daar de straatjongens mede geleefd hebben. Nu zien wij er net uit om voor die heeren te komen!

Fransken, _met stille stem_.--Zie, Meken, daar komt een heer aan; zie, hij neemt zijnen hoed af voor u. Daar, hij gaat in die deur!

De Grootmoeder.--Och Heer! nu weten wij nog niets.

Fransken.--Ja maar, Meken, daar staat iets boven de deur te lezen. Laat ons eens gaan zien.

(_Zij gaan tot bij de deur._)

De Moeder.--Kunt gij dat lezen, Fransken?

Fransken.--Ja, moeder. (_Hij beziet het opschrift een oogenblik en leest._) Ka.....mer der di.....rectie.

De Grootmoeder.--Wel, wat botte getrekken dat wij toch zijn! Dat is nu de kamer van M. Van Bree en van M. Wabbes. En als ik mij wel bepeins, die jonge heer was M. Wabbes zelf.--Fransken, gij moet uwe klak afnemen, zullen?

Fransken.--Ja, Meken.

De Grootmoeder.--Klop eens.

De Moeder.--Ja, maar mogen wij wel kloppen? Daar hangt eene bel boven de deur ..... laat ons liever bellen.

(_Zij zoeken vruchteloos naar het belkoord, vermits dat het binnen de kamer hangt._)

De Grootmoeder.--Dat is aardig, eh? Toe, klop maar.

(_Er komt een jongen voorbij, die om de vrouwen in verlegenheid te brengen, zulk een zwaren stamp tegen de deur geeft, dat de gang er van dreunt._)

De Moeder, _verschrikt_.--Och, Meken, willen wij maar gaan loopen? Ik durf hier niet langer blijven staan.....

De Grootmoeder.--Ja, ja, kom: wij gaan naar huis.

Fransken, _zijne moeder weerhoudende_.--Och neen, moederken lief, laat ons niet naar huis gaan!

Eene stem in de kamer.--Komt binnen!

Fransken.--Hoort gij wel, moeder? zij roepen, dat wij moeten binnenkomen.

(_De vrouwen gaan bevend binnen en blijven vol vrees bij de deur staan._)

De Grootmoeder, _met het hoofd knikkende_.--Goeden dag, Mijnheer Van Bree, goeden dag, Mijnheer Wabbes;--Dienaar, Mijnheeren!

M. Wappers.--Kom hier, moederken. Wat is er van uw beliefte?

De Grootmoeder.--Mijnheer Wabbes, als gij het niet kwalijk neemt, gij weet wel ..... uw knecht ..... de barbier ..... en.....

De Moeder; _zij geeft haar eenen stoot met den elleboog_.--Is dat nu spreken?--Hakkel zoo niet![16]

M. Van Bree.--Vrouwken, het is zeker voor dit jongsken, dat gij komt?

M. Snyers.--Om eene plaats voor hem op de Academie? Gij moogt niet bang zijn, Vrouw. Spreek maar ronduit, en zeg maar wat gij begeert.

De Grootmoeder, _met eenen dankbaren glimlach_.--Wel, Mijnheeren, wat zijt gij toch goed! Ja, Mijnheer Van Bree, ja, Mijnheer Wabbes, als gij de goedheid wilt hebben om ons Fransken (_zij brengt het kind vooruit_) op de Academie te laten komen ..... gij weet niet hoe blij wij zullen zijn.

M. Van Bree.--Hoe oud is hij, moeder?

De Moeder.--Elf jaar, Mijnheer.

M. Wappers.--Dit zou men niet zeggen. Zie, moeder, als ik u eenen raad mag geven, laat hem dan liever nog een jaar of twee naar de school gaan; want hier zou hij toch niets leeren. Hij is te klein en kan nog niet aan de tafels staan.

De Grootmoeder, _bedroefd_.--Och, Mijnheer Wabbes!..... Hij heeft er zoo eene goesting voor;--zie, de tranen komen al in zijne oogen, och arme! (_Het kind beziet beurtelings al de professors met eenen smeekenden blik; zijn gelaat is zoo sprekend en zoo zoet, dat het eenen diepen indruk op hun gemoed maakt._) En dat gij wist, Mijnheeren, hoe hij altijd bezig is met teekenen!

De Moeder, _invallende_.--Ja, Mijnheeren, hij is er altijd mede bezig. Al etende, al drinkende, tot in zijn bed toe, maakt hij niets dan mannekens. Ons geheele huis staat er vol van..... Gisteren avond heeft hij zijn Meken, die daar staat, nog uitgeteekend.

De Grootmoeder.--Ja, het is waar, Mijnheer.

(_De professors betuigen eene groote nieuwsgierigheid._)

M. Snyers.--Daar steekt misschien iets in dit kind. Hebt gij het portret niet bij u, moeder?

De Moeder.--Ja, Meken heeft het in haren zak.

M. Wappers.--Laat eens zien, Vrouw; geef dit eens hier.

De Grootmoeder, _zij wroet tamelijk lang in haren zak_.--Och Heer! Zou ik het verloren hebben? Ha, neen. Hier is het.--Ziet, Mijnheeren.--Het is nog maar een kind, Mijnheeren.--Ik zeg niet, dat het portret goed gedaan is; maar het lijkt toch een beetje.

(_De professoren geven elkander het stuk papier over. De eene bijt op zijne lippen, de andere schijnt te moeten niezen; doch bij het bezien der grootmoeder, die zich als vergelijkingsmiddel in het midden der kamer plaatst, barsten zij eindelijk in eenen langen lach los._)

De Moeder, _stil tot de grootmoeder_.--Meken, zij lachen!

De Grootmoeder, _met blijdschap_.--Laat ze maar lachen; hoe meer hoe liever. Ziet gij niet, dat ik het er om doe; nu komt Frans zeker op de Academie.

De Moeder, _met twijfel_.--Ik geloof het niet.

De Grootmoeder, _tot de professoren_.--Ja, Mijnheeren, niemand heeft zijn eigen zelven gemaakt ..... het is mijne schuld niet, dat ik niet meer schoon ben.--Wat is een oud mensch?

M. Schafels.--Maar, Vrouw, hij heeft zeker betere dingen geteekend; hebt gij geene andere bij u?

De Moeder.--Wel, Mijnheer, hij kan niets zien of hij teekent het uit. Daar is de tamboer-majoor van het 6de, die heeft kennis in onze geburen; hij was nog geene drie keeren door onze straat gegaan, of Fransken had hem al op zijn papier staan..... Laat het eens zien, Meken.

De Grootmoeder; _zij geeft een stuk papier aan M. Van Bree_.--Ziet, Mijnheeren! Dat gelijkt misschien nog beter.

(_De professoren doen geweld om zich te bedwingen; M. Schafels ligt met het hoofd op de tafel._)

De Grootmoeder, _voortgaande_.--En met de St.-Andrieskerk is hij ook al naar huis gekomen, en dat was schoon, met deuren en vensters nog al. Ik heb het ook in mijnen zak:--ziet, Mijnheeren.

M. Van Bree.--Daar staat gelijk eene schouw op de kerk? Dat is wat nieuws.

De Grootmoeder, _met eene merkbare spijt_.--Ja, dat is mis. Dat is mis, Fransken. Waarom hebt gij eene schouw op de kerk gezet?

Fransken.--Wel, Meken, dat is om M. Pastoor zijn eten te koken. (_Dit antwoord verwekt een nieuwen lach._)

M. Van Bree, _tot M. Wappers_.--Wat dunkt er u van, zouden wij dit kind op de Academie laten?

M. Wappers.--Ik geloof dat dit goed ware; het jongsken is niet zonder geest. Mij dunkt, dat er waarlijk iets zou van te maken zijn.

M. Serrure.--Maar, Vrouwken, kan hij wel lezen en schrijven?

De Grootmoeder.--Wel, Mijnheer, hij gaat al vijf jaar naar de Broôkens-kapel; en vraag het maar eens aan meester Klincko: hij heeft dit jaar nog twee prijzen gehad. In het Vlaamsch kan hem al niets meer geleerd worden;--hij leert al Fransch!

M. Serrure.--Zoo! dat is wat anders.

M. Wappers, _tot M. Van Bree_.--Laat mij het kind eens aanspreken.--Manneken, kom gij eens hier. (_Het jongsken gaat bij hem; hij streelt het onder de kin. Fransken lacht hem dankbaar toe._) Zeg mij eens, lief kind, welken stiel zoudt gij gaarne leeren?

Fransken; _er komt eene wonderlijke uitdrukking op zijn gelaat; uit zijne zwarte oogen straalt een vurige blik_.--Schilderen, gelijk Rubbes[17], Mijnheer!

M. Wappers.--Maar, kind, zeg mij eens: zie, dit manneken is uwe grootmoeder, niet waar? Zoo is zij immers niet, met al dit haar rond het hoofd?

Fransken, _met stille stem_.--Ja, maar als Meken 's avonds werkt, dan doet zij hare muts af, en dan heeft zij zoo een haar wel.

M. Wappers, _tot M. Van Bree_.--Wij zullen het kind maar op de Academie laten komen; het ziet er vinnig en verstandig uit.

M. Van Bree.--Ja, ja!

M. Wappers, _tot het kind_.--Zult gij goed leeren, manneken?

Fransken, _hem met hoop in de oogen ziende_.--Och ja, Mijnheer!

M. Schafels.--Wij zullen hem op een banksken zetten.

M. Wappers.--Wel, leer dan maar goed;--en wacht een weinig, ik zal met M. Van Hool eene plaats voor u gaan zoeken.

De Grootmoeder; _met blijdschap tot Fransken gaande_.--Bedank die heeren en kus uwe hand!

(_Het kind kust zijne hand en beziet beurtelings al de professoren, blijkbaar om ze allen te bedanken. Vervolgens gaat het bij zijne moeder en grootmoeder en beziet haar met tranen van blijdschap in de oogen._)

M. Wappers, _tot de vrouwen_.--Gaat gij lieden maar naar huis, Vrouwkens. Fransken blijft op de Academie.

De Grootmoeder, _knikkende_.--Gij zijt bedankt, Mijnheer Van Bree; gij zijt bedankt, Mijnheer Wabbes; bedankt altemaal, Mijnheeren.--Kom nu maar aan, Annemie;--'t is nu wel!

(_Zij gaan de deur uit en begeven zich naar huis langs de Minderbroedersstraat._)

De Moeder, _met blij gemoed_.--Wel, Meken, wie zou dat toch zeggen! Wat is toch iemand, die nog nooit iets gezien of bijgewoond heeft! Wij, die zoo bang waren om voor de heeren te komen..... Maar zie, ik mag wat zijn, als ik niet liever met die menschen zou te doen hebben dan met die van ons kwartier. Hoe beleefd en hoe goed dat zij waren! Zij hebben met ons gesproken gelijk zuster en broer.--Dat zijn nu eerst menschen!..... Een geluk dat M. Wabbes u geholpen heeft, of gij bleeft er wat schoon in steken!

De Grootmoeder.--Ja, M. Wabbes, die is goed voor de burgermenschen; dat weet ik toch al lang. Zie, hij gaat zelf eene plaats voor ons Fransken zoeken, alsof het zijn eigen kind was!

De Moeder.--Ja, M. Van Bree toch ook, Meken.

De Grootmoeder.--Och! het zijn altemaal goede menschen.

(_De vrouwen gaan dus koutend tot in hunne woning._)

* * * * *

Fransken had eene plaats op de Academie bekomen. Van dien dag af begon hij de baan, die hij intrad, met een weinig kennis van zaken te beschouwen. Hij begreep, hoe langzaam en hoe moeilijk de studie der kunst zijn moest, daar hij, die gedroomd had van mannekens en schilderijen, nu reeds eenen geheelen morgen, met het zweet op zijn aanschijn, gepoogd had eenen grooten neus na te teekenen, zonder in die poging te hebben kunnen gelukken; maar hij zou te huis zich zelf vergoeden voor de lastige studiën. Daarom bezag hij met driftige aandacht al de beelden, die in het bereik van zijn gezicht waren, en prentte wel in zijnen geest, waar hun de oogen, neus en mond in het hoofd stonden, en hoe hun de armen en beenen aan het lichaam hingen. Dan vol van deze herinneringen, verliet hij de Academie na het eindigen der lessen, en begaf zich naar het Kasteelplein, dat niet verre van zijne woning gelegen was, en waar hij wist dat de soldaten op dit oogenblik bezig waren met krijgsoefening te leeren. Na hen een half uur bezien te hebben, liep hij naar huis en viel seffens aan het teekenen. Weldra toonde hij aan zijne grootmoeder een stuk papier, terwijl hij zegepralend uitriep:

«Zie, zoo staan de soldaten op het Kasteelplein!»

«Maar hoe is 't godsmogelijk!» riep de verwonderde grootmoeder.

[15] _Deezeken_ beteekent Jesus in de taal der kinderen.

[16] Stamel zoo niet.

[17] De naam Rubbens wordt evenals de naam van Wappers, met weglating der voorlaatste letter, door het volk uitgesproken.

III

De baan der Kunst.--Verschillende klassen der Academie.--Prijs, uitdeeling.--Waar men kennis maakt met Baron De Pret.

Sedert zijne aanneming op de Academie was Frans nog meer dan ooit op de schilderkunst verslingerd geworden; alle spelen verveelden hem; er kwam meer ernst in zijn gemoed, en hij verzelfstandigde zich met zijne hooge bestemming. Papier en potlood verlieten hem nooit; en kreeg hij van zijne ouders een Zondagsoordje, zoo hing hij het meteen aan een blad mannekens, dat dan wel twintigmaal door hem werd nageteekend. Op de Academie werd zijn voortgang er niet merkelijk door versneld; want hij bleef een geheel jaar op de _Hoofden in omtrek_. Die gang was te traag voor zijnen onverduldigen geest; geen wonder dus, dat hij, te huis zijnde, zich altijd eene klasse verder tooverde dan op de Academie. Nog op den _Omtrek_ zijnde, teekende hij reeds geschaduwde beeldekens na, die hij in de school, om zijne leerzaamheid, van den Pastoor gekregen had. Het tweede jaar was Frans de _eerste_ van het _Figuur in omtrek_. Hij won een lauwertaksken, dat hem bij de prachtige prijsuitdeeling en onder handgeklap werd toegereikt. Grootmoeder en moeder kusten haren zoon wel tienmaal, en in hunne onwetendheid dachten deze vrouwen, dat de gedroomde rijkdommen nu onfeilbaar op de komst waren. De vader alleen zag die vreugdebedrijven met mistrouwen en beweerde, dat er nog geene groote kunst te vinden was in de beelden, die zijn zoon nog dienzelfden dag geteekend had; maar hij kon de vreugd der vrouwen niet verminderen.

Het vierde jaar behaalde Frans den tweeden prijs van het _Geschaduwd Figuur_.

Nu was hij reeds vijftien jaar, en, daar hij nog al rijzig van gestalte was, had hij reeds het voorkomen van een jonkman. Al zijne pogingen strekten dan om op het _Antiek_ te kunnen gaan; maar dit gelukte hem niet, alzoo er geene plaats op die klasse open was. In afwachting maakte hij kennis met eenen leerling van het _Leven_ en vroeg hem alle weken, welk _onderwerp_ er voor de _Samenstelling_ en _Uitdrukking_ gegeven was, en teekende dan in stilte de gegevene onderwerpen, om ze door den leerling van het _Leven_ te doen nazien. De eerste maal, dat hij eene _Samenstelling_ poogde te maken, had M. Van Bree het volgende _onderwerp_ gegeven:

«De schilder Brouwer, in eene herberg wel gedronken hebbende en zijn gelag niet kunnende betalen, vraagt pen en papier, en maakt eene teekening op de tafel, waarbij hij gezeten is. Terwijl komen de drinkebroêrs achter hem staan; ja, er zijn er, die op de stoelen klimmen.»

Frans toonde deze _Samenstelling_ aan den leerling van het _Leven_.

Hoe weinig de eerste poging hem ook gelukt ware, ging hij niettemin vlijtig voort, en maakte op korten tijd tamelijk goede _Samenstellingen_.

Alhoewel Frans door den dagelijkschen omgang met zijne kameraden de aantrekkelijke zoetheid zijner inborst gedeeltelijk had verloren, was er nochtans altijd evenveel gevoel en deugd in zijn hart.

Zijne grootmoeder had hij den diepsten eerbied en de warmste liefde toegewijd. Dikwijls, wanneer de stokoude vrouw hem door de streelende vooruitzichten aanmoedigde, riep hij met oogen, die van dankbaarheid blonken:

«O, Grootmoeder, zoo ik schilder word en gelukkig ben, dat ik geld kan verdienen, oh, dan zal ik u en mijne ouders al uwe zorgen en goedheid vergelden. Dan zal ik maken, dat uwe oude dagen schoon en vroolijk zijn. Gij zult mij nimmer verlaten, en ik zal nimmer trouwen om u altijd te kunnen beminnen. Vrees niet, ik zal niet doen gelijk vele schilders, die evenals ik uit arme burgers zijn voortgekomen, en die hunne ouders niet meer kennen willen. Neen, indien ik eene overwinning in de kunst mocht behalen, dan zou ik u met fierheid durven toonen en zeggen: daar is zij, die mij tot schilder heeft gemaakt!»

De vreugdetranen leekten dan over de berimpelde wangen der oude vrouw, en een wederzijdsche zoen was het slot van zulke liefdesbetuiging.

* * * * *

Nu begon Frans de echte baan der kunst in te treden: hij was op de klasse van _Antiek_ of _Pleister_, en moest nu niet meer geteekende beelden nabootsen, maar wel de schoone vormen van den _Apollo_ of den _Laocoön_ op het papier teruggeven. Dit viel hem in het eerst moeilijk, et het duurde toch al tamelijk lang, eer hij de middelen begrepen had om de hoogten en de diepten, de lichten en de schaduwen wel en vloeiend uit te drukken. Hij moest ter zelfder tijd de leergangen van _Samenstelling_ en van _Uitdrukking_ volgen. In deze laatste oefening vond hij een bijzonder behagen, en reeds aan zijne eerste proef, alhoewel gebrekkig, kon men bemerken, dat hij groote geschiktheid had om de hartstochten op de wezenstrekken uit te drukken.

Weldra zal zijne hand de ingevingen van zijnen geest kunnen beantwoorden: hij is op de klasse van het _Levend Model_ overgegaan. Nu gaat hij de vormen van het menschenlichaam in de natuur zelve bestudeeren.

* * * * *

Sedert eenigen tijd was er eene merkbare verandering in de levenswijs van Frans omgegaan. Hij had begrepen, dat een schilder, zonder allerhande kennis ten minste oppervlakkig te bezitten, niet gemakkelijk een goed kunstenaar kan worden en der kunst zelve geene eer kan toebrengen; daarom zocht hij naar boeken over geschiedenis, kostumen en oudheden; kocht of ontleende ze en bracht al zijne avonden door met ze te bestudeeren en er krabbelingen naar te maken, om zich de hand in de _Samenstelling_ te oefenen.

Wanneer Frans een werk aantrof, dat hem eenige schoone gedachten inboezemde, voerde hij deze onmiddellijk op het papier uit, en vormde zich op deze wijze eene rijke verzameling van studiën en krabbelingen, die hem later zeer nuttig moesten zijn. Wat hij ook vinden mocht, dat hem oorzaak tot het oefenen van zijnen geest gaf, hij maakte er gebruik van, en had, dit doende, het ware middel gevonden om een goed en geleerd kunstenaar te worden.

Al die vlijt, al die moeite, gepaard met eene ingeborene geschiktheid, deden onzen jongen kunstenaar met groote stappen vooruitspoeden; hij snelde in de studie al zijne kameraden voorbij. In den loop van 1839, en in zijn negentiende jaar zijnde, behaalde hij meest al de eerste prijzen van de hoogere klassen der Academie.

Het onderwerp, dat voor den prijskamp van _Samenstelling_ gegeven was, moest eene openbare halsrechting in Spanje vertoonen. Frans maakte daarvan eene schoone schets; doch er was nog eene betere ingebracht, want hij verkreeg slechts den tweeden prijs. Dan, in den prijskamp van _Uitdrukking_ was hij gelukkiger en overtrof daarin al zijne medekampers.

Eindelijk, voor overmaat van geluk, behaalde Frans dit jaar den eersten prijs van _Teekening naar het levend Model_, zijnde dit het hoogste punt, dat men in dien tijd op de Academie bereiken kon.

Op den dag der prijsuitdeeling kon men onder de aanschouwers eene oude vrouw zien zitten, die telkenmaal, als de naam van Frans werd uitgeroepen, van haren stoel opsprong en met geweld eenen traan van blijdschap in elk harer oogen terughield. Haar hart was vol gelukzaligheid: zij had haar kind, haren beminden Frans, reeds viermaal bekroond gezien, en met vier zilveren of gouden medailles, onder een lang handgeklap, van de verhevene stelling zien komen.

De Burgemeester had hem gekust, de Gouverneur had hem de hand gedrukt! En de grootmoeder zag dit alles in verrukking, ja met verdwaaldheid aan.

De prijsuitdeeling gedaan zijnde, wilde de heer Baron De Pret in zijn eigen rijtuig den bekroonde huiswaarts voeren, doch eerst nam hij hem mede naar zijne eigene woning, beschonk hem daar met een glas wijn, en gaf hem eenige kostelijke boeken over kostumen en oudheden ten geschenke, benevens eenige belangrijke raadgevingen.

Onderweg had Frans op de vragen van Baron De Pret met rechtzinnigheid geantwoord en hem met zooveel liefde van zijne grootmoeder gesproken, dat de Baron de oude vrouw zien wilde.

Toen het rijtuig in het St.-Andrieskwartier en omtrent de woning van Frans kwam, werd de koetsier gedwongen zijne vaart te vertragen en de paarden op stap te doen gaan,--zooveel volk stond er in de straten. Het gansche kwartier was te been; jong en oud wedijverde om aan Frans, den jongen van hunne parochie, eer en hulde te bewijzen; overal werd hij begroet door een lang en schaterend gejuich.

De Baron stapte met Frans uit het rijtuig in zijn huis en sprak eenige vriendelijke woorden tot zijne ouders, waarna hij vertrok.

De moeder en de grootmoeder van Frans waren niet verre van zot te worden; de vader zelf was vol hoogmoed. Hoe kon het met de vrouwen anders zijn?--Baron De Pret, die edele beschermer der kunsten, was in hun huis geweest; hij had hen aangesproken, en het gansche kwartier wist het; al de geburen betoonden hun eerbied of benijdden hun geluk!

Maar wat verrukking was het niet, wat eer!--Des avonds kwam er eene talrijke Harmonie voor de deur der arme woning spelen!