Chapter 1
E-text prepared by Branko Collin and the Project Gutenberg Online Distributed Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this file which includes the original illustrations. See 31120-h.htm or 31120-h.zip: (https://www.gutenberg.org/cache/epub/31120/pg31120-images.html) or (https://www.gutenberg.org/files/31120/31120-h.zip)
HOE MEN SCHILDER WORDT
HENDRIK CONSCIENCE
I
Ontdekking van een wonderbaar vernuft.--Huiselijke raad over de bestemming van een kind.--De Academie van Antwerpen door eenen werkman beschreven.--Schilderen is een lekker stieltje.
In een klein huisje, behoorende tot de St.-Andriesparochie te Antwerpen, zaten op eenen avond der maand Mei 1832, drie personen bij eene kleine blikken lamp te werken.
Eene oude vrouw was voor een kantkussen gezeten en wierp de ratelende bouten onophoudend door elkander, terwijl zij, met eene wonderlijke vinnigheid, de spelden over het kassen deed wandelen. Op haar gelaat glom die zoete welwillendheid, welke het aangezicht van sommige oude lieden met aantrekkelijkheid versiert, ondanks de diep gegravene rimpels.
Zij scheen welgemoed en liet zich den eentonigen arbeid niet verdrieten, aangezien dat zij van tijd tot tijd hare heesche stem tot het vormen van verschillende tonen poogde te dwingen en slepend een liedeken zong van haren jongen tijd. Dit liedeken scheen uit een enkel referein te bestaan en begon telkens met deze woorden:
En Coredommeken hy issere gesteurve.
Het onveranderlijk einde was:
Hy schreef daer in het zand Dat zyn jonk hart verbrandt.
Nevens haar bevond zich eene jongere vrouw, fraai van gelaat en schoon van gestalte.
Zij was insgelijks bezig met kantwerken. Evenals de oude, droeg zij de gewone kleeding der arme burgers of werklieden van Antwerpen: een rozekleurig jak, eenen zwarten baaien rok en eene trekmuts van bevalligen vorm. Tusschen de kleeding der twee vrouwen was alleenlijk dit verschil, dat de oude met de groote bloemen der vorige eeuw behangen was, terwijl de jongere vrouw meer de hedendaagsche kleuren droeg, zijnde kleine bloemkens op gemengden grond.
De derde persoon, die zich in de kamer bevond, was een jongsken van omtrent elf jaar,--met een aangezichtje zoo zuiver en zoet als dit van een engeltje. Groote zwarte oogen, vol beweging en vol leven, stonden blinkend onder zijne lange wimpers, en losten als gitsteenen op de rozen zijner wangen uit. Zijn mondje, welks hoeken eenigszins achteruit getrokken waren, gaf aan zijne wezenstrekken eene uitdrukking, die geest en begrip aanduidde. Boven dit alles was een bosch van schoone krullende haren ingeplant; zoodat dit jongsken, rijk aan gezondheid en aan geest, waarlijk een schoon beeld van een kind was en geenszins de kenteekens der armoede droeg.
Dit kind zat bij de tafel en scheen met een potlood iets op een stuk papier te schrijven. Bij poozen hief hij het hoofd op, bezag met metende aandacht de oude vrouw en zette dan telkens eenen trek meer op het papier.--Men kon niets anders denken, dan dat hij de oude vrouw uitteekende of ten minste dit poogde te doen..... Er was in de blikken, die het kind op zijn papier en op de oude vrouw wierp, zooveel aandachtige navorsching, in zijne houding en op zijn gelaat zooveel ernstigheid, dat men niet kon twijfelen, of er lag in dien jongen geest een buitengewoon aanleg tot de kunsten van nabootsing. Eene andere omstandigheid kwam dit vermoeden nog versterken: wanneer men nauwkeurig de halfverlichte muren bezag, erkende men met verwondering dat er geene plaats genoeg om de hand te leggen overig was tusschen al de beelden van burgers, soldaten, katten, honden, vogels,--die, op eene zekere hoogte, ontwijfelbaar door eene kinderhand, met houtskool en rood krijt er op moesten geschetst zijn.
Gloeide er van dan af in den schedel van dit kind eene vonk van het vuur des vernufts?--Ontkiemde reeds in hem een zaad van kunstgevoel?
Nadat deze drie personen bijna een half uur in dezelfde houding waren blijven zitten, hoorde men in de Kloosterstraat de trommel van de taptoe slaan.
De jonge vrouw stond op, plaatste haar kantkussen op eenen stoel en sprak tot het kind:
Fransken[1], gij moet gaan slapen..... Kom, doe die papieren nu weg.
Fransken.--Och, moederlief, mag ik nog wat opblijven? Ik zal zoo stil zijn.
De Grootmoeder.--Kom, kom, Annemie[2], laat ons Fransken nog maar wat uit zijn bed.--Laat hem nog wat teekenen.
De Moeder.--Ja maar, als zijn vader thuis komt, zal het weer gekijf zijn..... En hij is nu al zoo lang bezig met dit papier. God weet heeft hij u alweer geen twintig keeren uitgeteekend!
De Grootmoeder.--Och, Annemie, als het kind zijn verzet daar nu in vindt, hoe kunt gij daar tegen zijn?
De Moeder.--Zie, Meken[3], gij zult ons Fransken nog bederven, gij! want gij ziet hem liever dan de appelen uwer oogen. Maar hij móét gaan slapen.--Kom, Fransken.
Gedurende die woordenwisseling had Frans, als een gehoorzaam kind, zijne stukjes papier bijeengeraapt en zijn potlood er in gerold. Dan tot eene kleine bedstede gaande, stak hij zijn teekenwerk met zorg onder het hoofdkussen, en kwam bij zijne moeder om ontkleed te worden. Dit gedaan zijnde, sprak de moeder tot hem:
«Maak uw kruisken, Fransken,--en zeg uw gebeêken.»
Het kind ging bij de bedstede op zijne knieën zitten, en begon met de handen te zamen en met luider stemme te bidden:
's Avonds, als ik slapen ga, Volgen mij veertien engeltjes na: Twee aan mijn hoofdeneind, Twee aan mijn voeteneind, Twee aan mijn rechterzij, Twee aan mijn linkerzij, Twee die mij dekken, Twee die mij wekken, Twee die mij wijzen, Naar 's hemels Paradijze[4].
Vervolgens ging hij tot zijne moeder, daarna tot zijne grootmoeder, kreeg van elk eenen kus en een kruisken op het voorhoofd, en kroop dan stilzwijgend in het bed.
Wanneer de vrouwen dachten, dat het kind in slaap was, begonnen zij in stilte het volgende gesprek:
De Grootmoeder.--Maar, Annemie, was ik gelijk gij, ik zou toch zien, dat ik dit kind op de Academie kreeg. Wees zeker, daar steekt een schilder in.
De Moeder.--Ik weet het wel, Meken. Denkt gij, dat ik het niet zie? Maar hoe zal hij op de Academie geraken? Nog zoo bitter jong en zonder voorspraak!
De Grootmoeder.--Och, ze zeggen, dat M. Van Bree zoo een goed mensch is..... En M. Wabbes[5] dan! Ik zou, al is het dat ik zoo oud en zoo sukkelachtig ben, er nog wel alleen durven naartoe gaan, om eene plaats voor ons Fransken te vragen.
De Moeder.--Ja, gij, Meken, gij zoudt er voor door een vuur vliegen, dat weet ik wel. Maar dit is nog het ergste niet: zijn vader wil maar volstrekt dat hij op het metserdienen gaat.
De Grootmoeder, _met verontwaardiging_.--Wat? ons Fransken metserdienen! Het eenige kind van mijne Annemie!--Neen, dit zal niet waar zijn, zoo lang ik leef..... Als hij dan toch eenen stiel moet leeren, zal hij op het meubelmaken gaan.
De Moeder.--Ik moet het ronduit zeggen: ik zou toch ook liever onzen Frans op de Academie zien.
De Grootmoeder, _vol geestdrift_.--Ja, en denk toch eens, Annemie, gij kunt niet weten wat er kan gebeuren.--Als ons Fransken nu eens goed van aannemen was, en hij werd zoo eens schilder ..... wat zou het dan zijn? Hoe zouden de geburen dan staan zien! Frans schoon gekleed; geld winnen gelijk slijk; in een huis met twee stagiën wonen; overal aangehaald gelijk een Prins! Eh? En als hij dan een schoon stuk gemaakt heeft, dan zullen zij ons op de straat nawijzen en zeggen: ziet! dat zijn de moeder en het meken van den schilder! Eh, Annemie, wat zegt gij daarvan? Mijn hart klopt als ik er aan denk.
De Moeder, _met eenen zucht_.--Ja, ja, maar als dit nu zoo eens gebeurde, zou Frans zijne gemeene ouders dan wel gaarne blijven zien[6]?
De Grootmoeder.--Wel, sukkel dat gij zijt, denkt gij daarop? Al moest ik, mijn geheel leven lang, droog brood eten en zonder schoenen aan mijne voeten gaan, als ons Fransken maar schilder wordt, dan zal ik nog gelukkig zijn.
De Moeder.--Zie, Meken, laat ons daar niet meer van spreken. Gij zult mijnen kop nog zoo vol muizenissen steken, dat ik er zot van zal worden. Ik weet het ook wel, dat ons Fransken geen ezel is en dat er in dit kind iets steekt; maar maak dit aan zijn vader eens wijs?
De Grootmoeder.--Eh wel, eh wel, ik zal het hem wijs maken, en dat nog dezen avond. Help mij maar een beetje--het zal wel gaan.
De Moeder, _opstaande_.--Ik hoor hem. Daar is hij, die klopt!
De deur ging open; een man trad stilzwijgend binnen. Nadat hij zijn schobejak[7] uitgedaan had, plaatste hij zich bij de tafel, als iemand, die eten wil. Een wijde schotel, met gestoofde aardappelen overladen, werd hem voorgezet, en hij begon met gretigheid zijn avondmaal.
Alhoewel machtig en van reuzenspieren voorzien, was het lichaam van dien man door den arbeid gekromd; zijn rug helde als een boog over de tafel; op zijn betrokken aangezicht lagen van die rimpels, welke niet door den ouderdom veroorzaakt zijn; en de stijve onveranderlijkheid van zijn afgemat gelaat toonde genoeg, dat zwaar en onophoudend werken zijn gevoel ten deele had verstompt.
Terwijl hij bezig was met eten, hitsten de twee vrouwen elkander op, om de netelige samenspraak aan te vangen. Eindelijk nam de grootmoeder aldus het woord:
--Maar, Pauw,[8] ik moet u toch eens iets zeggen.
De Vader, _onverschillig_.--Ja? Laat hooren, Meken, wat is het?
De Grootmoeder.--Wel, hebt gij nog niet belet, dat onze Frans den geheelen dag niets doet dan mannekens maken?--De gansche muur staat er vol van; al mijne patronen zijn vol honden, katten en alle soorten van vreemde beesten, die ik zelf nog niet ken. Geen koffiezaksken kan er in ons huis komen, of poef!..... daar staan mannekens op!
De Vader.--Laat gij Fransken maar mannekens maken, Meken. Het is beter, dat hij dit doet, dan dat hij op straat zou loopen.
De Grootmoeder.--Dat zeg ik ook; maar ziet gij niet, dat er in dit jongsken iets steekt, en dat het misschien spijt zou zijn, dat hij daar afgetrokken werd?..... gij kunt het niet weten.
De Vader, _met aandacht_.--Wel, en wat is het nu?--Zeg het maar rechtuit.
De Grootmoeder.--Zou het niet goed zijn, dat wij hem op de Academie deden? God weet, of hij van zijn leven nog geen schilder wordt.
De Vader, _met nadruk_.--Ik heb u al lang op uwe sokken hooren afkomen, Meken. Gij denkt zeker, dat ik u niet in de buis had, met al die slenders[9]. Begint gij weer met dat oud liêken? Onze Frans zal metserdiener worden; en laat hem zoolang maar gerust, of gij breekt zijnen groei nog.
[Afbeelding: En scheen met een potlood iets op een stuk papier te schrijven. (Bladz. 75.)]
De Moeder, _met bitsigheid opspringende_.--Zie, Pauw, Fransken is mijn kind zoowel als het uwe, en gij hebt, gij alleen, er alles toch niet aan te zeggen..... Ons jongsken is vol geest, en daar steekt veel te veel in om er eenen metserdiener van te maken.
De Vader, _half verstoord_.--Ja, gij hebt u zeker wat laten opstoken door Meken? Ik zeg u, dat ik van geenen schilder wil hooren,--en breek er mij den kop niet langer mede.
De Grootmoeder.--Annemie heeft gelijk, gij ziet uw kind niet gaarne; want anders zoudt gij zoo niet spreken.
De Moeder, _bijna schreiend_.--Dat heb ik al lang genoeg gezien, dat gij ons kind niet gaarne ziet. Het is u te veel dat gij het aanspreekt, dit arm schaap!
De Vader, _met droefheid; zijne spraak verkrijgt eene drukkende klem_.--Zie ik mijn kind niet gaarne? Omdat ik hem een goed ambacht wil doen leeren en hem wil opbrengen gelijk zijne ouders zijn opgebracht? Heeft hij geene handen aan zijn lijf, om te werken,--of zoudt gij er gaarne een luien bliksem van maken?--Schilderen! Schilderen! Dit is misschien geen slecht ambacht, maar het is ook kostelijk en moeilijk om te leeren.
De Moeder; _zij snauwt hem toe_.--Een ander leert het wel!
De Vader.--Ja, maar een ander heeft geld, en wij niet..... Ziet, vrouwen, gij weet daar niets van. Gij hebt nu al zoo lang aan mijne ooren liggen zagen met dat zelfde oremus, dat ik bij eenen schilder ben gegaan, die nog al dikwijls bij onzen baas komt. Dat gij wist, wat boeksken hij mij heeft uiteengedaan over dat lekker stieltje, uw haar rees er van te berge op uwen kop!
De Grootmoeder.--Hij heeft u wat leugens wijs gemaakt. Zoo zijn de schilders allemaal; als er wat te veel komen, dan bederft de stiel.
De Vader.--Ja, luister maar..... Ziet, zoo wordt gij schilder: Als gij op de Academie moogt komen, dan gaat gij eerst een jaar lang op de klasse van de _Neuzen_ en de _Ooren_; dan een jaar op de _Koppen_; dan twee jaar op de _Mannekens_; dan een jaar of drie op het _Pleister_; dan een jaar of vier op het _Leven_..... En als ge dan al zoo elf lange jaren hebt zitten krabben en u de borst hebt _gecreveerd_, dan kunt gij al zooveel schilderijen maken als ik of gij..... En dan moet gij nog eens een heel jaar op de klasse van _Tante Mie_[10] den dood gaan uitteekenen.--En weet ge wat ge dan kent?--Nog niets!..... Kunnen wij nu elf jaren onzen Frans houden, zonder dat hij iets verdiene? Kunnen wij hem verf, penseelen, en doeken koopen, gedurende al dien tijd? En zal hij dan niet ongelukkig zijn, als hij mislukt?--Ja, want dan is 't kalf verdronken; dan is het te laat; dan zullen zijne meiskenshanden nergens meer goed voor zijn, en hij zal te lui geworden zijn om te werken. Neen, ik zie mijn kind zoo gaarne als gij; maar ik ben gelukkig in mijnen stiel; ik kom geen brood te kort, en ik geloof, dat ik niet beter kan doen dan onzen Frans ook zijn brood te leeren verdienen. Zoo weet ik zeker, dat hij geen gebrek zal lijden..... Hij zal metserdiener worden,--ik wil het en het is mijn laatste woord: metserdiener!
De twee vrouwen zwegen. Zij konden niets inbrengen tegen de goede redenen van den man; ook hadden zij bij het hooren zijner woorden van hun eerste inzicht afgezien en besloten niet meer van deze zaak te spreken; maar op het oogenblik dat de vader, als een vonnis, had uitgeroepen: hij zal metserdiener worden! hoorde men eensklaps het kind in zijn bed zuchten en snikken, als iemand, wiens tranen na lang bedwingen, losbarsten.
Fransken had alles in de grootste benauwdheid afgeluisterd. Een straal van hoop en van blijdschap was in zijn hart gesprongen, toen hij van de Academie had hooren spreken; doch de woorden zijns vaders, die, als de uitspraak van een onherroepelijk oordeel, hem tot den metserstiel verwezen, hadden zijn hart met droefheid overkropt;--en, zich niet langer kunnende inhouden, was hij op eens aan het schreien gegaan.
De grootmoeder liep ijlings naar het bed, nam Fransken er uit, en hem op haren schoot plaatsende, begon zij het kind te zoenen, terwijl hare eigene tranen over haar aangezicht rolden. De moeder ving insgelijks aan met weenen:--en het was in dit huisgezin eene droefheid zoo innig en zoo bitter, alsof er een schrikkelijk ongeluk voorgevallen ware. Dan sprak de grootmoeder met bitsigheid tot den man:
Hoe kunt gij uw kind zoo _trêteren_[11]. Gij zult het wel dood krijgen.....
De Moeder.--Ja, ja, dat zal er wel van komen: gij zult het wel in zijnen put helpen..... Waarom kunt gij Frans niet naar de Academie laten gaan, zeg? Als hij daar nu goesting voor heeft?
De Vader, _met hevige gramschap zijne vuist toonende_.--Maak mij niet kwaad!
Fransken; _hij springt van den schoot zijner grootmoeder en loopt bij zijnen vader_.--Och, vaderken lief, maak u niet kwaad..... Ik zal metserdiener worden.
De Vader; _hij kust het kind met teederheid; er blinkt een traan in zijne oogen_.--Fransken, mijn kind, ik zal niet kwaad worden. Ga maar gerust in uw bed.
Fransken; _hij neemt de hand zijns vaders en streelt ze_.--Vader, weet gij wel, dat Koben[12] van den hoek ook op de Academie is, en hij is toch wel metserdiener.
De Vader, _geheel kalm_.--Ja maar, kind, dat is wat anders. Hij maakt daar geene mannekens; want hij is op de klasse van _koepe-de-peer_[13].
Fransken.--Wat maken ze daar dan, vader?
De Vader.--Dat weet ik niet: huizen zeker. (_Hij bedenkt zich een weinig; het kind ziet met angst in zijne oogen._) Maar hoort, ik zie wel, dat gij mij toch niet zult gerust laten. Laat Frans dan maar naar de Academie gaan, als gij hem er op kunt krijgen. (_Het kind springt op van blijdschap, kust zijnen vader, kust zijne moeder, kust zijne grootmoeder en vervult de kamer met blijde kreten_). Maar op ééne _conditie_: dat is, als Frans niet goed en gauw leert, hij op mijn eerste woord van de Academie blijve.
Fransken, _met blinkende oogen en met geestdrift_.--Och, ik zal zoo goed leeren, vaderken lief!
De Vader.--Ga nu maar slapen, kind.
Fransken kroop welgemoed en met vinnigheid in zijn bed. De drie andere personen namen de lamp en klommen op eene kleine, steile trap, om zich insgelijks tot de rust te begeven. Boven gekomen zijnde, begonnen zij te beraadslagen over de middelen, die werkstellig konden gemaakt worden, om voor Fransken eene plaats op de Academie te verkrijgen. Na eene tamelijk lange onderhandeling besloot men tot het volgende:
Trees[14], van daar naast de deur, heeft kennis met den leerjongen van den barbier van den knecht van M. Wappers. Door Trees zou men de voorspraak van dezen leerjongen kunnen verkrijgen; hij zou spreken aan zijnen baas, de baas aan den knecht van M. Wappers, de knecht aan M. Wappers zelven;--en M. Wappers zou er van spreken aan M. Van Bree.
Zij twijfelden niet, of die buitengewone samenhang van voorsprekers zou hun doen gelukken;--en nog meer werden zij daarvan overtuigd, toen de grootmoeder bemerkte, dat er niets voordeeliger is dan de voorspraak van eenen barbier, aangezien men weinig te weigeren heeft aan eenen man, die ons dagelijks een mes op de keel houdt, enz.
Dan, overmorgen zullen moeder en grootmoeder hunne Zondagsche kleederen aantrekken: het fijne jak, den stoffen rok, de kanten trekmuts en de fluweelen schoenen. Zij zullen eenige teekeningen van Frans medenemen, om aan de heeren der Academie te toonen, en grootmoeder zal het woord voeren, om hun te doen verstaan, wat vernuft er in Fransken steekt.
[1] Verkleinwoord van den voornaam _Franciscus_.
[2] Verkorting van _Anna Maria_.
[3] _Meken_ beteekent _grootmoeder_ onder de Antwerpsche burgerklasse; voor _grootvader_ zegt men _Peken_. Van oude lieden zegt men in het algemeen: het was een _Meken_, ik zag een oud _Peken_.
[4] Dit zonderling avondgebed als ook een ander, dus beginnende _Heiligen Engel Sinte Michiel, ik beveel u mijn lijf en ziel_, worden nog dagelijks in honderden huisgezinnen door de kinderen opgezegd. Daarbij echter wordt dan het _Vader ons_ of een ander erkend gebed gevoegd.
[5] _Wabbes_ is de volksnaam van den heer Wappers, gewezen bestierder der koninklijke Academie.
[6] Men merke hier aan, dat het werkwoord _beminnen_ zeer zelden in Antwerpen wordt uitgesproken. Men bezigt daarvoor meest altijd het samengestelde werkwoord _gaarne zien_.
[7] De werklieden, die aan het ontladen der schepen arbeiden, dragen een kort hemd van grof lijnwaad over hunne kleederen. Dit hemd of liever dien kiel noemt men _schobejak_.
[8] Verkorting van den voornaam _Paulus_.
[9] Ik hoorde u in stilte afkomen: ik bemerkte uw inzicht, met uwe treken.
[10] Zoo noemt de volksklasse den leergang van _ontleedkunde_ of _anatomie_.
[11] Plagen.
[12] Verkorting van den voornaam _Jacobus_.
[13] _La coupe des pierres_--_de Steensnede_, die men van overlang gewoon is met haren Franschen naam te noemen.
[14] Verkorting van den voornaam _Theresia_.
II
Gang naar de Academie.--De opvolgers van Uilespiegel.--Raad van Professoren over den roep van Frans.--Onderzoek van bewijsstukken.--De Academie krijgt een leerling meer.
De zon, de grootste schilderesse der wereld, was bezig met achter de kim haar palet te bereiden; zij vereenigde en mengde er de schoonste verven op, welke zij bezit, om dien plechtigen dag,--om den eersten stap van Frans in de baan der kunst, met eenen ongemeenen glans te beschijnen. Weldra wierp zij, door enkelen penseeltoets, de grijsgele doodverf op haar onmeetbaar paneel ..... en de stad Antwerpen stond, als eene aangelegde schets, zichtbaar in het schemerlicht.
De hanen, die afgodendienaars der zon, begroetten hare komst met snijdend keelgeluid, en schreeuwden zoo lang en zoo hevig, dat de grootmoeder er door ontwaakte, terwijl zij hare eerste gedachte aan het geluk van haar Fransken gaf.
Alhoewel schrikkelijk afgeschilderd, is de nacht niet zelden een weldoener. Hij alleen is rechtvaardig ten allen tijde: de goeden overlaadt hij met blijdschap en genot, de kwaden martelt hij door ingebeelde straffen. Als een gezant van God ziet hij in het binnenste der harten, en voorzegt den mensch, wat loon of wat wraak zijne daden verdienen en verwachten moeten.
De schoonste tafereelen had hij ditmaal uit zijne goocheltasch gehaald en voor de oogen der grootmoeder doen verschijnen. Zij had rijkdommen gezien: schoone huizen als paleizen, paarden als herten, koetsen als tronen, lusthoven als paradijzen,--jeugdige lauwertakken! En te midden van dit alles haar Fransken, zijne moeder, zijnen vader en zich zelve. Ontwakende, wreef zij hare oogen rood, om die verleidende beelden te kunnen wederzien; doch nadat zij, niet zonder spijt, bevonden had, dat het slechts een droom was geweest, verging hare blijdschap niet geheel. De streelende vooruitzichten verlieten haar bij haar wakend leven ook niet.
Ternauwernood was de stad met eene tweede en goudgele tint oversapt, of het gansche huisgezin was te been. De man moest vroeg op zijn werk zijn en kon niet zonder ontbijt vertrekken; de ouders kwamen dan alle drie beneden.
Met éénen blik en te gelijk zagen zij naar Fransken en bemerkten, dat hij reeds in zijn bed recht zat en, bij den twijfelachtigen schijn van den morgen, met zelfvergeten aan het teekenen was.
Het vuur aangestoken zijnde, ging de moeder tot het kind, nam het uit bed en deed het op zijne knieën zitten.
«Lees vandaag een goed gebeêken, Fransken,» sprak zij, «dat Onze Heerken ons doe gelukken!»
Het jongske knielde zoo langzaam en zoo plechtig neder, dat het genoeg te zien was, wat godsvrucht en wat vuur hij in zijn gebed ging stellen. Hij sprak met fijne stemme:
's Morgens als ik opstaan, Zie ik twee engeltjes vóór mij staan, Engeltjes lief, engeltjes zoet, Maakt dat Fransken geen kwaad en doet. Onze Vader, enz.
Na dit gebed werd hij gekleed en gewasschen; en zoodra men hem dan vrij liet, vatte hij zijne stukjes papier, ging bij het vuur zitten en begaf zich aan het nateekenen van het een of ander voorwerp, dat zich in de kamer bevond.
Weldra was de koffie opgeschonken, de zware boterhammen gesneden en de tassen voorgezet. Alvorens zij begonnen te eten, maakten zij allen een kruis; doch Fransken voegde er zijn gewoon gebedeken bij:
Deezeken[15], kom eten mee, Breng uw liefste moeder mee. Deezeken, waar gij zijt, Is het al gebenedijd. Eet en drink, maar wees gedachtig, Dat het komt van God almachtig.
Een werkman verslijt niet veel tijds aan de tafel: op een oogenblik waren al de boterhammen verdwenen. De vader trok zijn schobejak aan en ging de deur uit, met de woorden:
«Tot den noen, zullen!»
Nu begon eerst de groote voorbereiding; Fransken werd nog eens ontkleed en opnieuw gewasschen met Spaansche zeep en warm water; zijne krullende haren netjes opgekamd; zijn strepen broeksken en zijn kieltje werden hem aangedaan.
Hierna begonnen de twee vrouwen hun eigen _toilet_. Uit eene kist kwamen twee sneeuwwitte trekmutsen voor den dag; twee rokken, een zwarte en een met groote bloemen; twee paar fluweelen schoenen; twee jakken, een lang en een kort, en een katoenen mantel van de grootmoeder. Dit was alles.--Met deze kleedingstukken moesten de vrouwen zich schoon en zindelijk maken, om met voordeel voor de heeren der Academie te verschijnen.
Toen de optooi bijna gedaan was, vroeg de grootmoeder: «Maar, Annemie, zijt gij nu zeker, dat Trees, van hiernaast, aan den leerjongen van den barbier van den knecht van M. Wabbes gesproken heeft?»