Hoe ik een week te Fez doorbracht De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 3

Chapter 34,038 wordsPublic domain

Dus bestijg ik den muilezel en rijd de hoofdstraat op, voorafgegaan door den kleinen Ibrahim op een ezeltje gezeten, en voortdurend roepend: "Balak!" om de voetgangers te doen uitwijken, die staan te dringen vóór de winkels en den weg versperren. En nadat geheel Fez in de lengte is doorgereden, verlaten we de stad door de poort Bab-es-Segma, vlak bij de muren van het keizerlijk paleis, de poort, waar men door binnen gaat, als men van Tanger, Larasch of Rabat komt. Op eenigen afstand van de muren, op de effen vlakte, geven zich een tiental eilanders aan hun geliefde sport over in de buurt van de wadi Fez. Rijke Arabieren, per muilezel aangereden, hebben schik in het kijken naar het spel, waar goede ruiters en goede paarden voor noodig zijn. Ik vind het alleen belangwekkend, om eens weer voor de zooveelste maal op te merken, hoe de Engelschman, waar hij ook zij, steeds zichzelf blijft en hoe hij anderen slechts erkent, om hen te beheerschen of zich van hen te bedienen. Zij gaan naar Fez om polo te spelen, naar den Atlas om te jagen, naar den Himalaya om van de koelere temperatuur te genieten, naar Athene als einddoel van een kruistocht door de Middellandsche zee, en elders, als er maar wegen zijn, om een automobiel te laten loopen.

De nadering van het feest van Moelai Idriss brengt luidruchtige optochten naar de stad. Gisteren reeds is tegen den middag een os, gevolgd door muzikanten en voorafgegaan door dansers, die al dansend geweerschoten losten, gebracht van Fez-el-Djedid naar de moskee van Moelai Idriss. Op den bepaalden tijd verdrong zich een dichte menigte in de smalle straat, die de hoofdader is voor het verkeer in de soek of bazar. Tusschen Karoeiyn en het wegje, dat verboden terrein is voor de Christenen, en aan welks einde men met haar bekleeding van veelkleurig porselein de groote poort van Idriss kan onderscheiden en de zonnige ruimte van het plein ervoor, is het een opeenhooping van tulbanden, djellaba's, haïks en burnoes. De kooplieden buigen zich over hun uitstallingen, en de vrienden voegen bij de koopwaren de onverwachte toegift van hun tarboesjes en tulbanden; anderen zijn geklommen bovenop de huizen, en er is een geregelde opklimming van hoofden tusschen den hoogen rand van den muur en het rieten vlechtwerk, dat de straat overdekt.

Dan hoort men zingen met begeleiding van handgeklap, en in twee rijen komen mannen aanspringen, terwijl ze zich met de handen een weg open houden tusschen de massa nieuwsgierigen in de smalle straat, en onder het zingen ook nog in de handen klappen in een vaste maat.

Kort daarna komt er een tweede groep, voorafgegaan door mannen, die een salvo van geweerschoten doen losbranden; achter hen wordt een groote waskaars gedragen als offerande aan den schutspatroon der stad. Uit de winkels en van de straat worden blikken naar mij geworpen, vijandige blikken, die onrust verraden over de aanwezigheid van den Christen... Weer geweerschoten, mannen, die dansen en zingen en een os naar het heiligdom drijven. Eindelijk komen de Aïssaoeia's, die vooruittreden en een kring vormen, onder aanhoudend geroep van: "Allah!" Ze springen en draaien en wringen zich, opdat de vervoering moge komen. Hun haren wapperen in den wind, hun oogen staan wild en de tamtam, zoowel als de doedelzak maken lawaai, om hun geestdrift aan te vuren. Achter hen verspreidt zich de menigte.

Sedert ik bij Sidi Mohammed woon, is er een stille strijd aan den gang tusschen Mansoer en mijn bediende Abbas, om zich van mij meester te maken. De een heeft zich zoo lang mogelijk onmisbaar willen maken, door een boodschap, waar haast bij is, of den aankoop van een dringend noodig voorwerp uit te stellen. De ander heeft al dadelijk geprobeerd, den eersten eruit te knikkeren. En daar het "geschenk" evenredig zal zijn aan de bewezen diensten, heeft Abbas het zich tot taak gesteld, er mij te bewijzen van den morgen tot den avond, en ik kan mijn hand niet uitsteken naar eenig voorwerp of een beweging maken, als wilde ik mijn djellaba van den kapstok krijgen, of hij komt op mij toe en dwingt mij zijn gezelschap op voor de wandeling.

Den eersten keer verklaarde ik kort en goed, dat ik van plan was alleen uit te gaan. Hij nam een beleedigde houding aan en zei, dat hij meer was dan een bediende, namelijk een vriend. Daarna liet hij zijn schoonvader tusschenbeide komen, om mij te beduiden, dat ik alleen gevaar zou loopen. Maar hij kwam te laat met zijn waarschuwing, want ik heb nu langzamerhand al wel geleerd, hoe de vreemdeling op reis wordt geëxploiteerd. Maar om zijn eigenliefde te sparen, heb ik het besluit genomen, hem nu en dan te verdragen of, als ik kan ontsnappen, het op een geschikt oogenblik te doen. Zoo gaat hij dien dag na het ontbijt naar huis, om zijn middagdutje te doen, denkend dat ik, als de andere dagen, thuis zal blijven, om te schrijven gedurende de warme uren. Maar ik heb achter zijn rug de plaat gepoetst. Ik ben de donkere straatjes ingegaan, heb de bochten gevolgd, ben over de soeks geloopen, tusschen de hooge muren der burgerhuizen, ben de wijkpoorten door gegaan, voor kleine moskeeën langs, waar fonteinen klateren over het steenmozaïek der pleintjes en, na meermalen geaarzeld te hebben, welken weg ik moest inslaan, ben ik toch ten laatste bij de Bab-el-Djedid uitgekomen.

Die voert naar een _en corniche_ loopenden weg, en boven de rivier is er een groote, open boog in den wal, begroeid met afhangend groen. Ik ben in de schaduw gaan zitten, bij de wadi, die een waterval vormt en waar de beboschte hellingen der tuinen heen afdalen. En ik keer terug langs den ingewikkelden weg van de smalle, bochtige straatjes door de stad. De hooge, zwart geworden muren zeggen niets van wat ze omsluiten; de lage, breede deuren, met spijkers beslagen, verdedigen goed de geheimen der woningen; men kent alleen de woningen der machtigen aan de soldaten, die er voor gezeten zijn met de bedienden, op rieten bankjes, en die der rijken aan den eigenaar zelven, die op den drempel zich ophoudt, gehuld in zijn haïk en in de straat kijkend naar de voorbijgangers. Wat moet men oppassen, dat men niet vuil wordt! Ondanks de grootste zorg kan men het niet altijd vermijden in deze stad, waar de weelde bestaat in zeer lichte en witte weefsels, en waar de straten u ieder oogenblik dreigen met de aanraking van pakjesdragers, muilezels, zakken en pakken en het opspattende slijk van een te overvloedig besproeide straat. Thuis gekomen, trek ik mijn djellaba uit en hul mij in mijn mooie haïk van licht mousseline met rijke zijden strepen, en ik stap er weer op uit naar de laantjes van de soek, waar ruiters en lastdieren niet mogen komen, en waar men dus in de volte alleen een duwtje kan oploopen.

Het is het uur waarop alle winkels, die zoo laat openkomen en zoo vroeg gesloten worden, op klanten wachten. Dichtbij de poorten van Karoeiyn zitten, in hun kleine hokjes genesteld, de rijke adoels of notarissen, wier kaftans, hemelsblauw, oranje, wijnrood, bleekgroen of lichtbruin, heenschemeren door de wazige draperie van de zijdezachte haïks, bezig met eenige schrifturen of pratend met een klant; nu en dan wisselen ze met een vriend, die onverschillig op hun tafeltje staat te leunen, een praatje of wel ze zitten lui te droomen. In de winkelstraat van de muiltjes word ik aangeroepen door een koopman, die Egyptenaar is en uit Kaïro is gekomen, om hier handel te drijven. Hij klaagt mij zijn nood, dat hij zoo verlangt naar de groote stad met haar rijkdommen en haar drukte, haar groote moskeeën, haar rivier en haar woestijn. Als ik mij maar voldoende verstaanbaar kon maken, zou ik met hem instemmen en er hem ook op wijzen, hoe in zijn Oosten van Damaskus en Kaïro de arabische kunst nog levende is, terwijl ze hier totaal in verval is.

De mozaïeken van aardewerk, de versieringen van pleisterwerk in kleur, en voorts tapijten zijn zoo ongeveer de eenige weelde in de woningen, en die faïences zijn niet anders dan de azulejo's uit Valencia; ze zijn ingevoerd uit Spanje, waar die industrie nog wordt uitgeoefend, zooals ze door de Mooren is in het leven geroepen en waarvan hun afstammelingen het geheim verloren hebben. De geciseleerde zilveren dolken, de luxe-geweren, de zilveren wierookvaten, de zilveren odeurflacons, dat wordt niet meer gemaakt. Het publiek, zoowel als de kooplieden, stellen er enkel prijs op, bij verkoopingen nog eens een goeden slag te slaan en zoo de mooie en oude voorwerpen machtig te worden, door de bezitters te koop aangeboden. En dan ziet men er nog geen reukvaten of odeurflacons, want die zijn al in langen tijd niet meer gemaakt. De fleschjes voor rozenwater zijn wel van mooien arabischen vorm, maar van wit metaal en uit Europa ingevoerd; de reukvaten, sierlijk om te zien, maar van grof bewerkt koper. En de soeks zijn overvuld met onze goedkoope waren, onze bazar-artikelen, die den smaak spoedig bederven. De Mooren koopen ons de glazen af met gouden en bonte versierselen, die men wint op kermisloterijen, ons vaatwerk van geëmailleerd ijzer, onze blikken dingen, onze petroleumlampen voor de keuken en onze goedkoope geweven stoffen. Toch maken ze nog in den ouden trant koperen kandelaars, leemen vaatwerk, en schotels en borden van aardewerk, waarvan de vormen wel origineel zijn en waarvan de oppervlakte bedekt is met grofblauwe figuren.

Ik ben thuis gekomen met een koperen reukvat, dat ik drie dagen geleden had besteld. Op de gloeiende kolen heb ik een stukje sandelhout gelegd, en mijn kleeren heb ik er boven gehangen, dat ze den geur zouden aannemen. Sidi Mohammed snuift dien met blijkbaar welbehagen in, dan haast hij zich naar huis en brengt mij oranjewater, opdat ik er mijn baard mee besproeie en mijn haar en mijn handen, mijn gezicht, mijn kaftan, mijn feradja, mijn djellaba en mijn haïk.

Sidi Mohammed, die beginselen heeft omtrent recht en broederschap, heeft een eigenaardige manier om ze in praktijk te brengen. Bij voorbeeld:

Des avonds tusschen acht en tien uur is er een heele opschudding in het huis van Sidi Mohammed, ontroering onder de bedienden, veel gaanden en komenden, geroep en geschreeuw! Om tien uur komt de goede man bij mij in het hemelsblauwe vest en de blauwe broek, met een opgezet gelaat, rood onder de witte muts, schitterende oogen en lachenden mond: "Komaan, die heeft zijn loon gekregen!... U weet niet, wat er gebeurd is?... Ja, ja, hij heeft er van gelust! tweehonderd stokslagen! die zullen hem heugen!... Het is de zoon van een mijner vrienden; hij komt dezen namiddag bij mij en vraagt mij voor zijn vader hem mijn muilezel te leenen. Dat is goed! Hij gaat heen. Ik onderzoek de zaak. De vader weet van niets. Nauwelijks een uur na het avondgebed komt de jonge man terug! Hij was in de mellah geweest, om een glas anisette te drinken en de mooie jodinnetjes op te zoeken; hij had mijn muilezel laten draven en bracht het dier zweetend en blazend thuis,--een beest van zevenhonderd vijftig peseta's!... ik heb hem tweehonderd stokslagen gegeven! honderd voor zijn vader en honderd voor mij! Het zal hem heugen!..." En lachend gaat mijn philosoof heen.

Vandaag moet ik al aan de toebereidselen voor mijn vertrek denken. Ik ga naar boven naar Fez-el-Bali, naar het huis van mijn ezeldrijver en zittend op straat, praten wij over den prijs. Eenmaal het aantal doero's vastgesteld, noodigt hij mij uit om thee te drinken; we loopen over het overdekte plaatsje, waar vijgeboomen boven het vlechtwerk van het dak uitsteken, en zijn vader brengt mij in zijn kamertje. Een ruitwerk van tegels, waar het wit en het groen de hoofdrol spelen, bedekt den grond; door de open deur dwaalt het oog tot de naaste minaret, en daar doorheen stroomen binnen de koelte en het geruisch van de wadi. Als ik op de door de zon verbrande wegen zal zijn, en nog verder in landen, die hij nooit zien zal, zal hij daar zitten op het matrasje, dat op den wit en groenen grond ligt, en door de open deur, door wat wingerdbladeren en een tak van den vijgenboom heen, zal hij, gewiegd door het lied van de wadi, naar de lucht zitten kijken en naar de naaste minaret...

Het gerucht is in de stad verspreid, dat een Christen in muzelmansche kleeding in Karoeiyn zou zijn binnengegaan. Het ware is onwaarschijnlijk. Rondom hun moskeeën houden de fazi's nauwkeurig de wacht; ze zouden niemand dichtbij laten komen, tegen wien ze verdenking koesterden. Het maghzen alleen kan er belang bij hebben, zulke geruchten te verspreiden, die de dweepzucht versterken, om eenig incident uit te lokken, waarvan het mogelijk hoopt, dat het in deze tijden van diplomatieke spanning Europa zenuwachtig kan maken. Het is moeilijk te begrijpen met welk doel een Christen zijn leven in de waagschaal zou stellen, door iets te doen, dat de Mohammedanen als de grootste heiligschennis beschouwen. De begeerte misschien om mooie monumenten te kunnen bewonderen? Maar men kan ze leeren kennen, zonder er den drempel van te overschrijden. De meeste der moskeeën en de schoonste, staan wijd open en laten door het sierlijk open smeedwerk der deuren hun lichte binnenpleinen en donkere booggangen zien. Niet enkel de minarets, die slanke vierkante torens, versierd met veelkleurige steenen, dikwijls in mozaïeken waarin op den voorgrond treden het donkerblauw of smaragdgroen of de onbepaalde tint van turkooizen, ook niet de poorten, bedekt met ornamenten in gebeeldhouwd en gekleurd pleister of de zware deuren met snijwerk in brons bekoren het oog van den voorbijganger; er komt bij: de inkijk op de pleinen met kleine, witte en groene ruiten op den vloer, die vol zijn van het licht, dat aan de zoo smalle straten wordt geweigerd en die omzoomd zijn door de veilige halfschaduw van de booggangen, waar de geloovigen knielen.

De moskee Andaloesia heeft de meest monumentale poort met het rijkste snijwerk; zij is het werk van de andaluzische Mooren, die, uit Spanje verdreven, een schuilplaats gingen zoeken in hun oorspronkelijk vaderland. Maar de grootste en mooiste, als men Moelai Idriss buiten rekening laat, waar niets van te zien is dan een enkele deur, moet zonder twijfel Karoeiyn worden genoemd. Evenals de El Ahzar te Kaïro en de moskee van Cordova, beslaan de bogen een groote oppervlakte; daar ze wit zijn en onbewerkt en gesteund worden door pilaren met vlechtwerk omwonden, kunnen ze niet vergeleken worden met de prachtige der beide mededingsters; maar die missen de glorie van te bezitten het binnenplein van Karoeiyn, dat in nog grooter afmetingen is als het beroemde leeuwenplein van het granada'sche Alhambra.

De ingewikkeldheid der mohammedaansche praktijken van den godsdienst en het groot aantal dagelijksche plichten die deze oplegt om in het openbaar en in gemeenschap te vervullen, doordringen zoo geheel het muzelmansche leven, dat ze van ieder individu iets maken, dat te vergelijken is met een christen-monnik. Het is heel gewoon, de kooplieden in hun winkels, waar ze op klanten wachten, halfluid uit den Koran te hooren lezen. De godsdienstige gedachten vervullen de plaats van alle andere denken, en de godsdienst neemt hun gansche bestaan in beslag. Het is duidelijk, dat in die omstandigheden hun geloof zijn kracht blijft behouden, want de herhaalde oefeningen houden het in wezen en versterken het. Trouwens het denkbeeld van een geloof zonder praktijk, dat de twijfelzucht der vorige eeuw heeft trachten te verspreiden, is een dwaasheid zonder weerga. Een godsdienst kan niet iets geheel innerlijks wezen zoo min als andere gevoelens; ze moeten zich altijd op de een of andere wijze naar buiten uiten, en die uiting is des te zichtbaarder, naarmate de inwendige kracht sterker is. Maar juist de uiting wordt tot gewoonte en onderhoudt de inwendige kracht. Als de innerlijke godsdienst de ware is en eigenlijk die, waar het alleen op aankomt, hij kan toch niet leven en groeien zonder den uiterlijken dienst, die voor het innerlijke is, wat de bast is voor het merg van den boom.

Van morgen gewandeld buiten den Bab-el-Gissa, om afscheid te nemen. Boven van de hoogte, waar de hellingen met graven overdekt zijn, zie ik, evenals een der eerste morgens, neer op de geheele stad die tegen de bergen ligt geleund. Wat heb ik veel naar dien waterval van terrassen gekeken, die in zijn witheid of zijn grijze tinten schijnt te worden tegengehouden in zijn val door de hooge minarets, de oude muren en den onwankelbaren wal der bergen! En ik zag in mijn verbeelding enkele van die stadspanorama's, die zoo bekoorlijk zijn, dat men zijn leven zou willen doorbrengen met ernaar te kijken: Kaïro vanaf de moskee van Mehemet Ali; Napels van Pausilippo uit, Damaskus van Salehyié, Stamboel van de Zee van Marmora. En toen dacht ik aan een klein fransch provinciestadje, dat wit is en grijs, dat bergen heeft en een geschiedenis en ruïnen in het groen, en vooral waar mijn eigen geschiedenis zich heeft afgespeeld met die levende ruïnen, waar voor ieder onzer het verleden uit bestaat; en zoo begreep ik, dat voor diegenen, die genoodzaakt zijn te leven ver van een of ander plekje gronds, waar ze hun familie en hun herinneringen hebben achtergelaten, het meest verlokkende land een land van ballingschap is.

Fez mag gerekend worden tot de allerbekoorlijkste verbanningsoorden; er is veel verscheidenheid van genietingen voor het oog in de rijke woningen, de mooie moskeeën, de tuinen met stroomend water, de olijvenboschjes, de kloven en de zeer hooge bergen, die de stad aan de vergetelheid schijnen prijs te geven.... En in den namiddag ga ik voor de laatste maal naar den Bab-el-Djedid en zet mij neer in het groene dal, waar de rivier vloeit. Op mijn gewone plaats onder de boomen zitten een honderdtal arabische ververs, op tapijtjes in de schaduw rondom hun in haïks gehulde meesters, en drinken er thee. En als het uur van het gebed nadert, wasschen ze zich bij de rivier, zeggen te zamen hun gebeden en verspreiden zich langs de oevers. De wijk der ververs is in de nabijheid van mijn woning en dus kennen de meesten mij en weten, dat ik een Christen ben. Een van hen komt naar mij toe, loopt om mij heen en verdwijnt mompelend: "Arami, vlegel!"

Thuisgekomen, vernam ik van Mansoer, dat men hem had verteld, hoe ik gepoogd had, des avonds binnen te komen in de laantjes van den bazar, die verboden waren vanwege de nabijheid van Moelai Idriss, en dat een lastdrager mij had tegengehouden, mij met zijn touw had geslagen met de woorden: "Waar wil je heen?"

De straatjes van Fez zijn zoo smal, zoo bochtig, dat men erin verdwaalt als in een doolhof, wanneer men er toevallig bij avond verzeild raakt.

Het straatje, waar ik woon, heet Sbaloeiyet, dat is De zeven hoeken, omdat het zevenmaal een bocht maakt. Ik moet er, als het donker is, tastend mijn weg vinden.

Ik ben bij den consul ontboden, die op den man af tot mij zei: "Het Maghzen heeft een klacht tegen u ingediend wegens schending van een moskee."

Nu was die klacht ingekomen bij alle gezanten en consuls tegen een niet nader aangewezen Christen, die in arabische kleeding een moskee zou zijn binnengegaan; er werd niet bij gezegd, welke moskee, evenmin als de nationaliteit van den Christen was opgegeven. De klacht had zoo weinig beslist betrekking op mij, dat de consul, eer hij mij liet komen, al twee andere toevallig in Fez verblijf houdende landgenooten van mij had ondervraagd. Maar daar hij de waardigheid van rechter van instructie bekleedde, moest hij wel onwaarheid spreken, ten einde achter de waarheid te komen.

Ik bepaalde mij ertoe, beleefd te glimlachen om zijn lichtgeloovigheid, die hem de fabeltjes en de grofste leugens van het Maghzen ernstig deed opnemen. Hoe had hij den schijn kunnen aanvaarden, van maar een enkel oogenblik te gelooven, dat het voor een Christen mogelijk zou wezen, de waakzaamheid te verschalken van de Mohammedanen, die er te zeer op gesteld zijn de ontheiliging van hun tempels te voorkomen, om de toegangen niet angstvallig te bewaken. Hoe kon hij geacht willen worden, niet te weten dat, zoo die tempelontheiliging ooit had plaats gehad, de tempelschender niet levend het heiligdom zou hebben verlaten? Maar het Maghzen had waarschijnlijk behoefte aan een incident. Door zulke geruchten in de stad te verspreiden, hoopte het misschien, de nationale dweepzucht in het harnas te jagen. De valstrik was te grof voor de bewoners van Fez. Maar de diplomaten leenden zich ertoe, en dat ze aan de marokkaansche regeering de voldoening gaven, er een geval van te maken, was bijna nog kinderachtiger dan de list van de viziers.

Voor de laatste maal zet ik mij neer in de schaduw van een dal in de nabijheid der stad. Een soldaat gaat juist voorbij, en daar hij mij alleen ziet, acht hij het oogenblik geschikt om wat van mij gedaan te krijgen: "Ga vlug naar huis!" zegt hij, "ik heb daar even vijf gewapende mannen ontmoet, vijf dieven, die van de bergen komen en in deze richting gaan!"

Ik lach wat om hem en noem hem een lafaard. Toen gaat hij staan tegen de leuning van de brug en wijst mij op zijn lompen, onder het uitsteken van de hand. Ik geef hem twee piasters. "Zid!" zegt hij, "doe er nog wat bij!"

"Maar dat is bijna zooveel als de sultan je per dag geeft!"

Hij glimlacht en herneemt: "Zid! en God zal u zegenen!"

Ik geef nog een piaster, een enkele, ofschoon hij beweert dat hij er graag vijf wou hebben. Zeker evenveel als de bewuste vermeende dieven.

Bij den Bab-el-Djedid zegt de officier op wacht, die er in de schaduw zat te dommelen op zijn matje: "Houd uw oogen open! Buiten de muren is het vol van dieven!"

Dan vraagt hij mij: "Is u in dienst bij het Maghzen?" Neen, de regeering betaalt u niet. Waar hebt u dan het geld van? U is gekleed als een Muzelman? U is een Muzelman? Nee? U is Christen? Sidi Aïssa, de heer Jezus is uw profeet?--Maar dat is geen profeet. Wat dan?"

"Hij is God zelf."

"En als gij voorbij een moskeepoort of een koebba gaat, treedt ge er dan binnen?"

"Nooit van mijn leven! Ik wil dat niet! Ik ben een Christen."

"Gij kent wel Moelai Idriss?"

"Zijn naam wel, maar zijn moskee niet."

"U heeft soms in de straten van den bazar geloopen, die dichtbij die moskee zijn?

"Gij weet wel, dat dit niet mogelijk is, omdat de Mohammedanen het niet toelaten."

"U is een vriend. Wees welkom. Ga hier zitten."

En toen hij mij gevraagd had, hoe laat het was, vraagt hij mij, hem mijn horloge te geven. Daar de schatkist van zijne Majesteit Abdel Aziz bijna altijd ledig is, zijn de officieren genoodzaakt hun soldij aan te vullen op alle manieren....

Het is middag. Ik gebruik de thee met Abbas. Ik hoor in het straatje een begrafenisgezang. Er zal een stoet voorbijgaan. Ik sta op om te kijken. "Neen neen!" zegt Abbas. Toen ik toch verder ga, roept hij den portier toe, de deuren te sluiten. Mijn blik zou een beleediging geweest zijn voor de godsdienstige plechtigheid. Een andere kleine gebeurtenis toont aan, hoe streng de Mohammedanen hier zijn en Abbas in het bijzonder. Op een dag komt de bekeerde Mansoer bij mij op het uur van den maaltijd. Hij eet mee. Hij neemt een vork, maar Abbas rukt hem die uit de handen. Eten met een vork, dat is eten op de manier der Christenen.

Toen ik thee gedronken had, verzoekt Abbas mij te komen bij Sidi Mohammed, die mij met het ontbijt wacht. Sidi Mohammed, die met zijn vingers eet, noodigt mij uit, hetzelfde te doen, en daar hij een wijsgeer is, legt hij mij uit, dat het natuurlijker is. Waarom loopt hij dan niet zonder kleêren?

Het huis van mijn gastheer is smal en hoog. Een bochtige gang leidt naar een plaats, waar de balkongalerij van de eerste verdieping door pilaren wordt gedragen. Eene zijde van de plaats is de muur van het naaste huis. Een soort van buitensalon wordt gevormd door een deel van de plaats. De beide andere zijden komen beide uit op een ontvangkamer, die gewoonlijk door de groote deuren is afgesloten. De plaats en die beide vertrekken zijn geplaveid met gekleurde tegels.