Hoe ik een week te Fez doorbracht De Aarde en haar Volken, 1908
Chapter 2
Dat is aan den anderen kant van Fez. Als men voorbij een moskee is gegaan, waarvan de muren bewerkt zijn in de grootste verscheidenheid van kleuren met die slingers van rood en blauw en geel en groen en goud, die de wonderlijkste figuren vormen en tot rozetten zich vereenigen, daarna een kleinen donkeren stroom is overgestoken, dan de hooge poort heeft gezien, met punten erop van geschilderd hout van een andere moskee, eindelijk dicht langs de poort is heengegaan, blijft er niets anders te doen, dan te bewonderen, hoe Fez zich daar uitbreidt in haar kader van bergen, dan op te klimmen tusschen de graven tot den top van een versterking, waar de laatste stukken muur van een paleis bezig zijn te vervallen. Daar ligt de geheele stad in haar smal en diep dal en bedekt een verbazende oppervlakte, van daarginds, die groene vlek van tuinen bij het dal der wadi Seboe tot den zeer hoogen drempel, waarop het Sultanspaleis en het nieuwe Fez zijn gelegen.
Enkele paleizen steken trotsch omhoog, als dat van El-Menebbi; dan de rijke woningen van de tuinenwijk; iets meer naar buiten, in zijn park van maagdelijk woud, het paleis van Mac Lean en in de stad de minarets van de moskeeën en vooral de groote daken met groene pannen van Moelai Idriss. Aan mijn voeten gaan de half ingestorte wallen der stad langs en boven een ravijn, beboscht met olijven en bedekt met aloës, en daarachter verheft zich dadelijk de berg, die de stad als een gordel insluit en als een onoverkomelijke hoogte. Toch bestaat er een uitgang aan den tegenovergestelden kant van den drempel waar het nieuwe Fez ligt. De doorgang namelijk, het diep uitgeholde ravijn, waar Fez-el-Bali zich verschuilt, is open aan de overzij, aan het andere eind van het mooi groene dal der wadi Seboe. Maar het oog dringt dan ook niet verder door, want een gebergte dat nog hooger is, verbiedt voorbij Fez, de stad der droomen, te kijken.
Sidi Mohammed heeft zijn schoonzoon Abbas verboden een dagloon te ontvangen; maar hij zal niet weigeren, als ik hem bij mijn vertrek zal willen betalen, neen, een geschenk in geld zal willen aanbieden. Hij stelt voor den dag dat het mij zal passen, te mijner beschikking zijn eigen muilezel, opdat ik een zijner goederen zal kunnen bezoeken, om van daar te stijgen naar den top van een berg, die van Fez en de omstreken het uitgebreidst panorama aanbiedt. Hij heeft veel grondbezit. Ik zie dikwijls zijn ondergeschikten aankomen, om met hem af te rekenen, en er barsten soms op straat of onder het gewelf der stallen van die plotselinge en heftige gesprekken uit over geld, waarbij elk der partijen een keel opzet van belang. Dat komt toch in Marokko veel voor, zoo'n onverwachte heftige twist, die eindigt zooals hij begon, op eens; men staat er verbaasd van, dat de kijverij opkomt en verdwijnt zonder reden, naar het schijnt, maar altijd is er dan quaestie van geld.
Gisteren morgen kreeg een rijke fazi, inwoner van Fez, dien ik bijna elken dag voorbij zie gaan op zijn grooten ezel, met een roode schabrak gedekt, het aan den stok met een slecht gekleed persoon over geld. Men zou, als men hen zag en hoorde, meenen, dat zooveel vijandschap op niets anders kon uitloopen dan op een vechtpartij; maar het loopt altijd nog al gauw en goed af.
Ik ga met Mansoer weer naar boven en hij brengt mij nu ten zijnent. Daar het feest van Moelai Idriss aanstaande is, den schutspatroon der stad, ontmoet men overal troepen straatjongens, die bedelen om geld te krijgen voor het offeren van kaarsen en ossen; sommigen loopen door de straten, anderen staan op post bij de kruispunten der straten, en allen vallen de voorbijgangers lastig. Hoe hooger men komt naar Fez-el-Djedid, des te warmer wordt het; de hitte wordt overstelpend tegen de hooge muren der keizerlijke tuinen, der kasbahs en paleizen; zij vloeit vrij uit in de straatjes van Fez-el-Djedid, door lage muren ingesloten; de huizen staan er verder uiteen en zijn kleiner; ze hebben slechts één verdieping en de bewoners zijn arm; de rijke fazi's houden liever een zekeren afstand tusschen den Sultan en hun eigen huizen, want ze weten, dat zeer hooge muren wel schaduw geven, maar ook in de schaduw stellen.
Mansoers huis bestaat uit een kamer en een binnenpleintje. Hij stelt mij zijn wettige vrouw voor, die in chronologische volgorde de negentiende is; zij draagt over het witte onderkleed een donker violetten kaftan, die korter is; daarover een oranje kaftan, nog korter; dan een feradja van mousseline; een oranjezijden doek bedekt het hoofdhaar, dat op den rug neerhangt in twee lange, dikke vlechten, met zijden draden doorvlochten. Ze heeft mooie, amandelvormige oogen, een zeer ovaal gezicht, een rechten neus, een mond, die wat te groot is, een blauw tatoeagetje op de kin en nog een tusschen de wenkbrauwen, kleine voeten, ondanks het gebruik van sandalen, met de nagels door henneh rood gekleurd, juist als de nagels der handen.
Mansoer heeft mij al eens gezegd als waarschuwing tegen een van zijns gelijken, Achmed geheeten, van wien ik eenige diensten heb aangenomen en wiens mededinging hij vreest: "U zou uw portemonnaie niet moeten laten liggen onder het bereik van zijn hand." Achmed, dien ik dien namiddag ontmoette, en die ten aanzien van Mansoer van dezelfde gevoelens is vervuld, heeft er plezier in, mij te vertellen, wat hij misschien maar heeft bedacht uit jaloezie, maar wat hij zegt van Abbas te hebben, den schoonzoon van Sidi Mohammed: "Laat dien meneer (dat was ik) niet alleen buiten de stad gaan met Mansoer. Mansoers naam is niet al te goed bekend; hij gaat niet voor fatsoenlijk door; men houdt het ervoor, dat hij in den grond van zijn hart Christen is gebleven, dat hij mogelijk voor spion speelt, en er zijn er, die hem, als ze hem op een eenzame plek ontmoeten, een kogel konden geven en een anderen op zijn metgezel richten."
Arme luidjes, die ontkend hebben, die men ontkent en die zichzelven negeeren! Het is iets merkwaardigs, die minachting der Mohammedanen voor degenen, die tot hun geloof overkomen; hun godsdienst plaatst hen in een zoo angstvallig gesloten maatschappij, dat men, om er werkelijk in te worden toegelaten, al heel wat kwartieren van godsdienstigen adel moet kunnen aanwijzen. Deze geest heerscht wel het meest onbeperkt in die middelpunten van dweepzucht, Stamboel, Damaskus, de wijken van Kaïro dichtbij El-Ahzar en Fez. Het is een versterkte vorm van den haat tegen de Christenen. Hoe diep voelt men dien haat in Fez, dien haat, die alleen door de vrees voor de legers van Europa in bedwang gehouden wordt! Als die vrees niet bestond en hen niet dwong zich verstandig te gedragen, zouden wij nog minder goed worden behandeld dan de Joden, waarvan ze niet weten, dat ze hen eigenlijk niet noodig hebben.
De Joden worden in het voorbijgaan beleedigd; gisteren is er midden op de markt op een van hen gespuwd; te Rabat heeft een sjerief een jood met de karwats doodgeslagen, omdat hij hem durfde aankijken, en als de straatjongens langs den muur van de mellah loopen, gooien ze er steenen over en roepen: "Ya! ihoedi's! weg met de Joden!" Ons zou men zeker en stellig vermoorden. Ze hebben hier in Fez een afschrik van den Christen. Daar bij hen de godsdienst alles regelt, tot de kleine bijzonderheden der kleeding, het knippen van baard en haar, zou mijn snor, die niet op zijn Arabisch is gefatsoeneerd, mij in gevaar kunnen brengen, omdat ze er dadelijk mijn godsdienst aan herkennen. Nergens heb ik de minachting zoo groot gevonden en de achterdocht zoo sterk.
Toch ben ik twee of drie keeren eerbiedig gegroet geworden met den Salam, die de godsdienstige groet is, en gisteren, toen ik voor een winkel stilstond, zei een fazi: "Dat is een Christen!" tot een van zijn vrienden die antwoordde: "Ik zweer je, dat het een Arabier is!" Maar dat is een groote uitzondering. Elk oogenblik hoor ik bij mijn voorbijgaan zeggen: "Noesrani, een Christen," en van morgen nog hoorde ik de minachtingsformule: "Noesrani wahed akhor! Weer een van die Christenen!" Telkens ook gaat een man of een kind mij voorbij en keert zich een paar passen verder om, mij in het gelaat kijkend. Ze durven alleen onbeschaamd zijn op die wijze, want ze houden zich dadelijk stil als men op hen toetreedt, of loopen snel weg. Ze hebben al de lafheid van de Arabieren, en als alle goede Mohammedanen voelen ze tegenover iemand, die de allures van een meester aanneemt, in zich een slavenziel. "Wees zalvend tegen den schurk, en hij geeft u een por; geef den schurk wat hem toekomt, en hij zal u vleien!" Dat is waar in alle landen en bij alle rassen, want het is algemeen menschelijk. Maar sommige trekken, die essentiëel zijn in de natuur van den mensch, worden niet in gelijke mate aangetroffen bij alle menschen. De geïslamiseerde Oosterling is zeer beslist de schurk, dien men een por moet geven. Hij heeft enkel eerbied voor kracht, hij buigt zich enkel voor wie hem slaat. Hij kan alleen dienen of gediend worden, en hij neemt tegenover u de houding van den meester aan, als gij die niet van te voren voor u hebt opgeëischt.
Zijn godsdienstig gevoel weerstreeft die gevoelens niet. Het schept een nauwe broederschap onder de mohammedaansche geloovigen en een onuitroeibare vijandschap tusschen dezen en de niet-Mohammedanen. Die godsdienst legt het hem als plicht op, het geloof in den Profeet te verspreiden en de overlevering leert hem, dat de propaganda door den oorlog alleen in staat is geweest, dat geloof uit te breiden en zijn gebied te verruimen. De Mohammedaan put zijn trots uit die overtuiging, uit de meening, dat hij alle waarheid in natuurlijken en bovennatuurlijken zin bezit, dat er noch wetenschap noch beschaving is, die boven zijn wetenschap en zijn beschaving staan, en dat, zooals hij van den hemel zeker is, ook het uur zal slaan dat de geheele aarde hem zal toebehooren.
De herhaalde fnuiking, die de aangeboren trots der Mooren door de zegepralen der europeesche legers heeft ondergaan, is niet in staat die hoop der toekomstige zegepraal uit hun hart te verdrijven. Het is enkel, dat de vervulling nog wat wordt uitgesteld. De Mohammedaan krijgt alleen de bewustheid van een tijdelijke minderheid, en voor het oogenblik niet bij machte om slagen toe te brengen, schikt hij zich erin, te wachten. Als hij door zijn belang of door de omstandigheden genoodzaakt is, met een van ons in betrekking te treden, weet hij zich zijn plicht der gastvrijheid te herinneren; hij zal er misschien behagen in scheppen, de gratie ten toon te spreiden, waar zijn ras prat op gaat bij de ontvangst van vreemdelingen, en zoo zal de overmaat van lof en de betuiging van vriendschap niet voor zijn ziel den bijsmaak van een list, noch voor zijn mond dien van een leugen hebben. Maar als hij vrij blijft, alleen te luisteren naar de ingeving van zijn geloof, houdt hij zich liefst op een afstand van diegenen, die zijn geloof niet deelen. Hij herinnert zich, dat de Koran hem zegt, geen gemeenschap te onderhouden met de Christenen, de Joden en de Heidenen, hun nooit te geven noch zijn zoons, noch zijn dochters, nooit iets aan hen verplicht te zijn, en hen niet tot zijn vrienden te maken; hij sluit zich op in zijn huis, in zijn wijk, hij zoekt een schuilplaats in landen, die nog niet door vreemden zijn bezet, en met zorg houdt hij van den heilig gebleven grond en van den drempel van zijn huis diegenen verwijderd, die hij ongeloovigen noemt en die hij minacht en haat.
Wanneer men dat alles niet vergeet, zal men zich kunnen voorstellen, met welk oog de Mooren den vreemdeling aankijken, die door de eenzame vlakten van Maghreb is heen getrokken, die de oude muren van Fez binnengegaan is, de heilige stad van Moelai Idriss, en die nu in de straten van de heilige stad, in de onmiddellijke nabijheid der moskeeën, opgericht door de veroveraars van Afrika en Spanje, in de buurt van de vereerde graven hunner heiligen, is als een aanhoudende uitdaging, een voortdurende heiligschennis! Zullen ze in bedwang gehouden worden door den eerbied, dien hun godsdienst eischt voor de gasten. Maar dit is geen gast! Wie heeft hem veroorloofd hier te komen? Welke geloovige zou de stoutheid hebben gehad, hem onder zijn dak te ontvangen, in de hoofdstad zelve der sultans, zoon van de dochter van Mohammed, en zoo een der heiligste steden van den Islam te ontheiligen, Fez, de duizendjarige, gesticht door Idriss, groot geworden rondom diens graf?
Zoo de Mooren zich geweld aandoen, om den koenen reiziger zijn gang te laten gaan, is dat, omdat de hoofden hun bevolen hebben, nog een weinig te wachten; want de tijd moet komen, waarop de Islam zijn zegetocht zal hervatten, die een oogenblik is opgehouden. Als de Christenen werkelijk sterk waren, ze zouden al sinds een aantal jaren in Fez zijn, dat maar enkele uren van de grenzen is gelegen! Zooals een notabel ingezetene mij zei: "Wij hebben noch geld, noch kanonnen, noch forten, weinig soldaten, zonder tucht, soms zonder geweren en vaak zonder patronen; maar wij hebben God, en met zijn hulp zullen wij alle Christenen in zee werpen!"
Ook worden ze door niets anders in toom gehouden tegenover den reiziger, die onder hen verkeert, dan door een restje van voorzichtigheid en geduld; ze houden zich in, om niet toe te slaan en ze laten niet na, te beleedigen. In den loop van mijn wandelingen ga ik vaak over een pleintje, waar bijna den geheelen dag voor een klein tafeltje eenige straatjongens staan, die voor Moelai Idriss giften inzamelen. Toen ik, als alle voorbijgangers, gevraagd werd, had ik dadelijk den eersten keer geantwoord met een krachtig: "Neen, volstrekt niet!", dat hen terstond deed zeggen: "Dat is een Christen!" En toch, telkens als ik weer passeerde, gingen ze voort, en altijd weer te vergeefs, mij lastig te vallen met hun verzoeken. Vandaag nog vraagt een van hen: "Een piaster voor Moelai Idriss?"--"Nee!" En pas ben ik een paar passen ver, of hij roept mij een der gewone scheldwoorden na: "Ya! carra! Eh! poe!" Ik draai mij om dreig hem met een klap; hij bergt zich zoo snel mogelijk in een naburig huis, waar de deur half open stond.
Ik kan dan ook geen geloof schenken aan hun betuigingen van vriendschap. De portier van Sidi Mohammed noemt mij nooit anders dan "consul". Zijn schoonzoon Abbas, die mij sinds ik als Arabier gekleed ben, betitelt met den voor een Christen zeer aannemelijken naam van Abdallah, dat is "dienaar des Heeren", laat mij door Achmed zeggen, dat bij in mij een vriend ziet, dat hij mij behandelt als zijn eigen broeder, en dat hij mij in zijn hart gesloten houdt. Maar ik meen te hooren, als hij tot de buren spreekt, dat er sprake is van een armen Christen, dien men uit liefdadigheid heeft opgenomen, en dat kan niemand anders zijn dan ik.
Op een morgen bracht Abbas mij buiten de stad door den Bab-el-Djedid, waarlangs een riviertje stroomt dat half verborgen is onder een overvloed van groen. Als men de tegenoverliggende helling van den berg beklimt, heeft men het gezicht op een deel der stad met haar terrassen achter een heuvel, bedekt met het dichte plantenkleed der tuinen; men hoort het water ruischen onder de boomen, men ziet het dichtbij slapen op de steenen bedding en in rietalcoven. En daar, waar men de witte stad kan zien en het donkere groen, wordt men tegen de zon beschermd door groote olijven.
Na over de wadi te zijn gegaan, die stroomt in de wijk, gebouwd achter het huis van Sidi Mohammed, hebben wij den Bab-Sidi Boe Djida bereikt, waarachter en tot aan het dal der Seboe zich de tuinen uitstrekken. Wij zijn een ervan binnengegaan, die toebehoort aan een vriend van Sidi Mohammed; het is een dicht bosch van pruimeboomen, citroenen, vijgen, appel-, moerbei- en granaatappelboomen, en daar de grond plotseling daalt, lijkt het, of men in een diep ravijn neerziet, waarin de wadi stroomt tusschen de boomgaarden. De andere kant rijst steil op, vormt een hoogte, met olijven beplant, en daarna heft een groote berg zijn rotsen ten hemel. Er wordt onder de boomen aan de helling van het dal een touwen mat uitgespreid; ik spreid mijn zitkleedje van roode wol, mijn lebda uit; er worden vruchten gebracht en we nuttigen het maal, al kijkend naar het weelderige groen, de schoonheid der bergen en van den hemel, en luisterend naar het gezang van den stroom en den wind.
Den volgenden morgen ben ik al vroeg geklommen naar den Bab Fetoesj. Een klein kerkhof ligt binnen den muur; een groot erbuiten op de helling van den berg tusschen twee olijvenboschjes.
Steeds had ik het uitzicht op Fez-el-Bali, het oude Fez, dat een opeenhooping is van terrassen op een steile helling. De versterkingen zijn in een vervallen staat, gespleten en gescheurd, niet veel meer dan onvoldoende afsluitingen. Maar daar deze kant naar Taza kijkt, van waar de Rogi wel zou kunnen komen, heeft men er over een lengte van ongeveer 200 meter herstellingen aangebracht. In omgekeerde richting den weg afleggend van den vorigen dag, ben ik gedaald naar den Bab-el-Djedid, nu en dan stilstaand onder de olijven; telkens weer ontrolde zich een ander gedeelte van Fez aan mijn oogen, nu eens tusschen een ouden toren en groote rietpluimen, dan door de boomen heen, eerst dichtbij, dan verder af, witter, lichtender, aan het eind van dit dal, waar de boomen zoo dicht opeen staan, dat ze een groote zwarte vlek vormen. Maar in plaats van de stad binnen te gaan door den Bab-el-Djedid, ben ik buiten om gegaan tot Fez-el-Djedid en wel tot de poort van de mellah of jodenwijk. Daar tegenover, op een hoogte, is de mehallah of het leger van den Sultan gekampeerd, gereed om slag te leveren aan den rogi, als hij tot daar zou durven doordringen. Er zijn tenten voor 300 man: maar men heeft slechts 150 kunnen samenbrengen, en de helft heeft maar een geweer.
Onder mijn ontbijt is er een heftig dispuut geweest tusschen Abbas en Ibrahim, den kleinen bediende van Sidi Mohammed; ze hebben, ik weet niet wat erge scheldwoorden gewisseld en langdurige verwijten op den heftigsten toon; hun stemmen waren te luid voor de plaats binnen de muren, en ze stegen op tot het terras van het huis van Sidi Mohammed en drongen tot in zijn vertrekken door, waar andere stemmen zich in den strijd mengden. Toen al die verwenschingen uitgestooten waren, vertrouwde Abbas mij toe, dat Ibrahim een arami, een bengel was en dat hij, zoo jong nog, reeds een dief was, een serraq. Toen vroeg hij mij een doero, om een zilveren dolk te laten repareeren, dien ik in de stad gekocht had den vorigen dag: "Het zal vandaag nog gebeuren, en ik zal er al den tijd bij blijven, zoolang de man eraan werkt; dat is veiliger."
Mijn namiddag gaat voorbij buiten de stad, in den omtrek van den Bab-el-Gissa, in de schaduw van een graf. Ik heb mijn lebda, het tapijtje, uitgespreid; op den aschkleurigen grond maakt het een vierkant van rood; ik heb mijn muilen van geel leêr uitgetrokken en leg mij neer, zoodat de witte haïk er mooi op uitkomt evenals de feradja, waar de oranje kaftan doorheen schemert. De oude vervallen vestingwal rijst naast mij omhoog; daarbinnen staat een hooge minaret, en tusschen twee slanke palmen de fraaie woning van den oud-vizier van Moelai Hassan, den vader van den tegenwoordigen Sultan; daar verder het lage gedeelte van Fez-el-Bali te midden van den dichten plantengroei der tuinen. Die leggen een lange streep van groen tot aan het dal der wadi Seboe, en rondom wat ik zie van de stad en de tuinen, verrijzen de bergen zeer hoog met hun steile hellingen, waarop de olijvenboschjes een zilveren glans aanbrengen. Naarmate de zon daalt achter de hoogte met de graven, komen menschen uit de stad en gaan tusschen de graven zitten in de schaduw der opstaande steenen; ze kijken naar de bergen en de kloof, waar de stad uit het gezicht verdwijnt in de duisternis, ze praten zeer zacht en droomen. Toen het volkomen donker was, gingen velen bij de muren zich neerzetten tegen holten in de wallen, en er worden kleine, geïmproviseerde koffiehuizen in de open lucht opgericht, waar negers, die waterdragers zijn, den drank te koop bieden, terwijl een verteller oude verhalen opdischt.
Des avonds ga ik in mijn kamertje zitten. Mohammed komt in zijn witten tulband, hemelsblauwe jas en gele broek, vaak niet ver van mij verwijderd, met zijn buren, vrienden en bedienden een praatje maken. Dezen avond is hij er al tweemaal geweest met iets gewichtigs in zijn houding; hij is weer naar zijn vertrekken gegaan, en daar brengt zijn stem door de muren heen den klank van een twist tot mij, van een grooten toorn; langen tijd gaat hij aan als een woedende; dan op eens is alles stil, en hij komt weer onder den doorgang bij mij zitten, om van de melk te proeven, die Abbas voor mij laat koken met een kruid, dat wel wat op thijm lijkt of op lavendel, en waarvan hij, als alle Marokkanen, veel houdt.
Na het eten, terwijl ik alleen ben, komt de portier bij mij en zegt zeer zacht: "Weet u wel, dat Abbas u besteelt? Hij heeft gezegd, dat de herstelling van den zilveren dolk een doero heeft gekost; maar ik weet van Sidi Mohammed, dat ze maar drie peseta's heeft gekost; hij vraagt u om een peseta, om melk te koopen, die een halve peseta kost. Den vorigen dag had hij met den koopman afgesproken, dat deze u vijftien doero's zou vragen voor de haïk, die Sidi Mohammed voor u heeft laten koopen voor twaalf en een halven doero, en vier-en-twintig doero's voor den dolk, waarvoor Sidi Mohammed twintig heeft betaald.
Abbas, nu ziet ge het, Abbas is een keddab, een leugenaar! Het is in dit land een wedstrijd, wie zijn medemensch van de ergste misdaden zal beschuldigen. Als de muildieren uit den stal konden spreken, wat zouden ze mij dan te vertellen hebben van den portier?
Bij het aanbreken van den dag gaan we in den tuin, dien een vriend van Sidi Mohammed in de stad bezit. Abbas en Ibrahim, die verzoend zijn, dragen een kussen, tapijten, steenkool, thee, suiker, den theepot, glazen en een blad. We loopen door eenige donkere straatjes, gaan over de wadi, waar veel molens overheen staan, en we stijgen tusschen de muren tot den boomgaard van den vriend van Sidi Mohammed. De boomen groeien er in volle vrijheid en zijn beladen met pruimen en appelen, terwijl citroen- en granaatappelboomen hun schaduw ondereenmengen door den overvloed hunner dooreengestrengelde takken. De tapijtjes worden op den grond uitgespreid, en ik strek er mij op uit, met een kussen onder den elleboog en denk aan den tuin van thuis, die nu zoo ver is. Om kwartier over twaalf hoor ik geschreeuw, dat van boven komt uit de stad, en ik kan de naastbij zijnde stem onderscheiden: "Allahoe akbar! God alleen is groot!"
Dan gaat Abbas naar huis, om het ontbijt te halen, dat hij brengt in een rieten mandje met een hoog kegelvormig deksel. En we hebben er nog den ganschen namiddag doorgebracht. De zon had haar loop vervolgd, en wij zochten een andere plek onder de citroenboomen bij een paar hooge vijgenboomen, waar een beekje onder door vloeit. Van tijd tot tijd maken Abbas en Ibrahim een wandelingetje door den tuin, plukken vruchten, brengen ze aan mij, en zetten de thee, waarna ze zich gaan uitstrekken en inslapen. Vier uur! Uit de hoogte en de verte klinken kreten van "Allahoe akbar!" Dan hoor ik niets meer, en daar Abbas en Ibrahim aan het plukken zijn, ben ik geheel alleen onder de boomen op het gras en denk weer aan den verren tuin van bij ons thuis.
Op een dag zei Sidi Mohammed tot mij: "Als gij mijn ezel wilt nemen en tot aan de vlakte van de wadi rijden, zult gij er de Engelschen polo zien spelen. Dat is een prachtig gezicht."