Hoe ik een week te Fez doorbracht De Aarde en haar Volken, 1908

Chapter 1

Chapter 13,941 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

HOE IK EEN WEEK TE FEZ DOORBRACHT.

Naar het Fransch van Jean Marlys.

Als men te Fez aankomt na een reis door het dal, dat er van Rabat heen leidt, maakt de stad den indruk van bijzonder klein te zijn, en ze blijft maar nietig achter haar grijze muren, wanneer men dichterbij komt. Aan de linkerzijde verheffen zich de lange wallen van een kasbah, eindigend in een soort van bastille, die een verzwakte nabootsing lijkt van het kasteel der Zeven Torens te Stamboel, zooals de bijna zwarte, gekanteelde en versterkte muren denken doen aan de wallen van Konstantinopel, en de doodsche, onbewegelijke populieren aan de cypressen der turksche kerkhoven. Ik zie in de wallen ook een groote, versterkte poort, zooals die in de hoofdstad van den anderen sultan, en ik voel mij als in de tegenwoordigheid van een klein Konstantinopel, waar de zee zich van heeft teruggetrokken.

Ik kan alles onderscheiden aan het stadje, al wat het heeft te vertoonen, hooge minarets met groen aardewerk, op de muren aangebracht als glazuur, de daken, met groene pannen, van de heiligdommen en die van het witte Sultans-paleis; grijze terrassen en door den tijd zwart geworden muren, met hun diepe kanteelen en spitse punten; vierkante torens, met hooge, toegespitste daken. Een stukje van het dal is door een tweeden muur omgeven, ter bescherming van de keizerlijke tuinen.

Het geheele landschap is zoo rustig en stil in de verlaten ruimte, dat het niet meer werkelijk schijnt dan die schilderijen van de Primitieven, waar men dergelijke vestingen op ziet in juist zulke verlaten oorden. Het lijkt een werk uit de Middeleeuwen, en daar ik weet, dat dit schilderij echt is, objectief waar, zeg ik tot mij zelven tegenover die stille stad en de verlaten omstreken, dat het zeker een stad moet wezen, lang geleden al eenzaam achtergebleven en nu uit niets anders bestaande dan uit oude muren, asch en herinneringen, en dat ik alleen zal ronddwalen in het een of ander Pompeji van den Islam.

Wij rijden door de buitenpoort, door een tweede monumentale poort, met veelkleurig aardewerk versierd over een onmetelijk binnenplein, eenzaam tusschen hooge muren, weer een kolossale poort, bedekt met een ingewikkeld samenstel van tegels, een soort van rondloopenden weg, een plein, waar kooplieden kampeeren in kleine tentjes.... nog weer poorten; ik heb daarbij niets anders gezien dan enkele menschen, in schaduwhoeken op den grond gezeten, en een paar menschelijke gedaanten, die zwijgend en haastig voorbij mij gingen; we zijn in een klein straatje gegaan, en een grijsaard in rooden kaftan heeft "Salam!" tot mij gezegd.

Mijn muilezeldrijver is naar hem toe gegaan, heeft zijn hand gekust, zijn borst, zijn schouders, zijn voorhoofd; en de man liet zijn zoon begaan, zonder eigenlijk een oogenblik op te houden met zijn werk, het begieten van bloemen. Vrouwen kwamen kijken uit naburige huizen, wisselden een salam met den ezeldrijver en daarna zijn zijn vrienden gekomen, en hij liet mij binnentreden op de plaats van zijn huisje. Een priëel van wingerdbladeren en een groote vijgenboom waren er te zien; er was ook een bank, zoo groot als een ledikant, en waar de kleine tegels van aardewerk gekleurde vierkantjes op legden, groen en wit, geel, blauw en zwart. En ik gebruik er de thee in de schaduw van den vijgeboom en den wingerd, onder het geruisch der wateren, die achter een muur voorbij stroomen.

Ik laat een individu komen, van wien men mij heeft gezegd, dat zijn diensten mij nuttig zouden kunnen zijn, om mij te installeeren. Hij antwoordt op den naam van Mansoer, is een Christen, die mohammedaan is geworden en die niet voor zijn vroegere geloofsgenooten den haat gevoelt, dien zijn tegenwoordige medegeloovigen tegen hen koesteren. Hij geleidt mij naar de mellah of joodsche wijk, terwijl hij moeite gaat doen voor het vinden van een huis, dat ik zal kunnen huren.

Deze geheele wijk, waarlangs ik de stad ben binnengekomen, heet Fez-el-Djedid, het Nieuwe Fez, en bevat de paleizen en vestingen van het Maghzen, verder een arabische en een joodsche wijk. Dat alles is nu ontwaakt uit de verdooving van de beide eerste uren na den middag; ik had er een inval gedaan tijdens den zwaren slaap van den dag; maar zij is ontwaakt, de nieuwe wijk, en op de binnenpleinen is het vol, en druk zijn de straten en markten. Er zitten veel menschen tegen de muren en anderen stroomen naar de markt, waar een rieten dak zich over uitbreidt.

Mansoer houdt mij staande in een nauw straatje van de mellah vóór een lage deur; als we den drempel over zijn en den hoop vuil bij den ingang hebben vermeden, volgen we een gang met een bocht, loopen over een plaatsje en treden binnen in een klein vertrek, waar een jood drank verkoopt; verboden alcoholisme is in Fez zeer verspreid, en de man vertelt mij, dat hij veel afnemers heeft onder de getulbande heeren. Een jood is zacht binnen gekomen; hij zit op den drempel, en zegt tot mij in mijn eigen taal: "Als ik bij een Spanjaard ben, beweer ik Spanjaard te zijn, en als ik met een Franschman ben, noem ik mijzelven Franschman." Een neger komt op het plaatsje en laat zich een glas anisette geven. Twee jodinnen uit het huis schreeuwen luid om een mes, dat ze zeggen dat hij haar heeft ontstolen, en terwijl hij zijn anisette staat te drinken, schudden ze zijn kleeding uit, zijn djellaba, zijn tulband, zijn muilen, snuffelen in zijn knapzak, maar vinden het mes niet. Maar als de neger wil betalen, heeft hij zijn beurs niet meer bij zich. Koeltjes maakt de verkooper zich meester van de mand met doove kolen, die de neger droeg, en zet den klant op straat met de woorden: "Kolen zijn tegenwoordig duur; dit zal mij voldoende schadeloos stellen."

Daarna brengt Mansoer mij bij een algerijnschen Turk, een van zijn vrienden. Hij weet geen onbezet huis, waar ik zal kunnen wonen. De buitengewone gezanten, die op 't oogenblik te Fez zijn, logeeren in de weinige, gewoonlijk beschikbare huizen. De vriend van Mansoer voegt erbij: "Wees maar niet rouwig erom, als u dat misschien noodzaakt vroeger te vertrekken; de Mooren zijn een akelig volk, ik veracht ze!"--"Waarom dat?"--"Omdat het Arabieren zijn!" De rasvijandschap is diepgeworteld en scheidt den Arabier, die semiet is, van den Turk, die tot het blanke ras behoort. De Turk voegt erbij: "Wij hebben intusschen denzelfden godsdienst..." Hij praat inderdaad over zijn "geloofsgenooten", hetgeen hem niet belet, mij spontaan te bekennen, dat hij noch aan God, noch aan den Duivel gelooft. Zoo doet hij mij levendig beseffen, welke verandering er in den Mohammedaan zich voltrekt, als hij aan den modernen invloed wordt onderworpen. Hij verliest zijn oorspronkelijk geloof; maar blijft Mohammedaan, dus van zijn geloof toch hater van de Christenen.

Fez-el-Bali, door de keizerlijke tuinen gescheiden van Fez-el-Djedid, is de echte stad, een reuzenmierenhoop, verscholen in de diepte van een smal dal, ingesloten tusschen de steile hellingen der bergen. Komt men te Fez langs den weg van Mequinez, Tanger of Rabat, dan ziet men slechts het kleine Djedid, hoog in het dal gelegen op een drempel, die de plotselinge inzinking verbergt, de soort van kloof, waar het zeer groote Bali is gelegen met zijn opeenhooping van huizen en zijn wirwar van straatjes. Het weinige, dat ik er nog slechts van gezien heb, geeft mij den indruk van de wonderlijkste der arabische steden, en wat ik van de omstreken heb waargenomen, van af de hoogte van een kerkhof, lijkt wel met zijn muren, zijn minarets en bergen, de allermooiste en origineelste.

Maar vandaag mag ik die bekoring niet op mij laten werken; ik moet allereerst denken aan hoe ik zal wonen. Ik kan niet goed nog weer een nacht logeeren bij mijn ezeldrijver. Ik ga dus in de buitengewone warmte, die sedert den morgen heerscht, omhoog naar Fez-el-Djedid, waar de edele Mansoer woont. Over het breede, in de zon brandende plein Boe Jeloed, door hooge muren ingesloten, die aan den eenen kant de keizerlijke tuinen beschermen en aan de andere zijde den omtrek der stad begrenzen, loopend, vind ik, dat de achterkant van het plein afgesloten is door een zeer vervallen wal, waarin een poort uitkomt op een in het rond loopenden weg naar de kasbahs, naar de paleizen van het Maghzen, naar de straten van Fez-el-Djedid, naar de mellah en naar de poort van Mequinez, Tanger en Rabat. Er is altijd levendige drukte op het Boe Jeloedplein, dat als een rechthoek ligt tusschen Fez-el-Djedid en Fez-el-Bali. Aanzienlijke Mooren, in burnoes en haïks gewikkeld, begeven zich, op hun muildieren gezeten, naar het paleis van Moelai Abdel Aziz.

Mansoer is vele jaren aan het hof verbonden geweest. Hij bekleedde er een zeer weinig nauwkeurig omschreven ambt, dat twee jaar lang bestond in het in ontvangst nemen van vier peseta's per dag, en twee verdere jaren in het ontvangen van slechts twee, en hoewel hij zich van zijn taak kweet, zonder ooit het minste verwijt te verdienen, viel hij op een dag in ongenade en hij werd ter beschikking gesteld. Mansoer heeft zich toen doodeenvoudig als geneesheer gevestigd op den hoek van Fez-el-Djedid. En daar ga ik hem opzoeken, nadat ik de groote, door hooge muren ingesloten, brandend heete pleinen ben overgestoken, waarover zich elken morgen de Mooren naar het hof begeven, in hun fijne burnoes en doorschijnende haïks gehuld, gezeten op muildieren met roode kleeden bedekt, en begeleid door dienaren, die naast hen te voet voortdraven.

Mansoer verzekert mij, dat het ook hem niet gelukt is, een huis voor mij te vinden, zelfs geen kamer in een arabische fondoek of herberg. Het is afgesproken, dat hij niet zal zeggen voor wien hij vraagt, want de Mooren zouden weigeren aan een Christen te verhuren. Na al die vergeefsche pogingen heeft Mansoer alleen nog hoop in een rijken inboorling, beschermeling van Europeanen, wien hijzelf, Mansoer, onlangs hulp heeft verleend. Wij gaan daar dus heen, beneden in Fez-el-Bali, achter de moskee van El-Karoeiyn. Sidi Mohammed ontvangt mij zeer vriendelijk en zendt dadelijk zijn bediende naar twee fondoeks. Er wordt geantwoord, dat alle kamers bezet zijn. Dan belooft hij, zelf dien avond te gaan zoeken en morgen antwoord te geven.

Den volgenden dag al vroeg ga ik naar Sidi Mohammed. Hij is niet geslaagd. De meester van de fondoek wil geen Christen herbergen, uit vrees voor zijn klanten, zijn buren en de autoriteiten. Toen stelt Sidi Mohammed een vertrek te mijner beschikking; niet het allerbeste, dat het zou kunnen zijn, want het is maar een donker kamertje, uitziende op het gewelf dat naar de stallen leidt, maar hij wil het niet verhuren; hij biedt het mij aan. Eindelijk ben ik uit de verlegenheid, en al is dit heel iets anders dan wat ik zou wenschen, ik ben dan toch in het hartje zelf van de oude stad Fez-el-Bali, op twee pas afstands van de moskee-universiteit Karoeiyn, die voor Marokko is wat El-Ahzar als geleerdenschool voor Kaïro is. Ook ben ik dicht bij het oude heiligdom van Moelai Idriss, schutspatroon van Fez, waar een Christen niet dichtbij mag naderen en waar de straten van den bazar elkaar kruisen.

Terwijl wij door de donkere straatjes loopen, komen we een troep kinderen tegen, die luid schreeuwen. Zij omringen een der hunnen en schelden hem heftig uit. De arme stumper loopt met moeite. Een groote bos hout is om zijn linker enkel gebonden. Zijn vader houdt hem vast en dwingt hem, voort te gaan onder het gescheld. Zoo wordt het kind gestraft met een openbare straf, omdat het uit huis is weggeloopen.

Wat verder zingt een troepje kinderen in koor; ze geleiden een os, dien ze als offer willen brengen naar Moelai Idriss, en ze vragen aan liefdadige menschen aalmoezen, waarmeê ze het dier willen betalen; vier van hen houden de punten van een grooten doek, waarin men de gift kan storten.

Ik stijg al hooger, nu door de aristocratische wijk, waar de kleine straten tusschen hooge muren zijn ingesloten, behoorend bij de huizen en de tuinen; de zon, die de diepte niet bereikt van het dal, waarin Fez-el-Bali zich verschuilt met zijn handelswijken en zijn bedehuizen, schiet loodrecht haar stralen neer op deze hoogte, waar de rijke lieden wonen. En toen wij door de Bab-el-Hadid de stad verlieten, om den weg te volgen die naar buiten leidt en naar Fez-el-Djedid en de mellah, is het als een uitstorting van verblindend licht en overweldigende hitte. Maar het landschap is zoo mooi, dat men bijna den hinder van de warmte vergeet. Vóór mij ligt een berghelling, bedekt met rijke wijngaarden, waar beekjes door stroomen, die in watervalletjes neer huppelen naar de wadi, verborgen in een smal dal. Aan den overkant verheft zich de bodem plotseling in een anderen berg, badend in het zonlicht, waar alleen enkele olijvenboschjes den naakten grond bedekken.

Wij zijn in de mellah terug. Door het gewriemel van de volte der Joden hebben we de kleine, lage poort bereikt, zijn de trappen afgegaan bij den hoop afval en hebben over het plaatsje den herbergier weer ontmoet. Er zit een neger op de matten. Hij heeft een glas anisette geledigd en houdt bewonderend in zijn hand een groot glas, gevuld met een mengsel van anisette en absinth. Hij kijkt er naar. Hij verschuift het oogenblik van genot, zoo groot is dat en zoo kort van duur! Hij houdt het glas met beide handen vast, heft het hooger, ziet er lang naar. En hij zegt: "La ilaha, ill'Allah, Mohammed rassoel Allah; er is geen God dan God en Mohammed is zijn profeet." En hij herhaalt: "La ilaha, ill'Allah Mohammed rassoel Allah!" En hij herzegt het een aantal keeren. Dan heft hij het glas weer omhoog tot aan zijn lippen; hij wacht; hij brengt het dichterbij; zijn heele gezicht dompelt zich erin en blijft er, tot hij het glas heeft geledigd. Dan stoot hij een zucht van zaligheid uit en mompelt: "Er is geen God dan God en Mohammed is zijn profeet," en na te zijn opgestaan, begint hij te dansen, met het glas te jongleeren, te schreeuwen, te huilen....

Den geheelen verderen dag besteed ik aan boodschappen, ter regeling van de bijzonderheden voor mijn woning. Des avonds brengt Sidi Mohammed mij een schotel koeskoes, en hij zegt tot mij: "Ik ben noch Mohammedaan, noch Christen. De godsdiensten hebben haat onder de menschen gebracht. Ik houd mij aan den natuurlijken godsdienst; ik geloof aan God en dat alle menschen zonen van Adam, broeders zijn." Ze vermaakt mij, die geloofsbelijdenis van iemand, die hier Voltairiaan is geworden, die taal in den mond van een man, die een rooden tarboesj draagt, een gele broek en een blauw vest. Hij heeft om het lijf de patroontjes van het islamietisch geloof en in het hoofd de vergeten formules van een andere eeuw. En hij meent dat hij zeer modern is.

Den volgenden morgen ging ik, nog europeesch gekleed, door de hoofdstraat, die door geheel Fez-el-Bali loopt van af de heiligdommen van Karoeiyn en Moelai Idriss tot aan de muren der kasbahs en paleizen, tot aan Fez-el-Djedid. En een kind van een jaar of tien zegt bij mijn voorbijgaan: "Noesrani akhor! weer een van die christenen!" wat een manier is, om hun minachting uit te drukken, in geheel Marokko in gebruik, als men een Christen ontmoet. Een weinig hooger in de hoofdstraat geeft een kleintje van misschien drie jaar mij een stomp tegen mijn kuit. Ik draai mij om: "Nakoelek! ik zal je opeten!" Het kind schreeuwt van schrik en barst in schreien uit.

Toen ik weer thuis was gekomen, wierp ik mijn europeesche kleeding weg--eindelijk! Met blijdschap trek ik den kleurigen kaftan aan, om het midden vastgemaakt met een lederen ceintuur, waar dik zijden borduursel op is aangebracht, en hul mij in den haïk, die zijn sneeuwwitte plooien om mij hangt en zijn fijn doorschijnend waas. En de dochters van Sidi Mohammed buigen zich boven over het terras, om te zien, hoe ik mijn toilet voltooi op het plaatsje. Waarlijk Sidi Mohammed heeft mij een grooten dienst bewezen, door mij dit toevluchtsoord aan te bieden, hoe onvoldoende het ook moge zijn, en ik ben hem veel verschuldigd, hem die in het geheel geen verplichting aan mij had, en zonder wiens hulp ik in de open lucht had moeten blijven, of Fez had moeten verlaten, of, wat nog erger zou zijn, had moeten logeeren in de mellah.

Maar om zijn gastvrijheid in het juiste licht te zien, moet men niet vergeten, dat hij mij niet ten zijnent ontvangt, maar in een nevengebouw van zijn huis, in de donkere ruimte, waar de roode zadels waren opgeborgen en die uitziet in de duistere, overwelfde gang, van de straat leidend naar de plaats van de stallen, zoodat onze wijsgeer met zijn humaniteit de grenzen niet overschrijdt, die hem tot zijn medegeloovigen zullen kunnen doen zeggen, dat hij een Christen een onderkomen heeft gegeven, maar bij zijn paarden. Hij heeft mij nog zelfs niet uitgenoodigd, den drempel van zijn huis te overschrijden en bij hem te komen theedrinken in zijn gezelschap. En toch moet men niet zeggen, dat zijn liefdadigheid niet verder gaat dan de Islam, want de Mohammedanen van hier zouden zelfs dat niet doen, en om zich zonder gevaar te kunnen permitteeren zoo wijsgeerig te wezen, moet deze man als marokkaansch onderdaan wel de beschermeling zijn van een christelijke mogendheid.

Sidi Mohammed wil, dat alleen menschen, die hij kent en waar hij zeker van is, toegang tot zijn huis hebben en daarom heeft hij mij een anderen bediende gekozen. Hij verzekert mij, dat ik in hem volledig vertrouwen kan stellen. Laat ons het hopen; het is de eigen schoonzoon van den rijken Sidi Mohammed. Wat gaat het wonderlijk toe in de familiën van Mohammedanen! De zoons der rijken zijn vaak gekleed als lieden van zeer geringe afkomst en ze gaan in dienstbaarheid. Toen ik te Marrakesj dejeuneerde bij Sidi Kassem, die meer dan eenmaal millionnair is, was degene, die ons bediende en dien ik voor een slaaf hield, de zoon van den gastheer, en aan het middagmaal, dat mij even vóór mijn vertrek werd aangeboden, at diezelfde zoon na ons op de binnenplaats met de muzikanten en bedienden. De zoons van Sidi Abder Rahman, van wie de oudste ongeveer 25 jaar was, aten op de plaats bij de keuken met de slaven. Den eersten dag, dat ik te Rabat was, had die jonge man, die zich een berisping op den hals haalde, omdat hij met een Christen had gepraat, mij het huis van zijn vader laten zien, een der mooiste van Rabat, had mij gezegd, dat hij taleb of student was, en had mij gevraagd, of ik hem als bediende wilde aannemen. De schoonzoon van den rijken Sidi Mohammed heeft gisteren voor mij gekookt, van morgen heeft hij de thee voor mij bereid, heeft een paar piasters als fooi aangenomen, en is tegen tien uur uit het huis van zijn schoonvader gekomen met een bord van geëmailleerd ijzer, waarop zijn ontbijt, dat hij gebruikte in een hoekje van den stal. Hij lijkt zoowat dertig jaar.

De vader wordt over het algemeen in oostersche gezinnen meer gevreesd dan bemind; een grijsaard heeft vaak kinderen van twee jaar en van veertig, oude en jonge vrouwen; de vrouw weet nooit, of ze niet zal worden weggezonden; ze heeft een meester, geen echtgenoot, zooals ook het kind een heer heeft, geen vader. Hoe men ook moge denken over deze overmaat van gezag, en al noemt men dien toestand onrechtvaardig en onzedelijk, het blijft waar, dat in gezinnen, die volgens den Koran leven, dit despotisme het element van duurzaamheid is, de kracht, die maakt dat, ondanks de ontbindende werking van de polygamie, de mohammedaansche maatschappij bestaan kan.

Sidi Mohammed vertelt mij, dat hij overeengekomen is met een Moorsche, dat ze mij te eten zal geven voor drie peseta's en 65 piasters per dag, haar loon erin begrepen; ze heeft, schijnt het, vier jaar lang voor een Italiaan gekookt. Ik veronderstel, dat zij eenvoudig een slavin van Sidi Mohammed is, die als logementhouder, restaurateur en philanthroop een middel heeft gevonden, om zijn beginselen met zijn belangen te vereenigen, en tevens den natuurlijken godsdienst en de algemeene broederschap met zijn semietische instincten, den handelsgeest en de zucht naar winst. Inderdaad worden mij de maaltijden rechtstreeks uit het huis van Sidi Mohammed bezorgd, gedragen door zijn schoonzoon, die mij bedient, de borden wascht en de kamer stoft met een ijver, die op een belooning wacht.

Als men van den daldrempel, waarop het Sultanspaleis, Fez-el-Djedid en de mellah liggen, naar Fez-el-Bali afdaalt, krijgt men den indruk, in onverwachte diepten van de een of andere kloof te komen, waar de huizen zich ophoopen en zoo dicht staan, dat ze haast de lucht verduisteren. De hoofdstraat, die men volgt, wringt zich langs de steile helling. De winkels en de menschenmassa worden al talrijker, en telkens weer hoort men den kreet: "Balak! Pas op!" Er gaat op zijn grooten muilezel met roode schabrak een ruiter voorbij, gehuld in een haïk met zijden strepen of in een wapperenden burnoes, en veel kleine, vlugge ezeltjes onder zware lasten gebukt, zouden u kunnen plat drukken tegen een muur, als ge niet voorzichtig zijt. De menigte wordt zeer dicht, vooral op bepaalde uren in het hart van den bazar, bij Moelai Idriss en in de laantjes onder het traliewerk van wingerd en rieten vlechtwerk. Er is overal schaduw en beweging. Verdiepingen, die vooruitsteken in de straatjes en de hoogte der huizen, die zoo trachten te herwinnen, wat ze aan oppervlakte te kort komen in deze stad, tusschen de bergen ingesloten, maken, dat de zon nooit tot op den grond toe kan schijnen en dat een goed deel van haar licht onderweg hangen blijft. Wanneer men door de wijk der tuinen opgaat naar den kant van Bab-el-Hadid, lijkt het, of men uit een put komt.

Ik ben door den Bab-el-Hadid uit de stad gegaan en ben den weg ingeslagen, die te midden van hagen loopt door de groote tuinen, waar het water murmelt. Beekjes vormen watervallen onder het dichte loof van vijgeboomen en granaatappelboomen. Ik heb één ervan gevolgd langs een pad, dat mij bracht te midden van de tuinen; groote vakken, beplant met munt waarvan men als thee zooveel gebruik maakt, ruiken heerlijk, en de vijgen, de cactussen, het riet, de moerbeiboomen, de citroenen en granaatappelen zijn in zoo groote weelderigheid gegroeid, dat het soms een dicht kreupelbosch is geworden, vooral waar plotseling een kloof zich voordoet. De beek valt er in neer als een waterval, waar men niets van ziet, zoo verborgen is ze onder het gebladerte. Op den achtergrond maken de boomen te zamen een donkere afsluiting, waar men geen soorten in kan onderscheiden. En verder gaat het zoo tot aan de wadi, altijd dat donkere groen, waarin bijna tot aan den top verdwijnt het witte paleis van dien Engelschman, die ondernemend genoeg is geweest, om zich in Marokko te vestigen en er is geworden de kaïd Mac Lean. Daarachter rijst het groote gebergte, welks rossige wanden maar even bedekt zijn door olijvenbosschen en bespikkeld zijn met heiligdommen en graven. Welk een schoon land! Alles schijnt erop gemaakt, om er u gevangen te houden. De begrenzing door hooge bergen, zoo hoog, dat men niet gelooft er overheen te kunnen komen en zoo dichtbij, dat men alleen kan kijken naar wat in de onmiddellijke nabijheid is, geeft den indruk van opgeslotenheid, maar dan in een paradijs van licht en groen en water, waar men alles heeft, wat men wenschen kan.

Doch ik moet nog gaan door de kleine handelsstraten, die van de moskee-universiteit Karoeiyn leiden of van de moskee van Moelai Idriss naar de Bab-el-Gissa.