Part 9
Na eene vrij slegten nagt in het huis van den Toyon van Ganal doorgebragt te hebben, vertrokken wij van daar voor het aanbreeken van den dag om ons naar Pouschiné te begeeven. Den afstand tusschen deeze twee Ostrogs beloopt op negentig wersten, en echter deeden wij deezen togt in veertien uuren: doch de laatste helft van de weg was zeer slegt; deeze niet gebaand zijnde, zakten onze sleeden twee en drie voeten diep in de sneeuw, en de schokken waaren zo menigvuldig, dat ik mij gelukkig achte er van bevrijd te zijn, en maar eens omgevallen te hebben; om van de richting der sneeuw, uit de menigte die een gedeelte der boomen bedekte, te oordeelen, scheen het ons toe dat dezelve met noordewinden, en in eene buitengewoone hoeveelheid gevallen was, het geen ons door de bewoonders bevestigt wierd; wij reiden gestadig door een berkenbosch, en geduurende eenigen tijd verlooren wij de keeten van bergen uit het gezicht, welke wij daags te vooren langs getrokken waaren, doch nader aan Pouchiné komende, kreeg ik ze weder in het gezicht.
Te Pouschiné.
Isbas zonder schoorsteenen.
De Kamschatka loopt langs dit Ostrog, het welk grooter dan Ganal is, het eenigste dat ik hier waargenomen heb, bestaat daar in, dat de isbas zonder schoorsteenen zijn, dezelve hebben even als de balagans, maar eene naauwe opening in het dak, dit is de eenigste doortogt, dien men aan den rook laat, daar en boven sluit men ze spoedig door een schuif, om de warmte te bewaaren. Wanneer men deeze vertrekken verwarmt, is het bijna onmogelijk van 'er in te kunnen blijven, men moet 'er uitgaan of op den grond gaan leggen, zo men geen gevaar wil loopen van versmoord of ten minsten verblind van den rook te worden, hij neemt niet altoos aanstonds den weg naar het dak, naar maate hij zich verheft, verspreid hij zich ook in dikke en zwarte wolken door de kamer, en daar men hem zelden tijd geeft om geheel optetrekken, is het binnenste van deeze isbas gewoonlijk met roet bepleisterd, het welke men bij het inkomen reeds aan de lucht gewaar word, en waar van het gezicht waarlijk afkeer verwekt.
Kamschatsche lamp.
Doch dit is nog minder onaangenaam dan de stinkende reuk, welke een donker brandende lamp, waar door het geheele huis verlicht word, van zich afgeeft; de gedaante daar van is alderlompst, het is eenvoudig een uitgeholde klei of steen, waar uit een linnen vod, opgerolt als tondel te voorschijn komt, rondom dezelve doet men sterk vet van zee-wolve of van andere dieren; zodra deeze tondel aangestoken is, ziet men zich eensklaps omringt van een duisteren damp, die niet minder dan de rook toebrengt om alles zwart te maaken; hij stijgt in den neus en in de keel en gaat tot aan het hart. Dit is de eenigste kwaade lucht niet, die men in deeze wooningen inademt, daar is 'er nog een andere die na mijne gedagten veel stinkender is, ik kon 'er mij altans niet aan gewennen, dit zijn de walgachtige uitwaassemingen welke de gedroogde of verrotte visch verspreid, het zij dat men ze toebereid of opdischt, zelfs na dat men ze gegeeten heeft, het overschot is voor de honden geschikt doch voor dat ze het krijgen, worden al de hoeken van het vertrek daar mede uitgeveegt.
Morsigheid der bewoonders van deeze Isbas.
Daar en boven, is het toneel dat de bewoonders binnen deeze huizen opleveren, nog wel zo walgelijk. Hier ziet men een hoop vrouwen blinkende van smeer, en zich op den grond wentelende op een hoop vodden; deeze geeven haare halfnaakte en van het hoofd tot de voeten bemorste kinderen te zuigen, anderen verslinden met dezelve eenige stukken raauwe en meesttijds bedorven visch; verder ziet men wederom nog anderen, in een nagtgewaad dat niet minder vuil is op beerenvellen leggen, onder elkander of alle te gelijk praatende, en aan verschillende huishoudelijke zaaken werkende, in afwachting van haare mannen.
Gelukkig waaren de huizen der Toyons zo goed schoongemaakt als mogelijk was, om den Heer Kasloff daar in te ontfangen, die altoos de goedheid had van mij daar, benevens hem te doen huisvesten.
_Februarij._ Den 1.
De wegen vervuld met sneeuw; vermoeijende oeffening van mijne geleiders.
Wij namen onze nagtrust bij den Toyon van Pouschiné, en wij vertrokken den volgenden morgen vroegtijdig; wij konden deezen dag niet meer dan vier en dertig wersten afleggen. Het scheen, dat hoe meer wij voorwaarts kwamen, hoe meer de wegen door de sneeuw gestopt waaren. Mijne twee geleiders waaren zonder ophouden bezig om mijn slee in evenwicht te houden ten einde het omvallen te beletten of niet van den weg te geraken; daar en boven moesten ze hunnen longen ongemeen geweld aandoen om de honden aantemoedigen, die dikwils stil hielden, niettegenstaande de slaagen die men hun met zo veel behendigheid als in menigte uitdeelde. Deeze arme dieren, wier sterkte onbegrijpelijk is, hadden de uiterste moeite om zich van de sneeuw te ontdoen, die hun weder bedekte naar maate zij 'er zich van ontlasteden, men moest die gelijk maaken om 'er hun door te helpen, dit was ook een der bezigheden van mijne leidsluiden; om op de sneeuw te kunnen staande blijven, hadden zij ieder een raket, onder eenen voet, en gleeden dus terwijl ze den anderen van tijd tot tijd op de schaats van de slêe plaatsten. Ik twijffel of 'er wel een meer vermoeijender arbeid is, en waar toe meer kragts en hebbelijkheid vereischt word.
Het Ostrog van Charom, alwaar wij gelukkig aankwaamen, is op de Kamschatka gelegen; Het leverde mij niets aanmerkelijks op. Wij vertoefden er den nagt en voor de dag aankwam, hadden wij het reeds wederom verlaaten.
1788. _Februarij._ Den 2.
Te Vercknei-Kamschatka of Opper-Kamschatka.
In den tijd van zeven uuren bereikten wij Vercknei-Kamschatka, het geen vijf en dertig wersten van Charom afgelegen is. Vercknei is een zeer aanmerkelijke plaats, in vergelijking van de andere dorpen, die ik reeds gezien heb: ik telde hier meer dan honderd huizen: deszelfs ligging is gemaklijk en scheen mij veel verscheidenheids opteleveren. Aan de rivier gelegen[76] heeft dit Ostrog daar en boven het voordeel van in deszelfs nabijheid Bosschen en Velden te bezitten, waar van de Grond zeer goed is, en die door de inwoonders tot voordeel aangelegt word, de kerk is van hout, deszelfs maakzel is niet onbevallig, het zou alleen te wenschen zijn, dat het binnenste beantwoorde. Wat de wooningen betreft, deeze verschillen in niets van die der andere dorpen. Voor de eerstemaal zag ik hier een soort van gebouwen omtrent van hoogte als de balagans, en die alleen maar dienen om den visch te droogen. Een sergeant voert te Vercknei het bevel, hij woont in een huis, dat aan de kroon behoort.
[76] De Kamschatka, die ter deezer plaats nog niet digt was.
Geschenk het geen Ivaschkin ons gaf.
Dit dorp is ook de verblijfplaats van den ongelukkige Ivaschkin, wiens lotgevallen ik bij mijn vertrek van St. Pieter &. Paulus verhaald heb[77]; hij behoorde tot ons reisgezelschap, en verliet ons niet, dan om naar Vercknei vooruitterijden, alwaar zijn eerste zorg bij zijn aankomen bestond, in één van zijne ossen te doen slagten, die hij ons verzogt wel te willen aanneemen voor de reis, als een blijk van zijne erkentenis. Die behandeling rechtvaardigde het belang het welk mij deeze ongelukkige edelman reeds ingeboezemd had, wiens enkele beschouwing mij meer dan eens over zijn lot had doen zuchten; ik kon niet begrijpen hoe hij zich aan het zelve had kunnen gewennen indien hij niet de gewaarwording zijner onschuld met zich voerde, die alleen hem deeze sterkte van geest had kunnen inboezemen; bij onze aankomst te Vercknei, gingen wij hem bezoeken, hij was bezig met eenige zijner buuren vrolijk te drinken, zijn vergenoegen was ongeveinst, en vertoonde geenzints een gevoelig mensch voor zijne geledene rampen, nog iemand die misnoegd was over zijn tegenwoordigen staat.
[77] Ziet bladz. 18.
Zaimka of Gehugt dat door akkerlieden bewoond wierd.
Wij bleeven maar weinig tijds te Vercknei; wij begaven ons des nademiddags weder op weg om vijftien wersten verder te Milkovaïa Dercvna of in het dorp van Milkoff de nagtrust te neemen. Voortreizende vonden wij al aanstonds een vrij ruim veld met palissaden omgeeven, en wat verder een _Zaimka_, dat is te zeggen, een gehugt bewoond door akkerlieden; dit zijn Kosakken of Russische Soldaaten, geschikt tot het bebouwen der gronden, die voor rekening van de regeering bearbeid worden. Zij hebben tagtig paarden, die aan de kroon behooren, en die zo wel dienen voor het werk, als door de stoeterij die in deeze plaats opgericht is tot voortfokking van deeze nuttige en zo zeldzaame dieren in dit schier eiland. Omtrent vijf honderd treden van dit gehugt, het welk Tschigatchi genaamd word, ontdekt men op een arm van de Kamschatka een houten dog niet veel betekenenden watermolen. Men kon 'er als toen geen gebruik van maaken, dewijl het water zo sterk gewassen was, dat daar door de sluis was leeg geloopen, en het zelve zich door een gedeelte van de vlakte had verspreid, alwaar het bevroozen was; de grond scheen mij ter deezer plaats zeer goed, en de omleggende streeken zeer vermaakelijk te zijn. Ik ondervroeg eenige van deeze Kosakken over de voortbrengzels van hunne landstreek, alwaar het mij voorkwam, dat alle soorten van graanen zeer wel moesten gelukken; zij antwoordden mij, dat in der daad de laatste oogst, als mede de hoedanigheid van het graan, hunne verwachting was te boven gegaan, en dat deeze in het geheel voor de beste Russische gewassen niet behoefde te wijken; twee ponds graan had 'er tien uitgelevert.
Inwoonders van Milkoff.
Te Milkoff gekomen, was ik verwonderd van daar nog Kamschatters nog Kosakken te vinden, maar eene belangrijke bevolking van akkerlieden, wier gelaatstrekken en voorkomen aanduiden, dat 'er onder hun geen vermenging van geslachten plaats had gehad. Deeze bevolking wierd in 1743 voor de helft in Rusland, en voor de andere helft in Siberiën uitgekozen, onder de oorsprongelijke bewoonders, namelijk, uit de landbouwers; wanneer de regeering hun in dit Schiereiland zond, had dezelve ten oogmerk de ontginning der gronden, en proefneemingen in den landbouw, in de verwachting, dat het voorbeeld en de goede uitslag deezer volkplanting van akkerlieden, tot onderrichting van de inwoonders des lands zou verstrekken, en hun doen besluiten om zich meer en meer op deeze edele en wezentlijke bezigheid toeteleggen. Ongelukkig heeft derzelver alles te boven gaande zorgeloosheid, die ik reeds heb doen kennen, kwalijk aan de verstandige maatregels van de regeering beantwoord; zij zijn thans niet alleen nog verre af van door naiever gedreeven te worden, maar zelfs, om met de voorbeelden, die ze onder hun oog hebben, voordeel te doen. Die ongelukkige ongevoeligheid der Inboorlingen is des te bejammerenswaardiger, daar men zich aan den anderen kant niet kan onthouden van die vlijtige emigranten te bewonderen, wier arbeid met eenen zo voordeeligen uitslag bekroond is. Bij de Kamschatka geplaatst, vertoonen hunne wooningen een zeker soort van gemak, zij bezitten vee dat mij in een goeden staat scheen te weezen, de zorg die zij 'er voor draagen, brengt niet weinig tot derzelver welvaart toe; ik heb ook opgemerkt, dat in het algemeen deeze boeren zeer met hun lot te vreden scheenen te weezen; ze hebben, het is waar, het genot van hun eigendom, alles is voordeel voor hun, en niets is moeite, ieder werkt, bezaait zijn veld; en alleen gehouden om zijn hoofdgeld te betaalen, zamelt elk vrijelijk de vrugt van zijn arbeid, waar voor een vrugtbaare grond hun met woeker beloond. Ik houd mij verzekert, dat men 'er nog meer voordeel van zou kunnen trekken, indien de akkerlieden 'er in grooter aantal waaren. De oogst bestaat voornamelijk in rogge en in gerst, dog deeze laatste in minder hoeveelheid. Deeze bevolking is daar en boven bevrijd van de jagt, de regeering heeft de oplettenheid zo ver uitgestrekt om die te verbieden, ten einde deeze planters geheel aan hun werk te houden, en te zorgen dat hun niets daar van kon aftrekken: ik meen evenwel te weeten, dat ze dit verbod niet te zeer eerbiedigen. Derzelver hoofd is een _starost_ door de regeering benoemd, die hem, onder de bejaarde lieden van het dorp kiest, zo als zijn naam ook aanduid; hij is gelast op den goeden voortgang van den landbouw te waaken; hij bestiert de zaaijing, de inoogsting, en bepaalt daar van het juiste tijdstip, eindelijk moet hij de nalatigheid opwakkeren of den iever der arbeiders aanmoedigen, en vooral onder hun het oogmerk der inrichting en de goede verstandhouding bewaaren.
1788. _Februarij._ Den 3.
Ostrog van Kirgann.
Dewijl ik mij na Machoure wilde begeeven, om een dag bij den Heer Baron de Steinheil door te brengen, verliet ik den Heer Commandant te Milkoff, en ik vertrok omtrent vier en twintig uuren vroeger van daar, ten einde hem in zijn reis niet optehouden. Om des te spoediger voorttekomen, had ik een kleine slêe genomen, dog aan deezen kant waaren de wegen niet minder met sneeuw gevuld, en ook niet minder ongemaklijk, zo dat, niettegenstaande mijne voorzorg, het onmogelijk was dien spoed te maaken, welken ik mij voorgesteld had; het eerste Ostrog, dat ik op mijn weg aantrof, was Kirgann. Voor dat ik daar aankwam, trok ik voorbij eenige balagans en huizen, die mij toescheenen verlaaten te zijn, dog men zeide mij, dat ieder jaar, de eigenaars door den zomer derwaarts te rug geroepen wierden; de weinige wooningen, die het dorp van Kirgann uitmaaken, zijn op den oever van een rivier, Kirganik genaamt, gebouwt; deeze word door verscheide bronnen gevormt, die uit de nabuurige bergen afkomen, en waar van de verschillende beekjes zich boven dit Ostrog zamenvoegen, het welk vijftien wersten van Milkoff afgelegen is.
De koude was zo hevig, dat niettegenstaande de voorzorg, die ik genomen had, van mij het aangezicht met een neusdoek te bedekken, mij binnen een half uur de wangen bevroozen waaren, dog ik nam mijn toevlucht tot het gewoone hulpmiddel, ik wreef mij het aangezicht met sneeuw, en ik raakte vrij met eene prikkelende pijn van eenige dagen. Op het oogenblik, waar in mijn aangezicht bevroor, wierd mijn lighaam het tegengestelde gewaar. Ik mende zelfs mijne slêe; de geduurige beweeging, welke deeze oeffening vordert, gevoegt bij het gewigt van mijne Kamschatsche kleeding[78] bezorgde mij eene meer dan gewoone uitwaasseming, die mij geweldig vermoeide. Echter hield ik mij te Kirgann niet op. Eenige wersten verder wierd ik in het noordoosten een vuur-berg gewaar, die geen vlammen uitwierp, dog 'er kwam een zeer dikke colom rook uit. Ik zal welhaast gelegenheid hebben 'er wederom bij te komen, en 'er meer in het breede van te spreeken. Ik ontdekte digt bij Machoure, een vrij digt mastbosch, het eerste dat ik nog in Kamschatka gevonden had, de boomen waaren regt maar zeer dun. Des namiddags ten twee uuren, kwam ik in het Ostrog van Machoure, gelegen op de Kamschatka, zeven en dertig wersten van Kirgann.
[78] Mijne kleeding vordert eene bijzondere beschrijving, men zal daar uit oordeelen, dat ik 'er niet zeer vlug uitzag. Gewoonlijk droeg ik maar een eenvoudig parque van rendieren vel en een gevoerde muts, die wanneer het nodig was, en de ooren, en een gedeelte van de wangen bedekte. Wanneer de koude heviger wierd, vermeerderde ik deeze kleeding met twee _kouklanki_, een soort van ruimer parque en van een dikker vel gemaakt; van de eene was het hair naar binnen, en van den anderen naar buiten gekeerd. In de geweldigste koude trok ik over dit alles nog een derde veel dikker kouklanki, van honden of argali vellen gemaakt; de hairige zij is altoos naar binnen, en het leer of de buitenste oppervlakte van het vel is roodachtig geverwt. Aan deeze kouklankis maakt men van vooren een kleine slabbedoek vast, die zich opheft om het aangezicht tegens den wind te beschermen, daar en boven, zijn dezelve van agter ieder voorzien van een gevoerde kap; somtijds maakten deeze drie kappen, de een over den anderen, mijn kapsel uit, ik deed ze zelfs over mijn gewoone muts. Mijn hals was bezorgt met een das van een martervel, of een vossestaart, genaamd _ocheinik_, en mijn kin met een kinband insgelijks van een martervel, dat op mijn hoofd wierd vastgemaakt. Het voorhoofd zeer gevoelig voor de koude zijnde, bedekt men het zelve met een otter of sabelrand, die vervolgens door de muts overdekt word. Mijne gevulde broeken verschaften mij meer warmte dan het overige van mijne kleeding, hoe zamengesteld ze ook weezen mogt. Ik was dubbeld met rendieren vellen geschoeid, 't hair naar binnen en buiten gekeerd; ze worden in het Kamschatsch _tchigi_ genaamd. Ik stak vervolgens mijn beenen in _torbassis_ of laarzen van rendieren pooten, van binnen voorzien met een zool van _tonnchitcha_, een zeer zagt gras, het welk de eigenschap van te verwarmen bezit. Niettegenstaande deeze voorzorgen, wierden mijne voeten, na twee of drie uuren reizens, zeer vogtig, het zij door de uitwaasseming, het zij door de onmerkbaare doordringing van de sneeuw, en wanneer ik maar een weinig stil op de slee zat, voelde ik dezelve aanstonds bevriezen. Des avonds trok ik dit schoeizel uit, en deed voor den nagt een paar wijde koussen aan met rendieren of argali vel gevoerd, en _ounti_ genaamt.
Verblijf te Machoure bij den Heer Baron de Steinheil.
Ik begaf mij bij den Heer Baron de Steinheil oud Capitain Ispravnick, of Inspecteur van Kamschatka, welke post tans door den Heer Schmaleff bekleed word. Ik was met hem te Bolcheretsk bekend geraakt, en het was mij zeer aangenaam geweest met hem verscheide taalen te kunnen spreeken, bijzonder die van mijn vaderland, hoe zeer ze hem niet zeer eigen was; dog het was Fransch, en ik meende in hem een mijner landsgenooten te zien. Wie immer Europa verlaaten heeft om in zulke afgelegene streeken te reizen, heeft zulks even als ik moeten ontwaar worden; men acht zich een medeburger van hem, die het zelfde waerelddeel voor zijn vaderland heeft, of die dezelfde taal spreekt. De geringste zaak, die het aandenken aan ons land kan opwekken, veroorzaakt het levendigste vermaak, ons hart breid zich uit tot den vriend, tot den broeder, dien wij meenen wedertevinden; in een oogenblik deelen wij in elkanders vertrouwen. Ik smaakte deeze aangenaame gewaarwordingen op het gezicht van den Heer Steinheil. Van het eerste oogenblik af aan, had ik tot de verkeering met hem eenen onweerstaanbaaren trek. Ik moest hem zien en spreeken, ik vond daarin een onuitspreekelijke vreugde, hoe zeer zijn Fransch, gelijk ik reeds gezegt hebbe, van het alleronregelmatigste was, en hij het met een Duitschen tongval uitsprak. Ik bragt met den Heer Steinheil den dag van den 4. door, en des avonds zag ik den Heer Kasloff aankomen, gelijk hij mij beloofd had.
1788. _Februarij_ Den 4. Te Machoure.
Ostrog van Machoure.
Het dorp van Machoure was een der aanzienelijkste van dit Schiereiland, voor dat de kinderziekte aldaar geheerscht had, dog de verwoesting, die deeze besmettelijke ziekte aldaar heeft aangericht, heeft het getal der inwoonders tot op twintig huisgezinnen vermindert.
Nadere bijzonderheden over de Chamans.