Part 7
De ligtheid van het rijtuig, naauwlijks tien ponden wegende, deszelfs hoogte, die ze meerder geschikt maakt tot omvallen, de moeijelijkheid om 'er het evenwigt op te bewaaren, eindelijk de gevolgen, die een val kan hebben, wanneer de sleede voortholt[62], alle deeze bedenkingen, die men niet naliet mij voor oogen te stellen, konden mij niet bevreesd maaken, nog afschrikken van eene zo gevaarlijke oeffening. Ik zette mij eens op mijn nieuwen wagen, echter toestemmende dat men mij volgen zou, en verscheide sleeden verzelden mij. De geenen die 'er opzaten, behoefden niet lang te wachten, om mij hunne voorzeggingen te zien vervullen; ik gaf hun op een weinig afstands reeds de vertooning van een geheele omtuimeling; naauwlijks opgericht, of weer op nieuw gevallen, en een vernieuwd geschater van lagchen: niettegenstaande dit alles verloor ik den moed niet, en stond schielijk op om een oogenblik daar na weder omtevallen. Ik had alle reden van mij tegen deeze onaangenaamheid te wapenen, want bij verscheide herhaalingen betaalde ik den tol van mijne onervarendheid; ik viel bij deeze eerste proef zeven maal, zonder mij ooit te bezeeren; ik wierd des te vuuriger om een tweede les te neemen, vervolgens een derde, en een vierde, eindelijk gingen 'er weinig dagen voorbij zonder eenigen togt te doen. Het getal mijner tuimelingen verminderde, naar maate ik 'er meer hebbelijkheid en wetenschap van bekwam, en mijne vorderingen deeden mij zodanige liefhebberij in die oeffening verkrijgen, dat ik mij in weinig tijds een soort van roem verwierf. Ik erken, dat het mij moeite gekost heeft, om mij te gewennen, van de nodige regtstandigheid te bewaaren. Men moet om zo te spreeken in eene geduurige beweeging zijn, hier zich ter linkerzijde overwenden, wanneer de slêe ter regter afwijkt; daar, zich vrij spoedig op de regter kant werpen, om dat ze ter slinker zijde overhelt, vervolgens regt opstaan in andere gevallen, en zo men vaardigheid of oplettenheid mist, is het te verwonderen dat men niet aanstonds ombuitelt. Wanneer men valt, moet men echter de slêe niet verlaaten, dog 'er zich op zijn best aan vasthouden, ten einde een voldoende zwaarte te maaken om de honden optehouden, die zonder dat aan het hollen zouden raaken, gelijk ik reeds gezegt heb. De meest gebruikelijke manier van zich op een slêe te plaatsen, is om er ter zijden op te gaan zitten, even als onze vrouwen te paard rijden; men kan 'er zich ook schrijlings op zetten, dog die richting, waar de meeste kracht toe nodig is, het _nec plus ultra_ der bekwaamheid en bevalligheid, bestaat daar in, om zich over eind op één been te kunnen houden; zij, die in deeze luisterrijke houdingen recht ervaaren zijn, maaken een fraaie vertooning.
[62] Wanneer de honden het zelfde gewigt niet meer gewaar worden, geraaken ze in zulk eene drift, dat ze somtijds niet eer ophouden, voor dat de slêe tegens een boom verbrijzeld is, of hunne krachten uitgeput zijn.
Manier waar op men ter Haazen & Patrijzen jagt gaat.
Zo dra ik in staat was zelfs te mennen, had ik voor mij geen ander rijtuig; uit hoofde der wegen altoos verzeld zijnde, ging ik dan eens wandelen of rijden, dan eens op de haazen en patrijzen jagt, waar van wij de spooren in de sneeuw gedrukt zagen[63] en wel in zo eene groote menigte, dat ze daar van doorprikt scheen even als een zeef: in de bosschen was ze somtijds zo dik, dat het onmogelijk zou geweest zijn om een stap te doen zonder 'er in te zinken, onze toevlucht was als dan om onze sleeden te verlaaten, waar van wij ons niet meer konden bedienen en wij plaatsten ze over zij. Na deeze voorzorg genomen te hebben, die voldoende is om de honden tegen te houden, die aanstonds op de sneeuw in een rei gaan leggen, en daar zonder zich te verroeren, de terugkomst van hunne geleiders afwachten, wij bonden onder de voeten raketten met riemen vast, gemaakt van zeer dunne plankjes[64], ieder van zes a agt duim breed, en van drie a vier voet lengte, welkers eind als een schaats omgekromt en van onderen bekleed is met zeewolvenvel of rendierenpooten. Van dit schoeizel voorzien, begonden wij onze jagt. Ik had echter in 't eerst moeite genoeg om mij aan deeze schaatzen te gewennen, ik viel meer dan eens op den rug en op den neus, dog het vermaak van een goede vangst deed mij deeze toevallen vergeeten. Hoe zeer het moeijelijk viel de haazen en de patrijzen te ontdekken, welkers witheid die der sneeuw evenaarde, zo miste het mij echter zelden, dank zij mijne oeffening en de raadgevingen mijner medgezellen, of ik bragt 'er een goed getal mede.
[63] De eerste sneeuw viel te Bolcheretsk op den 5 November, ze was zo overvloedig dat 'er aanstonds de velden mede bedekt waaren, dog de vorst langer agterblijvende, en de stormwinden bijna zonder tusschenpoozen elkander opgevolgt hebbende, kon de sleedevaart geen volkomen aanvang neemen dan vrij lang daar na, gelijk men in het vervolg zien zal.
[64] Deeze raketten worden in 't land _ligi_ genaamd. In het noorder gedeelte van het schier-eiland bediend men zich van een ander soort van raketten _lapki_ genaamd, deeze zijn minder lang, en van ineengevlogten leere banden vervaardigt even als het draadwerk van onze raketten in de Kaatsbaanen; men maakt 'er van onderen twee kleine punten aan vast, die in de sneeuw dringen en het uitglijden beletten.
Het was een mijner aangenaamste tijdkortingen te Bolcheretsk; het overige van mijn tijd wierd besteed in verzuchtingen en ongeduldige aandoeningen over de gedwongen langduurigheid van mijn verblijf. Om afleiding te hebben, beijverde ik mij om van de weinige mooije dagen die wij hadden gebruik te maaken, ten einde eenige omleggende streeken te gaan bezichtigen, die ik zedert bij mijn vertrek wedergezien heb, en waar van ik spreeken zal, wanneer ik mijn reis zal hervatten.
De zamenstelling van mijne reissleeden[65] gaf mij ook bezigheid, dog mijne voornaamste vertroosting bestond in het gezelschap van den Heer Kasloff en de Officieren van zijn gevolg; hunne verkeering en de aanmerkingen, die ik van tijd tot tijd maakte, stelden mij iederen dag in staat om aantekeningen te houden, waar van ik reeds een groot gedeelte afgeschreeven heb, en hier het overige zal laaten volgen.
[65] Een soort van gesloote koets alwaar men zich in leggen kan, en die aan een sleede vastgemaakt is; dit is dat slag van rijtuig dat men _verock_ in Rusland noemt, alwaar ze zeer gemeen zijn, de mijne was van binnen met beerevellen bekleed, en van buiten met vellen van zeewolven.
1788. _Januarij_ Te Bolcheretsk.
Ziektens.
Het artikel van de ziektens op Kamschatka doet zich het eerste aan mij voor: welke onaangenaame beschrijvingen dit ook vordert, vermeen ik het evenwel niet te moeten agterlaaten, het heeft een gedeelte mijner waarneemingen uitgemaakt, het dient dan ook in mijn dagverhaal geplaatst te worden.
De Kinderziekte, welker verwoestingen alhier ik reeds vermeld heb, schijnt aan het land niet eigen te zijn, dezelve is 'er ook niet zeer gemeen. Sedert de invallen der Russen en de menigvuldige verhuizingen herwaarts, die daar op gevolgt zijn, heeft deeze besmettelijke ziekte zich hier niet doen gevoelen dan in de jaaren 1767 en 1768; ze wierd toen door een Russisch schip derwaarts gebragt, het welk naar de eilanden, aan den oostkant gelegen, ging om otters, vossen enz. te vangen. De persoon, die dit noodlottige zaad overbragt, was een matroos die van Okotsk kwam, alwaar hij zich voor zijn vertrek had doen genezen; hij bezat nog na men zegt, de versche blijken van deeze vreesselijke ziekte: naauwlijks ontscheept, deelde hij ze aan de arme Kamschatters mede, waar van ze het drie vierde gedeelte wegsleepte. Sedert is dezelve niet weder verscheenen, het welk doet denken, dat deeze volkeren daar aan niet onderhevig zijn. In het Jaar 1720 wierden de volkeren ten noorden van Kamschatka daar van bezogt, dog deeze ziekte drong niet tot in dit schiereiland door, ze had te Anadirskoi een aanvang genomen; en men weet niet wie ze derwaarts bragt, men is geneigt om 'er insgelijks de Russen van te beschuldigen.
Men vermeent ook, dat de Kamschatters aan hun de Venusziekte verschuldigt zijn, die gelukkig niet zeer gemeen onder hen is, het schijnt dat deeze geessel bij hun van vreemde afkomst is. De geneezing daar van is alzo zeldzaam als moeijelijk, men neemt zijn toevlugt tot verschillende wortels en de sublimaat, die in dit land even als elders treurige gevolgen voortbrengt, te meer daar men 'er hier nog minder goed gebruik van weet te maken, dan wel elders.
Men vind hier geen scheeve of kreupel geboorne; de eenigste mismaakte persoonen zijn die geenen, welke zwaare vallen gedaan hebben, het geen niet zeldzaam onder de Kamschatters is, dewijl zij blootgesteld zijn om van de hoogte hunner balagans aftevallen; zij zijn weinig aan de scheurbuik onderhevig, het gebruik dat zij van de wilde knoflook en verscheiden soorten van beziën of vruchten maaken, brengt veel toe om 'er hen voor te bewaaren; de Russen en die geenen, welke hier pas voet aan land zetten, worden meer van deeze ziekte aangetast.
De longziektens zijn er vrij menigvuldig, dog bloedzweeren, water en ettergezwellen en klieren zijn de meest gewoone kwaalen, men weet ze niet anders te geneezen dan door insnijding en uitrooijing: men bedient zich tot deeze konstbewerkingen van een mes of eenvoudig van een puntig gesleepen steen in de plaats van een lancet. Diergelijke werktuigen zijn niet geschikt om een verheven denkbeeld te geeven van de kundigheden der wondheelers; en het is gemaklijk optemaaken, dat de heelkunde, zo na mogelijk tot de volmaaktheid bij ons gebragt, nog in de grootste duisterheid in Kamschatka begraven ligt.
Toverdoctors.
De Geneeskunde schijnt 'er geen grooteren opgang gemaakt te hebben; echter moet men ten dien opzichte erkennen, dat deeze volkeren reeds iets voorwaards gekomen zijn, namelijk in geleerd te hebben om derzelver bedriegers en belagchelijke kwakzalvers te mistrouwen; dit waaren eertijds de zogenaamde toveraars _Chamans_ genaamt, die gebruik makende van de ligtgelovigheid der Kamschatters, zich daarenboven tot Doctoren in de geneeskunde verhieven, en zich dus van een dubbelde aanspraak op achting en vertrouwen wisten meester te maaken[66]. Hun vreemde opschik bragt ook nog veel toe om eerbied te verwekken, en kwam wonderbaarlijk over een met hunne buitenspoorige bedriegerijen, het geen men 'er mij van gezegt heeft zou alle geloof te boven gaan, indien wij de goede gelukzeggers en andere tovenaars van dat soort niet kenden.
[66] Ik heb zedert, in een Ostrog op eenigen afstand van Bolcheretsk, gelegenheid gehad ten hunnen opzichte meer bijzondere ophelderingen te verkrijgen, die men bij mijn verblijf in dat dorp vinden zal.
Men kan zich geen denkbeeld vormen van de aaperijen deezer kwakzalvers, nog van de onbeschaamdheden die zij voorgaven omtrent de toebereiding hunner voorschriften, of omtrent hunne gewaande openbaaringen. Het is waarschijnlijk, dat hunne geneezingen menigwerf van een kwaaden uitslag waaren, en dat het getal hunner slagtoffers dat van hunne zieken evenaarde: dog op den duur word men verdrietig, wanneer men het voorwerp van bedrog is, vooral wanneer het leeven daar bij in gevaar raakt: als dan begint men onvergenoegd te worden op de bedriegers, die ongevoelig het vertrouwen verliezen, en ten laatsten in verachting vallen en vergeeten worden. Dit is het geen met de Chamans gebeurd is; de weinige kundigheden, die de handel der Russen in deeze streeken heeft verspreid, is genoegzaam geweest om de oogen der inwooners te openen. Al aanstonds hebben zij de ongerijmdheid der toverkunst van hunne geneesheeren leeren kennen; zo dra ze ophield geëerbiedigt te worden, wierd ze ook welhaast minder voordeelig, en het voordeel verminderende nam ook spoedig het getal der tovenaars af. De mannen, afgeschrikt van deeze kostwinning, verlieten dezelve, en wierden door eenige oude vrouwen vervangen, die zonder twijffel minder behendig zijn en bij gevolg ook minder neering hebben[67].
[67] De verandering welke de Chamans in Kamschatka ondergaan hebben, is deeze niet volmaakt de geschiedenis van onze kwakzalvers? ten naasten bij dezelfde bedriegerijen, dezelfde beheersching, en dezelfde val. Welke aanmerkingen zou men niet nog omtrent dit onderwerp kunnen maaken! bij voorbeeld, dat volkeren even zo eenvoudig als onkundig gelijk de Kamschatters, eenigen tijd de voorwerpen der bedriegerijen van hunne tovenaars geweest zijn, kan niet vreemd schijnen en ook zijn deeze daar omtrent wel te verschoonen, dog dat zij met zo veel onbekwaamheid en bijgeloof, van hunne dwaaling te rug gekomen zijn en 'er schaamrood over worden, dit is het, zo 't mij voorkomt, welk verwondering moet verwekken, en waar over men hun geluk moet wenschen; want eindelijk, ziet men bij de meest verlichte volkeren van Europa niet nog alle dagen een soort van even trouwlooze, even gevaarlijke Chamans te voorschijn komen? allen hebben zij nochtans hunne apostelen, nieuwbekeerden en een groot aantal martelaars.
Sterke gesteldheid der vrouwen.
De vrouwen hebben in dit land zelden meer dan tien kinderen, haar gewoon getal is vier of vijf; op de veertig jaaren verliezen ze de hoop van 'er meer te krijgen, zij kraamen zeer gemaklijk, en helpen onderling elkander verlossen, daar zijn echter eenige vroedvrouwen, dog in een gering getal. De toevallen, de ongelukkige verlossingen, die zo veele moeders wegsleepen, zijn 'er minder gemeen dan het onverwacht kraamen in de open lucht, op de wegen, en overal waar de arbeid van haar huishouden deeze vrouwen roept. Het is waarschijnlijk in deeze gelegenheden, dat zij zich van derzelver hairen bedienen, volgens 't geen men mij gezegt heeft, om de navelstreng aftebinden; zij draagen vervolgens zelfs de kinderen en zoogen ze aanstonds. De tijd der zooging is onbepaald. Ik heb moeders gezien die aan kinderen van vier en vijf jaaren de borst gaven. Men oordeele hier uit van de sterke gesteldheid deezer vrouwen. Men bespeurt echter, dat de Kamschatters van beide sexen weinig langer dan de Russen leeven.
Geneesmiddel, dat men aan den beer verschuldigt is.
Ik heb verzuimd van een geneesmiddel te spreeken, waar van de inwoonders van dit schier-eiland zig gaarne en bijna in alle hunne ziektens bedienen. Het is een wortel genaamt _beere-wortel_, in brandewijn geweekt, de naam, welken deeze volkeren aan die plant gegeeven hebben, duid genoeg aan, wien zij de kennis daar van verschuldigt zijn. Na dat zij opgemerkt hadden, dat de beer gewoon was om bij voorkeur dit gras te eeten, en zich wanneer hij gewond was daar over heen te wentelen, zijn zij in twijffel geraakt, of dit kruid niet eenige goede eigenschappen mogt bezitten, en hebben beslooten om 'er gebruik van te maaken; dit beest komt dus de eere toe van hun de eerste lessen in de kruidkunde en in derzelver toebereiding gegeeven te hebben. Daar en boven heeft men mij gezegt, dat met deezen wortel de beer alle zijne wonden geneest; het is mogelijk, dat de mensch 'er zich ook zeer wel bij bevind; dog ik ben niet in 't geval geweest van 'er zelfs de proef van te neemen, en ik draag geene verdere kennis van deeze plant.
Godsdienst.
De Christelijke Godsdienst is door de Russen in Kamschatka gebragt, dog de bewoonders van dit schiereiland zijn, om eigentlijk te spreeken maar gedoopt, ze zijn 'er verre af om de verplichtingen te vervullen, welke dit bondzegel hun oplegt. Hebben zij eenige kennis, waarin de eerste voorschriften van het Christendom bestaan? ik twijffel 'er aan; overgegeeven aan alle hunne neigingen, volgen zij daar van de goede of kwaade aandrift; indien zij op den Godsdienst denken, is het alleen om redenen van welvoeglijkheid of belang, of wel wanneer de omstandigheden hun derwaarts leiden; dit toont in deeze volkeren een groot gebrek in het onderwijs aan, en men kan daar van, na 't mij toeschijnt, alleen hunne priesters beschuldigen, die derzelver onkunde moesten tragten opteklaaren. Dog hebben deeze priesters of zendelingen daar toe de nodige begaaftheden? het is waar dat zij niet in de gelegenheid zijn om zich door wijsgeerige oeffeningen bekwaam te maaken, ook schijnt men die in hun niet te vorderen, vermits het meenigmaal gebeurt, dat men Kamschatters tot deezen voortreflijken staat ziet toegelaaten.
Alle deeze Popen zijn aan 't gezag van den Opperpope of Aartspriester die te Nijenei zijn verblijf houd, onderworpen; hij staat zelf onder den Aartsbisschop van Irkoutsk, die hun alleen ordent, en de zending geeft, zo dat alle de Geestlijken verplicht zijn om zich naar deeze stad te begeeven. Mogelijk word de langduurigheid en de gevaaren van de reis hun voor een soort van kweekschool toegerekent; mogelijk ontfangen zij de heilige ordeningen zonder andere verdiensten of ondervraaging, dit altans is zeeker, dat zij nog braaver nog meer onderweezen te rug komen. Deeze Geestelijken worden vervolgens naar hunne bijzondere bestemmingen gezonden; de tijd, dien zij daar blijven, is onbepaald, en hangt volstrekt van den wil hunner hoofden af.
Kerken.
Men telt agt voornaame kerken op Kamschatka, als te Paratounka, Bolcheretsk, Ichinsk, Tiguil, Vercknei, Klutchefskaia, en twee te Nijenei; men zou 'er zelfs die van Ingiga in het land der Koriaken kunnen bijvoegen.
Zeven dorpen en de Kourilische eilanden maaken het gebied of de Parochie van Paratounka uit; te weeten, het dorp van dien naam, St. Pieter & Paulus, Koriaki, Natchikin, Apatchin, Malkin en Bolcheretsk. Het getal der Parochiaanen, welke deeze dorpen bevatten, gaat niet boven de vier honderd, en wanneer men 'er de Kourilische eilanden mede onder begrijpt, zal het geheele getal maar op zes honderd twintig Christenen beloopen. De Keizerin geeft aan den Pastoor van Paratounka tagtig roubels jaargeld, waar bij zij nog doet voegen twintig pouds[68] rogge-meel; zijne Parochiaanen betaalen hem dus geene tienden, dog hij ontfangt de aalmoessen en de andere toevallige voordeelen, welke aan zijn Kerk gehegt zijn; Bij een huwelijk, doop, of begravenis vraagen deeze Pastooren zo veel geld, of zodanige andere zaaken als zij maar goedvinden te eischen. Niets is ten deezen opzichte bepaald, en zij kennen geen andere uitspraak dan hun eigen wil, het welk aanleiding tot grove misbruiken geeft. Gewoonlijk echter willen zij hunne eisschen wel afmeeten na het vermogen van hunne Parochiaanen, en men is hun dank verschuldigd voor deeze soort van bescheidenheid.
[68] Een Russisch gewigt, gelijk staande met iets meer dan drie en dertig Fransche ponden.
Belastingen of Schattingen.
De Kamschatters zijn vrij; zij zijn alleen onderhevig om aan Rusland een jaarlijksche schatting te betaalen, die gelijk als ik reeds gezegt heb, in bontwerk van allerlei soort bestaat, zo dat al het geene hun jagt opleevert, bijna geheel ten voordeele van de Keizerin komt. Ieder hoofd des huisgezins is verplicht, om voor hem, en voor elk van zijne kinderen, zelfs voor die geenen welke nog zeer jong zijn, een zeker aantal vellen te leveren, evenredig aan het aandeel van zijne belasting; deeze kan omtrent iets min of meer dan zeven roubels bedraagen, en men heeft mij gezegt, dat de waardeering van dit bontwerk altoos tegen den minst mogelijken prijs geschied. Deeze wijze van betaaling van het hoofdgeld in Kamschatka moet groote inkomsten aan de kroon opleveren, wanneer men alleen in aanmerking neemt de Sabelmarters, welke dit landschap jaarlijks opbrengt, en waar van het getal op meer dan vier duizend begroot word. Ieder Toijon ontfangt de imposten in zijn Ostrog en steld ze vervolgens aan den schatmeester van de kroon ter hand; dog voor af is aan ieder Kamschatter een handschrift gegeeven van het beloop van zijn hoofdgeld, welke ook zorg draagt om met zijn zegel of eenig ander teeken al het bontwerk, dat hij levert, te merken.
Muntspecien.
De gangbaare munten zijn, de gouden Imperiaal, waardig tien roubels, de roubel en de halve roubel; men ziet weinig zilveren muntspecien onder deeze waarde; koperen of papieren munten zijn nog in dit schier-eiland niet doorgedrongen. Zou dit niet een bewijs opleveren, dat de goedkoopste waar tot een halve roubel moet verkogt worden? Men vind hier een groot getal oude zilveren muntspecien geslagen ten tijde van Peter den I, Catharina de I. en van Elisabeth; men zou daar van zelfs een tak van Koophandel kunnen maaken, dewijl het zilver veel zuiverder en van een hooger waarde is dan de gewoone muntspecien.
Bezolding van de Soldaaten
De bezolding der Soldaaten of Kosakken beloopt vijftien roubels in 't jaar; wat de Officieren betreft, die de regeering in zulke afgeleegen landen zend, deeze ontfangen dubbelde jaargelden.
Bestier.
Wanneer de Heer Major Behin te Bolcheretsk het bevel voerde, stond het Schiereiland Kamschatka onmiddelijk onder het algemeen bewind van Irkoutsk; na het vertrek van deezen bevelhebber, dien de Engelschen bij derzelver eerste aanlanding in 1779 bezogten, wierd de Capitein Schmaleff intusschen met dit bevel belast; hij heeft geduurende een jaar deeze magt bezeten, en het genoegen gehad om aan de inwoonders wel te kunnen doen, die voor hem ook zo veel eerbied als erkentenis toonen. De Heer Rénikin volgde hem op in 1780; hij wierd door hooge order teruggeroepen in 1784, en wel om oorzaaken, die ik verplicht ben te zwijgen. Op dit tijdstip, wierd het gebied van Kamschatka met dat van Okotsk vereenigd. Zedert zijn de hoofden en officieren van de verschillende ostrogs, steden of dorpen van dit schier-eiland, aan de bevelen van den Commandant te Okotsk, en aan de uitspraaken der rechtbanken van die stad onderworpen; deeze zijn wederom zelfs ondergeschikt en doen rekening aan den algemeenen landvoogd, te Irkoutsk zijn verblijf houdende. De Officier, die te Bolcheretsk, eertijds de hoofdplaats van Kamschatka, het bevel voerde, is tegenswoordig maar een Sergeant; de geen, dien ik 'er liet, was _Rastarganieff_ genaamt; hij wierd tot deezen post door den Heer Kasloff benoemd.
Ik moet hier nog bijvoegen, dat de bevelhebbers in deeze Ostrogs, zelfs de Officieren van een minderen rang omtrent derzelver meerderen, zich onderling geen verantwoording van hun bestuur schuldig zijn; ook breid ieders gezag zich niet verder uit dan over de inwoonders der plaatzen, die onder hun opzicht zijn; dit zal zeker de Keizerin bewoogen hebben om een _capitan ispravnick_, Capitein inspecteur te benoemen, gelast om ieder jaar alle de dorpen der Kamschatters door te reizen, hunne klagten te hooren, hunne verschillen te onderzoeken, te beoordeelen; hun die het verdienen te doen straffen, in een woord, om de goede order en den vreede onder hun te bewaaren. Ook is het daar en boven zijn zaak om den Koophandel, de jagt, en de vischvangst aan te moedigen, te waaken op de naauwkeurige betaaling der schattingen, toezicht te hebben, dat ieder bijzonder persoon zich van den nodigen voorraad tot zijn voedzel en dat van zijn gezin voorziet, en verder om acht te geeven op de verbetering der bruggen en wegen, die ongelukkig maar zo weinig in getal, als slegt onderhouden zijn. Eindelijk, moet deeze Capitan ispravnick zich in alles bevlijtigen om onder deeze volkeren de zeden en de gebruiken der Russen intevoeren. Deeze gewigtige post wierd in 1784. aan den Heer Baron de Steinheil toevertrouwd, die zijn verblijf te Nijenei nam; andere zaaken hem elders geroepen hebbende, wierd hij bij mijne komst in Kamschatka opgevolgt door den Heer Schmaleff, die als toen, terwijl hij ons vergezelde, het bezoek van zijn departement deed.
Rechtbanken.