Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 6

Chapter 63,780 wordsPublic domain

Omtrent de Bolcheretsksche vrouwen, die zich in onze gezelschappen begaven, en die meestendeels van gemengd bloed of van vader en moeder Russen gebooren waaren, merkte ik op dat derzelver gedaante in het algemeen niet onbevallig was, ik zag 'er zelfs verscheiden, die voor fraaij konden doorgaan; dog de jeugd is bij haar niet van langen duur, het zijn zeker de kinderen, of de moeijelijke arbeid, waar aan ze onderworpen zijn, die haar bijna in den bloei haarer jaaren doen verwelken. Derzelver inborst is vrolijk en van eene scherpzinnige levendigheid, mogelijk een weinig ten koste van de welvoeglijkheid, zij zoeken uit zich zelfs het gezelschap te vermaaken door alles wat haare vrolijkheid en haare spelen haar aan de hand kunnen geeven; zij beminnen den zang en het geluid van haare stemmen is zagt en vrij aangenaam; het zou alleen te wenschen zijn, dat haare musiek minder na den smaak van het land ingericht was, of meer de onze evenaarde. Zij spreeken het Russisch en het Kamschatsch, dog zij behouden alle de uitspraak van de laatste taal. Ik verwachtte niet om hier Poolsche en nog minder om hier contredansen in den Engelschen smaak te zien danssen: wie zou gelooven dat men 'er zelfs een denkbeeld van de menuet had? Het zij, dat mijn verblijf geduurende zes en twintig maanden op zee, mij minder de gebreken deed beschouwen, het zij, dat de herinneringen, welke dit schouwspel mij voor den geest bragt, mijne oogen verbijsterden, ik vond altans dat deeze dansen met vrij veel naauwkeurigheid en meerdere bevalligheid uitgevoerd wierden dan ik mij zou hebben kunnen verbeelden. De danseressen, waar van hier gesproken word, zijn zo trots, dat ze de Kamschatsche zangen & danssen met verontwaardiging beschouwen. Om een einde te maaken van mijne bespiegelingen op deeze danspartijen, zal ik 'er bijvoegen, dat de opschik deezer vrouwen zeer zorgvuldig in acht genomen word, zij kleeden zich met al het bevallige wat zij bezitten of met het geen zij het kostbaarste achten. De kleederen tot deeze danspartijen en plegtigheden geschikt zijn voornaamelijk van zijde, en men heeft op het artikel van den handel kunnen zien, dat deeze kleeding haar zeer veel kost. Ik zal dit verhaal eindigen met eene aanmerking, die ik gelegenheid had te maaken, zo in deeze gezelschappen als in die der Kamschatters, welke ik vervolgens bijwoonde, namelijk, dat het grootste gedeelte der Russische mans, en ook der Inboorlingen, niet jaloersch schijnt; zij sluiten gewillig de oogen omtrent het gedrag hunner vrouwen, en zijn op dit stuk zo handelbaar, als immers weezen kan.

1787. _December_ Te Bolcheretsk.

Feesten & dansen der Kamschatters.

De Kamschatsche gezelschappen en feesten, waar ik mij bevond, bezorgden mij een ander schouwspel, even aartig door deszelfs bijzonderheid. Ik weet niet wat mij meer trof, de zang of de dans; deeze scheen mij veel na die der wilden te gelijken, ze bestaat in op de maat beweegingen te maaken, of veel eer in onaangenaame, en moeielijke draaijingen en wendingen, terwijl zij ter zelfder tijd een schor en gedwongen geluid opheffen, dat gelijk is aan een onafgebrooken hik, om de maat aanteduiden van het lied, het welk het gezelschap zingt, en waar van de woorden meesttijds zonder zin zijn, zelfs in 't Kamschattisch. Ik schreef een deezer liederen op, het welk ik meen hier te moeten plaatzen, ten einde een denkbeeld van den zang en de maat deezer volkeren te geeven.

[Illustratie: _Da-ri-a, Da-ri-a, da, Da-ri-a, ha, nou Da-lat-sché Damatsché, kann-ha, koukha._

Da Capo.]

Het welk betekent,

_Daria_[49], _Daria zing en dans nog eens._

[49] _Daria is een Doopnaam die men aan de meisjes in Rusland geeft._

Dit zelfde lied word tot in het oneindige herhaald.

Zij beijveren zich vooral, om in hunne dansen de verschillende beesten, waar ze jagt opmaken, na te doen, als de patrijzen en anderen, dog voornamelijk den beer; zij vertoonen zijnen lompen en loggen gang, en zijne verschillende gewaarwordingen of de toestanden waarin hij zich bevind, namelijk, de jongen rondom de moeder, het liefdespel der mannetjes met de wijfjes, eindelijk derzelver boosheid, wanneer ze daar in gestoord worden. Deeze volkeren moeten wel eene zeer volkomene kennis van dit dier hebben, zij hebben, het is waar, menigvuldige gelegenheden om hem waar te neemen, en zonder twijffel maaken zij 'er een bijzondere studie van, want ze bootzen alle de beweegingen zo wel na als ik geloof dat maar mogelijk is. Ik vroeg aan Russen, welke die dieren beter kenden dan ik, als zijnde in hunne jagtpartijen meer gewoon met dezelve te doen te hebben, of deeze nagebootste danzen wel uitgevoerd wierden, zij verzekerden mij allen, dat het moeite zou kosten om in het land bekwaamer dansers te vinden, en dat het geschreeuw, de gang, en alle de gestaltens van den beer zo wel nagevolgt waaren, dat men 'er zich in vergissen zou; echter zijn, onder het welneemen van de liefhebbers, deeze dansen na mijn oordeel niet minder vermoeijend voor de aanschouwers als voor de vertooners; men lijdt wezentlijk wanneer men deeze dansers zich ziet ontheupen, alle de leden verstuiken, eindelijk zich uit den adem werken, en dit alles om het groote vermaak, 't welk zij in deeze klugtige dansen genieten, uittedrukken, die, ik herhaal het, zeer de belaggelijke vermaaken der wilden gelijken; in veel opzichten kunnen de Kamschatters in denzelfden rang geplaatst worden.

Beeren jagt.

Na verhaald te hebben, met welke kunst deeze volkeren de gebaarden en alle de beweegingen van den beer nabootzen, dien men eenigermaate hunnen dansmeester kan noemen, zou het nu niet de geschiktste gelegenheid zijn om een denkbeeld van de wijze te geeven, waar op zij op dit dier ter jagt gaan? Zij vallen hem op verschillende manieren aan, somtijds leggen zij hem strikken; onder eenen zwaaren val, in de hoogte opgehouden door eene genoegzaam verheven steigering, plaatzen zij het een of ander lokaas om den beer derwaarts te trekken, deeze heeft het zo dra niet gerooken en gemerkt, of hij gaat voorwaards om het te verslinden; terzelver tijd doet hij het zwakke steunzel van den val waggelen, die hem op den hals valt, en hem voor zijne gulzigheid straft, met hem den kop en somtijds het geheele lighaam te vermorzelen; dusdanig heb ik 'er zedert, wanneer ik door bosschen kwam, in deeze valstrikken zien vangen; dezelve blijven staan tot dat 'er een beer in gevangen is; voor dat dit gebeurt loopt 'er somtijds bijna een jaar voorbij. Men zal zeggen, dat deeze manier van de beeren te vangen geene groote kloekmoedigheid nog veel vermoeijenis van de jagers vereischt, dog 'er is een andere die in dit land veel in gebruik is, en tot welke men ligt begrijpen kan, dat zo veel sterkte als moed vereischt word. Een Kamschatter gaat verzeld of alleen uit om een beer te ontdekken, hij heeft geen wapenen dan alleen zijn snaphaan, een soort van karabijn, waar van de kolf zeer dun is, voorts een lans of spriet en zijn mes. Al zijn voorraad bepaalt zich tot een klein pakje, bevattende een twintigtal gedroogde visschen. In deeze ligte uitrusting dringt hij door het digtste der bosschen en in alle de plaatzen die tot een leger voor dit dier kunnen verstrekken. Gewoonlijk is het in de struiken of in de biezen, aan de oevers der meiren of rivieren, dat zij zich plaatzen, en het dier met standvastigheid en onverzaagtheid afwachten; indien het nodig is zal hij dus een geheele week in hinderlaag blijven leggen, tot dat de beer verschijnt; zo dra hij denzelven onder zijn schot heeft, plaatst hij op den grond een houten vork, die ter ondersteuning van zijn snaphaan dient[50]. Met behulp van deeze vork verkrijgt het oog meerder juistheid in het treffen, en de hand meerder zekerheid: het is zeldzaam, dat hij zelfs met een vrij kleine kogel het beest niet raakt, het zij in den kop, of in de schouders, deszelfs gevoeligste plaats; dog hij moet in het zelfde oogenblik wederom laaden, want zo het eerste schot hem niet ter neer geworpen heeft, loopt het beest aanstonds toe[51] om zich op den jager te werpen, die niet altoos den tijd heeft van een tweede schot te doen; als dan heeft hij toevlucht tot zijn lans, waar mede hij zich in der haast wapent, om zich tegen het verwoed beest, dat hem op zijn beurt aanvalt, te verweeren. Zijn leeven is in gevaar[52], indien hij den beer geen dodelijken steek toebrengt; en men kan begrijpen, dat in deeze gevegten de mensch niet altoos de overwinnaar is, dit schrikt nogtans de bewoonders dezer streeken niet af, om 'er zich bijna dagelijks aan bloot te stellen; zij hebben te vergeefsch de menigvuldige voorbeelden van hunne landgenooten die daar bij omkomen voor oogen; zij kunnen daar en boven nimmer op deeze jagt gaan, zonder te denken dat ze overwinnen of sterven moeten; en nooit schrikt echter het denkbeeld van deeze harde keus hen af, of houd hen tegen[53].

[50] De Kamschatters kunnen zonder zodanig steunpunt niet schieten, het geen ondertusschen zeer langduurige toebereidzelen vordert, en blijkbaar strijdig is met de snelheid, die het grootste voordeel van een jager uitmaakt.

[51] Het gebeurt ook dikwils, dat men hem de vlugt ziet neemen, niettegenstaande zijne kwetsuur die hij in de doornhaagen of moerassen gaat verbergen, het is daar dat, wanneer men het spoor van zijn bloed volgt, men hem dood of stervende wedervind.

[52] Men verzekerde mij, dat de beer wanneer hij zijn aanvaller overwint, hem het vel van het bekkeneel aftrekt, zijn aangezicht 'er mêe bedekt, en dan heen gaat. Volgens het zeggen der Kamschatters, duidt de wraak van dit dier aan, dat hij het gezicht van den mensch niet verdragen kan; dit belaggelijk vooroordeel onderhoud onder hen het denkbeeld van hunne meerdere verhevenheid, en geeft na mijne gedagten reden van derzelver moed.

[53] Zij onderneemen deeze jagt in alle de jaargetijden, uitgezonderd wanneer de sneeuw de velden bedekt; als dan hebben zij een andere manier om den beer te vervolgen. Men weet dat hij zich s'winters in het hol begeeft het geen hij zich geduurende den herfst van takken gemaakt heeft, hij brengt daar den guuren tijd door met slaapen of met zijn poot te likken; het is hier dat de Kamschatters op hunne sleeden hem gaan aanvallen met behulp van hunne honden, die hem bespringen en noodzaaken om op zijn verdediging te denken; hij begeeft zich uit zijne schuilplaats en loopt in een bijna zekeren dood; zo hij weigert er uit te komen, vind hij eveneens den dood onder de puinhoopen van zijn hol.

Jagt.

Zij jaagen bijna op dezelfde wijs de andere gediertens, als de rendieren, de argalis of wilde bokken in het Russisch genaamd _diki-barani_, de vossen, de otters, de bevers, de sabelmarters, de haazen[54] enz., dog nimmer hebben zij dezelfde gevaaren te vreezen; somtijds bedienen zij zich van vallen, van hout of ijzer gemaakt, minder groot dan die ze voor de beeren stellen, en ten opzichte van de eenvoudige zamenstelling, veel gelijkende naar onze wezelvallen; de eenigste voorzorg, die men gebruiken moet, bestaat daar in om ze van tijd tot tijd na te gaan zien. Somtijds gaan ze zich gewapend verschuilen, gelijk ik reeds gezegt heb, en de eenigste zwaarigheid, die ze doortestaan hebben, word veroorzaakt door de langduurigheid van derzelver jagt, wanneer ze geen voorraad van spijs meer hebben. Dikwils onderwerpen ze zich om geduurende verscheide agtereenvolgende dagen honger te lijden, liever dan de plaats te verlaaten, zonder het beest, dat ze vervolgen, gedood en gevangen te hebben; dog zij stellen zich ruim schadeloos voor dit vasten, met op de plaats het gejaagde op te eeten[55] en in blijdschap de vellen te tellen, die zij daar door bekomen.

[54] Men kan bij Cooke de beschrijving deezer dieren vinden.

[55] Zij vinden veel smaak in het vleesch van de beeren, wilde bokken en rendieren, voor al in het laatste, dit heeft ook dikwils mijn voornaamste geregt uitgemaakt.

Om op deeze dieren, die in Kamschatka overvloedig zijn, ter jagt te gaan, kiezen zij de jaargetijden, waar in derzelver hair het schoonste is; in het begin van den winter jaagt men de sabelmarters. Deeze bewoonen gemeenlijk de boomen, men onderscheid ze aan dat gedeelte van 't hair dat het digtst aan het vel is, het geen de couleur en den naam heeft van die boomen, waar op ze zich het meest ophouden, als de berken, mastboom, &c.

De herfst, winter en lente zijn de gunstigste jaargetijden voor de vossen jagt; men onderscheid ze in vierderlei soort als 1. de vos van een witachtig ros, die het minst geacht word, 2. de roode vos of van eene fraaije rosheid, 3. de vos gemengeld met ros, zwart en grijs, die _seva-douschka_ genaamd word, 4. de zwarte vos die het zeldzaamste is en waar van men het meeste werk maakt; deszelfs couleur is zuiver donker zwart, men vind alleen, dat de langste hairen van den rug somtijds aan de uiterstens eene grijsachtige couleur hebben, daar zijn 'er wier waarde niet te schatten is. Eindelijk geloof ik dat men nog twee andere soorten van vossen zou kunnen tellen, dog die men hier daar niet voor houd, en welke wij de blaauwe en witte vos noemen; derzelver naamen zijn in 't Russisch _golouboij_, _pessets_ en _beloij-pessets_, hun hair is veel dikker dan dat van de anderen. In 't algemeen zijn de vossen van het vaste land veel fraaijer dan die in de Eilanden oostwaards gelegen[56] gevangen worden; ze worden oneindig duurder verkogt.

[56] Dit zijn de Aleutiaansche, Schoumaginsche, Vossen en andere Eilanden.

De jagt op de rendieren word in den winter ondernomen, en die der argalis in den herfst. De otters zijn hier ook zeer zeldzaam, dog daar is een redelijk groot aantal hermelijnen, en ik weet niet, waarom men zich de moeite niet geeft, van die te vangen; het schijnt dat men er geen werk van maakt.

Vischvangst.

Deeze volkeren verrichten ook derzelver vischvangst in verschillende jaargetijden, die der salm en forellen geschied in junij, die van den haring in april en maij, en eindelijk, die van den zeewolf in den zomer, de lente en vooral in den herfst.

Zij bedienen zich zeldzaam van een zegen, dog bijna altoos van de gewoone netten[57], of van een soort van harpoen, waar van ze met zeer veel handigheid gebruik maaken; de zegen word zelden uitgeworpen dan om zeewolven te vangen, dezelve zijn van lederen riemen gemaakt, en de maazen zeer groot; zij hebben nog een andere manier van visschen namelijk met de rivier door paalen en takken aftesluiten, welke zeer digt in een gevoegd zijnde aan den visch maar een kleinen doortogt geeven; somtijds laat men 'er verscheide in, aan welkers openingen mandens geplaatst worden, zodanig ingerigt dat de visch 'er eens in zijnde daar niet weder uit kan.

[57] Hunne netten zijn van garen even als de onze, dit koopen zij van de Russen, en vervaardigen het ook zelfs van brandnetels, waar van ze een aanzienlijke verzameling opdoen, zij plukken dezelve in den herfst, binden ze aan bossen, en leggen ze onder hunne balagans te droogen. Zo dra zij hunne vischvangst en de inzameling der vrugten verricht hebben, werken zij aan derzelver bereiding: zij splijten in tweeën, vervolgens haalen zij 'er met de tanden behendig de schel af, het overige word geklopt en geschud, tot dat de vezels schoon en geschikt voor het spinnen worden.

De paarden zijn 'er zeldzaam.

De paarden zijn niet zeer gemeen in Kamschatka, ik zag 'er eenigen te Bolcheretsk, die aan de regeering toebehooren, en die aan de zorg der Cosakken toevertrouwd zijn; ze dienen alleen maar geduurende den zomer tot vervoering der koopwaaren en goederen van de kroon, als mede tot gemak der reizigers.

Honden.

Daar en tegen, zijn de honden overvloedig in dit land, en worden tot alle vervoeringen gebruikt, het nut dat ze den Kamschatteren aanbrengen, maakt deeze minder gevoelig voor het gemis van andere huisdieren. Daar en boven heeft men gezien, dat het voedzel voor deeze loopers nog moeijelijk te verkrijgen nog kostbaar is, met dezelven verrotten of het overschot van gedroogden visch te geeven kunnen hunne meesters volstaan, en dit geeven zij ze nog niet eens, dan geduurende den tijd, dat ze hun van dienst zijn; des zomers, het geen de tijd is, wanneer die dieren niets te verrichten hebben, is het gebruik om zich van een groot gedeelte te ontdoen, aan welke men zelfs de zorg overlaat voor hun bestaan; deeze honden weeten daar zeer wel in te voorzien, met zich door de velden te verspreiden en langs de meïren en de rivieren te zwerven. Derzelver oplettenheid om vervolgens bij hunne meesters wedertekoomen is eene der verwonderlijkste proeven van de getrouwheid deezer dieren; de winter daar zijnde, betaalen zij de vrijheid en de korte rust die zij genoten hebben, zeer duur; hun arbeid begint met hunne slavernij, deeze honden moeten uitermaaten sterk zijn om dien te draagen, hunne grootte is nogtans niet buitengemeen, ze gelijken vrij wel aan de berg of herders honden in Frankrijk. Er zijn geene Russische inwoonders of inboorlingen die niet ten minsten vijf honden bezitten, zij bedienen zich daar van om mede te reizen, om in de bosschen te gaan houthakken, om het zelve even als hunne andere goederen en voorraad te vervoeren; eindelijk, om de reizigers van de eene plaats naar de andere te brengen; en waarlijk, paarden zouden hun van geen meer dienst kunnen zijn. Deeze honden zijn doorgaans twee aan twee voor één sleede gespannen[58], één alleen is aan het hoofd en dient voor leidsman, het is voor dien, welke het beste geleerd is of de meeste kennis bezit, dat deeze eer bewaard is; hij begrijpt wonderlijk wel de uitdrukkingen, met welke de geleider hun weg bestiert; wil hij ze ter regter kant doen gaan, roept hij dezelve toe _tagtag_, _tagtag_, en _kougha_, _kougha_, indien men links moet. De verstandige hond verstaat het aanstonds, en geeft aan de geenen die hem volgen, het voorbeeld van gehoorzaamheid; _ah_, _ah_ doet hen stille staan, en _ha_ doet hen vertrekken. Het getal der voorgespanne honden is evenredig aan den last van de sleede; wanneer die het gewigt van den man welke ze beklimt niet veel te boven gaat, noemt men dit een gewoone sleede of _sannka_[59], het voorspan bestaat als dan in vier of vijf honden. Derzelver tuig[60] is van leer; het gaat onder den hals door, dat is te zeggen, over de borst van deeze dravers, en is aan de sleede door een lederen riem van drie voeten lang gehegt op de wijze van een trek-zeel, men maakt ze daar en boven door koppelbanden aan den halsband, den een aan den anderen vast; meesttijds is die halsband met een beerevel overtrokken, het welk tot cieraad dient.

[58] Zij ondergaan even als de paarden de ontmanning, dog op eene andere manier. Men haald de ballen niet uit, maar men verbrijzeld ze, en men bediend zich hier toe van de tanden; eenige sterven 'er van, anderen worden 'er van verminkt en geraaken buiten staat om dienst te kunnen doen. Echter begrijpt men dat het onmogelijk zou zijn om van deeze honden zo veel gebruik te maaken, indien ze ongesneeden waaren, als dan zou men ze met haar wijfjes niet kunnen aanspannen; dog men snijd al de mannetjes niet; men houd er een zeker getal van tot bewaaring van het ras, en vrij dikwils bediend men er zich van op de jagt.

[59] De sleeden waar op men gewoon is de reisgoederen te laaden worden _narta_ genaamt, voor deeze spant men tien honden.

[60] Deeze Kamschatsche tuigen worden ALAKI genaamt.

Sleeden.

De gedaante der sleeden is als van een langwerpige mand, waar van de twee uiterstens zich boogsgewijs verheffen, deszelfs lengte is omtrent drie voet, en de breedte heeft zelden meer dan één voet; deeze soort van mande, die het lighaam van de sleede uitmaakt is van zeer dun hout, de randen staan wijder uit en zijn vercierd met riemen van verschillende couleuren, een beerevel legt uitgestrekt op de plaats waar de man gaat zitten. Dit verheven gedeelte van de sleede is omtrent drie voeten van den grond af, en draagt op vier stijlen of beenen; deeze wijken na om laag uit, en zijn op twee evenwijdige planken van drie a vier duimen breed vastgemaakt. Die planken zijn van weinig dikte, dog langer dan het lighaam van de slêe; aan deeze dienen ze beide voor steunpunten en tot schaatzen; tot dat einde zijn ze wanneer het dooid elk van onderen van drie a vier plaaten van walvischbeen van dezelfde breedte voorzien en aan deeze schaatzen vastgemaakt met leederen banden. De twee einden, welke deeze planken van vooren vertoonen, zijn na boven omgekromt, en voegen zich aan iedere kant met de dwarsplank, die ter zelfder tijd nederwaarts gaat om een gedeelte van het reisgoed te draagen; het voorste van de sleede is ook voorzien met loshangende leisten, of lederen riemen die van geen het minste gebruik zijn. De geleider heeft niets anders in de hand dan een krommen stok, die hem te gelijker tijd tot een stuur en zweep dient. Aan het eene einde van deezen stok zijn ijzeren ringen vastgemaakt, zo tot cieraad als om de honden aantemoedigen, door het geluid van dit soort van schelletjes, die men van tijd tot tijd schud; het andere eind is somtijds van een ijzeren punt voorzien, ten einde meer kragts op het ijs en de sneeuw te kunnen doen; ze dient ook om den ijver van deeze dieren te bestuuren. Die geenen, welke wel geoeffend zijn, hebben niet nodig de stem te hooren; het is genoeg van met deezen stok op de sneeuw te slaan om ze links te doen gaan, of op de beenen van de slêe om ze ter regter zij te doen afwijken, en om ze te doen stil houden, plaatst men die voorwaarts tusschen de slêe en de sneeuw; eindelijk zo hun loop verflaauwt, zo ze afgetrokken en onoplettend worden, van de teekens, of op de stem, straft men ze met hun dien stok toetewerpen[61], dog dan heeft men de grootste behendigheid nodig om denzelven niettegenstaande den snellen loop, weder opteraapen, en dit is eene der voornaamste blijken van de bekwaamheid des geleiders; de Kamschatters zijn zonderling behendig in deeze oeffening. In 't algemeen was ik over derzelver vlugheid in het rijden met hunne sleeden verwonderd; en daar ik welhaast zo als reeds gezegd is, maar al te veel van dit rijtuig zou moeten gebruik maaken, meende ik daar van dikwijls een proef te moeten neemen, minder met oogmerk van 'er mij aan te gewennen, dan wel om mij zelfs te leeren geleiden. Te vergeefsch stelde men mij de gevaaren voor, waar aan ik mij blootstelde, wanneer ik mij alleen op een slêe wilde waagen, voor en aleer ik genoegzaame hebbelijkheid bezat, om zonder leidsman te kunnen weezen; op mijne jaaren kent men zich tot alles in staat; ik luisterde na geene waarschuwingen.

[61] _Deeze stok word_ OSCHTOL _genaamd_.