Part 5
De bevolking te Bolcheretsk bestaat omtrent in twee a drie honderd persoonen, zo mannen, als vrouwen en kinderen; onder deeze Inwoonders telt men, de Onderofficiers 'er onder begreepen, zestig a zeventig Kosakken of Soldaaten, die met alles belast zijn, wat den dienst betreft[37]; zij betrekken ieder op hun beurt de wagt, maaken de wegen schoon, herstellen de bruggens; ontlaaden den voorraad, die van Okotsk gezonden word, en voeren dien over van den mond der Bolchaïa-reka tot aan Bolcheretsk; de overige inwoonders bestaan alleen uit Kooplieden en Matroozen.
[37] Derzelver betaaling is zo middelmaatig, dat de ontfangst van een geheel jaar niet voldoende zou weezen om hen maar een maand te doen leeven, indien zij niet nog iets genooten van een kleinen sluikhandel, waar van ik straks nader zal spreeken.
Sluikhandel der Cosakken en anderen.
Alle deeze luiden, zo Russen als Kosakken, onder welke Mesticen gevonden worden, drijven een heimelijken handel dan met het eene en dan met het ander; dit verschilt zo menigmaal als de gelegenheid hun het denkbeeld doet gebooren worden om te veranderen, maar het is nooit met vooruitzichten van zich door eerlijke wegen te verrijken; derzelver vlijt bestaat alleen in eene geduurige schelmerij, ze gaat niet verder dan om dagelijks de arme Kamschatters te bedriegen, welker ligtgelovigheid en onverwinlijke neiging tot de dronkenschap hen zonder onderscheid aan de genade van deeze gevaarlijke roovers overgeeven; deeze, op het voorbeeld van onze kwakzalvers en andere gaauwdieven van dat soort, gaan van dorp tot dorp de maar al te onnozele Inboorlingen verstrikken; zij stellen hun voor om hun brandewijn te verkoopen, dien zij listiglijk hun ter proef aanbieden; het is bijna onmogelijk voor een Kamschatter, het zij man of vrouw, om dit aanbod te wederstaan; men begrijpt dat de eerste proef van veele anderen gevolgt word, welhaast worden de hoofden verhit, raaken op hol, en de loosheid der verkoopers weet zich ter zelfder tijd van het overige hunner waar te ontdoen. Naauwljks hebben zij hun oogmerk bereikt met de koopers dronken te maaken, of zij weeten van deezen het kostbaare dat ze bezitten in ruiling te bekomen, namelijk al het bontwerk het geen zij maar hebben, en dikwils is dit de vrugt van hun arbeid geduurende een geheel jaargetij, het welk dienen moest om de schatting aan de kroon te betaalen, of anders door verkoop het bestaan van het huisgezin moest opleveren, dog geene bedenkingen weerhouden een Kamschatter, die aan het drinken is; alles is vergeeten, en niets is hem te dierbaar om zijn lust te voldoen. In deeze redenloosheid laaten deeze ongelukkigen zich in een oogenblik alles ontneemen, en het voorbijgaande vermaak van eenige maaten brandewijn te leegen[38] dompelt hen in de uiterste armoede, zonder dat immer de treurige ondervinding hun leert van in het vervolg op hunne hoede te zijn tegens hunne eige zwakheid, of tegen de behendige trouwloosheid van deeze Kooplieden, die wederom op hun beurt al den winst, die ze door hunne schelmerij verkreegen hebben, verdrinken.
[38] Men weet dat dit de heerschende neiging is bij alle Noordsche volkeren, dog ik heb meer dan eens gelegenheid gehad om optemerken, dat de Kamschatters daar in voor geen ander volk onderdoen; ziet hier onder anderen een trek, dien men mij op de plaats verhaald heeft, om mij te doen oordeelen van de roofzucht dezer zwervende Koopluiden, en van de domme milddadigheid der geenen, die door hun bedrogen worden.
Een Kamschatter had een sabelmarter voor een glas brandewijn afgestaan; brandende van begeerte om nog een ander te drinken, verzoekt hij den kooper om in zijn huis te komen, deeze bedankt en zegt haast te hebben, de drinker doet op nieuw aanzoek en staat een tweeden koop voor, op dit woord laat de ander zich overhaalen. = "Nog een glas voor deeze marter, ze is fraaijer als de eerste. = Neen ik moet mijn overigen brandewijn bewaaren, ik heb beloofd ze op die plaats te verkoopen en ik vertrek. = Nog een oogenblik, ziet daar twee marters. = Dat lijkt 'er niet na. = Wel nu! ik zal 'er de derde bijvoegen. = Kom aan drink". Ter zelver tijd wierden de drie marters opgevat, en de Koopman houd zich op nieuw als of hij gaan wil, zijn hospes verdubbeld zijne vriendelijkheden om hem te houden; hij vraagt een derde glas, bij iedere nieuwe weigering een nieuw aanbod, hoe meer de koopman zijn waar op prijs houd, hoe meer de Kamschatter stout aanbied; wie zou kunnen gelooven, dat hij eindelijk voor dit laatste glas zeven Sabelmarters van de grootste schoonheid opoffert? dit was alles het geen hem nog overbleef.
Koophandel in het algemeen.
Om dit artikel van den Koophandel te eindigen, zal ik er nog bijvoegen, dat die geenen, welke denzelven door het geheele schier-eiland Kamschatka meer in het groot drijven, niet anders zijn, dan de bediendens der Kooplieden van Totma, Vologda, groot Ustiug, en van verscheidene steeden uit Siberien, of wel factooren van andere vermoogende lieden, die tot zoo ver toe hunne uitzichten in den handel uitstrekken.
Alle de Koopmanschappen en levensbehoeftens, welke de noodzaaklijkheid hun verplicht opteslaan, worden 'er uitermaaten duur verkogt, en wel omtrent tien maal boven derzelver vasten prijs te Moscou; voor de _vedro_[39] fransche brandewijn wordt hier tagtig Roubels betaald; de verkoop hier van is aan de Kooplieden geoorloft; dog de Koornbrandewijn die van Okotsk komt, en die welke in het land met _slatkaïa-trava_ of zoet gras word gemaakt, worden voor rekening van de regeering verkogt, tegens een-en veertig Roubels en zes en negentig kopecks het vedro; men kan deeze niet verkoopen dan in de _kabacs_ of herbergen, die daar toe geschikt zijn; te Okotsk kost het vedro brandewijn uit graan gestookt maar agttien roubels; waar uit blijkt, dat de kosten van de overvoering op drie en twintig roubels zes en negentig kopecks kunnen beloopen, het geen zeer buitenspoorig moet voorkomen. Dat men vervolgens hier uit den winst beoordeele.
[39] Het _vedro_ is een maat, die op dertig a veertig pints flessen komt.
De andere ingevoerd wordende waaren[40], namelijk die van Okotsk gezonden worden, bestaan in Nankins en eenige Chineesche stoffen, en in een meenigte zaaken uit de Russische en vreemde fabrieken getrokken, als linten, doeken, koussen, mutzen, schoenen, laarzen en andere artikels die tot de kleeding der Europeesche volkeren gebezigd worden, en die hier, wanneer men de uiterste eenvoudigheid der Kamschatters zo in kleeding als gewoontens in aanmerking neemt, tot overdaad strekken; men voert ook nog in suijker, thée, een weinig coffij en wijn, beschuit, ingemaakte of gedroogde vrugten, als pruimen, rosijnen &c, eindelijk kaarssen, waschkaarssen, buskruid, loot &c.
[40] Boven heb ik verhaald, dat de uitvoer zich alleen tot het bontwerk bepaalde; ze geschied voornamelijk door de handelaars, van welken ik zoo even gewaagde.
De zeldzaamheid van alle deeze goederen in een zo afgelegen land, en de nood-druft, die men 'er aan heeft, of die men 'er zich van maakt, noodzaaken de bewoonders om ze tot die uitermaate hooge prijzen te neemen, welke de schraapzucht des verkoopers aan dezelve hegt; gewoonlijk kan die, zo dra ze aankoomen, dezelve ook kwijt worden; deeze koopluiden houden winkels, zij bewoonen ieder één van die houten huizen, die regt tegen over het wagthuis geplaatst zijn; deeze winkels zijn dagelijks open, uitgenomen de feestdagen.
Leevenswijs der Inwoonders van Bolcheretsk en in het algemeen van de Kamschatters.
De leevenswijs der Inwoonders van Bolcheretsk verschilt niet van de Kamschatters; echter schijnen ze minder lust te hebben om in balagans te woonen, en hunne huizen zijn een weinig zindelijker.
Kleeding.
De kleeding is een en dezelfde; het opperkleed, dat _parque_ genaamd word, heeft de gedaante der overhembden van de voerlieden in Europa, het is doorgaans van vellen van rendieren[41], of van andere beesten, die aan den eenen kant bereid zijn; zij draagen daar onder lange broeken van diergelijk leder, en op 't lighaam een zeer kort en naauw hemd van Nankin, of van Catoen, de vrouwen hebben 'er van zijde, en dit is een zeker soort van weelde onder haar; beide de sexen draagen laarzen, des zomers zijn die van bereide geiten of honden vellen, en des winters van zeewolven vellen of rendieren pooten[42]; de mannen draagen altoos breede gevulde mutsen op het hoofd, in het beste Jaargetij trekken zij een langer hemd aan van nankin, of van een vel zonder hair, dit is gemaakt even als het parque, en dient hun ten zelfden gebruike, dat is te zeggen, dat ze het over de andere kleederen aantrekken; het staatsie en beste kleed, is een parque omzoomd met bevervel en fluweel, of van andere diergelijke kostbaare stof en voering; de vrouwen zijn op dezelfde wijs gekleed als de Russische vrouwen, de kleeding van deeze laatste is genoeg bekend dan dat ik nodig zou hebben die te beschrijven, ik zal maar alleen aanmerken, dat door de groote duurte van alle deeze soorten van stoffen in Kamschatka, het toilet der vrouwen aldaar een aanmerkelijke uitgaaf vordert; somtijds neemen zij ook de kleeding der mannen aan.
[41] Zij bekomen deeze kleederen van rendieren vellen uit het land der Koriaken.
[42] Deeze laarzen worden in de Kamschatsche taal genaamd, _tor-bassi_.
Voedzel.
Het voornaamste voedzel van deeze volkeren bestaat, gelijk ik reeds gezegt heb, in gedroogden visch; de mannen verzamelen zelfs den voorraad van deeze hoofd-spijs, terwijl de vrouwen zich bezig houden met het verrichten van het huishoudelijke, en het verzamelen der vrugten en andere gewassen, die, na den gedroogden visch, de begunstigdste geregten van de Kamschatters en Russen in deeze streeken zijn; wanneer de vrouwen deeze inzameling voor den winter-voorraad gaan doen, zijn dit voor haar zo veele feestdagen, ze vieren die met eene luidruchtige en ongebondene vervoering van vreugde, die somtijds gelegenheid geeven tot klugtige en meest altoos onbetamelijke voorvallen; zij verspreiden zich in menigte al zingende door de velden, en geeven zich over aan alle de dwaasheden, die de verbeelding haar ingeeft, nog vrees, nog schaamte wederhoud haar. Ik kan deeze buitenspoorige uitzinnigheid niet beter afschilderen, dan met ze te vergelijken bij de raazende heidensche bacchanten; wee den man, die bij toeval derwaards komt en als dan in haare handen valt! hoe kloek en fluks hij ook zijn mag, is het hem echter onmogelijk om zich aan het lot dat hem bedreigt te onttrekken, het is zeldzaam, dat hij uit het gevecht komt zonder een goede kastijding met roeden ondergaan te hebben.
Wat de spijzen betreft, zie hier ten naasten bij hoe de Kamschatters ze toebereiden, men zal uit dit verhaal kunnen oordeelen, dat men hen niet kan verdenken van zeer lekker te zijn; ze weeten voor al, zich alles van den visch te nutte te maaken. Zo dra ze gevangen is[43] haalen ze de kieuwen uit, die ze met het grootste vermaak uitzuigen. Door eene andere zuivering, uit zinnelijkheid of gulzigheid ontstaande, snijden ze 'er dadelijk ook eenige geheel bloedende, en somtijds geheel bevrozene stukken af, welke zij met greetigheid opslokken, vervolgens gaat men voort met den visch te snijden, waarvan de graaten voor de honden geschikt zijn; het overschot word bewaard en voor den winter gedroogt, als dan eet men ze gekookt, gebraaden, geroostert, en meesttijds geheel raauw.
[43] Ik zal in meer bijzonderheden over derzelver vischvangst treden, wanneer ik van hunne manier van jaagen zal spreeken.
Dog het geregt, dat de hoofsche kenners het meeste beminnen, en dat mij het walgelijkste toegescheenen heeft, is een zoort van salm genaamt _tchaonitcha_; zo dra zij ze gevangen hebben, begraven ze die in een kuil, zij laaten ze in deeze vreemde eetens-kas leggen, tot dat ze wel tijd gehad heeft om te verzuuren, of om juister te spreeken, geheel te verrotten; het is maar alleen op dat punt van bederf, dat ze de gunst verkrijgt om tot de grootste lekkernij van dit volk te dienen. Na 't mij voorkomt, is de bedorve lucht, die deeze visch van zich afgeeft, genoegzaam om den uitgehongerden mensch aftetschrikken, en nogtans vergast zich een Kamschatter met deezen verrotten visch geheel raauw op te eeten; wat acht hij zich boven al gelukkig, wanneer hij den kop heeft, dit is het uitsteekendste beetje, men snijd het in verscheide stukken. Ik heb dikwils mijn afkeer zoeken te overwinnen, om van dit zo gezogte geregt even te proeven, dan nimmer kon ik 'er toe besluiten, om het in den mond te neemen, en zelfs niet om het maar aan den mond te brengen; iedere reis veroorzaakte de stinkende lucht, die het van verre verspreidde, mij walgingen, en eenen onweerstaanbaaren tegenzin.
Forellen en Salmen van verschillende soorten zijn de gemeenste visschen in Kamschatka, men eet 'er ook zeewolven, en het vet van deezen visch is zeer goed bevonden; men bedient 'er zich van tot het maaken van olie om te branden.
Onder de verschillende gewassen, die mede tot het voedzel der Kamschatters in aanmerking komen, maaken zij voornamelijk gebruik van de saranawortel, wilden knoflook, slatkaïa-trava of zoet gras, en van eenige planten en andere vrugten die ten naasten bij dezelfde zijn als in Rusland.
De saranawortel is bij de Kruidkenners bekend[44], deszelfs gedaante, dikte en couleur zijn in 't breede beschreeven in de derde reize van Cook, deeze meel-achtige wortel dient in plaats van brood[45], men laat dien droogen voor dat men ze kookt, dog op welke manier men die ook toebereid, is ze altoos zeer gezond en zeer voedzaam.
[44] Onder deeze benaaming: LILIUM FLORE ATRO RUBENTE.
[45] De Kosakken gebruiken daarenboven nog roggemeel, ze maaken daar van zwart brood gelijk aan dat der Russische boeren; de regeering geeft hun eene zekere hoeveelheid van dat meel, dog zulks is altoos onvoldoende, en zij zijn genoodzaakt om 'er zich op hunne eige kosten van te voorzien; sommigen koopen dit op, om vervolgens op den voorkoop te winnen.
Dranken.
Van den wilden Knoflook[46] maakt men een soort van zuuren en gegisten drank, die een zeer kwaaden smaak heeft, het word ook nog in verscheide sausen gebruikt; deeze volkeren houden daar zeer veel van.
[46] Men noemt die in Kamschatka _tscheremtscha_. Gmelin benoemt ze dus: ALLIUM FOLIIS RADICALIBUS PETIOLATIS, FLORIBUS UMBELLATIS, _Vol. I. p. 49._
De slatkaïa-trava of zoet gras is vrij aangenaam, wanneer het versch is. De Engelschen hebben ook veele bijzonderheden van deeze plant opgegeeven[47] waar van de inboorlingen des lands veel werk maaken, vooral wanneer het overgehaald is. Weinig tijds na dat ze geplukt is splijten zij dezelve door midden, en schrapen ze met een schelp af, ten einde 'er de schil aftehaalen, zij laaten ze vervolgens voor den winter droogen, en wanneer zij er zich van in derzelver ragouts willen bedienen, doen zij ze kooken. De slatkaïa-trava of dit zoet gras wordt ook gebruikt om brandewijn van te maaken[48] en in het land verkogt zo als ik boven gezegt heb, voor rekening van de regeering, die deeze plant van de Kamschatters koopt.
[47] SPONDILIUM FOLIOLIS PINNATIFIDIS. Ziet Linnaeus. Het sap het welk uit het vlies of schil van deeze plant komt, is zo kwaadaartig, dat men 'er met de hand niet kan aanraaken of deeze zwelt terstond op, ook is men zeer zorgvuldig om handschoenen aantetrekken, wanneer men ze plukt.
[48] Deeze brandewijn veroorzaakt nog veeleer dronkenschap als de Fransche, wie er van drinkt, kan verzekert zijn van des nagts zeer verhit te weezen, en den volgenden morgen naargeestig en ongerust, even of hij iets kwaads verrigt had.
Inwoonders van Kamschatka.
Men telt drie soorten van inwoonders, de inboorlingen of Kamschatters, de Russen en Kosakken, en de Mesticen of de bijzondere persoonen, welke uit de vermenging van deeze twee geslagten gebooren zijn.
Inboorlingen.
De Inboorlingen, dat is te zeggen, die geenen, wier bloed niet vermengt is, zijn weinig in getal; de Kinderziekte heeft 'er wel drie vierde van weggenoomen, en het overschot is in de dorpen van het schier-eiland verspreid, dog in Bolcheretsk zou men werk hebben om 'er één of twee te vinden.
De eigentlijke Kamschatters zijn in het algemeen kleinder dan eene gewoone lengte, zij zijn van eene dikke en breede gedaante, kleine en diep ingezonken oogen, hangende uitsteekende wangen, een platten neus, zwarte hairen, bijna geen baard, en een weinig bruin van couleur; die van de meeste der vrouwen en derzelver gelaatstrekken, zijn ten naasten bij het zelfde; men zal ze dus na deeze afbeelding voor geene verleidelijke voorwerpen beschouwen.
De aart der Kamschatters is zagt en herbergzaam, zij zijn nog bedriegers nog dieven, zij bezitten zelfs zo weinig geslepenheid, dat 'er niets gemaklijker is dan om ze te bedriegen, wanneer men, gelijk gezegt is, van hunne neiging tot de dronkenschap weet gebruik te maaken; zij leeven onder zich zelfs in de beste eensgezindheid; het schijnt dat ze, naar maate van derzelver klein getal, des te meer aan elkander verkleeft zijn, deeze vereeniging doet hun zich onderling de hand bieden in het verrichten van den arbeid, en het is geen gering blijk van derzelver ijver, dat zij zich daartoe verpligten, indien men derzelver natuurlijke luiheid, die uitermaaten groot is, in aanmerking neemt. Een werkzaam leeven zou hun onverdraaglijk zijn: en het hoogste geluk in hunne oogen bestaat, na dat van zich dronken te drinken, in niets te doen te hebben, en te leeven in eene zagte zorgeloosheid; ze is zodanig bij dit volk ingeworteld, dat ze hen de middelen, om in de noodzaaklijkste behoeftens van het leven te voorzien, doet verwaarloozen. Men heeft des winters meer dan eens huisgezinnen tot de vreesselijke uiterstens van hongersnood gebragt gezien, om dat ze zich de moeite niet hadden willen geeven van geduurende den zomer derzelver voorraad van visch gereed te maaken, die nogtans voor hun het noodzakelijkste voedzel is. Indien ze dus hun eigen bestaan vergeeten, begrijpt men ligtelijk, dat ze nog minder zorg voor de zindelijkheid hebben, deeze bespeurt men nog aan hun, nog in hunne wooningen, men zou hun veel eer kunnen verwijten, dat ze daar omtrent in een tegengesteld uiterste vielen. Niettegenstaande deeze zorgeloosheid en de andere gebreken der inboorlingen, is het echter te betreuren, dat hun getal niet aanmerkelijker is, want volgens het geen ik gezien heb, en het welk mij door verscheide persoonen bevestigt is, moet men, om verzeekert te zijn van in dit land gevoelens van eer en menschlievendheid aantetreffen, dezelve bij de eigentlijke Kamschatters zoeken. Zij hebben derzelver boersche deugden nog niet tegen de gepolijste ondeugden verwisseld, welke de Europeanen, die geschikt waren om hen te beschaaven, tot hen overgebragt hebben.
Aanmerkingen over de zeden der Inwooners van Bolcheretsk.
Dog het is te Bolcheretsk, alwaar ik de uitwerkzelen van dien invloed ben ontwaar geworden. Ik heb daar eeniger maate het spoor der Europëesche zeden aangetroffen, minder evenwel in de vermenging der geslagten, taal en de gelijkvormigheid der gelaatstrekken van de Inwoonders, dan wel in derzelver geneigtheden en manier van bestaan, die juist niet altoos een grooten trap van deugdzaamheid aanduiden; dit aanmerkelijk onderscheid tusschen hen en de Inboorlingen komt alleen, na mijn inzien, van de moeilijke leiding tot de beschaaftheid; en ziet hier, waar op ik mijne gedagten omtrent dit onderwerp gronde.
Bolcheretsk was sedert korten tijd de hoofdplaats van Kamschatka, voor al zedert dat de Commandanten het nodig geoordeeld hebben van aldaar hun verblijf te vestigen. Deeze hoofden en derzelver gevolg bragten de Europeesche wetenschappen en zeden derwaarts; men weet, dat die doorgaans bij overlevering vervalscht worden, naar gelang dezelve meer en meer van haaren oorsprong verwijderen; het is nogtans waarschijnlijk, dat de Russische regeering zo veel mogelijk haar gezag en de uitvoering haarer beveelen, niet anders toevertrouwde, dan aan Officieren van bekende verdiensten, bij aldien ik ten minsten mag oordeelen uit die geenen, welke daar mede tegenswoordig belast zijn; en dienvolgens moet men gelooven, dat deeze bevelhebbers en andere officieren in de plaats van hun verblijf geen andere voorbeelden gaven dan van deugd, kundigheid en alle de achtingswaardige hoedanigheden der beschaafde volkeren. Ongelukkig waaren de gegeven lessen niet altoos voldoende, dat is te zeggen, dat ze niet al dat nut voortbragten, het geen men 'er van wagten kon, 't zij, dat ze niet anders dan bij gevolgtrekking werkten en derhalven niet genoeg de zinnen aandeeden, of liever dat ze zich niet in haare volkomenheid konden verspreiden, en daar door alleen in de gemoederen voorbijgaande of zelfs gebrekkige indrukzelen overlieten.
1787. _November_ & _December_ Te Bolcheretsk.
Deeze hervormers vonden denzelfden ijver niet in de Kosakken, die de bezettingen uitmaaken, nog in de Kooplieden en andere Russische emigranten, die zich in dit schier-eiland neergezet hebben. De neiging tot ongebondenheid en de zucht tot winst, welke bijna altoos in een overwonnen land door de volkplantingen der overwinnaars overgebragt word, dusdanige gesteltheden, verder ontwikkelt door de gemaklijkheid van luiden te vinden die bedrogen kunnen worden, moesten noodwendig den voortgang der hervorming stremmen. De rampzalige kiemen van deeze geneigtheden breidden zich te spoediger uit door de huwelijken, terwijl de zaaden der gezellige deugden, welke men getragt had aldaar aan te kweeken, ter naauwer nood vruchten voortbragten.
Hier uit is voortgesprooten, dat de inboorlingen, of eigentlijke Kamschatters, vrij algemeen hunne onweetende eenvoudigheid en de ruwheid hunner zeden bewaart hebben, en dat een gedeelte der andere Russische en vermengde inwoonders, die zich bij voorkeur in het verblijf der hoofden geplaatst hebben, wel eene flaauwe schemering van de Europëesche zeden hebben behouden, dog niet het volmaaktste het geen deeze kunnen opleveren. Men heeft 'er het bewijs reeds van gezien in het geen ik van hunne grondbeginzels in den Koophandel gezegt heb, en ik ben in de gelegenheid geweest van 'er nog beter van overtuigd te worden, geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk, door eene meer aanhoudende bespiegeling van deszelfs inwoonders die, zonder dit bekleedzel, bijna geheel aan de Inboorlingen zouden gelijken.
Danspartijen, gegeeven aan de Vrouwen te Bolcheretsk, en aanmerkingen geduurende deeze Bals gemaakt.
De Heer Kasloff, en op zijn voorbeeld, alle de geenen die hem vergezelden, gaven beurtelings aan de vrouwen van dit Ostrog verscheide feesten of danspartijen; zij verscheenen 'er allen, telkens met zo veel lust als genoegen. Ik had gelegenheid om te zien dat men mij niet bedrogen had, wanneer men mij verzekerde, dat alle deeze vrouwen, de Kamschatsche zo wel als de Russische, de vermaaken beminnen, zij zijn 'er zo verzot op, dat ze zulks niet kunnen verbergen. De dogters zijn alle verbaazend vroeg huwbaar, en de koude luchtsgesteldheid schijnt geen invloed op haar te hebben.