Part 29
Dog van alle zijne verplichtende aanbiedingen was mij geene aangenaamer, dan dat hij mij de gelegenheid verschafte om dien zelven avond met de Heer Billings te eeten. Ik was zeer verlangend om hem te leeren kennen, en ik wachtte met ongeduld het oogenblik van onze zamenkomst af; ons beider beroep van reiziger gaf al aanstonds tusschen ons zekere vereeniging, men zou gezegt hebben dat onze vriendschap reeds jaaren bestaan had; echter waaren wij beiden zeer omzichtig, van de gesprekken verwijderende al wat maar eenigzints betrekking kon hebben tot de onderwerpen van onze wederzijdsche zending; ik bewonderde daar in de snedigheid en de voorzigtigheid van den Heer Billings: geduurende mijn verblijf alhier, nam ik eens het middagmaal bij hem; des morgens en des avonds begaven wij ons beiden bij de Heer Marklofski[203], en nimmer ontsnapte hem in onze redeneeringen eene onbescheide vraag.
[203] Deeze bevelhebber moest dien post blijven bekleeden tot op de aankomst van den Heer Kasloff.
Het jammerde hem zeer dat hij op zijnen togt onze fregatten niet ontmoet had; hij zou zijn geluk en roem gesteld hebben in het vervullen van de edelmoedige oogmerken zijner Souvereine, met aan den Heer Graaf de la Pérouse al dien onderstand en hulp te verschaffen, die hij zou hebben kunnen toebrengen; dit was eene schuld, zeide hij, van welke hij zich wilde, en ook niet anders kon kwijten dan in mijn persoon; en waarlijk, er zijn geene diensten uittedenken, die hij niet tragtte mij te bewijzen.
Het paardrijden mij zeer vermoeid hebbende, raadde men mij de Lena tot aan Irkoutsk optevaaren; zulks geviel mij zeer, dewijl mij daar door rust belooft wierd, en de vertraging die het mij veroorzaakte, op het hoogst vier of vijf dagen zou beloopen. Zo dra ik mijn besluit genomen had, diende de Heer Billings mij van zijnen goeden raad en zorgde voor de keus en de verkrijging van een schuit; van mijne tent deed hij twee zeilen maaken, gaf mij een zijner Soldaaten, die bekwaam voor Stuurman was, en verschafte mij in een woord al dat geene wat hij tot mijne overtogt noodig oordeelde.
Beschrijving van de Stad en de Haven van Yakoutsk.
De vijf dagen die ik te Yakoutsk doorbragt, wierden tot de toebereidzelen voor mijn vertrek besteed: ik had echter tijds genoeg om optemerken, dat deeze stad de fraaijste en de meest bevolkte was van alle die geenen, welken ik tot nog toe, in de verbaazende uitgestrektheid lands dat ik doorkruist had, had gezien.
Zij is aan de westzijde van de Lena gebouwd; de huizen zijn van hout, dog ruim en gemaklijk, dat van den Commandant staat vlak tegens de haven over; de meeste kerken zijn van steen. Een arm van de rivier[204], die voorwaards loopt, terwijl ze een bogt tot aan de muuren van de stad beschrijft, vormt dat geen het welk men de haven noemt, die bij laag water droog loopt; de vaartuigen, door den Koophandel herwaards gebragt, zijn niet anders dan barken; het grootste gedeelte derzelver dient tot overvoering van de levensbehoeftens, als zout en meel door de regeering derwaards gezonden; de Kooplieden huuren of koopen van die vaartuigen, tot overvoering van derzelver koopmanschappen, welke vaartuigen men uit den omtrek van den oorsprong van de Lena bekomt, alwaar dezelve gebouwt worden.
[204] Deeze rivier doorloopt Siberien bijna in deszelfs geheele breedte, van het noord-oosten naar het zuid-westen, en ontlast zich vervolgens in de Yszee.
Inwoonders.
De Yakouters komen niet in de Stad dan tot verrichting hunner zaaken; over het algemeen is dezelve niet dan door Russen bewoond. In de gewoontens en gebruiken word men de uitwerkzels der beschaafdheid gewaar; de inrichting van de gezelschappen, de vrolijkheid die daar in heerscht, alles werkt met de belangens van den handel zamen, om onder de inwooners die werkzaame onderlinge verstandhouding te onderhouden, dewelke de bron der rijkdommen en de aangenaamheid des leevens uitmaakt[205].
[205] Ik spreek niet van het bestier, dewijl het op den zelfden voet als dat van Okotsk ingericht is.
Den 5. tot den 9.
Vertrek van Yakoutsk en vaart op de Lena.
Na dat ik mij op nieuw van leevensmiddelen voorzien had, vertrok ik des morgens ten een uur van Yakoutsk; reeds kondigde de schemering de opkomende dageraad aan (het is bekend dat men des zomers op de hoogste breedtens, den overgang tusschen nagt en dag geduurende meer dan eene week, naauwelijks bemerkt), zo dat men reeds duidelijk de zandbanken kon onderscheiden, waarmeede den oever tot aan de eerste post bezoomt is; dewijl wij die niet altoos vermijden konden, verzogten mijne geleiders, of de menschen die mijn vaartuig voorttrokken, ons ieder oogenblik, van ons even als zij te water te begeeven, om over die ondieptens te geraaken; het gebeurde ook dikwijls, niettegenstaande de ontzagchelijke breedte van de rivier, dat wij beslooten naar de overzijde te roeijen, in de hoop van daar eene gemaklijker doortogt te zullen vinden; dog dan dreef de geweldige stroom ons een halve werst min of meer agterwaards; groote ysschotzen vertoonden zich nog langs de oevers; men verzekerde mij dat 'er diergelijken het geheele jaar door te zien waaren.
Ik zal dag voor dag hier geen verslag van mijne vaart ter nederstellen; de aanmerkingen welke ze mij verschaft heeft zijn van te weinig belang, om den leezer met de verveelende eenvormigheid der dagelijksche kleinigheden bezig te houden.
Posthuizen en plaatzen waar men andere persoonen bekomt; welke lieden tot deezen dienst gebruikt worden.
De postroutes zijn afgedeeld; deeze beloopen dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, en zelfs tagtig wersten[206]. Dat men daar uit de straf der ongelukkigen beoordeele, die tot den dienst van de post veroordeeld zijn, namelijk, om de vaartuigen van de eene wisselplaats tot de andere te trekken; deeze schrikkelijke heerendienst, maakt de straf van de gebannene en kwaad doenders, in eene tusschenruimte van bijna twaalfhonderd wersten uit. Zij deelen deezen arbeid met de paarden; dog wanneer de schuit aan den grond raakt, of dat het voorttrekken belemmeringen ondergaat, moet de mensch de plaats van het beest vervangen, en het is in de moeijelijkste oorden dat deszelfs arbeid te pas komt; de eenigste verkwikking welke deeze boeven voor dien schrik verwekkenden arbeid genieten, bepaald zich tot eenige maaten meel, die de regeering hen toelegt; de Yakoutsche Prinsen uit de omgelegen streeken zijn ook verplicht van in derzelver onderhoud te voorzien, en ingeval van noodzaaklijkheid, hen manschappen en paarden te leenen.
[206] De kosten zijn daarom niet hooger, voor één man betaald men zo veel als voor één paard.
1788. _Julij_ van den 5. tot den 14. Vaart op de Lena.
Veelen van deeze ellendelingen zijn getrouwd; zij bewoonen met hun gezin half gesloopte isbas, die hier en daar langs den regter oever verspreid zijn; de regen noodzaakte mij op zekeren dag, om een schuilplaats in eene deezer wooningen te zoeken; ik verkoos die welke de meeste vertooning maakte; wanneer ik daar binnen trad, meende ik door de bedorve lucht die men 'er inademt te bezwijmen, en ik weet geene woorden te vinden, om het afschuwelijk tafereel der ellende welke mijn oog trof, te schetsen; wel verre van in dit huis eene veilige plaats gevonden te hebben, zag ik mij na verloop van een quartier uurs geheel overstroomt; het water viel stroomsgewijs van alle de hoeken van het dak, en ik verkoos wederom liever in mijn vaartuig te gaan.
De vischvangst en de jagt verschaffen voorts aan deeze bannelingen, die al de snoodheid van hunnen imborst bewaard hebben, bezigheid; ze worden alleen door het belang of de vrees bestierd. Op de nadering van een schuit beproeven ze altoos om zich door de vlucht aan den moeijelijken arbeid te onttrekken, waar aan zij door het gezag onderworpen zijn; meer dan eens hebben zij mij dien trek gespeeld; ik kwam aan eene wisselplaats: van de vijf of zes mannen die zich altoos, ten dienste van de reizigers gereed moeten houden, was 'er geen een te vinden; ze waaren allen naar de bosschen gevlucht, en mijne geleiders van de voorige wisselplaats[207], zagen zich genoodzaakt van ook nog deeze postweg afteleggen. Ik stelde deeze ongelukkigen des te gewilliger schadeloos, dewijl ik menigmaal, wanneer ik hen afdankte, derzelver beenen geheel bebloed zag.
[207] Zij gebruikten de voorzorg, wanneer ze van hunne wisselplaats vertrokken, om aan mijn schuit een kleine praauw vasttemaaken, waarin ze naar hunne woonplaatzen te rug keerden, laatende zich met de stroom van de rivier afdrijven.
Eens, stelden zij mij op een morgen geheel te leur: een postschuit de rivier afkomende, kwam ons digt voorbij; Golikoff waakte op zijn beurt; mijne doortrapte fielten verzogten hem verlof om met hunne makkers te verwisselen, zij wisten hem zo wel te beduiden dat dit in ons voordeel was, dat hij er in toestemde; begeerig om mij ons geluk meedetedeelen maakte hij mij wakker, dog het was om mij te vertoonen, dat onze gaauwdieven op de loop gingen, in plaats van zich naar de schuit te begeeven die agter ons heen dreef. Op dit gezicht kan men zich de verlegenheid van Golikoff voorstellen; hij wist niet hoe hij zich voor mij verschoonen zou, want wij moesten besluiten om onze schuit tot aan de volgende wisselplaats voorttetrekken; gelukkig waaren wij 'er niet ver meer van verwijderd; de menschen die de postschuit derwaards gebragt hadden bevonden zich daar nog; mijne twee soldaaten hadden hen spoedig overgehaald om ons voort te trekken. Ik geloof zelfs dat ik derzelver goede wil aan de onbeschofte bevelen van Golikoff verschuldigt was; onze ontmoeting had hem zo misnoegd gemaakt, dat ik geen mogelijkheid meer zag, om hem met gemaatigdheid te werk te doen gaan; "Gij weet niet, zeide hij tot mij, hoe men deeze Schelmen bestieren moet; 'er is geen ander middel dan de stok: ik moest u maar navolgen, dan zagen wij ons op iedere post aan beledigingen blootgesteld, of in dezelfde ongelegenheid die wij zo even komen te ondergaan".
van den 14. tot den 29. Vaart op de Lena.
de Stad Olekma.
Wij kwamen echter zonder verdere onaangenaamheden te Olekma[208]; deeze stad, de eerste zedert Yakoutsk, is van daar zeven of agt honderd wersten verwijderd, hoe zeer de post maar op zes honderd berekend word; ze legt aan de uitwatering van de rivier die deszelfs naam voert, is niet groot, vrij slegt bebouwd en leverd geene bijzonderheden op. Ik verbleef daar maar twee uuren.
[208] men noemd ze ook _Olekminsk_.
Ontmoeting van een Toungousser.
Eenige wersten van daar naderde mij een kleine praauw; één man bestierde dezelve alleen, hij bood mij berkenschors aan, die hij in de nabuurige bosschen had afgeplukt; mijne soldaaten verzogten mij dadelijk dat ik daar van koopen zou, om ons vaartuig mêe te overdekken; mijn koopman was een Toungousser, hij behoorde tot een huisgezin het welk zich op den linker oever neergezet had[209]. Ik verzuimde deeze schoone gelegenheid niet om dit volk van nader bij te leeren kennen; ik liet dan mijn schuit aan den regter oever vast maaken, en ging alleen van Golikoff verzeld, in het schuitje van den Toungousser over, die even zo vergenoegd was als ik, over het bezoek dat ik bij zijne naastbestaanden ging afleggen.
[209] Hij verhaalde mij dat de boorden van de Léna aan dien kant, door verschillende horden van zijne landsgenooten bewoond waaren. Ik moet hier bijvoegen, dat de Toungoussen en de Lamouten als een en dezelfde natie kunnen beschouwd worden.
Toungoussche praauwen.
Al aanstond trok de gedaante en de ligtheid hunner praauwen mijne aandagt; zeer afgerond vertoonen ze weinig oppervlakte, het geen ze aan omslaan onderhevig maakt; het beloop van het schuitje is van latwerk, de boorden zijn van genaaide en geteerde berken schors, en de twee einden worden langzamerhand naauwer en eindigen puntig; men houd de riem in het midden, om zich beurtelings van de twee schoppen te bedienen die aan deszelfs einde vastgehegt zijn.
Vriendelijk onthaal eener Toungousse horde.
De vreugd van deeze Toungoussers in mij te zien was zeer uitbundig; ter gelijker tijd omringd, vergast, geliefkoosd, wist ik niet hoe ik aan alle hunne vriendschaps betuigingen zou beantwoorden. Een jong rendier wierd gedood en aan mijne voeten neergelegd; wanneer ze mij dit geschenk aanbooden, jammerde het deeze goede menschen, dat derzelver armoede hun van de middelen en het vermaak beroofde om mij van meer nut te kunnen weezen. Ik was zelfs niet in staat om veel giften te doen, en mijne erkentenis bestond alleen daarin, dat ik hun eenige van mijne kleederen agterliet.
Wooningen, gelaatstrekken, Godsdienst, rijkdommen en gewoontens der Toungoussen.
Daar zij even als de Koriaken rondzwerven, hebben zij ook ten naasten bij dezelfde leevenswijze; derzelver yourtes zijn niet zo groot, en met berkenschors bedekt; dit maakt het eenigste onderscheid uit; ieder geslacht heeft het zijne; de voornaamste verciering van binnen bestaat in een kleine houten afgod, hebbende een wanschapen hoofd en eene menschelijke gedaante; Zij omhangen het zelve met hunne kleederen, waar bij ze tot meerdere opschik een groot getal ringen, schellen, en andere stukken van metaal voegen; Ziet daar hun heiligen Nicolaas, welke naam zij hem, bij zinspeeling op den beschermheilige der Russen, geeven.
Bij mijn doortogt te Yamsk, heb ik de kleeding der Toungoussen beschreeven; nu blijft mij nog overig van derzelver gelaatstrekken, zeden en manier van reizen te spreeken.
Ze zijn kleinder dan de Yakouters, en hebben even als de Kamschatters in een getrokken oogen, een platte neus, en een breed aangezicht; ze zijn niet minder gastvrij, derzelver hoofdcaracter schijnt de zagtmoedigheid en de openhartigheid te weezen. In zaaken van den Godsdienst, bezitten zij de domme ligtgeloovigheid der Koriaken, dewijl zij alle de dwaasheden der afgoderij voor geloofswaarheden aanneemen, de Chamans zijn insgelijks de voorwerpen van hun vertrouwen en eerbied; overal heerschen deeze bedriegers, door het verspreiden van schrik en verbaastheid.
Na de jagt en de vischvangst[210], welken deeze geslachten geduurende die jaargetijden, tot een meerder vast verblijf noodzaaken, geeft hen niets meer weezentlijker bezigheid, dan derzelver rendieren; deeze dieren maaken al hun rijkdom uit, en betaalen met woeker alle de zorgen die zij daar aan besteeden; niet alleen verstrekken deeze dieren tot voedzel en kleeding van dit volk[211], dog daarenboven laaten zij zich, gedwee onder de hand die ze bestiert, door derzelver meesters, zo vrouwen als mannen beklimmen, en voeren hun met een snellen tred overal, waar derzelver grilligheid hen roept[212]. In plaats van de rendieren voor een slêe te spannen, zo als de Tchouktchis en de Koriaken gewoon zijn, leert men die onder de man loopen, en aan de beweegingen van een toom aan derzelver hoornen vastgestrikt, gehoorzaamen; het zaal is even als de onzen opgetooid en van dezelfde grootte, dog zonder stijgbeugels; eene zeer zwakke buikriem houd het vast, en de ruiter die waggelt, heeft geen ander hulpmiddel dan een lange stok waar meede hij het beest kastijd; men begrijpt dat deeze oeffening veel hebbelijkheids vereischt; het reisgoed word in kleine mandjes beslooten, die met rendieren vellen bedekt en aan het zadel vastgemaakt zijn; deeze hangen aan iedere kant op de zij van het beest; wanneer zij stil houden, worden deeze geladene goederen op eene geregelde wijze rondom de yourtes geplaatst.
[210] De overvloedigste vangst in deeze rivier, is die van de Steur of STERLED; van de eijeren dezer visch maakt de Toungoussche vindingrijkheid de caviaar.
[211] Door een tegengesteld gebruik als dat der Koriaken, verzuimen deeze Toungoussen nooit om de wijfjes van hunne rendieren te melken; die melk, welken zij mij lieten proeven, is zeer dik.
[212] Hunne reizen strekken zich tot aan de grenzen van Tartarijen en China uit.
Het dorp Pélodoni; boeren die met de postroute belast zijn.
Mijne scheepvaart wierd eindelijk minder onaangenaam, en wel zo dra ik Pélodoni bereikt had; dit is een groot dorp welkers inwoonders Russen en afstammelingen van de eerste landbouwers van Siberien, genaamd _Starogili_, zijn; daar wierd ik van die gevaarlijke bannelingen verlost; ik had vervolgens geene andere geleiders dan braave boeren, die mij even zo veel ievers als beleeftheid betoonden; de wooningen waaren niet zo ver van elkander verwijderd, en beloofden des noodig ten minsten eenige hulp. In ieder deezer dorpen bevinden zich zes menschen, geschikt voor den dienst van de post: geen het minste voorrecht steld hun voor derzelver moeite schadeloos; even als alle de Russische boeren zijn zij grondeigenen, betaalen dezelfde rechten aan de kroon, en moeten recruten verschaffen; de voortbrengzels van derzelver oogst niet voldoende zijnde om hen het geheele jaar te voeden, zijn zij genoodzaakt graanen te koopen en daar van voorraadschuuren aanteleggen; nimmer was de rogge zo duur verkogt als dit jaar; het _poud_ of het gewigt van drie en dertig a vier en dertig fransche ponden, kostte zeventig a tagtig kopees.
Vitim is het naastgelegenste dorp aan het voorige; daar het in allen opzichte naar de Russischen dorpen gelijkt, meen ik de moeite te kunnen spaaren om 'er eene beschrijving van te geeven; de kerken zijn daar zeldzaamer als de _cabacs_ of kroegen.
Aanteekeningen omtrent de Léna.
De vogels zijn in den omtrek en aan de oevers van de Léna zeer overvloedig; wolken van muggen waar meede dezelve bedekt is, geeven oorzaak tot derzelver zamenschooling; om deeze insecten te verdrijven, gebruikten wij de voorzorg van een voorraad van paarden-mest meede te neemen, die zonder ophouden in onze schuit brandde; dog een ander onvermijdelijk ongemak op deeze rivier, is het ongedierte welke zij voortbrengt; hoe meer men zich baad hoe meer de zelve vermenigvuldigen.
De Stad Kirinsk.
Omtrent vier honderd wersten van Péledoni, voer ik voorbij Kirinsk of Kiringui, een kleine stad, langs welke de Léna, en een weinig verder de Kiringa loopt. Onder deszelfs huizen waar van geen één eenige vertooning maakt, onderscheid men de kerk die van steen is.
1788. _Julij_ Den 29.
Den oever langzaamerhand breeder en zandachtiger wordende, wierden wij dikwijls door paarden getrokken;[213] de lijnen braken wel eens, dog ik maakte mij deswegens niet ongerust; het genoegen van voorttespoeden boezemde mij een blind vertrouwen in, waar voor ik echter welhaast gestraft wierd. In de nagt van den 29 stootte mijn schuit op een rots, welke de duisterheid voor ons verborg; de lijn brak door de geweldige schok, en ons vaartuig was in een oogenblik met water vervuld; wij hadden naauwlijks de tijd om het zelve naar de kant te brengen, die wij niet dan door vereenigde poogingen konden bereiken; dadelijk ging ik op een der paarden zitten en plaatste mijn kistje voor mij; wij waaren maar vier wersten van een Dorp, en dus was het gemaklijk om dadelijk hulp te verkrijgen; men ging mijn schuit opzoeken die geduurende den dag vermaakt wierd, en den volgenden morgen hervatte ik mijne togt.
[213] Naar maate men Irkoutsk nadert, word de rivier enger. Ik bespeurde ook dat de velden beeter bebouwd waaren, het graan voor al stond zeer schoon.
_Augustus_ Den 1.
Wanneer ik het dorp Usting verliet, zag ik eene aanmerkelijke zoutgroef, en wat verder drie _zavodes_ of koper smelterijen.
1788. _Augustus_ Den 4.
Ik verlaat mijn vaartuig.
Mijn vaartuig was voor de tweede maal gebrooken, en ik had het zelve nog eens in der haast doen vermaaken; dog dien dag wanneer het roer, door onophoudelijk langs den grond te schuuren, weg gevoerd wierd, als meede een soort van kiel het geen men onder het zelve vastgemaakt had, verliet ik de schuit, die ten voordeele van mijn getrouwe Golikoff was.
Den 5.
Ik voorzie mij van paarden en vervolgens van een kibitk.
Ik voorzag mij te Toutouze, omtrent drie honderd zeventig wersten van Irkoutsk gelegen, van paarden, en na het kleine vlek van Virkhalensk doorgetrokken te hebben, bereikte ik, des namiddags ten twee uuren dat van Katschouga, alwaar de reizigers zich gewoonlijk ontscheepen om de bogt van de Léna te vermijden, die daarenboven ook welhaast onvaarbaar word; men vind in dit dorp de _Kibitks_[214] of Russische rijtuigen op vier wielen, die door bannelingen en van tijd tot tijd door Bratskis gereeden worden.
[214] Deeze Kibitks hebben de gedaante van eene lange wieg, en hangen nergens aan vast; hoewel men 'er in leggen kan, gevoelt men echter niet te min al derzelver schokkingen.
Aanmerkingen omtrent de Bratskis.
Tusschen Katschouga en Irkoutsk is een _step_ of onbebouwde streek, welke alleen door die Bratskis bewoond word, zijnde dit eene bevolking van herders, die men voor afstammelingen van de Tartaaren zou houden, dewijl zij zo veel gelijkenis met deeze hebben. Zy vertoonen iets woest en wild in derzelver gedaante, ook zijn het groote dieven; men nam er een onder mijn oog gevangen die vee gestolen had; derzelver kudden zijn talrijk en bestaan uit ossen, koeijen, paarden en voornamelijk uit schaapen; mijne snelle voortgang belette mij, van mij in derzelver wooningen te begeeven, en daar door omtrent hunne zeden uitgebreider aantekeningen te maaken.
1788. _Augustus_ Den 6. Te Irkoutsk.
Aankomst te Irkoutsk.
Wij reeden over verscheiden bergen door ysselijke slegte wegen, die mijn arme Golikoff sterk deeden klaagen, dewijl hij half verbrijzeld was, door het geduurig schokken van ons helsch rijtuig, waar van hij voor de eerstemaal de proef had. Eindelijk, na dat wij het klooster van Voznéssenskoï, van waar men Irkoutsk begint te ontdekken, aan onze regterhand hadden laaten liggen, kwamen wij aan den kleinen arm van de rivier, die onder de muuren van de stad heenloopt, en welke men overtrekt zonder dat men van het rijtuig behoeft aftestappen. Daar, wierd ik door een schildwagt aangehouden, die volgens zijne orders, de Heer Commandant wilde gaan waarschuwen; dog zich vergenoegd hebbende met mijn naam en qualiteit, het welk ik hem op schrift gaf, stond deeze soldaat mij toe van hem voor uittegaan; het was omtrent des avonds ten elf uuren wanneer ik in deeze hoofdstad binnen trad, hebbende zedert mijn vertrek van Yakoutsk twee duizend vijfhonderd vierennegentig wersten afgelegd.
Ik stapte bij den stadsopzigter (à la police) van mijn rijtuig, ten einde daar een logement te vraagen; de _Kwartermester_ of wijkmeester bragt mij in een huis, waar van den Heer, wel verre van aan het bevel te gehoorzaamen, het geen hem wierd gegeeven om mij te ontfangen, zich niet eens verwaardigde van optestaan, ten einde ons reden van zijne weigering te geeven. Ik zag het oogenblik gebooren worden waar in den opzichter, vergramd door eene zo onbeleefde wederstand, zijn gekrenkt gezag wilde wreeken; echter gelukte het mij om hem tot bedaaren te brengen, en ik verzogt hem dat hij voor mij een ander verblijf wilde uitzoeken. Intusschen was de _Gorodnitsch_ of bevelhebber van de plaats, de Heer Majoor Dolgopoloff onderricht van mijne aankomst, en van de kleine onaangenaamheid die mij bejegend was; hij begaf zich dadelijk ter plaatze, waar ik naauwlijks bezit van genomen had, verzogt verschooning op verschooning wegens, dat men mij op eene onbeschofte wijze rondgeleid had, om mij eindelijk zulk een slegt verblijf te geeven, en niettegenstaande al het geen ik ten voordeele daar van wilde bijbrengen, noodzaakte hij mij echter om het zelve te verlaaten en met hem te gaan. Ik verloor geenzints bij deeze verandering, men kan zich geen welgeschikter en cierlijker verblijf voorstellen dan dat, waar hij mij bragt; het was eene reeks van verscheiden vertrekken, allen fraaij met huisraad opgeschikt; en vercierd met schilderwerk in kalk; dog het geen mij het meeste trof was den oplettenden iever waar meede men mij bediende, en in alles voorkwam.
1788. _Augustus_ Den 7.
Bezoek bij de Gouverneur afgelegt.