Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 28

Chapter 283,732 wordsPublic domain

Daar vond ik zee-soldaaten voor den togt van de Heer Billings geschikt, die mij voorsloegen om van verscheide transport paarden onlangs aangekomen gebruik te maaken, en welken in het terugkeeren, mij tot _Amgui_ konden brengen; volgens mijn reis-maat, moest ik mij te scheep naar _Belskaïa-Péréprava_ begeeven, alwaar de gewoonlijke weg van Okotsk naar Yakoutsk langs loopt; dog de weg over Amgui neemende, zou ik aanmerkelijk winnen; hier van verzekerd zijnde, en het gelukkig geval het welk mij goede paarden verschafte, deed mij van mijn ontwerp afzien.

Ik betaalde mijne geleiders[191], die order hadden om hunne schuit te Belskaïa-Péréprava agter te laaten, namelijk, nog honderd vijftig wersten verder, en die bij gevolg voortgingen met de Aldann aftezakken. Zij waaren nog geen werst ver, of het deed mij reeds leed dat ik ze afgedankt had; de Yakouters aan wien deeze paarden toebehoorden, en die bevreest waaren van ze te veel te zullen vermoeijen, hadden met ongenoegen vernomen dat ik 'er mij van dagt te bedienen; daar zij dit niet opentlijk durfden laaten blijken, poogden zij de vlucht te neemen; men zogt hen optespooren, en door veele beloften, bragt men ze terug. Om zich van dezelve te verzekeren, moest men ze allen in een isba opsluiten, waar uit men ze den volgenden morgen niet liet komen, dan onder voorwaarde dat ze mij tot Amgui zouden brengen; intusschen had men de voorzorg gebruikt om tien van de beste paarden tot mijn gebruik uittekiezen.

[191] In de vijf dagen dat ik scheep geweest was, had ik bijna zeven honderd wersten afgelegt.

1788. _Junij_ Den 24.

Vertrek van Oustmaya-pristann.

Na wel geslaapen te hebben, het geen mij geheel herstelde van mijne ligte onpaslijkheid, stapte ik vrolijk te paard, gevolgt van deeze Yakouters die door Golikoff aangesproken en gedweë-er gemaakt waaren. Ik was over derzelver vergenoegtheid verwondert, zij zongen de geheele weg over.

Yakoutsche zangen.

Derzelver zangkunst is niet zeer aangenaam, deeze bestaat in een geduurige en eentoonige trammelant die ze uit de keel voortbrengen; zij zijn daar en boven zeer vaardig om iets voor de vuist optestellen; de woorden kosten hun geen moeite nog overleg; zij vinden stof in alles wat hen omringt of wat ze denken. Laat een vogel aan haar zij opvliegen, en ziet daar reden genoeg om een uur over te zingen; dit is geen uitwerkzel van derzelver levendige verbeelding, want het gezang zal tot aan het einde toe zich bepaalen om te herhaalen, _dat 'er een vogel zo weggevloogen is_.

Bijzonderheden van mijne reis tot aan Amgui.

Meer dan honderd wersten lang, reeden wij door een losse moerassigen grond, waar onze paarden zodanig inzakten dat wij genoodzaakt waaren van aftestijgen om ze 'er uittehelpen; het overige van de weg was minder slegt. In het midden van een groot bosch, zag ik op den oever van een meir, twee visschers bezig om derzelver voorraad voor de winter te vangen; zij hadden geen ander verblijf dan een afdak van boomschors: op het einde van de zomer, gaan zij bij derzelver ouders een zekerder en warmer schuilplaats zoeken.

Den 25.

Wij hadden regen in overvloed, dog vooral van des namiddags ten vier, tot des avonds ten agt uuren wanneer ik stil hield: om 'er van bevrijd te weezen, plaatsten mijne Yakouters op derzelver schouders een beerenvel op de wijze van een kraag; door een paardestaart vastgemaakt aan een dikke zweepstok, bevrijden ze zich van de muggen; wij wierden 'er zodanig van geplaagt, dat ik niet lang wachtte om tot derzelver muggejagt toevlucht te neemen.

1788. _Junij._ Den 26.

Deeze dag leverde niets bijzonders op; des avonds bereikte ik den oever van de rivier Amga, twee honderd wersten van de haven aan de mond der Maya. Deszelfs diepte benam ons de lust om dezelve door te waaden, echter waaren alle de schuiten aan de overkant; te vergeefs riepen wij dat men ons zou komen afhaalen. Een mijner geleiders, onverduldig dat hij niemand zag opdagen, ontdeed zich van zijne kleederen, en zwom over om een schuit te gaan haalen; de overtogt van onze caravaane duurde een uur; wij steegen dadelijk weer te paard om de wooning van een Yakoutsche Prins te bereiken, die _Girkoff_ genaamd was. Onder weg, vond ik verscheide Yourtes, dog allen ten minsten een uur van den anderen gelegen; wanneer wij eenige treden van die van Knesetsk of van den Prins af waaren, reed mijn Soldaat Golikoff voor uit, om hem te beduiden, dat hij mij wel ontfangen moest.

Onthaal het geen mij een Yakoutsche Prins aandoet.

Hij onthaalde mij in der daad zeer vriendelijk; niet alleen bood hij mij zijn yourte, melk en zeer smakelijke boter aan, dog daar en boven beloofde hij mij, dat zijne beste paarden[192] den volgenden dag tot mijnen dienst waaren; weetende dat ik rust noodig had, wees hij mij het afgeschoote huisje aan, dat hij voor mij geschikt had, en terwijl men het zelve gereed maakte, had hij de beleeftheid mij zijne geheele wooning, een der fraayste in dit soort, te laaten zien.

[192] Behalven zijn ander vee, bezat dien Prins een stoeterij van twee duizend paarden die in een goeden staat waaren, hij had 'er een groot aantal verlooren bij de bevoolen overbrenging der goederen voor den togt van de Heer Billings; de manier waar op hij mij onderhield over zijne onderwerping aan de wil van zijne souvereine, deed mij besluiten, dat hem geene opofferingen tot betooning van zijnen iever te zwaar vielen.

Beschrijving van eene Yakoutsche yourte.

De grootte van deeze huizen verschilt, naar maate dat den eigenaar meer of minder rijk, of zijn gezin meer of min talrijk is. Overeind geplaatste balken den een naast den ander, en bedekt met klei-aarde, vormen deszelfs muuren, die niet rechtstandig even als de onze opgaan; bovenwaards digter aan elkander staande, onderstutten ze een dak, welkers afhelling niet zeer steil is; in eenige yourtes, word het door paalen ondersteund; eene deur geeft alleen toegang naar binnen, het welk in twee-en afgedeeld is, gelijk ik reeds gezegt heb; het eindelijkste gedeelte word door de menschen bewoond, die zich daar in afdeelingen begeeven, welken op gelijken afstand naast de muuren verdeeld zijn; het zijn hutten, die ik niet beter kan vergelijken als met de kleine vertrekjes der dekofficieren op de Hollandsche scheepen; ieder paar heeft het zijne; aan de andere kant van de muur hebben de beesten, de koeijen, de kalveren derzelver verblijf; dit alles maakt maar eene stal uit. In het midden van het gebouw is de schoorsteen geplaatst, zijnde van eene ronde gedaante en van hout gemaakt; men bezorgd die om ongelukken voortekomen, met een dik pleister van leemaarde; om het vuur te ontsteeken, word het hout regt over eind in de schoorsteen geplaatst; aan iedere uitspringenden hoek, maakt men een lange stok vast, waar uit een ander op dezelve hoogte voortkomt, dienende om de keetel aan te hangen, en ziet daar de haal en de hengel in gereedheid; het is gemaklijk om die te vermenigvuldigen, indien men meer dan eene pot behoeft heet te maaken.

Drank genaamd Koumouiss.

In een hoek van de yourte staat een leere tobbe geplaatst; alle dagen doet men daar paardemelk in, die men met een stok, even als met een karnstok, omroert. Een ieder die binnen komt, voor al de vrouwen, verzuimen nooit, voor dat men zich aan ander werk begeeft, om die melk geduurende eenige minuuten te karnen; dit leevert dien zuurachtigen en nogtans aangenaamen drank op, welke men _Koumouiss_ noemt; wil men dezelve nog meerder doen gisten, als dan word ze een der koppigste dranken.

Mijn gastheer sprak het Russisch tamelijk wel[193]; ik maakte daar gebruik van om van hem eenig onderricht over de gewoontens, de zeden en de Godsdienst van zijne landsgenooten te bekomen. Ik zal het zelve, beneevens de aantekeningen die mij reeds over deeze onderwerpen bezorgt waaren, hier laaten volgen.

[193] Ik heb verscheide van die Opperhoofden ontmoet, welke deeze taal zo eigen was als derzelver landtaal.

Gewoontens, Godsdienst, en zeden der Yakouters.

In het begin van de zomer, verlaaten zy hunne winterwoonigen, en begeven zich met derzelver gezin en eenige paarden, landwaards om de inzameling van het voeder voor het onguure jaargety te doen. Het is altoos op eene aanmerkelijke afstand van derzelver yourte, en in de vrugtbaarste streeken, dat zij deezen voorraad gaan zoeken. Geduurende dit verlaaten van derzelver wooning, laaten zij hunne paarden onder de bewaaring van derzelver knechten, en de omgelegen weilanden zijn voldoende om alle hunne kudden te voeden.

Het jammerde mij zeer, dat ik hun maijfeest niet heb kunnen bijwoonen, het welk zij uit blijdschap over de terugkomst van de lente vieren. Zij verzamelen zich als dan in het open veld, brengen sterk gegiste Koumouiss derwaards, braaden ossen en paarden, eeten en drinken tot zat wordens toe, zingen, danssen en eindigen dit alles met toveryen; derzelver chamans bestieren deeze feesten, en verkondigen daar hunne buitenspoorige voorzeggingen.

Deeze waarzeggers zijn hier vrijer en meer geëerbiedigt dan in Kamschatka; verklaarders van den wil der Goden, verleenen zij hunne bemiddeling aan den onweetende Yakouter, die hem al beevende smeekt, dog die hem voor al betaalt. Ik heb sommigen dier misleiden hun schoonste paard zien geeven om een chaman naar zijn dorp te brengen. Niets is afgrijselijker dan de toverdiensten van deeze bedriegers: ik kende die nog maar alleen bij overlevering, en ik was begeerig om dezelve bijtewoonen. Ik was getroffen over de getrouwheid van het verhaal het welk men mij deswegens gedaan had: dog daar ik het met eene gelijke naauwkeurigheid opgegeeven heb, kan ik niet anders dan den leezer derwaards verwijzen[194]. Ik zal mij dus vergenoegen met hun een afbeeldzel van den Chaman die zich hier aan mij vertoonde, te geeven.

[194] Ziet het eerste deel, pag. 156.

Omhangen met een kleed, het welk van bellen en yzere plaaten voorzien was, welkers geluid het hoofd duizelig maakte, daar en boven sloeg hij op zijn _bouben_ of trommel, met een geweld dat geschikt was om vrees aantejaagen; vervolgens als een dwaas ginds en herwaards met de mond open loopende, beweegde hij het hoofd in allerleie bogten, zijne loshangende hairen bedekten hem het aangezicht, van onder zijne lange zwarte maanen[195] hoorde men een wezentlijk gebrul, het welk door geschrei en een geschater van lagchen gevolgt wierd, zijnde dit de gewoonlijke Voorbereidzelen tot de openbaaringen.

[195] Onder de Yakouters, die het hair allen kort draagen, is het gemaklijk de Chamans te kennen die ze laaten groeijen, en ze gewoonlijk agter het hoofd vast knoopen.

In de afgoderij der Yakouters, hervind men alle de dromerijen, alle de bijgeloovige gebruiken der oude Kamschatters, der Koriaken, Tchouktchis en andere volkeren van deeze streeken; zij bezitten echter uitgebreider grondbeginzelen, en dwars door de belagchelijkste verdigtselen heen, waar meede zij zich voeden, ontwikkelen zich vrij scherpzinnige denkbeelden over het Opperweezen, over de wonderwerken, en de toekomstige belooningen en straffen.

Voornamelijk was ik verwonderd over de levendigheid en eigenzinnigheid van hunnen geest; zij scheppen behaagen in het verhaalen van fabelen, getrokken uit derzelver belagchelijke verdigtsel geschiedenis (mythologia), welken zij met de stelligste ligtgeloovigheid aan anderen meededeelen. Wanneer men die met de onzen vergelijkt, vind men zo veel reden niet meer, om onze vroegere en hedendaagsche schrijvers te bewonderen, dewijl men dit vak door diergelijke meededingers ziet behandelen; hier volgen twee van die fabelen, welke Golikoff mij spreekwijs voor spreekwijs vertolkte.

_Het gebeurde eens, dat 'er in een groot meir een hevige twist ontstond tusschen de verscheiden soorten van visschen; het verschil was over het oprichten van een opperste rechtbank, dewelke het geheele visschen heir moest bestieren; de haringen, en de kleine visschen begeerden een gelijk recht als de salm, om daar in toegelaaten te worden. Van woorden tot woorden geraakten de hoofden verhit, men kwam zo ver om zich met kracht te vereenigen tegen die groote visschen, die de zwaksten beledigden en hinderlijk waaren, hier uit ontstonden inlandsche en bloedige oorlogen, dewelken door de vernieling van een der twee partijen eindigden, de overwonnelingen die de dood ontsnapt waaren, namen de vlucht naar enge waters, en lieten de groote visschen, welken de overwinning behaald hadden, alleen meester van het meir. Ziet daar de wet van den sterksten._

De andere fabel gelijkt meer na de verhaalen van onze oude wijven, die de schrik der kinderen en het vermaak der bejaarden in onze (fransche) dorpen zijn. Ik ben niet vreemd van te gelooven, dat deeze het werk van den een of anderen Chaman is.

_Een Yakouter had zich oneerbiedig tegens zijn Chaman gedraagen of hem beledigt. Om deeze te wreeken, veranderde de duivel zich in eene koei, en zich gemengd hebbende onder de kudde van den schuldigen, terwijl die langs een bosch ging graazen, wist hij de beste vaerzen daar van te ontvoeren; wanneer den herder des avonds terug kwam, joeg zijn verbolgen meester hem onbarmhartig weg, hem beschuldigende van door zijne zorgeloosheid, de oorzaak van dat verlies te zijn. Op dit oogenblik vertoond zich de duivel in een herders gewaad; men neemt hem aan, en den volgenden morgen brengt hij de koeijen naar de velden. Een, twee dagen loopen voorbij, en de Yakouter ziet zijne kudde niet opdagen. In de uiterste ongerustheid, vertrekt hij met zijne vrouw, zoekt ginds en derwaards, ontdekt dezelve eindelijk, dog in welk eene verwarring! Op zijne aannadering, gaan de koeijen aan het loopen, en op het geluid der fluit van den trouwloozen herder ook aan het danssen[196]; de meester raast, en schreeuwt. "Houd stil, roept de duivel hem toe, het staat u wel om my te verwijten dat ik gestoolen heb, gij die misbruik maakte van het vertrouwen van den allerachtingswaardigsten Chaman; laat dit gebeurde u ter leering verstrekken. Geeft ieder het geen hem toekomt". Op deeze woorden, verdween de kudde en den herder, en den armen Yakouter verloor al zijn goed._

[196] Het instrument dat ik hier met de naam van fluit bestempel, is een uitgehold been het geen ten naasten bij als onze pijpfluiten bewerkt is, de toonen welken de Yakouters daar uit haalen, zijn niet minder scherp.

Zedert dien tijd, wierd de plaats waar dit gebeurde, voor het verblijf der helsche geesten gehouden; de ongeloovigen mogten zeggen, dat, volgens alle waarschijnlijkheid, den beroovenden duivel niemand anders dan de chaman zelfs was; de eenvoudigheid der weltevreedene Yakouters kon deeze verdenking niet verdraagen, welke zij voor een gruwelijke lastering hielden.

Men had mij meenigmaal in de bosschen, overblijfzelen van oude Yakoutsche graven, getoond; dit waaren zeer plompgemaakte en aan de takken van de boomen opgehangen doodkisten; mij is onbekend, waarom zij van het gebruik afgezien hebben om dus hunne dooden aan de open lucht, en ver van derzelver wooningen, bloottestellen; tegenswoordig begraven zij die op de wijze der Christenen.

De lijkplechtigheden geschieden met een soort van praal, die min of meer prachtig is naar maate van het aanzien en den rijkdom van den overleedene. Indien het een Prins is, bekleed men hem met zijne rijkste kleederen en beste wapenen; het lijk in de doodkist gelegd, word door de vrienden, tot aan den rand van het graf gedraagen; een luidrugtig geklag kondigt deeze naargeestige trein aan; het begunstigste paard van den Prins, en het beste uit de stoeterij, beiden rijk opgezadeld, en door een knegt of den een of ander naastbestaande geleid, gaan ter zijde van de kist; aan de begraafplaats gekomen, worden ze aan twee paalen[197] bij het graf gesteld, vastgemaakt; terwijl men derzelver meester in de aarde zet, worden ze op zijn lighaam gedood, en deeze bloedige offerhande is een eerbewijs, verschuldigd aan zijne genegenheid voor deeze dieren, die gehouden worden dat ze hem in de andere waereld zullen volgen, alwaar men hoopt dat hij 'er nog genot van zal hebben. Echter brengt men die ter dood, het vel en het hoofd dat aan elkander blijft, word digt bij het graf in eene horisontaale richting aan boomtakken vast gemaakt, en ziet daar het praalgraf; vervolgens ontsteekt men een houtmijt, en de laatste vriendschapsblijk voor den overledene bestaat daar in, dat men zijne twee geliefde paarden aldaar braad en op eet; deeze maaltijd geeindigt zijnde, gaat ieder zijns weegs. De zelfde plechtigheid word ook omtrent een vrouw in acht genomen: in plaats van een paard, slagt men de koei, waar van zij het meeste werk pleegde te maaken.

[197] Deeze paalen ontbloot van deszelfs schors, zijn of met verscheide couleuren geverwt, of met wonderlijke figuuren vercierd.

De Yakouters zijn sterk en over het algemeen groot, het geheel van derzelver gelaatstrekken heeft eenige overeenkomst met de gedaante der tartaaren; men zegt zelfs dat de beide taalen veel overeenkomst hebben; al wat ik daar van zeggen kan, is, dat de Yakouters zeer afgebrooken spreeken, en dat ze hunne woorden niet zamenbinden.

Derzelver kleeding is eenvoudig en ten naasten bij zomers en des winters hetzelfde; het eenigste onderscheid bestaat daar in, dat dezelve in het laatste jaargetij, met pelterijen gevoerd zijn. Over het hemd, draagen zij gewoonlijk een groot overgeslaagen vest met mouwen; derzelver broek gaat maar ter halver weg van de deijen; dog lange laarzen _sarri_ genaamt gaan hun tot boven de knie-en. Wanneer het warm is, houden ze niets van dit alles dan de broek aan.

Zij verbeelden zich beter dan eenig ander volk van de waereld te paard te rijden, hunne verwaandheid ten deezen opzichte gaat zo ver, dat ze met versmading vermijden, om aan wat reiziger ook als te vrolijke paarden[198] te geeven.

[198] Wanneer ik van hunne zadels sprak, had ik 'er moeten bijvoegen dat de stijgbeugels daar van zeer kort zijn.

De veelwijverije behoort bij dit volk tot derzelver staatkundige grondbeginzels; genoodzaakt om menigvuldige reizen te doen, bezitten zij vrouwen op alle plaatsen waar zij stil houden, en nooit brengen zij die bij elkander; des niettegenstaande zijn ze uitermaaten jaloursch, en gezwooren vijanden van ieder die de rechten der gastvrijheid wilde schenden.

1788. _Junij_ Den 27.

Vertrek van Amgui.

Door de goede voorzorg van de Prins Girkoff, vond ik bij mijn ontwaaken negen fraaije paarden alle gezadeld[199]; hij begeerde dat ik zijn geliefkoost paard beklom, het welk volmaakt de tel gang ging; overlaaden van zijne vriendelijkheden, verliet ik hem vroegtijdig, in de troostrijke hoop van meermaalen woonplaatzen te zullen aantreffen, alwaar ik van paarden zou kunnen verwisselen, en somtijds mijne nagtrust neemen.

[199] Voor drie paarden betaalt men hier zo veel, als voor één in Siberien.

Afbeeldzel van eene kwaad doende Godheid.

Eenige treeden van deeze yourte die _Amguinskoi-stanovie_ of rustplaats van Amgui genaamd, word, zag ik op de weg eene houte afbeelding van een vogel, zo groot als een endvogel of water-raave; dit is de zinnebeeldige gedaante van eene kwaad verwekkende Godheid, de schrik van dit gewest; men vertelt ten zijnen opzichte de zotste verhaalen, men geeft onder anderen voor, dat deeze booze geest somtijds de reizigers heeft doen verdwaalen, en derzelver paarden verslonden.

Ik stapte des avonds af, bij eene andere Yakoutsche Prins[200] die zedert kort zijne zomerwooning betrokken had, dewelke mij even zo zindelijk als aangenaam voorkwam: ziet hier de beschrijving van deeze _ourassis_; dit is de naam welke men aan deeze schilderachtige wooningen geeft.

[200] Ik zou telkens het zelfde moeten herhaalen, indien ik verslag wilde doen van het goed onthaal, dat ik bij alle deeze Yakoutsche Prinsen genoot.

Zomerwooningen der Yakouters.

Even als de yourtes der zwervende Koriaken, zijn deeze rond, ruim en met een minder aantal stokken zamengesteld, dog op dezelfde wijs geplaatst, en rondom onderstut door dunne boogsgewijze dwarsbalkjes; het geheel is met berkenschors overdekt[201]; van boven naar beneden met banden van agttien duim breed vastgehegt; de randen deezer banden zijn kleine gemaakte zelfkanten, van deeze schors festonsgewijs uitgesneeden; men behangt de wooning van binnen in dezelfde smaak; de eigenaar schikt de tekening daar van na zijn zin; waar in gewoonlijk eene mengeling van coleuren heerscht, die niet onbevallig is; deezen opschik verciert ook de huisjes of hutten en de bedden van de hoofden der huisgezinnen; de dienstboden slaapen op vellen of matten op den grond; het vuur word in het midden van het huis aangelegd.

[201] In de lente ontdoed men deezen boom van deszelfs schors.

Den 28.

Ik kwam aan de rivier Sola die ik geduurende een geruimen tijd langs reed; de hette hinderde mij niet minder dan de muggen, en ik was zo dorstig, dat ik aan iedere yourte stil hield om Koumouiss te vraagen.

1788. _Junij_ Den 29.

Komst te Yarmangui.

In den morgen bereikte ik, na dat ik van Amgui af, twee honderd wersten had afgelegd, de plaats genaamd _Yarmangui_, aan den oever van de Lena; wanneer ik die rivier overgetrokken zou zijn, bevond ik mij te Yakoutsk, dog een wagt van den bevelhebber waarschuwde alle reizigers, om hier het verlof aftewachten van in de stad te mogen komen; hoe onaangenaam mij ook dit soort van quarantaine was voldeed ik daar aan, wanneer een Onderofficier mij verzogt, van mij omtrent twee honderd treden verder te begeeven, alwaar ik den Heer Capitain Ispraunick en een Lieutenant van de Heer Billings zou vinden; zij waaren van mijn aankomst onderricht, en ontfingen mij met de sterkste betooningen van achting en blijdschap; naauwlijks had ik hen verhaald, hoe zeer het uitstel waar meede ik bedreigd wierd mij tegenviel, of zij maakten allen spoed om de noodige beveelen te geeven, ten einde men mij aan den anderen oever bragt, daar bij voegende dat zij zich van de goedkeuring van den Heer Commandant verzekerd hielden, die reeds zedert lang van mijne komst verwittigd en aan wien ik aanbevoolen was.

Overtogt en breedte van de Lena voor Yakoutsk.

Des middags, trad ik in de schuit die men voor mij in gereedheid gebragt had, en ik was vier uuren bezig met de rivier de Léna in de dwarste overtesteeken, deeze rivier moet, zoveel men met het oog over eene zodanige uitgestrektheid kan oordeelen, ten minsten twee uuren breed zijn.

1788. _Junij_ Te Yakoutsk.

Verblijf te Yakoutsk.

Aan land gestapt, wierd ik door een stads bediende ondervraagt en volgens gebruik, na het verblijf gebragt dat hij voor mij bestemd had; dadelijk liet ik mij de wooning van den commandant de Heer Maklofski aanwijzen, wien ik ten eersten ging zien; hij ontfing mij met alle mogelijke beleeftheid, sprak mij altoos in het fransch aan, schijnende hem deeze taal zeer eigen te weezen; na mij wegens mijne spoedige togt[202] en over mijne gelukkige aankomst geluk gewenscht te hebben, deed hij mij belooven van eenige dagen te Yakoutsk te zullen blijven, om van mijne vermoeijenis uitterusten.

[202] Ik was de eerste reiziger, dit jaar van Okotsk vertrokken, welke men nog te Yakoutsk gezien had; den afstand tusschen deeze twee steeden is omtrent vijftien honderd wersten.

1788. _Julij._ Te Yakoutsk.

Ontmoeting van den Heer Billings.