Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 27

Chapter 273,941 wordsPublic domain

Uit een digt bosch komende, bevond ik mij aan den oever van een geweldigen waterstroom; deeze nieuwe rivier was van eene ongemeene snelheid, en deszelfs breedte weinig minder dan twee honderd treeden, ze valt hier digte bij in de Ourak. Echter oordeelden wij dezelve waadbaar, en in dat vertrouwen zette ik mijn paard aan om 'er in te gaan: omtrent in het midden voelde ik dat zijne beenen waggelden; ik moedigde het beest aan, het hield stand, ging voorwaards, en het water ging mij maar tot aan de knie-ën; stouter geworden zette ik mij weder in het zadel, want het gezicht van den stroom veroorzaakte mij eene geduurige ontroering, en mijn lighaam hing geheel over eene zij; als ik eindelijk bijna aan den kant geraakte, welkers hoogte nieuwe poogingen vereischte, moest ik, om daar op te komen, over een kaaij van ijsschotsen, die 'er aan vast was klouteren; deeze was wel zeer steil, dog ik zou te vergeefsch eenen anderen doortogt gezogt hebben. Ik nam dan mijn besluit, en ik bragt het dier bij deezen gevaarlijken oever. Reeds waaren zijne voorpooten daar op geplaatst, en het deed zijn best om ook de agterpooten daar op vast te klampen, dog op het zelfde oogenblik glijdt hij uit, en valt agter over; wij geraakten van elkander en beide aan het zwemmen; de plaats was diep, de zwaarte mijner kleederen belemmerde de minste beweeging, die ik maakte; door den geweldigen stroom weggesleept, evenals mijn paard, dat digt bij mij zwom, verloor ik ongevoelig mijne krachten; ik geraakte na de t'zamenvloeijing der twee rivieren, wanneer ik mij eensklaps hoorde toeroepen: zoek uw paard te vatten, of het is met u gedaan; deeze stem, en het nabijzijnde gevaar versterkten mij; ik werkte met alle magt, strekte de hand uit, en greep den teugel; de Hemel waakte ongetwijffelt over mijne behoudenis, want ter zelfder tijd voelde mijn paard grond en stond stil; een oogenblik laater en wij waaren verlooren geweest: ik hijste mij langs den toom tot aan den hals van het paard, waar aan ik mij sterk vasthield, ik bleef dus als tusschen leeven en dood hangen, vreezende mij te verroeren en met een groot geschreeuw om hulp roepende; mijn getrouwe Golikoff had te vergeefsch getragt mij te volgen, de sterkte van zijn paard had niet aan deszelfs iever beantwoord. Hij was het, die in zijne onverduldigheid mij den heilzaamen dog schrikkelijken raad gegeeven had, van mij aan den toom te houden; zo dra hij 'er het goed gevolg van zag, verdubbelde hij zijne poogingen om den oever te bereiken, daar op te springen, naar mijn paard te loopen, hetzelve buiten het water te trekken en mij het leeven wedertegeeven, dit alles was voor hem het werk van vijf minuuten.

Mijn eerste zorg was, na dat ik mijn verlosser omhelsd had, van de hand in mijn gordel te steeken en daar mijn brievetas uittehaalen. Niettegenstaande dat dezelve in gewast linnen gewonden was, had het water 'er nogtans ingedrongen, en ik beefde over twee brieven van belang, die mij bijzonder door den Heer Graaf de la Pérouze waaren aanbevoolen, ik zag met blijdschap, dat dezelve niet zeer nat waaren.

Mijn kistje was aan den anderen kant gebleeven, dog mijne ongerustheid deswegens verdween wel dra door de aankomst van den Heer Allegretti en mijne andere meede reizigers, die het zelve in mijne handen stelden. Zij waaren nog verbleekt en ontstelt over mijn wedervaaren, en beschouwden mijne redding als een wonder. Ik was te nabij aan mijn einde geweest om niet van dezelfde gedagten te zijn.

Wij steegen vervolgens wederom te paard, dog ik moet bekennen, dat bij de nadering van eene rivier het bloed in mijne aderen stolde; ik zond altoos een van mijne wegwijzers voor uit en ik was niet gerust, voor dat hij mij van den overkant een teken gegeeven had.

Wij reisden deezen dag even als alle de voorigen, zedert mijn vertrek van Okotsk, geduurig dwars door de bosschen, alwaar wij den loop der rivieren volgden. In de bosschen zijn de boomen,[182] die langs de wegen staan, klein, dog zo digt en bezet met struiken, dat mijne Yakouters verplicht waaren ons een weg met de bijl[183] te baanen, het geen onzen togt nog meer vertraagde, zelfs zo dat wij nooit anders dan stapvoets voortreeden.

[182] Het zijn meest wilgen of elzen boomen; dog wanneer men zich dieper in de bosschen begeeft, vind men daar denne en berkenboomen van eene fraaije hoogte.

[183] Zij bedienen zich tot dat einde van eene breede en lange plaat, aan het einde van een stok van drie voet lang vastgemaakt; dit wapentuig dient hun zo wel voor een lans als voor een bijl.

Aankomst te Ouratskoïplodbisché. Inwoonders van dit gehugt.

Ik kwam redelijk vroegtijdig te Ouratskoïplodbisché; dit was de eerste bewoonde plaats, die ik zedert de verlaate yourte der schuitevoerders aan den oever van de Ourak aangetroffen had, en ik bleef daar dien geheelen dag uitrusten; deeze rivier loopt ook langs dit gehugt; het getal van deszelfs inwoonders bepaald zich tot vier soldaaten, die ieder een isba bewoonen. Zij zijn belast met de bewaaring van een magazijn, alwaar men de goederen bewaard, die aan de kroon toebehooren, komende van Okotsk of van Yakoutsk. Bij gelegenheid vervoeren zij de goederen tot aan den mond van de Ourak, dog deeze is zodanig belemmerd, dan eens door ondieptens, en dan wederom door watervallen, ook zijn de vaartuigen zo broos, dat de scheepvaart daar niet minder gevaarlijk dan moeijelijk is.

Den 13.

Oorsprong van de Ourak.

In den vroegen morgen voer ik met een schuit deeze rivier over, welke niet wijd van een zeer groot meir ontspringt, waar omtrent wij ons dien zelven avond neersloegen; op eene hoogte gelegen, kan het omtrent zes a zeven wersten in den omtrek beslaan; men zegt, dat het zelve zeer vischrijk is.

1788 _Junij_ Den 14.

Gewoonte der Yakouters, wanneer ze een paard op weg laaten leggen.

Ik moet hier van eene gebeurtenis melding maaken, die deezen dag onder mijne Yakouters voorviel, wegens een paard, dat men op den weg moest laaten leggen; zij hielden stil, en beraadslaagden zamen rondom het dier, wat hen te doen stond. Onverduldig om die zamenspraak te zien eindigen, ging ik derwaards om hun mijn misnoegen te betoonen, dog zij kwamen mij voor, verzoekende mijne toegevendheid voor het uitstel dat zij mij veroorzaakten; daar zij verantwoording schuldig zijn van de paarden, welken men hen toevertrouwd, zo hebben zij de gewoonte, wanneer zij, het zij door toeval of door zwaare vermoeidheid 'er eenige verliezen, om die als dan den staart en de ooren aftesnijden, welken zij aan hunne meesters te rug brengen, dewijl zij anders genoodzaakt zijn om 'er de waarde van te betaalen. In dit oogenblik was de vraag, of zij het stervende paard zouden dooden; dit vereischte eenigen tijd, en ik was niet zeer genegen om hun dien toetestaan. Ook antwoorde ik vrij bars, dat 'er een veel eenvoudiger, veel korter, en minder wreed middel was. Ik beloofde hen een getuigschrift het welk hun verlies zou inhouden, en in plaats van de gewoonlijke bewijzen voldoen kon, terwijl ik het op mij zou neemen dat zij dezelve niet mêebragten. Zij stemden zonder aarsselen in mijn voorstel, en men zeide mij, dat ik hun verplichting schuldig was voor deeze toegeevendheid.

1788. _Junij_ Den 16.

Ongeval het welk mijn Soldaat Golikoff bejegende.

In de hoop van spoediger te vorderen, belastte ik den ouden Nédarézoff om op ons reisgoed te passen, en ik trok met de Heer Allegretti, Golikoff en een Yakouter voor uit; wij naderden een moeras, deszelfs diepte was omtrent van een voet; de Heer Allegretti en ik reeden daar in, Golikoff volgde ons, houdende mijn kistje op zijn zaal, naauwlijks was hij tien treeden voorwaards, of zijn paard viel voor over, en wierp hem ter zijde; dog meer bezorgt over het geen onder zijne bewaaring was dan wel omtrent zich zelfs, rolde hij over het kistje dat hij zorgvuldig vast hield. Ik stapte aanstonds af om hem te helpen, hij was in de slijk gevallen zonder zich te bezeeren; zijne meeste bevreesdheid was dat mijn kistje nat zoude zijn, en hij kon zich deswegens niet gerust stellen, dan wanneer hij zag dat het van binnen droog was.

Onze paarden waaren zodanig vermoeijd, dat wij genoodzaakt wierden te voet te gaan, en dezelve bij de toom te trekken, terwijl onze Yakouter ze van agter heftiglijk voortzweepte; wij reisden dus den geheelen dag, om het half uur stilhoudende ter plaatze alwaar het nieuwe gras zich begon te vertoonen[184], teneinde onze paarden gelegenheid te geeven van zich te kunnen herstellen.

[184] Ik heb reeds van de spoedige groeijing gewag gemaakt, dagelijks wierd deszelfs vordering zichtbaarder; de zo lang ontbloote boomen verkreegen langzaam derzelver bladeren, en welhaast veranderden de velden in een uitgestrekte weide, met bloemen geschakeerd; welk een toneel voor een man wiens oog geduurende zes maanden niet anders dan bevroozene vloeden, en met sneeuw bedekte bergen en vlaktens beschouwd had! ik verbeeldde mij nu met de natuur te herleeven en van onder deszelfs puinhoopen opterijzen.

Komst bij het kruis van Yudoma.

Omtrent ten drie uuren in den namiddag, bereikten wij Yudomokoï-krest, of het kruis van Yudoma[185]. Op eene hoogte, van waar men de overstroomingen deezer rivier kan braveeren, welke deszelfs onstuimig water zeer ver voortstuuwt, ziet men verscheide magazijnen door vier soldaaten bewaard, die derwaards vlugten, wanneer het water derzelver wooningen, welke digter aan de rivier gelegen zijn, bereikt; deeze dienen aan de reizigers ook tot schippers.

[185] Hier staat inderdaad een groot kruis aan den oever van de rivier geplaatst.

Zwaarigheden die ik bij mijne inscheeping ontmoet.

Op het zien der bevelen die ik bij mij had, waaren ze ter mijner hulp bereid. Ongelukkig bevonden zich derzelver schuiten in den aller slegtsten staat. Ook waaren 'er geen werklieden nog gereedschappen om dezelve te herstellen bij der hand: die mij van Okotsk nagezonden moesten worden kwamen nog niet opdagen, en mijne inscheeping[186] ten einde de rivieren Yudoma, Maija en Aldann aftezakken vereischte spoed. Onder deeze soldaaten had 'er maar een die reis gedaan; het was reeds negen jaaren geleden en hij had geheel de weg vergeeten: men raadde mij om mij niet van hem te bedienen, dan wanneer alle de anderen zulks weigerden.

[186] Het water viel dagelijks zichtbaar: een langer uitstel zou mij aan het gevaar der ondieptens blootgesteld hebben, en hoe hadden wij als dan de gedugte waterval vermijd!

Nédarézoff alleen was dus al mijn toevlucht; men had hem mij voor stuurman gegeeven, dog welk een stuurman! twaalf jaaren waaren 'er verloopen, zedert dat hij eenmaal die rivier was opgevaaren, en de eenigste zaak waar van hij geheugen droeg, bestond hierin dat hij drie jaar op den togt van Yakoutsk tot Okotsk toegebragt had; als toen geleidde hij een aanzienlijk convooij van bouwstoffen, ankers, touwwerk en meer andere zaaken, tot eene uitrusting dienende.

Verbeteringen aan een schuit gemaakt om meede te vertrekken.

Van de vier schuiten die aan den oever lagen, nam ik de beste en de enigste[187]; in evenredigheid van twaalf voet lengte op de helft breedte; dezelve nader beschouwende, bemerkte ik dat het gestopt, geteerd en van vooren met een boord meerder bezet moest worden, ten einde meer tegenstands aan het bruisschen der golven te kunnen bieden. Een der Soldaaten die een weinig van het timmermans ambacht verstond, was het gelukt om met twee planken en met spijkers uit een oude schuit getrokken dit boord te maaken en vasttehegten, dog om het zelve verder te herstellen ontbrak ons alles; de nagt overviel ons, zoekende allerwegen in de magazijnen om iets te vinden, dat in de plaats van hennip en teer kon dienen; alle onze naspooringen waaren te vergeefsch, en tot aan den volgenden morgen kwelde ik mij onophoudelijk om eenig hulpmiddel uittedenken.

[187] Deeze schuiten zijn plat en eindigen aan beide de uiterstens puntig.

Met het aanbreeken van den dag, mijne arbeiders gaande bezoeken, trad ik op een oud dik touw aan den oever geworpen; verheugd over deeze vond, bragt ik het zelve aan mijne Soldaaten, op het oogenblik was het doorgesneeden, en ontvlogten, ik bekwam vlas, en ziet daar ons bezig om de drie voornaamste boorden te calfateren; het moeijelijkste was om het werk te doen kleeven en vasttehegten; mijne werklieden sloegen mij voor van deeze reeten met latwerk te stoppen; wanneer wij die vast wilden maaken, ontdekten zich nieuwe zwaarigheden, zij hadden geen yzere haaken nog spijkers, dog de behoefte wekt de schranderheid op. Aan iedere kant van deeze naaden maakten wij gaaten met een boor, het welk ons eenigste gereedschap was; zeer dunne ledere riemen welken ik onder mijn reisgoed vond, wierden door deeze gaaten doorgehaald, en vervolgens met kleine pinnen gestopt, waar door wij deeze latten geslooten kreegen en ons vaartuig ondoordringbaar voor het water maakten; des namiddags ten drie uuren was onzen arbeid volbragt, het roer op zijn plaats en de riemen in gereedheid; ik beval mijn volk om zich tegens den anderen dag reisvaardig te houden.

1788. _Junij_ Den 18.

De Heer Allegretti keert naar Okotsk te rug.

Op het oogenblik van ons vertrek, zagen wij een Caravaane van Yakoutsksche Kooplieden opdaagen; zij gingen naar Okotsk, en ik raadde de Heer Allegretti om van derzelver gezelschap gebruik te maaken. Wij scheidden ten negen uuren; de dienstbewijzen en de betuigingen van genegenheid, welke ik van dien achtingswaardigen heelmeester ontfangen had, vertoonden zich op het oogenblik van ons laatste vaarwel allen te gelijk voor mijnen geest en aan mijn hart.

Overtogt van de waterval.

Twee Soldaaten had ik voor roeijers genomen, en daar onder die geen welke eertijds deeze reis gedaan had. Nédarézoff was aan het roer; Golikoff en ik moesten hem vervangen, wanneer hij te zeer vermoeid wierd; de snelheid van de stroom voerde ons met eene zodanige spoed voort, dat wij niet behoefden te roeijen; volgens den weg dien wij afleiden, twijffelden mijne twee Soldaaten niet, of wij zouden voor het einde van den dag nog aan de vermaarde waterval komen, die omtrent ruim tagtig wersten van de plaats van ons vertrek afgelegen was; derzelver gesprekken liepen alleen over de gevaaren die ons daar wagtende waaren; daar ik hunne onervaarendheid uit deeze redeneeringen, door de vrees opgegeeven, kon bemerken, besloot ik zelfs daar van de proef te neemen; ik meende alle voorzigtigheid te moeten gebruiken, ten einde mij niets te verwijten te hebben. Ik liet mij dikwils aan land zetten en ik ging langs den oever voor uit, om te ontdekken tot hoe ver wij zonder vrees vaaren konden; tegens den avond verhief zich een west-noord-weste wind die ons regen aanbragt. Ik wilde liever stil houden dan ons aan een zo slegt wêer blootstellen, en ik liet mijne tent op de schuit opslaan.

1788. _Junij_ Den 19.

Na vier uuren vaarens, telkens afgebrooken door het aan de wal gaan, ten einde te ontdekken of wij de waterval naderden, kreegen wij dezelve eindelijk in het gezicht; verzeld van mijne twee stuurlieden, ging ik aanstonds de plaats in oogenschijn neemen. Niet ver van daar wierd ik een klein steenachtig eiland gewaar, het geen men niet ontdekt voor dat het water begint afteloopen; mijne Soldaaten raadden mij het canaal in te vaaren het geen wij aan onze rechterhand zouden vinden; hoe zeer deszelfs loop zeer snel was, verzekerden zij mij echter dat deeze bijna geene beweeging had, in vergelijking van de waterval; ons bleef dus maar overig te weeten of het water hoog genoeg was. Deeze onderrichting overwoog ik van alle kanten, en alle mijne beschouwingen mij van deszelfs nuttigheid overtuigd hebbende, ging ik weder op het vaartuig met het vaste voorneemen om 'er gebruik van te maaken. Ik moedigde zo veel ik kon mijn volk aan, en plaatste mij vervolgens aan het roer; Nédarézoff bleef bij mij; Golikoff plaatste zich zodanig dat hij een der roeijers helpen kon, want wij hadden niet meer dan twee riemen. Wij vorderden dus, met opgeheeven roeijspaanen, tot daar de twee stroomen zich ontmoeten, waar van den een naar het canaal loopt en den ander zich in de waterval verliest. De onstuimigheid van deeze zou ons in den draaikolk weggesleept hebben, indien de juistheid en de poogingen mijner roeijers zulks niet belet hadden; naauwlettend op het gegeeven teken, zetten hunne gespierde armen de roeispaan kracht bij, en worstelen tegens de golven; deeze verheffen zich en bruisschen; de geweldige schokken welken die aan het vaartuig toebrengen, mijne geduurige aanmoedigingen, en boven dat alles, de vrees van om te komen, verdubbelde den iever mijner Soldaaten; eindelijk geraakten wij uit de gevaarlijke stroom en roeijden het canaal in. Hoe bedaart scheen ons deszelfs water na deezen verschrikkelijken doortogt! Om mijn volk wat uit te laaten rusten, gaf ik mij geheel over aan het bespiegelen van den zagten afloop: het roer alleen was genoegzaam om het vaartuig te bestieren.

Zo dra wij aan den voet van de waterval waaren, deed mij de nieuwsgierigheid agterwaards zien. Op deszelfs ijsselijk gezicht, beefde ik; en dankte den hemel van mij een andere weg te hebben aangeweezen. Van de tien vaartuigen die verplicht zijn deeze te volgen, kan men rekenen dat 'er negen schipbreuk moeten lijden; dat dan de leezer oordeele.

Wat zal 'er van dat brooze schuitje worden, het welk, het gevaar tartende, zich door den vloed laat meesleepen? In deszelfs overhaastende val, zie ik het de speelbal der watergolven worden, die den een op den ander volgen, en die met een sterk geluid van de hoogte van twintig voeten, op drie verbaazende rotzen neervallen, welken zij met schuim bedekken. Hoe zal het zelve, zonder een wonderwerk, niet verzwolgen worden? Hoe ontgaat het de verbrijzeling tegens deeze dreigende klippen, langs welken het moet heenvaaren? En echter, wanneer het Canaal door gebrek aan water onbevaarbaar is, word dit de eenigste weg die men neemen kan. Mijne geleiders verhaalden mij dat voor en aleer men 'er zich op waagt, men altoos de schuiten ontlaad, en dat daarin de voorzorg en wetenschap der stuurlieden bestaat; deeze watervallen worden _Porog_ genaamt.

Wij moesten nog eene plaats doorvaaren dewelke mijn volk ongerust maakte; deeze noemen zij _Podporojenei_, het laagste of de zuiging van de waterval, die van deeze, eene werst afgelegen is. Zij hadden naauwlijks hun gesprek deswegens geeindigd, of wij bevonden ons reeds daar: ik had naauwlijks de tijd om hen te beduiden wat ik noodig oordeelde dat in het werk gesteld moest worden; de zaak was dat wij de diepste zijde koozen, de zwartheid van het water scheen mij die aan te wijzen, en ik stuurde derwaards, de bruissching en de zwaare golven, deed ons meer slingeren en op en neer gaan dan in volle zee: dog eensklaps wierd ons schuitje gelijks het water, tegens een rots gesmeeten die niemand onzer ontdekt had; door de geweldige schok vielen wij om ver: mijne makkers meenden verlooren te zijn en durfden zich niet oprichten; ik schreeuwde te vergeefs dat zij roeijen zouden, dan niemand gaf daar acht op. Ik vatte het roer wederom aan, en ziende dat 'er niets gebrooken was, stelde ik hen gerust, en ik bragt het zo ver dat ze derzelver plaatsen hernamen; wij waaren onze bevrijding aan het mos verschuldigt waar meede deeze rots bedekt was; zij bewaarde ons schuitje, dat 'er van terzijde tegenkwam en daar over heen gleed, zonder eenigzints beschadigt te zijn.

Om dit te vermijden moet men juist door het midden van de rivier vaaren, en niet bekommert weezen over de golven, die zich daar verheffen en tegen de rotsen schijnen te verbrijzelen; de doortogt is omtrent van honderd vijftig toises of halve roeden; beneden deeze Podporejenei stroomt eene andere rivier; deszelfs klaar en stil water, naast de beroering en de drabbigheid van de Yudoma, veroorzaakt eene zo merkbaare tegenstrijdigheid, dat het oog een geruimen tijd de eene van de andere kan onderscheiden.

Arm van de Yudoma, die de DUIVELS-ARM genaamt word.

Aan de linker kant van deeze laatste, ziet men nog een arm die niet minder geducht is. Ook heeft men die de naam van _Fschortofskoi-protok_, of duivels arm gegeeven, hij loopt in het bed van de Yudoma, dertig wersten van de mond van deeze in de Maya. Men herkent dien arm aan het aantal doode boomen en rotzen die deszelfs inkomen opstoppen; een zeer snel vlietende stroom sleept u daar in om 'er nimmer weer uittekomen, indien men de voorzigtigheid niet gebruikt om altoos langs de regter hand te houden.

Den 20.

Ik meende een beer te dooden die langs den oever wandelde, ik deed een snaphaanschot op hem met hartenhagel; niettegenstaande zijne kwetsuur, vlugtte hij boschwaards en ik verloor hem uit het oog. Een oogenblik daar na, miste mij een schoon rendier dat vijftien treeden van ons wegvlood, uit hoofde dat mijn snaphaan nog niet weder gelaaden was. Ik zag ook verscheiden argalis, ooijevaars, ganzen, en een vos, dog ik kon 'er geen van bereiken.

Dien dag zag ik voor de eerstemaal zedert mijn vertrek van Yudomokoï-krest, een pijnboomen bosch; daar entegen waaren de dennen bosschen die zich links en regts aan mijn oog vertoond hadden, ontelbaar; het is de laatstgemelde boom[188] welk de masten en ander scheepshout voor alle de werven die op deeze kust gevonden worden oplevert.

[188] Deeze word hier te land LISTUENISCHNOYÉ-DÉREVO genaamt.

1788. _Junij_ Den 21.

Bij mij ontdekte zich eene ongesteldheid door een aanval van koorts, dog ik sloeg daar weinig acht op; alleen bleef ik in mijn schuit slaapen, en mijn leefregel bepaalde zich tot het drinken van koud water. Ik hield des nagts niet meer stil, dewijl onze vaart zeer gemaklijk was geworden.

Snelheid en rigting van de Yudoma.

Hoewel men het mij verzekerd heeft, heb ik nogtans moeite om te gelooven dat de Ourak snelder afloopt dan de Yudoma. Wij reisden op deeze tien, twaalf en somtijds twintig wersten in een uur; haare meest gewoonlijke richting scheen mij westelyk te zijn; aan deszelfs mond vormt zij een groot aantal kleine eilandjes.

1788. _Junij_ Den 22.

Wij komen in de Maija.

Des morgens ten twee uuren geraakte ik in de Maya, neemende den weg ten naasten bij noordwaards en somtijds een weinig naar het oosten; de oevers van deeze rivier zijn minder steil, en minder dor dan langs de voorige; bij tusschenpoozen echter ontdekt men daar bergen en zelfs rotzen: het onderscheid tusschen de beide stroomen wierden wij echter veel meer gewaar, dewijl wij maar vier wersten in een uur konden afleggen.

Ontmoeting van negen vaartuigen.

Omtrent op het midden van den dag, zagen wij negen vaartuigen ons te gemoet komen, beladen met allerleie voorraad voor den togt van de Heer Billings; zij voeren, door menschen getrokken, de rivieren op, welken wij afzakten; ik kon ze niet naderen; dog ik vernam dat de Officier die ze naar Okotsk geleidde, de Heer Behring was, de Zoon van dien zeeman, aan wien Rusland zo veele gewigtige ontdekkingen op de noordwest kust van Amerika verschuldigt is: hij dagt, zeide men mij, omtrent een en een halve maand bezig te zullen zijn om den togt te doen die ik in vier dagen had afgelegd.

1788. _Junij_ Den 23.

De muggen waaren ons tot eene onverdragelijke last; wij konden ze niet afweeren dan met de rook van verrot hout; wij gebruikten de voorzorg om het vuur dag en nagt aan den gang te houden.

Uitwatering van de Maya in de Aldann.

In den agtermiddag, verliet ik de rivier Maya, om in eene andere die veel breeder en snelder was te komen, genaamt de _Aldann_[189]: dog ik voer dezelve alleen over om eene wooning te bereiken aan de overkant gelegen, regt tegens de mond van de Maya over[190].

[189] Zij valt op eenigen afstand en ten noorden van Yakoutsk in de Léna.

[190] Deeze plaats word _Oust-mayar pristann_ genaamt, of de haven van de mond van de Maya.

Bijzonder toeval dat mij paarden verschaft.