Part 26
Veertien à vijftien honden waaren oorzaak van deeze beweeging; derzelver meesters kermden gezamentlijk, het zij uit meedelijden of uit gierigheid, over het lot van deeze arme dieren, welker verlies zeker scheen. Gerust op de ijsschotsen gezeten, waar door ze weggevoerd wierden, zagen ze met eene verwonderde houding de geschaarde menigte langs den oever; nog het geroep, nog de teekens, welken door al dit volk gedaan wierden, konden deeze in beweeging brengen; twee evenwel zogten zich te redden, en zij geraakten met veel moeite aan den anderen kant: de overigen verdweenen binnen eenige minuuten; eenmaal in volle zee zijnde hebben zij daar ongetwijffelt den dood gevonden.
Dit waaren de eenigste slagtoffers van het losgaan der rivier; dog de uitwerkzelen hier van zijn menigmaal zo gedugt geweest, dat men jaarlijks alle de huizen in de nabuurschap der rivier ontruimt[172]; de verstrooide overblijfzelen langs den oever bevestigen, dat 'er veelen door diergelijke treurige gebeurtenissen weggesleept zijn. Men heeft mij verzekert, dat in eenige jaaren bijna een vierde gedeelte van de stad daardoor verwoest is geworden.
[172] Men heeft in de beschrijving van Okotsk gezien, dat deeze gebouwen de wijk der Kooplieden uitmaaken; uit bevreestheid hadden zij allen hunne winkels op de plaats van het gouvernement overgebragt: zij beslooten zich in het vervolg daar neer te zetten; en dienvolgens herbouwde men aldaar hunne wooningen, wier getal aanmerkelijk vermeerdert wierd.
Men wagte met ongeduld, dat deeze rivier deszelfs loop hernam: het wierd tijd, dat zo dra mogelijk de vischvangst levensmiddelen verschafte tegens het gebrek, het geen zich begon te doen gevoelen, de voorraad van visch, in den voorigen zomer verzameld, was van weinig belang geweest, en bijna verbruikt; het meel was insgelijks zeer geminderd, en het geen 'er nog van overig was, wierd tot zulk een aanmerklijken prijs verkogt, dat het gemeen 'er niets van bekomen kon. In deezen nood vertoonde de menschlievendheid van den Heer Kokh zich op het sterkst. In de magazijnen van de kroon was nog roggemeel in voorraad, en hij deelde zulks aan het behoeftigste gedeelte der inwoonders uit; deeze afgifte verschafte wel eenige ondersteuning, dog het was van geen langen duur; de Heer Kokh, die dagelijks verscheide persoonen uit de stad aan zijne tafel ontfing, zag zich zelfs genoodzaakt om van den weinigen voorraad, dien hij van het voorige jaar overgehouden had, gebruik te maaken. Eindelijk aten wij geen ander dan in de zon gedroogd ossevleesch. Om versch vleesch te verkrijgen liet de Heer Majoor op de rendieren en argalis jaagen, dog men had maar eenmaal het geluk om er van aantebrengen.
De rivier geheel van het ijs bevrijd zijnde, deed hij aanstonds de zegen uitwerpen; ik was daar met een groot gedeelte der inwoonders van de stad, en na mijne gedagten, was dit schouwspel veel fraaijer dan het eerste: onbeschrijflijk waaren de gewaarwordingen en de blijdschap van deeze menigte getuigen, bij het eerste ophaalen van het net; het was met een verbaazend aantal kleine visch gevuld, als spiering, haring enz. op dit gezicht vermeerderde de vreugd en het gejuich; de meest verhongerden wierden eerst geholpen; men gaf hen al het geen, het welk dit gelukkig begin opgeleverd had. Ik kon mijne traanen niet wederhouden, wanneer ik de graagte van deeze ongelukkigen zag; geheele huisgezinnen betwisten zich onderling de visch, en verslonden dezelve geheel raauw voor onze oogen.
Op deeze vischvangst, die van dag tot dag overvloediger wierd door het terugkomen van de salm[173] en andere groote visschen in deeze rivieren, volgde de jagt op de watervogels[174], die welhaast de oppervlakte 'er van bedekten; dit was een nieuw middel van bestaan voor de inwoonders.
[173] De toebereiding van de salm geschied hier op dezelfde wijze als in Kamschatka.
[174] Ik meen reeds rekenschap gegeeven te hebben van de wijze, waar op deeze jagt zeer gemaklijk in den ruij-tijd deezer vogelen geschied. De stok is het eenigste wapentuig, waar meede men dezelve aanvalt.
Toebereidzelen tot mijn vertrek.
Ondertusschen vorderde het jaarsaisoen, en niettegenstaande zeer menigvuldige nevels zagen wij bij tusschenpoozen eenige schoone dagen. Deeze kwamen ons des te fraaijer voor, dewijl in den nagt van den 29. twee duim sneeuw viel, en dat de koude een graad boven nul aanwees; het water liep langzaamerhand af, dog men wierd nog geene teekens van groeijing gewaar. Eenige verrotte grasscheuten, de ellendige vrugten der laatste poogingen van de natuur bij het eindigen van den voorigen herfst, waaren het eenigste voedzel, welk het aardrijk voor de paarden opleverde, in afwachting van dat, welk de terugkomst van de lente hen beloofde.
Reeds brande ik van begeerte om te vertrekken, en hoe zeer ik voor mij zelfs niet verbergen kon den slegten staat, waar in deeze dieren zich nog moesten bevinden, drong ik echter den Heer Kokh om spoedig allen die voor mij aangehouden waaren, te verzamelen, dewijl ik beslooten had om mij uiterlijk den 6 Junij op reis te begeeven. Zijne beveelen wierden stiptelijk ter uitvoer gebragt, en het was door zijne voorzorg, door de goedheid van Mevrouw Kasloff, en door de geschenken van verscheide vrienden, welken ik in deeze stad agterliet, dat ik mij eensklaps van een ruimen voorraad van beschuit en brood voorzien zag; zonder het terugdenken op het gebrek, het geen wij ondervonden hadden, kon ik niet anders dan zeer vergenoegd over deeze weldaaden zijn; dog het denkbeeld, dat ik mij met de opofferingen der vriendschap zou moeten voeden, kwetste mijne gevoelige ziel, en het kostte mij zeer veel om te behouden, het geen ik niet te rug kon doen neemen; want hoe meer zwaarigheden ik maakte, des te meer beklag en aanhoudende verzoeken, voor welken ik eindelijk moest zwichten, had ik doortestaan.
De dag voor mijn vertrek wierd tot het afscheid neemen besteed. Ik had het genoegen te verneemen, dat de Heer Loftsoff voorneemens was mij tot Moundoukann te vergezellen; eenige zaaken betreklijk deszelfs opbouwing vorderden ook, dat de Heer Hall derwaards ging, die ook dadelijk besloot om met ons daar heen te reizen. Ik verwachtte niet van nog een ander reisgezel, voor wien ik eene dubbelde achting bezat, te zullen bekomen; de Heer Allegretti verwittigde mij des avonds, dat hij zich voorgesteld had om mij tot aan het kruijs van Yndoma te vergezellen: en hoe groot was mijne verwondering en erkentenis, wanneer ik vernam, dat zijne verkleeftheid aan mij de eenigste beweegoorzaak van zijn reis was! Van mijne twee soldaaten ging Golikoff alleen met mij. Nedarézoff bleef te Okotsk, dog ik nam zijn vader mêe, die mij gegeeven wierd om voor stuurman op de rivier Yndoma te dienen. Een aantal werklieden moesten volgens mijne afspraak met den Heer Kokh dadelijk na ons vertrekken, om onder mijne oogen de vaartuigen, welken te zeer beschadigt zouden zijn, te herstellen, ten einde ik aan geene nieuwe gevaaren of aan langer uitstel blootgesteld zou weezen.
Alle mijne toebereidzelen in gereedheid zijnde, scheurde ik mij uit de armen van den Heer Kokh. Verscheiden der inwoonders deeden mij de eer aan, van mij tot buiten de poorten der stad te geleiden, alwaar onze paarden reeds te vooren gebragt waaren; daar scheiden wij onder wederzijdsche zegenwenschen, en het verschaft mij altoos genoegen van zeker te weezen, dat mijne herbergers mij verlaatende de blijken met zich voerden van geenen ondankbaaren wel gedaan te hebben.
Op het gezicht van het ros, dat ik beklimmen moest, sprong ik van schrik en meedelijden agter uit; nimmer had ik een diergelijk slegt paard gezien; ontvleeschte en ingezonken heupen, een smal en puntig kruis, alwaar men alle de beenen kon tellen, een uitgerekte hals, de kop tusschen de beenen, en waggelende op zijne kooten, ziet daar een getrouw afbeeldzel van het beest, dat mij draagen moest: dat men de gedaante der andere paarden beoordeele, dewijl het mijne voor een der minst slegte gehouden wierd; het zadel scheen mij toe veel na de onzen te gelijken; die der vervoerders van ons reisgoed waaren veel kleinder, van hout en open; boven op dit draagzadel stonden twee kruisgewijze stokken, waar aan men den last[175] ophing en vastmaakte, evenwel met in achtneeming van het gewicht aan beide zijden gelijk te maaken, want de minste onevenredigheid zou wel dra deeze arme dieren het evenwicht hebben doen verliezen.
[175] Dit waren lederen en mantelzakken, ze hebben dit vooruit, dat de zijden van het paard daar door niet kunnen gekwetst worden; derzelver gewicht is gewoonlijk van vijf pouds of twee honderd ponden, en nooit zijn ze zwaarder dan zes pouds of twee honderd veertig ponden; men noemt dien last _riouki_ en derzelver draagers RIOUSCHNI-LOSCHADEI; wanneer de goederen minder zwaar of van een klein begrip zijn, plaatst men dezelve op den rug van het dier, en maakt die meteen paardenhairen riem die onder den buik doorgaat, daaraan vast.
Zoutgroef drie uuren van Okotsk.
Het was in deeze erbarmelijke uitrusting, dat onze caravaane zich op weg begaf. Om ons eenigzints over den langzaamen voortgang te vertroosten, vervrolijkte zich een ieder ten kosten van deszelfs ros; twaalf wersten van Okotsk toonde men mij aan den oever der zee eene vrij aanmerkelijke zoutgroef; de menschen, die daar werken, zijn allen kwaaddoenders, of lieden door de justitie gestraft; dat huis voorbij zijnde, lieten wij de zee aan onze linkerhand, om eenigen tijd de Okhota langs te rijden.
1788. _Junij_ Den 6.
Aanmerkingen over de Okhota en bijzonderheden omtrent mijne reis.
Daar het ontdooijen der rivier zo veel vrees in de stad verwekte, zijn deszelfs overstroomingen echter niet minder gevaarlijk voor de omleggende streeken; treed zij haare oevers te buiten, niet alleen overstroomt zij als dan de nabuurige landen, en nu een geweldige stroom geworden, verheft zij zich te heviger, naar maate zij veld wind; men verhaald, dat men wel eens deszelfs water twee voet boven de kruin der hoogste boomen heeft gezien; hier uit kan men opmaaken, hoedanige verwoestingen zij aanricht; dit is altans zeker, dat ik in de bosschen holle wegen heb aangetroffen van eene verbaazende diepte, welken men mij zeide haar werk te weezen.
Ten naasten bij te Medvéjé Golova gekomen, viel mijn paard onder mij neder, zonder dat het mogelijk was het weder te doen opstaan; gelukkig had ik tijds genoeg om het zadel te verlaaten, en ik wierd niet in deszelfs val mêegesleept; het beest bleef op de plaats leggen[176] alwaar het zelve ongetwijffeld eenige uuren daar na zal omgekomen zijn; wij behielden nog elf paarden; mij wierd dadelijk een ander gegeeven; en ik kwam zonder eenig ander ongeval in het dorp.
[176] Het verlies van deeze dieren schijnt de Yakouters weinig aan te doen; het komt in hen zelfs niet eens op om ze hulp toetebrengen; zo dra zij weigeren dienst te doen, of dat zij van verzwaktheid of vermoeitheid neervallen, geeft men ze aan hun jammerhartig lot over; ook ziet men de wegen met derzelver lijken bezaaid, die ten voedzel voor de beeren verstrekken, welken hun roof niet verlaaten, voor en aleer 'er niets meer dan de beenen overblijft. Geen tien treeden ver of wij vonden van deeze geraamtens van paarden, en ik geloof, dat ik tot aan het kruis van Yndoma, er meer dan twee duizend gezien heb. Mijne geleiders verhaalden mij, dat de meesten het voorige jaar omgekomen waaren, bij gelegenheid van de overvoering der bouwstoffen, geschikt voor den togt van den Heer Billings van Yakoutsk naar Okotsk; men was door de overstroomingen overvallen geworden, en naauwlijks hadden de menschen zich kunnen bergen. Een gedeelte der laadingen was nog onder een soort van lootsen, en die labazis geplaatst, waar van ik gesprooken heb, alwaar de reizigers hunne goederen bergen, tot dat de afloop van het water hen de gelegenheid verschaft om dezelve te komen weghaalen; men voegde daar nog bij dat de Yakouters dus jaarlijks vier a vijf duizend paarden, in de overvoering der Koopmansgoederen, waar toe ze gebruikt worden, verliezen.
1788. _Junij_ Den 7.
Den anderen dag des morgens ten negen uuren vertrokken wij van daar en doorwaadden de rivier Okhota, welke wij vervolgens verlieten. Ik ontdekte hier en daar op den weg, op een vrij grooten afstand den een van den ander geplaatst, eenige Yakoutsche yourtes. Zeldzaam ziet men 'er eenigen bij elkander.
De neiging van deeze geslachten om zich dus ieder op zich zelven te plaatzen, zou die niet deszelfs oorsprong ontleenen uit een beweegreden van eigen belang, van zeer veel gewicht voor dit volk? daar de paarden derzelver eenigsten rijkdom uitmaaken, hoe zouden de eigenaars derzelven (men vind 'er die duizend en meer paarden bezitten) indien de wooningen bij elkander geplaatst waaren, aan hunne talrijke stoeterijen voedzel kunnen bezorgen? de weilanden in den omtrek zouden welhaast uitgeput zijn. Om daar aan te gemoet te komen, zou men genoodzaakt zijn de kudde ver weg te zenden, en hoeveel ongemaks zou zulks niet berokkenen, zo door de nalaatigheid als ontrouw der hoeders?
Den 8.
Wanneer wij te Moundoukann aankwamen, waaren onze paarden zodanig vermoeid, dat wij daar den nagt en den dag van den 8. doorbragten.
Ik heb boven reeds gezegt[177] dat dit dorp twintig wersten van Medvéjé-Golova afgelegen is; de rivier, die er langs loopt, ontleend deszelfs naam van het dorp.
[177] Ziet mijn eerste reize van Okotsk, Bladz. 171.
1788. _Junij_ Den 9.
Met het aanbreeken van den dag verliet ik de Heeren Hal en Loftsoff, die hier blijven moesten; en aanstonds moest ik een hoogen berg genaamt _Ourak_ overrijden, welkers top nog met sneeuw bedekt was; onze paarden liepen tot den buik er door, en hadden op deezen weg veel te lijden.
Langs den voet van deezen berg stroomt de rivier, die denzelfden naam draagt; zo breed als diep, is haar loop ook niet minder sterk; op den oever ziet men eene yourte, welke men mij zeide door lieden bewoond te worden, die het ambacht van schuitevoerders waarnamen, dog nu waaren ze allen van huis, mogelijk wel op de jagt. Uit derzelver openstaande wooning was optemaaken, dat ze zich maar zedert weinige dagen uit bevonden.
Wanneer het ons verveelde om hen langer te roepen en te wachten, bragten wij het minst beschadigde vaartuig van die, dewelken aan den oever vastgemaakt waaren, te water; na lang zoekens vonden wij de riemen; men ontlaadde en ontzadelde de paarden en de goederen wierden in de schuit gebragt, die ons beurtelings aan den anderen kant bragt; nu bleeven onze harddraavers nog overig, en ik was zeer bevreesd, dat ze de rivier niet zouden kunnen overzwemmen; de gerustheid, die mijne Yakouters daar omtrent vertoonden, kwam mij onbegrijpelijk voor; door stokslaagen dwongen zij ze in het water te gaan, de schuit ging vooraf om ze te bestieren, terwijl een der geleiders aan land gebleeven dezelve met steenen wierp, en ze door zijn geschreeuw schrik aanjoeg, ten einde ze het te rugkeeren te beletten; na verloop van een half uur kwamen ze onbeschadigd weder bij ons; dadelijk wierden ze gezadeld, op nieuws belaaden[178], en wij vervorderden onze reis.
[178] De Yakouters zijn hier aan zodanig gewoon, dat ze zulks den handigsten stalknecht niet zouden gewonnen geeven; ze maaken de lastpaarden drie aan drie met de staarten aan elkander vast, en eene riem is genoegzaam om ze allen te mennen.
De kragteloosheid onzer paarden noodzaakte ons vijf en twintig wersten van Moundoukann stiltehouden, ter plaatze die hen het meeste voedzel aanbood, en alwaar men het spoor der beeren het minst ontdekte.
Na een vasten van zes maanden, dat is te zeggen, na het eindigen van den winter, begrijpt men dat de gulzigheid der beeren verbaazend is; uit hunne schuilplaatzen gekomen, verspreiden zij zich door de velden; en bij gebrek van visch, die de rivieren als dan nog in geen groote hoeveelheid opleeveren, vallen zij woedend op alle dieren, die zij maar vinden en voornamelijk op de paarden aan; wij waaren ter onzer eige behoudenis verplicht middelen uittedenken om ze afteweeren: ziet hier eene beschrijving van onze gewoonlijke voorzorgen, waar door de leezer zich een denkbeeld van onze rustplaatsen zal kunnen vormen.
Rustplaatzen der Yakouters.
De plaats uitgekoozen zijnde, ontlaad men de paarden en laat die in vrijheid wijden, rondom ons kleine leger staken wij van afstand tot afstand vuuren aan, vervolgens deed ik verscheide snaphaanschooten, voor dat ik mij in mijn tent begaf; men had mij verzekert, dat het geluid en de reuk van het kruid de beeren doed vluchten; wanneer de dageraad aanbrak, verzamelde men de paarden: indien 'er zich eenigen wat ver af begeeven hadden, kwamen ze op het geschreeuw mijner Yakouters aanstonds opdagen: deeze bezitten daar in dezelfde bekwaamheid als de Koriaken omtrent derzelver rendieren.
Den 10.
Verwonderd zijnde van geduurig paardemaanen of staarten aan de takken van de boomen te zien hangen, vroeg ik daar van de reden, en ik vernam dat dit offerhanden waaren, gedaan door de Inwoonders des lands aan de bosch en weg Goden: mijne wegwijzers hadden daar derzelver begunstigde plaatsen, alwaar zij op eene Godsdienstige wijs diergelijke gaaven gingen vastmaaken; deeze bijgeloovigheid heeft ten minsten die nuttigheid, dat de offers, welke zij aanbrengt, tot wegwijzers kunnen dienen.
1788. _Junij_ Den 11.
Den voorigen dag hadden wij verscheiden armen van de rivier Ourak doorwaad, die zich in onnoemlijk veel takken verspreid; door geen derzelven waaren wij opgehouden geworden. Den 11, des middags ten vijf uuren, kwamen wij weder aan deeze rivier; deszelfs breedte was niet zeer aanmerkelijk, en indien de regen[179] die tot aan den avond viel, dezelve niet zeer vergroot had, zouden wij niet geaarzeld hebben om die even als daags te vooren doortetrekken; het opperhoofd van mijne geleiders zeide mij, dat hij 'er gevaar in zag; dog men had mij gewaarschuwt, dat, indien ik zwak genoeg was om na hunnen raad te hooren, zij op de minste zwaarigheid mij dringen zouden om op den vollen dag stil te houden, meer om zelfs uit te rusten, dan wel om hunne paarden verkwikking toetebrengen. Ik besloot derhalven hen te noodzaaken om ten minsten den doortogt te beproeven, en de uitslag overtuigde mij van de juistheid der gemaakte aanmerking; hij, aan wien ik bevel gaf om in de rivier te gaan, wierd genoodzaakt van spoedig weer aan land te komen; zijn paard had eenige treen van den oever den grond verlooren: wij moesten ons in de nabuurschap legeren, alwaar onze paarden gelukkig te graazen vonden. Om geen tijd te verliezen deed ik geene andere maaltijd dan des avonds, terwijl ik over dag niets anders dan roggebeschuit gebruikte; dog ik had al mijn volk gelast van mij te waarschuwen, wanneer men eenig wild zou ontdekken[180], zo dat wij een geruimen tijd alleen van de jagt leefden; de nooddruft is een goed meester; en door de gewoonte verkreeg ik allengskens de bekwaamheid.
[179] Ik was dien dag ooggetuige van eene zaak, welke verdiend verhaald te worden: mijne Yakouters trokken met behendigheid groote stukken schors van pijnboomen af, en wisten zich daar van een soort van parapluie te vervaardigen, waar onder zij den nagt doorbragten.
[180] Behalven het watergevogelte vonden wij zeer dikwijls op onzen weg korhaanen, witte patrijzen, jonge hoenderen, en wij raapten insgelijks de eijeren, wanneer wij die aantroffen.
Indien het gebeurde, dat ik eenige ligtgraauwe konijnen doode, was dit ten voordeele van mijne Yakouters, uitgezondert het vel, dat ze mij wedergaven; Golikoff had mij dit vleesch tegen gemaakt, dat ik op zijn woord voor zeer slegt hield. Eens echter, bekoord door de witheid van deeze kleine gekookte beestjes, was ik begeerig daar van te eeten; zij hebben den smaak van het dennenhout, dog minder onaangenaam als men mij gezegt had. Op een tijd, dat wij gebrek hadden, heb ik mij daar wel aan vergast, en ik kan gemaklijk begrijpen, dat de Yakouters zulks voor eene lekkernij houden.
Gewoonlijk voedzel der Yakouters.
Derzelver voornaamste geregt, het welk zij _Bourdouk_ noemen, stond mij veel meer tegen; dit is een dik afkookzel van roggemeel[181] en water in het welk zij vischtraan mengen, na dat ze het van het vuur genomen hebben: zij konden daar zo veel van gebruiken, dat ik 'er van ijsde. In het algemeen worden ze voor de grootste eeters gehouden; somtijds, voegt men 'er bij, braaden ze een paard om zich eens degelijk te vergasten, het welk in weinig uuren door een klein aantal van gasten opgebruikt word; al wat de maag of pens van het dier bevat, is voor hun geen versmadelijk beetje. Wie zou gelooven, dat menschen van zulk eenen verslindenden aart op een anderen tijd eene maatigheid bezitten, die ons ondragelijk zou toeschijnen, en dat zij menigmaal genoodzaakt zijn verscheide dagen zonder eeten te weezen?
[181] Bij gebrek van roggemeel neemen zij de schors van jonge pijnboomen, kooken die vervolgens en maaken ze fijn.
1788. _Junij_ Den 12.
Ik wierd vroegtijdig door mijne wegwijzers wakker gemaakt, die mij kwamen zeggen, dat het water des nagts merkelijk gevallen was; terwijl men ons reisgoed oplaadde, zag ik eenige lieden te paard ons naderen, die om dezelfde reden aan de andere zijde waaren opgehouden, zij hadden om aan onzen kant te komen geen het minste gevaar geloopen, en zij stelden ons gerust.
Ontmoeting van eene Caravane Kooplieden.
Dit waaren in verval geraakte Kooplieden, die het geluk gingen beproeven, als gemagtigden van een rijk handelaar, wiens vooruitzichten in den handel de goedkeuring van het hof en al de ondersteuning die hij benoodigt was, hadden verworven; deeze hadden ten oogmerk den handel in pelterijen, voornamelijk in Sabelmarters, in het land der Koriaken of bij de Tchouktchis gevangen; die factooren moesten zich van den mond der rivier Pengina af tot diep landwaards in verspreiden; de reis zou vier of vijf jaaren duuren; zij waaren niet alleen voorneemens om overal bontwerk te koopen, dog daar en boven om zelfs de dieren, die 'er van voorzien zijn, te vangen: en daar zij geen andere beletselen vreesden dan die hen door de Inlanders konden veroorzaakt worden, hadden zij zich van wapenen en kruid en lood voorzien, ten einde in staat te zijn om derzelver aanvallen afteweeren.
Wanneer zij ons verlieten, sloegen zij een blijk van medelijden op onze ellendige paarden, terwijl wij met een benijdend oog de sterkte en welgesteldheid van de hunnen beschouwden. Uit den omtrek van Yakoutsk gekomen, alwaar men wintervoeder opzamelt, vertoonden deeze dieren vlak het tegengestelde van de onzen, welke mij nu door vergelijking nog veel slegter voorkwamen.
Wanneer wij de rivier overgetoogen waaren, vroeg ik aan mijne wegwijzers, of ik nu hoopen kon, dat dit voor de laatste keer zou zijn; "Neen, zeiden zij, voor dat de dag geeindigt is, moeten wij 'er nog drie overtrekken".
Uit de beschrijving, die zij 'er mij van deeden, maakte ik op, dat dit wederom armen van de Ourak moesten weezen. Wat hier ook van zijn mogt, mijn vrees vernieuwde bij iedere doortogt, het denkbeeld dat een paard aan het waggelen raaken en met mijn kistje kon vallen, deed mij huiverig zijn.
Uitsteekende dienst welke Golikoff mij bewijst.