Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 24

Chapter 243,755 wordsPublic domain

Indien mijn plicht mij alle vrijwillig verwijl niet verboden had, geloof ik dat het mij moeite zou gekost hebben, om zijne dringende noodiging, en het genoegen, dat ik in zijn gezelschap smaakte, te wederstaan; dog getrouw aan mijnen last, moest ik mijn geneigtheid en rust aan den spoed van mijne reis opofferen. Ik stelde dit aan de beoordeeling van mijn gastheer, die mijne redenen gehoor geevende, eindelijk mijne begeerte om hem te verlaaten verschoonbaar vond; hij hield zich ook aanstonds bezig met het noodige te verzorgen, om aan mijn verlangen te hulp te koomen.

Genomen maatregelen om mij rendieren te bezorgen.

Zedert mijn aankomst had het niet opgehouden met regenen; luiden uitgezonden, om de wegen te bezichtigen oordeelden dezelve vooral met honden onbruikbaar; volgens derzelver berichten, liet mij de dagelijksche voortgang van den dooij geen hoop over om voorttespoeden dan alleen door het gebruiken van rendieren; om 'er mij te bezorgen zond de Heer Kokh een boode aan eenige zwervende Toungoussen, zedert weinig dagen van Okotsk vertrokken.

Bezoek afgelegt bij Mevrouw Kasloff te Boulguin.

Deeze maatregelen genomen zijnde, gingen de Heer Majoor en ik naar Boulguin, het lusthuis van Mevrouw Kasloff, die mij als den vriend en den medgezel der gevaaren van haar man ontfing. Ons geheele gesprek liep over dit voorwerp haarer tederheid; terstond vorderde zij een verhaal van onze rampen op het oogenblik van onze scheiding; te vergeefs zogt ik alles, wat deeze beschrijving voor haar te treurig kon maaken, te verzagten, haare gevoeligheid raadde reeds, wat ik voor haar verbergen wilde, en was 'er des te meer over aangedaan. Ik bevond mij weinig in staat om haar gerust te stellen, want ik was zelf niet vrij van ongerustheid over deezen beminnenswaardigen bevelhebber; dog door den Heer Kokh geholpen, vertoonde ik een vrij gerust gelaat; ik nam mijn toevlucht tot gissingen; hij verzamelde van zijn kant de meest vertroostende waarschijnlijkheden, en wij stelden eindelijk deeze tedere vrouw gerust met haar op de nabijzijnde terugkomst van den Heer Kasloff te doen hoopen. Deeze dame, te Okotsk gebooren, scheen de beste opvoeding genooten te hebben; zij spreekt het Fransch met zeer veel bevalligheid. In de stilte haarer afzondering, stelde zij al haar genoegen daar in, om haare dogter, omtrent drie jaaren oud, en het levendig afbeeldzel van den vader, wel optevoeden.

Den 7.

Na dat ik alle mijne bezoeken bij de Officieren van de bezetting afgelegt had, keerde ik volgens mijne belofte naar Boulgum om aldaar het middagmaal te houden, wanneer Mevrouw Kasloff mij voor haare ouders te Moscou brieven meedegaf.

1788. _Maij_ Den 8. Te Okotsk.

Onmoogelijkheid om rendieren te bekomen en toebereidzelen.

Den volgenden morgen kwam onze boode te rug, dog hij had de Toungoussen niet kunnen agterhaalen, die zich landwaards in verspreid hadden; dus bleef 'er geen hoop meer overig om rendieren te bekomen: echter kwam het mij van belang voor om mijn vertrek niet te vertraagen, dewijl de wegen dagelijks slegter wierden; hoe langer ik wacht, zeide ik tot mij zelfs, hoe moeijelijker het word om het kruis van Yudoma, voor dat de rivieren geheel ontdooijt zullen zijn, te bereiken, en hoe meer ik waagde, van door de overstroomingen te zullen opgehouden worden; vervuld van deeze bedenkingen, viel ik den Heer Majoor op nieuw lastig; het baatte niet om mij alle de onaangenaamheden voortestellen, die ik zou moeten ondergaan, de beletzelen, waar meede ik zou te strijden hebben, de gevaaren zelfs waar door ik zou bedreigt worden, daar het jaargetij reeds te ver voor de sleedenvaart verloopen was; ik meende van mijn verzoek niet te moeten afgaan. Door mijn lang aanhouden overgehaalt, beloofde hij mij eindelijk de noodige beveelen te zullen geeven, ten einde dat mij niets zou verhinderen om twee dagen daar na te vertrekken; alleen voegde hij daar als eene voorwaarde bij, dat zo dra ik mij in groot gevaar zou bevinden, ik als dan aanstonds moest terugkomen: ik was zo verheugt over het verkrijgen van mijne vrijheid, dat ik mij tot alles verbond, wat hij maar begeerde; het overige van den dag wierd besteed met door de stad te wandelen, ten einde daar van een denkbeeld te vormen; verscheiden persoonen van ons gezelschap verzelden mij om mij in mijne naspooringen te regt te helpen.

1788. _Maij_ Den 9. Te Okotsk.

Beschrijving van de stad Okotsk.

De stad Okotsk, die langer als breed is, strekt zich van het oosten naar het westen bijna op een en dezelfde lijn uit; aan den zuidkant ziet men de zee omtrent honderd treeden van deszelfs wooningen; deeze tusschenruimte bestaat uit een zandoever met keizelsteenen bezet: ten noorden bespoeld de rivier Okhota deszelfs muuren; de mond van deeze is ten oosten, namelijk, aan de punt van de landengte, waar op de stad gebouwd is, en die zich vervolgens westwaards verbreed; van binnen heeft deeze hoofdstad niets aanmerkenswaardig; de huizen zijn bijna allen van het zelfde maakzel, het zijn niet anders dan isbas, waar van eenigen ten oosten gelegen, ruimer en beter ingericht dan de anderen, door de Officieren bewoond worden. De Heer Kokh woont in het tegenoverleggende wijk; de deur van zijne plaats komt in de groote straat uit, dewelke door een vierkante ruimte afgedeeld word, alwaar men het huis van den Commandant en de Cancelarij ziet, dat te zamen maar een gebouw uitmaakt; regt tegen over is het wagthuis, en ter slinker zijde de parochie kerk; alle deeze gebouwen maaken geene groote vertooning: eertijds waaren ze binnen eene palissadeering beslooten, waar van naauwlijks eenige overblijfzelen te zien zijn. Eene overgebleeven poort ten westen van het gouvernement toont nog de plaats aan, het geen men de fortres noemt; daar agter is een straat na bij de rivier, en door kooplieden bewoond, welkers winkels gelijkvormig geplaatst beide zijden van de straat beslaan.

1788. _Maij_ Den 10. Te Okotsk.

De haven is niet minder dan ruim; ik zou haar zelfs met dien naam niet bestempelen, indien ik daar niet zeven of agt kleine vaartuigen of galjooten geteld had, waar van sommigen aan de kroon, en anderen aan kooplieden toebehooren, die in Americaansch bontwerk handel drijven; deeze haven is ten oosten, bijna aan het uiterste van de stad, en digt bij de rivier, die dezelve door haare kronkelingen vormt. Op het verzoek van den Heer Hall, scheepsluitenant, ging ik op de werf twee kleine vaartuigen bezichtigen, die men bezig was te vervaardigen voor den togt, tot ontdekkingen geschikt, en aan den Heer Billings toevertrouwt. Het scheepsvolk, de soldaaten en de arbeiders waaren met groote kosten herwaards gezonden; allen werkten zij met den meesten iever aan deeze uitrusting [161], welke na mijne gedagten aan de Keizerin vrij wat kosten zal.

[161] Welhaast zal ik geleegenheid hebben hier van nader te spreeken.

Vertrek.

De Heer Kokh had volgens zijne belofte in alle de toebereidzelen tot mijn vertrek voorzien; des avonds van den 10. waaren mijn zes sleeden gelaaden en voorgespannen; terstond nam ik afscheid van den braaven Majoor, en de Officieren, die mij bij het vaarwel zeggen, derzelver wensch om mij wedertezien vernieuwden.

Mijn gevolg was met twee man vermeerderd, die mij voor stuurlieden op de rivier Yndoma moesten dienen; niettegenstaande de slegte wegen reisde ik echter den gantschen nagt door, want ik ondervond welhaast, dat men mij deswegens een naauwkeurig bericht gedaan had; ik vond dezelve met water vervuld, en op sommige plaatzen, voornamelijk in de bosschen, liepen onze honden tot den buik 'er door; de wind was geduurig zuidelijk en de lucht zeer bezet; alles duide aan, dat de dooij voortgang zou hebben.

1788. _Maij_ Den 11.

Na de rivier Okhota overgereeden te hebben, bereikte ik echter zonder eenigen ramp het dorp Medvejé-goloije, of het _beerenhoofd_, vijf en veertig wersten van Okotsk gelegen, en bewoond door Russen en Yakouters. Ik kwam daar met het aanbreeken van den dag, dog mijne honden waaren zo vermoeid, dat ik besloot om aldaar dien dag en zelfs den volgenden nagt te verblijven, dewijl 'er geen nieuw voorspan in deeze plaats te verkrijgen was.

1788. _Maij_ Den 12.

Gevaarlijke overtogt.

Ik dagt den volgenden morgen mij naar Moundoukan te begeeven, omtrent twintig wersten van het voorige dorp afgelegen; ter halver weg weigerde een gedeelte van ons voorspan langer dienst te doen; niettegenstaande onzen weerzin begaven wij ons echter op eene rivier, die ons een gemaklijken weg scheen aantebieden; naauwlijks waaren wij eenige treden voorwaards gereeden, of een onverwagt gekraak deed zich onder onze sleeden hooren; een oogenblik daar na gevoelde ik mij zagtjes ingezonken, een ysschots ondersteunde mij; deeze brak op nieuw en de schaatzen van mijne slêe raakten meer als voor drie vierde gedeelte onder water; tevergeefsch trachte ik 'er uittekomen, de minste waggeling zou mij meer voorwaards in het water gestort hebben. Gelukkig was deszelfs diepte maar vier voet; door veel arbeids gelukte het mijn gevolg om 'er mij uittehaalen, dog zij, welken mij te hulp kwamen, hadden die bijna ter zelfder tijd noodig; wij moesten de een den ander de hand geeven om weer op het land te komen; want ik wilde, doof voor de vertoogen van mijne geleiders, mijn weg vervolgen; de sneeuw smolt echter zo spoedig, dat onze honden door het water plompten zonder voorwaards te geraaken, zij vielen de een op den ander afgemat neder.

Voorstel van een mijner wegwijzers.

Onder mijne leidslieden bevond zich een sergeant, dien de Heer Kokh mij tot meerdere zekerheid meedegegeeven had; daar hij voor zeer onverschrokken en als een man van ondervinding bekend stond, beschouwde ik hem als mijn compas en beveiliger: het oog onophoudelijk op hem vestigende, sloeg ik alle zijne beweegingen, en zijne houding gaade, en tot hier toe scheen hij mij eene onverzettelijke gerustheid te bezitten. Onder alle de murmureeringen van mijne andere medgezellen was 'er uit zijn mond geen ekel woord gekomen; hij had zelfs geene vertooning die eenige verbaasdheid aanduide, doen blijken. Ik moest natuurlijk deeze stilzwijgendheid voor eene afkeuring der vrees, die men mij trachtte inteboezemen, en deszelfs gerust gelaat voor eene aanmoediging, om mijn weg te vervolgen, houden; nimmer verwonderde ik mij meer, dan wanneer ik dien man eensklaps zag stilhouden, te kennen geevende, dat hij niet verder zou gaan. Ik ondervroeg hem, ik drong hem om zich nader te verklaaren. "Te lang heb ik reeds gezweegen, antwoorde hij mij; teruggehouden door mijne eigen-liefde, door niet gerekend te willen worden minder kloekmoedigheid te bezitten, heb ik telkens uitgestelt om u mijn gedagten meedetedeelen weegens de gewaagde onderneeming, welke gij wilt ter uitvoer brengen; dog hoe meer ik uwe stoutmoedigheid bewonder, des te meer vind ik mij verplicht om voor te komen, dat dezelve u niet in onoverkomelijke rampen stort, en ook om u de gevaaren en de hinderpaalen van allerlei aart voor oogen te houden, die op iederen tred voor u zullen ontstaan; reeds ontdoen zich de meeste rivieren van het ijs; wanneer gij uw oogmerk, het geen ik echter niet geloof, bereikt om ze overtekomen, meent gij dan, dat gij niet in weinig tijds verrast, en door de overstroomingen zult ingeslooten worden? Waar in zal dan uwe toevlucht bestaan? mogelijk om een schuilplaats op een berg of in een bosch te zoeken: zult gij dan gelukkig genoeg zijn om 'er een aantetreffen? Zult gij even als de inwoonders van deeze streeken[162], in diergelijke omstandigheden, u zelven een hut op de kruin van een boom vervaardigen, om daar vijftien dagen te verblijven, tot dat het water afgeloopen zal zijn? Wie zal instaan, dat het zelve niet vooraf tot uwe schuilplaats toe zal steigeren, dat het u niet met den boom, die u draagt, zal wegsleepen? zijt gij eindelijk verzekert, dat de voorraad uwer levensmiddelen u geduurende dien tijd voor gebrek zal kunnen behoeden? Indien dit kort voorstel van de rampen, die u wachten, niet voldoende is om u afteschrikken, zo gij aarzelt mij te gelooven, vertrekt dan, gij zijt daar meester van, ik heb mij van mijn plicht omtrent u gekweeten, staa mij toe, dat ik u verlaat".

[162] Deeze, gewoon aan diergelijke beletselen, wanneer zij in dit jaargetij reizen, vlugten op de hoogste boomen, en maaken van de takken een soort van hutten, die zij _labazis_ noemen, dog dikwils gebeurt het, dat zo de watervloed hen al geen hinder aanbrengt, zij echter door gebrek aan levensmiddelen omkomen.

Ik keer te rug.

Dit onverwachtte voorstel, de schrikkelijke voorspelling, welke het zelve behelsde, liet niet na om indruk op mijn geest te maaken; daar op doordenkende, gevoelde ik dat ik niets beters kon doen dan aanstonds naar Okotsk te rug te keeren, van waar ik nu maar vijfenvijftig wersten verwijderd was.

1788. _Maij_ Den 13.

Den zelfden avond tot Medveje-golova te rug gekomen, bleef ik daar tot den volgenden namiddag ten vier uuren; van daar, tot aan de rivier Okhota, ondervond ik geen andere onaangenaamheid, dan dat ik zeer langzaam vorderde; dog wanneer wij ze moesten overtrekken, hadden wij op nieuw gevaar en angst uittestaan. Ik beken, dat ik in die van mijn volk deelde: ik durfde de breedte van de rivier niet meeten[163], nog het spoor van mijne slêe uit het oog verliezen; de beweegbaarheid van het ijs, het welk de stroom van alle kanten ophefte, deed mij vreezen, dat het zelve onder het gewicht van zo veel reizigers zou bezwijken; ieder oogenblik scheen het mij toe, dat de afgrond zich onder den een of ander van ons opende. Eindelijk, wanneer wij den oever bereikt hadden, telden wij elkander onderling, om ons te overtuigen, dat wij niemand verlooren hadden, en de blijdschap, dat wij aan dit laatste gevaar ontkomen waaren, verschafte ons vleugelen om het overige van den weg tot aan Okotsk afteleggen, alwaar wij op den middag van den 14 aankwaamen.

[163] Zij heeft ten naasten bij de breedte van de Seine te Parijs.

1788. _Maij_ Den 14. Te Okotsk.

Verblijf te Okotsk.

Een zo spoedige terugkomst deed den Heer Kokh en de andere Officieren in het eerst met mij schertzen, een ieder herinnerde mij, dat hij het mij voorspeld had, dog ik was minder verlegen over de dwaasheid mijner onderneeming, dan wel wanhoopend over deszelfs nutteloosheid. Ik berekende met aandoening, dat mijn verblijf in deeze stad mogelijk wel een maand zou duuren; door de treurigste denkbeelden bestormt[164], had ik veel moeite om de blijken van vreugde en vriendschap, die mij zo rijkelijk toegezwaait wierden, te beantwoorden; het goed onthaal, dat ik van alle kanten genoot, verschafte eene zo aangenaams wending in mijn verdriet, dat ik eindelijk omtrent het vaarwel zeggen van dit alles niets verdienstelijks meer bezat.

[164] Alle de wederwaardigheden, die ik zedert mijne ontscheeping in de haven van St. Pieter & Paulus ondergaan had, vertoonde zich allen tegelijk voor mijnen geest; overal meende ik de onoverwinlijke beheersching van het noodlot te ontdekken, dat zich tegens den goeden uitslag van mijne zending aankantte; te vergeefs had ik alles in het werk gesteld om meer spoed te maaken: te vergeefsch had mijn iever, tot roekeloosheid overgeslaagen, mij in verschillende gelegenheden mijn leeven en het mij aanbetrouwde pand in de waagschaal doen stellen; ook was ik nog ver van Petersburg verwijderd: nogtans is het algemeen bekend, dat het mogelijk is deezen togt binnen zes maanden op zijn hoogst afteleggen, dat men zich tot dat einde in het begin van Julij op het galjoot van de regeering of op een koopmans vaartuig kan inscheepen, wanneer men zonder tegenwind te Okotsk binnen drie weeken of een maand aankomt, en zelfs heeft men mij voorbeelden bijgebragt van luiden, die deeze reis in twaalf of veertien dagen hebben afgelegt: den weg van Okotsk tot Yakoutsk kan men in een maand te paart doen; denzelfden tijd heeft men noodig om tot Irkoutsk te komen, het zij dat men de Lena wil opvaaren, het zij dat men verkiest om die te paard langs te rijden; dus moet men in het begin van October daar zijn: ik vooronderstel, dat men geduurende één en een halve maand het begin der sleevaart aldaar afwacht; dus is het in dit jaargetij en op deeze wijs zeer gemaklijk, van zich in zes weeken naar St. Petersburg te kunnen begeeven; de Gouverneur Generaal van Irkoutsk was in agt en twintig dagen derwaards gereist.

Ik weet geene uitdrukkingen te vinden, om mijn ongeduld en wanhoop te schetzen, wanneer ik na deeze berekening weder mijne gedagten over de langduurigheid van mijne reis liet gaan; na agt maanden tijdverloop nog niet verder dan Okotsk! Ik was wel geen meester geweest van het jaargetij uit te kiezen, en ik had drie maanden te Bolcheretsk verlooren in het afwachten van de slêevaart; daar en boven in de noodzaaklijkheid zijnde om te land het schiereiland van Kamschatka omtereizen, had ik met de stormen en duizenden wederwaardigheden, de eene al verdrietiger als de andere, te worstelen gehad; zo veel beletselen waaren zonder tegenspraak even onvermijdelijk als tegens wil en dank (dit word ook bevestigt door het geschrift, het geen de Heer Kokh mij ter hand heeft gesteld, en het welk de leezer aan het einde van dit werk bij het getuigschrift van den Heer Kasloff zal gevoegd vinden); dog indien de zwaarigheden, die men ontmoet, al eene voldoende vrijspraak opleveren, is echter het hartzeer, deswegens niet minder onafscheidelijk van het aandenken aan dezelve; altoos is het treurig zijn pligt niet te kunnen volbrengen, vooral wanneer het beweezen is, dat in andere gevallen en met andere hulpmiddelen het zelve gemaklijk heeft kunnen geschieden; dog ik acht het dubbel smertelijk, wanneer de eindpaal van onze poogingen en verlangens ons vaderland is, en het genoegen van de waardste panden wedertezien; zoodanig waren de overdenkingen die mij bij mijn terugkomst te Okotsk voor den geest zweefden; hier door wierden geduurende verscheiden dagen de vermaaken giftigt, die ieder een mij poogde te verschaffen.

1788. _Maij_ Te Okotsk.

Bevelen door den Heer Loftsoff ten mijnen voordeele gegeeven.

Onder de Officieren van de bezetting had ik voornamelijk zeer veel verpligting aan den Heer Loftsoff, Capitein Ispravnik; hij zond met allen spoed naar de omgelegen streeken bevel, om op het oogenblik de minst slegte paarden optezamelen, en die gereed te houden om op de eerste tijding op reis te kunnen gaan[165]; deeze voorzorg stelde mij in staat om van het gunstig oogenblik zo dra het zich maar vertoonde gebruik te maaken, want ik vleijde mij nog altoos van dit tijdstip veel eer te zullen zien opdaagen, dan men mij wel deed hoopen.

[165] Dit was waarlijk veel gevergt; indien men in aanmerking neemt de bijzondere zwakte van deeze arme dieren, die den geheelen winter geen ander voedzel genieten dan takken van wilgen of berkenboomen, wat voor dienst kan men van dezelven na het genieten van zulk een voedzel verwachten! Om een zo langduurig vasten te kunnen doorstaan, hebben ze zeer de rust benoodigt, die men dezelve geduurende dit jaargetij toestaat; en zelfs kan men hen in het begin van de lente nog tot geen arbeid van belang gebruiken, voor en aleer de krachten door eene betere weide hersteld zijn geworden; naauwlijks zijn de velden door den dooij ontbloot, of zij verspreiden zich daar om het zeerst. Met welk eene graagte vallen zij op de eerste grasscheuten die de lente doet ontluiken, niet aan! zij bespieden, om dus te spreeken, die, welke beginnen uittespruiten; dog hoe spoedig de groeijing ook voortgaat, begrijpt men echter, dat 'er nogtans veel tijd verloopt, eer zij derzelver voorige krachten weder bekomen.

Beleeftheid van Mevrouw Kasloff.

Mevrouw Kasloff, van mijne terugkomst onderricht, had de beleeftheid mij dagelijks van deszelfs lusthuis een overvloedigen voorraad van melk te zenden, die zij wist dat de Heer Allegretti mij ten gebruike aangeraaden had, als het eenigste voedzel, waar door mijn borst hersteld kon worden. Ik was hier over des te gevoeliger, dewijl het onmogelijk was die te Okotsk te bekomen, al wilde men dezelve tegens goud betaalen.

Bericht wegens de aankomst van den Heer Kasloff te Ingiga.

Eenige dagen daar na vernam ik eene tijding, die een waar genoegen in mijn hart verspreide. Een boode, komende van Ingiga, bragt naricht, dat de Heer Kasloff in die stad was aangekomen; dog hij bragt geene brieven van dien bevelhebber meede, en onze blijdschap wierd welhaast door ongerustheid vervangen. In welk een staat zal hij te Ingiga gekomen zijn? Waarom schrijft hij niets? Mogelijk heeft het zijne gezondheid niet toegelaaten. En dit was reden genoeg om beurtelings den courier te ondervraagen, die niettegenstaande zijne verzekeringen bij niemand geloof vond. Uit hoofde van de waarschijnlijkheid van zijn verhaal, het geen altoos op het zelfde neerkwam, en meer nog door ons eigen vertrouwen, zo natuurlijk, wanneer het dat geen betreft, het geen wij vuurig verlangen, wierden wij langs hoe meer overtuigt, dat onze vrees kwalijk geplaatst was; niettegenstaande de treurige ondervinding, die ik wegens de moeijelijkheid van den weg, en het ongunstige jaargetij ondergaan had, zogt ik echter, verblind door mijne verkleeftheid aan het voorwerp onzer bekommernis, voor mij zelfs alle die zwaarigheden te verbergen, ten einde mij met de hoop te vleijen van hem nog voor mijn vertrek wedertezien.

Historische bijzonderheden wegens den handel van Okotsk.

Okotsk de zetel van het bestier, en de voornaamste stapelplaats voor den Koophandel der Russen in deeze streeken zijnde, vond ik mij inderdaad aan de bron, om over deeze stof eenige kundigheden te verkrijgen; het gezelschap, waar onder ik verkeerde, verschafte mij ten dien opzichte zo veel onderricht, dat het niet missen kon, of ik moest daar voordeel van trekken; ik onderzogt eerst alles, wat den koophandel betrof, ik spoorde de oorzaken op, welken de onderneemingen der Russische volkplantingen in deeze zeestreeken voorbereid, bevestigd en vermeenigvuldigt hebben. Ik verzogt hier toe de hulp der verstandigste persoonen en der bekwaamste kooplieden; en om verzekert te zijn, dat mijne berichten echt waaren, vergeleek ik dikwerf het eene met het ander als meede met de opgaave van Coxe. Het zij mij geoorlooft hier de aantekeningen afteschrijven, welke ik omtrent dit onderwerp ter mijner eigene onderrichting heb opgezamelt. Indien men daar onder eenige belangrijke bijzonderheden aantreft, genoegzaam om deezen uitstap te billijken, als dan zal ik mijnen arbeid genoeg beloond rekenen, en mijn oogmerk bereikt hebben.

Door de overwinning van het westelijk gedeelte van Siberien hadden de Russen zich in bezitting gesteld van zeer rijke mijnen, welken dit landschap in haaren schoot verborgen hield, en waar van deszelfs inwoonders weinig werk scheenen te maaken: de overwinnaars vergenoegden zich niet alleen met de uitgraaving van het ijzer, maar voegden daar ook zilver, goud en andere kostbaare metaalen bij, welke altoos het voorwerp der menschelijke winzucht waaren. De ontdekking van deeze nieuwe bronnen van rijkdom vuurde de begeerte der overwinnaars aan; hier uit vloeide de zucht voort om derzelver heerschappij verder uittebreiden, en hunne begeerlijke vooruitzichten strekten zich tot aan geene zijde van Irkoutsk uit, het welk als toen van dien kant tot eene grensscheiding van dit rijk kon dienen.