Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la Perouse en zyne togtgenooten in de haven van St. Pieter & Paulus op Kamchatka, enz.

Part 23

Chapter 233,909 wordsPublic domain

Des anderen daags, omtrent ten drie uuren in den namiddag, hield ik te Ola, een Toungous Ostrog, honderd veertien wersten van Siglann, stil: het zelve is gebouwd op een zandoever, aan den mond van de rivier Ola, die ter deezer plaats breeder wordende een kleine haven vormt, waar agter de Toungousen zich in den wintertijd begeeven, zij waaren zedert weinig dagen van daar vertrokken, om zich naar de tien yourtes te begeeven, die het dorp Ola uitmaaken, en welke zij in den zomertijd bewoonen.

Yourtes der Toungousen.

Deeze zijn niet onder den grond, even als die der Kamschatters, en de meesten der Koriaken, die een vast verblijf hebben; zij zijn veel langer en beter gebouwd; dikke balken onderschraagen de muuren, en in den top van het dak is van het eene eind tot het ander eene naauwe opening; de haardstêe beslaat ook de geheele lengte van het huis; omtrent agt voet boven het vuur, dat den gantschen zomer aangehouden word, maakt men den voorraad van visch en zeewolven aan dwarsbalken vast, ten einde dezelve te droogen en te rooken, want dit is het voornaamste nut, het welk deeze wooningen aanbrengen; twee deuren, de eene over de andere aan de twee einden geplaatst, verschaffen de mogelijkheid, om de boomen en verbaazende groote stukken hout, waar mede men het vuur aan den gang houd, binnen te brengen. Ieder geslacht heeft deszelfs bed in afgescheiden huisjes aan de zijden van de yourte; dat, waar in ik mij begaf, was met afschutzels verdeeld, die uit bereide vischvellen bestonden, welken aan elkander genaaid en met verschillende couleuren geverwt waaren; deeze kakelbonte tapijten zijn niet onbevallig.

De yourtes voor den winter geschikt zijn rond[157], en even als de zomerwooningen op den grond geplaatst, groote stukken houts, die recht over einde staan, maaken de muuren daar van uit; het dak heeft dezelfde helling als de onzen, en deszelfs top is open om den rook door te laaten; deeze huizen zijn gelijks gronds van een deur voorzien; sommigen zijn van binnen door een soort van galderij doorsneeden, waar door de colomlucht gebrooken word, zo dat de rook er des te vrijer uittrekt.

[157] Onder deeze wooning ziet men een isba.

Opschik der Toungouse vrouwen.

Eenige oogenblikken na mijn aankomst te Ola, ontfing ik een bezoek van verscheidene vrouwen, waar van sommigen op de Russische, en anderen op de Toungouse wijze gekleed waaren. Dewijl ik mij verwonderd toonde van ze allen zo netjes te zien, verhaalde men mij, dat het thans het feest van het dorp was, en dat het daar en boven tot haaren opschik behoorde, van zich aan de vreemdelingen met alle haare cieraaden te vertoonen; onder de vercierselen, welken het meest bij haar in achting zijn, schijnen ze de voorkeur te geeven aan het stikzel met glascoraal: men ziet 'er, die van een zeer goeden smaak zijn, ik wierd 'er onder anderen een op de laars van een jong meisje gewaar, de tekening daar van was met eene bevallige zwier ingericht; hier door wierd niets van het schoone van het been weggenomen, het zelve was met een vel zeer fraaij bekleed, op het welke een soort van kleine vrouwerok nederhong.

Gelaatstrekken, en aart van de Toungousen.

De gelijkenis tusschen de Toungousen en de Russen is zeer sterk, ze hebben dezelfde trekken en de eige taal, de mannen zijn sterk en wel gemaakt, onder de vrouwen vind men eenige gedaantens, die na de Azianen zweemen, dog zij hebben geen platte neuzen en breede aangezichten even als de Kamschatters en de meesten der Koriaken; de zagtaartigheid en herbergzaamheid maaken de hoofdtrekken van het Toungouse volk uit; het heeft hen aan geen iever ontbroken om mij al de hulp toe te brengen, die ik van nooden had, dog derzelver vermoogen is zo bepaald, dat zij niet meer dan een gedeelte mijne honden konden verruilen.

Wanneer wij dit dorp verlieten, reeden wij over de zee; het ijs maakte ons deezen nagt zeer bezorgt, het geduurig gekraak, het geen wij onder ons hoorden, was niet geschikt om ons zeer gerust te doen zijn.

1788. _April_ Den 28.

Met het aanbreeken van den dag bereikten wij het vaste land om een steil voorgebergte overtetrekken. Onze weg was zodanig afgemeeten, dat wij voor zeven uuren weder op de zee dagten te weezen, dog de afdaaling was moeijelijker, dan men mij gezegd had; wij moesten ons een weg door een berkenbosch baanen. Een mijner geleiders, die zich even als de anderen van boven van den berg naar beneden liet gleijen, wierd door een slêe omvergeworpen, die hem een schok toebragt, juist wanneer hij wilde draaijen; hij wilde zich aan de stam van een boom vasthouden, en viel ongelukkig op de punt van zijn met yzer beslagen stok; hij was hier door in de zijde gekwetst en kreeg eene sterke kneuzing aan het hoofd; wij waaren genoodzaakt om hen op een slêe, waar op reisgoed gelaaden was, te leggen.

Ongelukkige tegenspoed.

Een ander ongeval wachtte mij aan den voet van deezen berg; de zee was reeds losgeraakt; welk een gevaar had ik geloopen! daar ik den geheelen nagt op dezelve gereist had; mijne leidslieden waaren op dit gezicht niet minder verbaasd dan ik: "Wat zal ervan ons worden, riepen zij uit? nu zullen wij nog met veel grooter zwaarigheden te worstelen hebben". Ik verborg mijne ongerustheid, terwijl ik hen moed zogt in te boezemen; wij volgden eenigen tijd den oever van de zee: een diep stilzwijgen heerschte onder al mijn volk, de verlegenheid was op de aangezichten geschilderd.

Na verloop van een half uur hield hij, die zich aan het hoofd van den trein bevond, eensklaps stil, roepende, dat hij geen weg meer zag. Ik meende in het eerst, dat de zwaarigheden door de vrees in zijn oog vergroot wierden, en ik zond mijn soldaat Golikoff met den ervaarensten mijner wegwijzers om denzelven optespooren. Bij derzelver terugkomst verzekerden mij de een zo wel als de ander, dat 'er geen mogelijkheid was om verder te komen. Golikoff was van oordeel, dat wij moesten te rug keeren, en een weg landwaarts in zoeken; mijne leidslieden verworpen dien raad, staande houdende, dat het bijna onmogelijk was, om van deezen kant den berg, dien wij afgedaald waaren, weder overtetrekken, dog in de vooronderstelling, dat wij dit oogmerk konden bereiken, zou dan nog de omweg veel te groot en te gevaarlijk weezen, uit hoofde van den spoedigen dooij en de onkunde van den weg, dien men zou moeten volgen; eindelijk stelden zij mij voor om onze sleeden te verlaaten, daar het kostbaarste uitteneemen, en te besluiten om de baaij overtetrekken met van de eene ijsschots op de ander te springen; dog de stroom begon dezelve wegtevoeren en de zee was er mêe bedekt, het is gemaklijk nategaan, dat ik weinig lust betoonde om deeze manier van reizen te onderneemen, waar toe echter deeze volkeren soms genoodzaakt zijn. Ik wist niet wat te kiezen, eindelijk besloot ik om zelf te gaan onderzoeken, of ik langs den oever niet een bruikbaaren weg kon ontdekken.

Weg over een lijstwerk van ijs.

Deeze bestond uit een keten van rotsen, die bijna in deszelfs geheele lengte aan de zee eene platte oppervlakte voordoet, en bij gevolg niets van een zandoever heeft; de zee had in het wegvoeren van deszelfs ijs eene lijst ter zijde van deezen ontzaglijken muur agtergelaaten, dog dit soort van kroonlijst was niet meer dan twee voet breed, somtijds nog maar de helft, en deszelfs dikte was zelden meer dan een voet; wij zagen agt voet laager de golven tegen de rots staan, en een onnoemlijk getal klippen uit het midden der baaren zich wel den voeten boven deszelfs oppervlakte verheffen.

Wel verre van door deeze vertooningen den moed te laaten zakken, begaf ik mij op het gevaarlijke lijstwerk; stoutmoediger geworden door deszelfs stevigheid, ging ik zagtjes voorwaards langs den kant, met den buik tegens de rots aan; ik zag niets waar aan ik mij kon vasthouden, behalven eenige inschietende hoeken, waar aan ik mij plaatste om adem te scheppen, wanneer ik de openingen, die zich van tijd tot tijd onder mijne voeten vertoonden, overgestapt was, want op sommige plaatsen was het ijs geheel van elkanderen afgescheiden en verscheiden van deeze gaapingen waaren twee of drie voet breed. Ik erken, dat ik in het eerst mij zeer bevreest gevoelde, en dezelve niet dan al beevende oversprong; bij een misstap, of bij de minste verbijstering was ik verlooren, nimmer zouden mijne reisgezellen mij hebben kunnen vinden of te hulp komen; na drie quartier uurs op zulk eenen moeijelijken weg doorgebragt te hebben, bereikte ik het andere einde van de rots; ik was niet zo dra daar gekomen, of ik vergat het gevaar van den togt om alleen aan mijne brieven te denken. Ik had dezelve onder de bewaaring mijner soldaaten gelaaten, dog aan mij alleen was de zorg toevertrouwd om ze in veiligheid te stellen; de genoomene proef gaf mij daar hoop toe, en zonder aarselen keerde ik te rug, trotsch op mijne gedaane ontdekking.

Mijn gevolg veroordeelde reeds mijne stoutmoedigheid, die zij voor roekeloosheid hielden; ze scheenen zelfs verwonderd van mij weer te zien. Ik verborg voor hun niet, dat de weg gevaarlijk was "dog dewijl mij niets overkomen is, voegde ik er bij, waarom zoud gijlieden het dan niet waagen om mij te volgen? Ik gaa dien togt nog eens onderneemen, en ik hoop bij mijne terugkomst u allen gerust te zullen vinden, en gereed om mij na te volgen".

Ter zelfder tijd nam ik mijn brieventas en het kistje, waar in mijne depeches beslooten waaren; mijne twee soldaaten Golikoff en Nédarézoff, wier behendigheid ik meermaalen ondervonden had, beslooten mij te vergezellen; zonder derzelver hulp zou het mij niet mogelijk geweest zijn dit vertrouwd pand in veiligheid te kunnen brengen; wij droegen het zelve beurtelings, en gaven het de een aan den ander over; de laatste, die het aannam, namelijk die geen, welke op deeze naauwe borstweering den voortogt had, wierp het spoedig in een hol van de rots, ging eenige treeden voorwaards, en de anderen na hem komende, namen het er wederom uit en begonnen op nieuw den zelven arbeid. Het is mij onmogelijk mijne gewaarwordingen geduurende deeze overvoering meedetedeelen; bij iederen stap over deeze openingen vreesde ik, dat mijn kistje in zee zou vallen, dikwerf scheen het ons uit de hand te zullen glijden, en het bloed stolde mij in de aderen, even als had ik den dood voor oogen. En ik weet waarlijk niet, waar toe mij de wanhoop zou vervoerd hebben, indien ik het ongeluk had gehad van het zelve te verliezen; ik kon eerst vrijelijk ademhaalen, wanneer ik dien schrikkelijken last in veiligheid gesteld had, en toen was ik even zo van vreugde getroffen, als ik te vooren met zorg was aangedaan geweest.

Deeze tweede gelukkige uitslag boezemde mij zo veel vertrouwen in, dat ik niet langer aan de mogelijkheid twijffelde om onze sleeden over denzelfden weg heen te kunnen brengen. Ik deelde die gedagten aan mijne soldaaten meede: door mijn voorbeeld en de gelukkige proef, die zij genoomen hadden, aangemoedigd, keerden zij vrolijk met mij terug om ons gevolg te zoeken: op mijn bevel had men een gedeelte der honden uitgespannen; men hegtte aan de vier hoeken der sleeden lange riemen, die ik voor en agter liet vasthouden; wij wierden daar van wel haast de nuttigheid gewaar, somtijds waaren onze rijtuigen breeder dan het lijstwerk en steunden maar op eene schaats, dus zou de zwaarte ze na den anderen kant hebben doen overhellen, indien ze niet met alle kracht waaren tegengehouden; somtijds moest men dezelve ter plaatze, waar het ijs zich scheidde, spoedig oplichten, om ze in evenwicht te houden; de welgespierde armen van mijne geleiders bezweeken onder den last, en onze vereenigde krachten waaren naauwlijks toereikende om ze staande te houden: men mogt zich zo goed mogelijk vasthouden, het was echter te vreezen, dat de een met den ander zou mêegesleept worden, of dat het ijs eensklaps onder onze voeten zou bezwijken; dog wij raakten met den schrik vrij.

Wij gingen wederom te rug om onze overige honden aftehaalen; men zou gezegd hebben, dat deeze arme dieren meer het gevaar dan wij inzagen, zij huilden en kroopen agterwaards, voor al op de ongemaklijkste plaatzen; te vergeefs spoorde men dezelve door de stem aan, men moest ze slaagen geeven en met geweld na ons toehaalen. Daar waaren 'er vier, die het zij door den wederstand, welken zij booden, of door derzelver domheid, niet even als de anderen wisten overtespringen; de eerste verongelukte voor onze oogen, zonder dat het mogelijk was het beest eenige hulp toetebrengen[158], de tweede bleef aan zijne voorpooten hangen; een mijner leidslieden, door zijn makker vastgehouden, gelukte het, al bukkende dit arme dier weder te krijgen; de twee anderen wierden door derzelver leissel ondersteund en gemakkelijk gered.

[158] Dit was waarlijk een verlies voor mijne leidslieden; er zijn diergelijke honden, die vijftig roubels waardig zijn, en geene dezelver word minder dan ~voor~ vijf roubels gekogt.

Tot deeze verscheidene heen en weergangen besteedden wij zeven uuren arbeids in eene geduurige bekommering. Zo dra zagen wij ons niet buiten gevaar, of wij dankten den hemel, even als luiden, die den dood ontsnapt waaren, wij omhelsden elkander met blijdschap, even of ieder onzer deszelfs leeven aan de hulp van zijn meedemakker verschuldigt was: in een woord, ons genoegen wierd veel beter ondervonden, dan ik in staat ben om het zelve uittedrukken.

Men maakte allen spoed om onze beschadigde sleeden te herstellen; vervolgens vervorderden wij onzen weg over een zandigen oever, met keizelsteenen bezet, welkers breedte en vastheid ons geen den minsten schroom overliet; na verloop van twee uuren ontmoeteden wij niet ver van het ostrog Armani verscheiden sleeden, die ledig naar Ola terugkeerden, en die bij gevolg genoodzaakt zouden weezen den eigen weg te neemen; wij waarschuuwden de geleiders van dezelve, terwijl wij hen een gelijken goeden uitslag toewenschten.

Twee yourtes, de eene voor den zomer, en de andere voor den winter geschikt, maaken het dorp van Armani uit, langs het welk de rivier van denzelfden naam vloeit omtrent een en tagtig wersten van Ola. Ik trok hier door, en hield omtrent drie honderd treeden verder bij een Yakouter stil, die zedert dertig jaaren in eene yourte, in het midden van een groot mastbosch, woonachtig is, en bij wien men mij verzekert had, dat ik een geschikter verblijf zou vinden.

Rustplaats bij een Yakouter.

In deszelfs afweezenheid ontfing mij zijne vrouw ongemeen wel; zij bood ons melk aan, benevens een zuurachtigen drank, bestaande uit gekarnde melk van eene merrie, genaamd _koumouiss_. Deeze drank kwam mij niet onaangenaam voor, en mijne Russen dronken daar van met veel vermaak, niettegenstaande derzelver bijgeloovigen afkeer van alles, wat van een paard komt. Intusschen kwam de man t'huis; dit was een goede grijsaard, die nog sterk en gezond was; na dat hij van de oorzaak mijner reis door zijn vrouw en door mijn soldaat Golikoff onderricht was, welke laatste te Yakoutsk gebooren mij ten tolk diende, beieverde zich mijn gastheer om de beste plaats van zijn huis schoon te laaten maaken, ten einde ik mij ter rust kon begeeven. Ik wierd door het geloei van de kudde, die in de yourte kwam, wakker; agt koeijen, een stier en verscheiden kalveren besloegen met ons het binnenste van de wooning; niettegenstaande dit gezelschap heerschte 'er een zekere zindelijkheid, en de lucht, die men daar inademd, is zuiver en gezond; deeze Yakouter brengt zijn leeven niet door met visschen, en het droogen van dezelve, zo als de Koriaken en de Kamschatters, zijnde dit een voedzel, waar van hij weinig werk maakt; het onderhoud van zijne runderen en de jagt, deszelfs eenigste bezigheden, voldoen aan alle zijne behoeftens; hij heeft daar en boven tien paarden, die hem toebehooren, en welken tot allerlei arbeid dienen; deeze zijn in een perk op een weinig afstands van de yourte geplaatst, alwaar alles eene zekere welgeschikte order aanduid, en vrede en vrolijkheid inboezemd. Ik weet niet of het bijzijn van de kudde, het gezicht en de goede smaak van de melkspijs eenige bekoorlijkheid aan onzen maaltijd bijzette, dog het kwam mij voor, dat ik zedert lang zulken goeden cier niet gemaakt had; de huisheer gebruikte voor mijn vertrek de voorzorg, om eenige stukken wild op mijn voorraad-slêe te doen laaden.

1788. _April._ Den 29.

Het Fort Taousk.

Wij scheiden denzelfden avond zeer vergenoegt de een van den ander; ik reisde den gantschen nagt, en des morgens bevond ik mij, na twee en veertig wersten afgelegd te hebben, in het Fort van Taousk; dit Ostrog, alwaar wij volgens onze gewoonte den dag doorbragten, is aan de rivier Taou geleegen; het bestaat uit omtrent twintig isbas, eene kleine kerk, die door den pastoor van Okotsk bediend word, en een gebouw, waar in men de schattingen bewaard: dit magazijn is met palissaden in de gedaante van bolwerken omheint; twintig Yakouters, twee van derzelver Prinsen en eenige Koriaken, welke de bekoorlijke gelegenheid derwaarts heeft getrokken, maaken al de inwoonders van Taousk uit; de bezetting word door vijftien soldaaten uitgemaakt, onder het bevel van een sergeant genaamd _Okhohu_; ik verbleef bij hem tot aan den avond.

Dorp Gorbé.

Ik trok des nagts door het dorp Gorbé, het geen door Yakouters en een zeer klein getal van Koriaken bewoond word; met het aanbreeken van den dag zagen wij de zee niet meer; wij hadden eerst langs de Taou gereeden, dewijl wij ons niet op het ijs durfden waagen, vervolgens waaren wij ongevoelig landwaarts in geraakt, wij reisden voorts over het veld en op de rivier Kava, zonder een eenige wooning te ontdekken.

1788. _Maij_ Den 3.

Op het oogenblik, waar in wij ons gereed maakten, om in het midden van een mastbosch stil te houden, verhief zich eensklaps een storm, die ons sneeuw in overvloed aanbragt; mijne tent, over de sleeden gehangen, die met reisgoed geladen waaren, verstrekte ons ten schuilplaats; dog wij moesten ook de kookketel overhangen; mijne geleiders bezig zijnde met hout te zoeken, wierden tot boven den gordel met sneeuw bedekt, en zelfs zonken ze met derzelver raketten tot aan de knien toe 'er in. In den agtermiddag veranderde de wind en de lucht klaarde op; dadelijk beklommen wij onze sleeden, dog de dikte van de sneeuw noodzaakte ons om 'er beurtelings aftekomen, om een weg voor onze honden te baanen.

1788. _Maij_ Den 4.

Des morgens trokken wij den berg van Ine over, twee honderd zeventig wersten van Taousk afgeleegen; deszelfs hoogte is gelijk aan die van de Babouschka. Op den top gekomen, beving ons de koude zodanig, dat wij daar stilhielden om vuur aan te maaken; na vijf uuren reizens vonden wij den zeeoever weder, welken wij op eenigen afstand van Iné verlieten, alwaar wij bij het vallen van den avond aankwamen.

Dorp Iné.

Dit dorp is omtrent dertig wersten van den berg geleegen, aan welken het zelve zijn naam geeft; het is door Russen en Yakouters bevolkt, welken in Isbas en Yakoutsche yourtes woonachtig zijn, zij dragen zorg voor een stoeterij van meer dan twee honderd paarden, die wij tien wersten van het dorp ontwaar wierden: ik dagt daar ander voorspan te neemen, en dadelijk te vertrekken, dog ik wierd mijnes ondanks opgehouden door de moeijelijkheid om honden te krijgen; het opperhoofd van de plaats was smoordronken; wij konden eerst, na een uur lang alle moeite aangewend te hebben, het getal, dat wij benoodigd hadden, verkrijgen.

Vijfentwintig wersten van Iné, (alwaar ik, om des te meer spoed te kunnen maaken, mijn reisgoed onder de bewaaring van mijn getrouwen Golikoff had agtergelaaten, met bevel van mij zo spoedig mogelijk te volgen;) trok ik voorbij twee yourtes, door Yakouters en Toungoussen bewoond; dit gehugt word _Oulbé_ genaamd. Wat verder ontmoette ik verscheide convooijen van meel, die men naar de nabuurige dorpen bragt om 'er beschuit van te maaken, geschikt ter verzorging van de scheepen van den Heer Billings, waar van ik binnen kort nader geleegenheid zal hebben om te spreeken.

1788. _Maij_ Den 5.

Aankomst te Okotsk.

Wij kreegen de zee weder in het oog, ik reisde zeven en veertig wersten, zonder den oever te verlaaten, alwaar ik een gestranden walvisch en verscheiden zeewolven zag; boven op den berg van Marikann, namelijk op den afstand van vijf en twintig wersten, had ik het genoegen de stad Okotsk te ontdekken, dog ik moest daar een storm uitstaan, die mij een nieuw verwijl deed vreezen. Niets dan mijn ongeduld volgende, trok ik voorwaards, met het besluit van alle tegenspoeden te braveeren: mijne kloekmoedigheid wierd echter niet op de proef gesteld; aan den oever van de zee weêrgekomen, was de lucht reeds bedaard, en ik kon mijne nieuwsgierigheid voldoen met een verongelukt en op de kust geworpen schip te bezichtigen. Eindelijk, na al beevende de rivier Okhota overgereeden te hebben[159] kwam ik in den agtermiddag ten vier uuren, alleen van Nédarezoff verzeld, binnen Okotsk.

[159] Bij iederen stap boog het ijs onder mijn slêe.

Ik begaf mij naar den Heer Majoor Kokh, die in afweezendheid van den Heer Kasloff het bevel voerde, dien hij benevens mij zedert lang verwachtte; de brief van deezen Commandant onderrichte hem van de oorzaak onzer scheiding, en ik verhaalde hem daar van kortelijk de droevige omstandigheden. Ik wilde mij spoeden, om mij aan Mevrouw Kasloff te vertoonen, ten einde haar de brieven ter hand te stellen, welken haar gemaal mij toevertrouwd had, dog zij was op haar buitengoed vier wersten van Okotsk. Ik was zo vermoeid, dat de Heer Kokh niet wilde toestaan, dat ik mij dien dag derwaards begaf. Een boode bragt de brieven en mijne ontschuldiging over, en gaf tevens kennis van mijn voorgenomen bezoek tegens den volgenden morgen; de beleefde Majoor, oordeelende dat ik voornamelijk rust noodig had, geleide mij op het oogenblik naar het vertrek, het welk in het huis van den Heer Kasloff voor mij geschikt was. Ik vond daar alle die gerieflijkheden, waar van ik zedert mijn vertrek van Ingiga bijna het gebruik verlooren had: in den tijd van drie honderd vijftig uuren had ik maar eenmaal in een bed te Yamsk geslaapen.

1788. _Maij_ Den 6. Te Okotsk.

Bij mijn ontwaaken ontfing ik het bezoek van den Heer Kokh, en de voornaamste Officieren en Kooplieden van de stad; onder dezelve bevond zich de Heer Allegretti, Heelmeester, benoemd voor den togt van den Heer Billings; de gemaklijkheid, waar meede hij het Fransch sprak, zou mij hem voor een landsgenoot hebben doen begroeten, indien hij mij niet bij het aanspreeken zelfs verwittigd had, dat hij een Italiaan was; deeze ontmoeting was mij des te aangenaamer, dewijl ik op nieuw pijn op de borst bespeurde. Ik aarselde niet om hem deswegens te raadpleegen, en mijne dankbaarheid schept een welgevallen, in hier opentlijk te betuigen, dat ik aan zijne kundigheden, en aan de zorg, die hij geduurende mijn verblijf voor mij gedraagen heeft, mijne geheele geneezing verschuldigt ben.

De Heer Kokh bragt mij vervolgens ten zijnent om het middagmaal te houden, wanneer wij nadere kennis maakten[160]; zijne oplettenheid omtrent mij ging zelfs zo ver, dat hij duizenderlei ontwerpen van vermaaken vormde, die hij mij met veel iever mêedeelde, in de hoop van mij eenigen tijd bij hem te zullen houden.

[160] In Duitschland gebooren, spreekt hij echter het Russisch als zijne moedertaal, ook mangelt hem niets dan de vrijmoedigheid om zich even goed in het Fransch uittedrukken; zedert lang met zijne vrouw en drie kinderen in deeze plaats woonachtig, leeft hij daar in vreede in het midden van zijn klein gezin, rijk door de algemeene achting, en gelukkig door het goede, dat hij in staat is te verrichten.